Czytaj książkę: «Granida»

Czcionka:

P. C. Hooft

Granida


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066400934

Inhoudsopgave

VOORBERICHT.

INLEIDING

I.

II.

III.

IV.

INHOUDT

PERSONAGIEN.

SPEL

EERSTE DEEL

TWEEDE DEEL

DARDE DEEL

VIERDE DEEL

VIIFDE DEEL

BIJLAGE.

DE DRUCKER GROET DEN LESER.

MAET DER DICHTEN.

Tekstkritische noten

GLOSSARIUM.


P.C. Hooft’s Granida

Uitgegeven door

J.H. van den Bosch

Vierde druk

[Illustration]

Zwolle—W.E.J. Tjeenk Willink—1922

Zwolsche Herdrukken

Onder redactie van

J.H. van den Bosch en Dr. F. Buitenrust Hettema

[Illustration]

No. 2

Hooft’s Granida

VOORBERICHT.

Inhoudsopgave

Rekenschap omtrent den tekst vindt men achter de Inleiding.

De oude Inleiding van 1890 bleef nog; van nieuwe vondsten en meeningen werd gewag gemaakt.

De asterisken wijzen voornamelijk aan, die woorden die in de tegenwoordige taal nog bestaan maar in min of meer afwijkende beteekenis of met andere kracht. De plaats van den asterisk voor of achter het leesteeken zegt of men met woordverklaring te doen heeft (in het glossarium te zoeken!) dan wel met een Aanteekening.

De Aanteekeningen zijn over ’t algemeen dezelfde gebleven.

INLEIDING1

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

De Italiaansche Renaissance was even radicaal onzedelijk als ongodsdienstig. Een maatschappij zonder godsdienst is altijd een maatschappij zonder zedelijk bewustzijn, eindigt altijd met een afkeer van haar bestaan en ontvlucht dan haar eigen wereld, om in de oorden der phantazie het verbeuzeld geluk en den weggesmeten vrede te zoeken. Zoo is het het Romeinsche Keizerrijk gegaan, zoo ging het in de XVde en de XVIde eeuw in Italië. De Litteratuur der Renaissance was een litteratuur der hoogere standen, en, gelijk altijd, hierin spiegelde het leven zich met kleur en licht en schaduw af. Ongodsdienstig en onzedelijk als zij was, getuigde ze ook van de heerschende zatheid. Gelijk in de negentiende eeuw de dorpsvertelling natuur en eenvoud is gaan prediken, zoo de Herders- en Visscherszang, het Herders- en Visschersdrama en de Herdersroman toenmaals, sinds het laatst der vijftiende eeuw vooral. Vol sentimenteel heimwee goot het dichterlijk gemoed zich uit in klachten over verloren eenvoud, oprechtheid en onschuld. De phantazie van den kunstenaar begaf zich buiten de paleizen, buiten de steden; hij schiep zich, op het tooneel der onveranderlijke natuur, een verdichten natuurmensch. De tijdgenooten nu vonden in den dichter een tolk: die overprikkelde kinderen van weelderige overbeschaving. Zij hadden alles genoten; slechts het contrast kon hen bevredigen.

Hier handelen wij enkel over de Pastorale (Herdersdrama).

De Renaissance-litteratuur was een reproductie van de Romeinsche Letteren hoofdzakelijk, zelf navolging van Grieksche modellen. Ook de Pastorale is van antieken bodem. Theocritus (± 270 v. Chr.) had den beurtzang der Siciliaansche Herders een plaats verschaft in de Grieksche kunstpoëzie. Meestal dialoogsgewijze, schilderde hij daarin Idyllen d.i. Tafereeltjes uit het leven van herders, van landlieden, visschers en kleine burgers. Eerst naar den vorm, daarna ook omdat de stof aan het leven der lagere standen ontleend was, heetten deze Idyllen Bukolische poëzie (boukolos = herder).

In de Litteratuur van Rome ging zij over.

Omtrent 40 v. Chr. dichtte Vergilius een tiental Idyllen, die bij de Romeinen weldra als “Eclogae” d.i. “Uitgelezen Gedichten” bekend stonden. De term Ecloga kreeg zelfs de vaste beteekenis van Idylle. Vergilius en Theocritus, zijn voorbeeld, onderscheiden zich echter eigenaardig. Tijdens den laatste reeds was de bloeitijd der Grieksche Letteren goed en wel voorbij. Maar, ondanks zijn liefde voor de schildering van stille, rustige landschappen (Idylle VII, XXII) en zijn teederheid, het sentimenteele kent hij niet. Zijn herders, zijn burgervrouwen zijn niet meer of minder dan lieden uit het volk. Het is hem om de werkelijkheid te doen. Hij wordt met eenig recht als Realist geprezen. De samenleving te ontvluchten, daarvan is bij hem weinig sprake. Aan de echtheid der herders van Vergilius moet éér getwijfeld worden. Hij en zijn tijdgenooten hulden zich hier in een masker van landelijken eenvoud. Tityrus (Idylle I), ook Menalcas (Idylle V, IX) is de dichter-zelve. Er wordt niet herdersch, maar hoofsch gesproken; over de aangelegenheden der voorname wereld niet zelden. Hier bekoort ons het Realisme van den voorganger niet. Vergilius is de voorganger dier latere dichters, welke hun eigen gewaarwordingen in den mond van natuurmenschen leggen.

Van den aanvang af heeft de Renaissance behagen geschept in de Ecloga der Romeinen. Reeds de geleerden aan het hof van Karel den Groote had zij tot navolging uitgelokt. Nu werd zij een der meest geliefkoosde en meest beoefende genres. Als Vergilius was de Renaissance hoofsch. En juist dat mommespel, die Allegorie viel toenmaals in den smaak, werd kunst bij uitnemendheid geacht. Zelfs de voorloopers van het nieuwe geestesleven, waarin de middeleeuwen overgingen, hebben zich met de Ecloga bezig gehouden; ook Dante liet zich niet onbetuigd: met den naam Tityrus treedt hij, over zijn Commedia handelend, in den herdersdialoog op. Petrarca († 1374) en Boccaccio († 1375) volgden. Het is merkwaardig dat de realistische schrijver der Decamerone van zoo groote beteekenis werd voor de verdere ontwikkeling der herderspoëzie. Boccaccio verbond de Ecloga met het prozaverhaal. In zijn Ninfale d’Ameto schilderen zeven Nymphen voor den jager Ameto de lotgevallen hunner liefde en elk zingt haar Ecloga. Eigenaardig is het Platonisch karakter van dit werk. De Nymphe Fiametta verpersoonlijkt er de Platonische liefde, Ameto’s ideaal. Herders echter zijn niet platonisch. Maar in de XVde eeuw wijdde men zich, ’t meest in Florentijnsche kringen en te Rome, met ernst aan Plato’s philosophie: zij tint ook de Litteratuur van die dagen en later. De Eclogen van Benivieni en Boninsegni getuigen ervan. Doch zuiverder dan elders wordt die boven ’t louter zinnelijke verheven liefde in Sannazaro’s Arcadia van 1504 gevierd. Deze Arcadia, navolging van Ameto, is het tweede meer uitgebreide prozawerk der Herderslitteratuur en wellicht het volkomenste. Idyllische mono- en dialogen besluiten zijn twaalf hoofdstukken. Sannazaro zelf treedt er als Sincero in op, zijn geliefde Carmosina Bonifacia als Amaranta. Groote vlijt is er aan de schildering van het landschap besteed. Zestig drukken in honderd jaren spreken duidelijk van den invloed dien de Arcadia, twee eeuwen lang, in Italië en daarbuiten, op de Idyllische poëzie heeft uitgeoefend. Zij is een overgang tot den Herdersroman geweest.

Tegen het laatst der XVde eeuw begon het Bukolische drama. De dialogische Ecloge was ietwat dramatisch. Een dramatisch tafereel is Theocritus’ XVde Idylle: De Syracusische vrouwen op het Adonisfeest. Het ligt in den aard der zaak, dat de Herders het tooneel eenmaal betreden zouden. De oudste bekende Pastorale is Poliziano’s Orfeo ± 1480. Dat deze Orpheus tevens het eerste zangspel is, is niet maar toevallig. Het Bukolisme was een uitvloeisel van een hoogst subjectief gemoedsleven. De geheele Renaissance vertoont een sterk individualistisch karakter. Daarom heeft zij, hoewel het Epos als de hoogste kunst vereerend, toch geen eigenlijk Epos voort kunnen brengen. En ook in het Drama is zij niet gelukkig geweest, behalve—dat zij de vinder van twee nieuwe genres werd, beide lyrisch en muzikaal van aard: de Opera en de Pastorale. Pastorale en Opera nu vallen in hun oorsprong samen. Want de eerste Pastorale ± 1480 is een soort Opera en de eerste Opera, Rinuccini’s Dafne, 1597 is een soort Pastorale: gedurende de XVIde eeuw was het Herdersspel een der voorloopers van het Dramma per Musica. Opmerkelijk dat in Spanje de eerste proef met muziek in het Drama genomen werd met Lope de Vega’s gedramatiseerde Ecloge Selva sin amor.

In Orpheus speelt alleen het eerste bedrijf, een drietal kleine scenes, tusschen herders. Slechts los samenhangend met de voorgestelde mythe vormt het een spel op zichzelve,—deelt echter tevens zijn koloriet mede aan het geheel. Van dit eenvoudig begin af, ziet men de fabel steeds ingewikkelder worden. In de XVIde eeuw geraakte de Pastorale tot zelfstandig bestaan en allengskens tot hooge volkomenheid. De Poëzie vierde een harer schoonste triomphen in Torquato Tasso’s Aminta, 1573. Minder poëtisch, maar als drama, indien al geen volmaakt meesterstuk dan toch het beste wat de Bukolische Litteratuur heeft opgeleverd, is Guarini’s Il Pastor fido van 1583. Met groote vrijmoedigheid gingen andere dichters bij Guarini en Tasso vrijbuiten: vooral gedurende de XVIIde eeuw, toen de Herder zijn rol ijverig bleef doorspelen. Geen geringe plaats beslaat dit drama in de Letterkundige Geschiedenis van Italië2. Over ’t algemeen vertoont het eenzelfde karakter. Zijn oorsprong uit het gemoed verraadt het niet alleen in menigvuldig Koorgezang, in Canzonen, Eclogen en andere liederen: de taal in haar geheel is er muzikaal-lyrisch. Het zijn valsche herders en valsche herderinnen: het hofleven is er naar de vrije natuur verplaatst: de hoflieden met hun gewaarwordingen, gedachten en overleggingen, met hun zeden, hun glanzende en blinkende onzedelijkheid, hun epicuristische verfijning en onverholen zin voor en in het naakte, kleeden er zich in het eenvoudige gewaad van den herder. Tasso meldde in het werk zijner jeugd, zijn eigen edel, rein hart3, en toch herkent men bij hem van bedrijf tot bedrijf de sfeer van het hof: ook hij was een kind van zijn tijd. Het allegorische van Vergilius’ Ecloge bleef bewaard. Niet slechts schildert Tasso de omstreken van Ferrara. Sannazaro had zijne liefde in de Arcadia beschreven. Dit persoonlijke, dat de groote aantrekkelijkheid van den herdersroman der XVIde en XVIIde eeuw uitmaken zou, is ook eigen aan Aminta en Il Pastor fido. Carino is Guarini; Tirsis Tasso zelve. En toch was het Herdersspel een verheerlijking van dien Gouden Tijd, waarvan de Oude Wereld gedroomd had: toen men vrijwillig, zonder wet, het goede deed. Toch koos de Idyllendichter, zoo hij niet bij Theocritus op Sicilië, of in Italië bleef, tot zijn tooneel veelal dat oude landschap, bij de Grieken zelve vermaard om den eenvoud zijner zeden: dat landschap zonder geschiedenis, zonder wetenschap en zonder kunst behalve die der Muziek: Arkadië.

II.

Inhoudsopgave

Overal elders in het litterarisch Europa werd in de XVIIde eeuw het galante Herderdom door de hoogere standen met open armen ontvangen. Het verhaal dezer ontvangst is even pikant als dwaas. Vorsten en vorstinnen, gravinnen en graven vertoonden het Arkadisch bedrijf, op groote schaal, in het leven-zelf. Doch in Nederland heeft het Bukolisme niet tot bloei kunnen komen. Het was hier toenmaals een tijd van groote kracht: de tijd onzer manlijke rijpheid: een tijd van groote doeleinden, van durven en wagen. Wij stonden als mannen in ons Kalvinisme: ook wij hadden onze zege’s op Spitskop. De natie was burgerlijk. Hecht was de grondslag van burgerlijke zeden, waarop het gebouw der Zeven Provinciën verrees. In zijn Houwelick (1625) heeft de veel gesmade, door slechts weinigen gekende Cats den codex neergelegd van het toenmalig huisgezin: het huisgezin, dat de maatschappij-zelve draagt. Een vonnis over Cats uit te spreken, is de XVIIde eeuw, de natie in haar besten tijd veroordeelen4. De samenleving nu, waar de wijsgeerige waarnemer zulk een wetboek uit putten kon, is noch zat, noch sentimenteel geweest. Zatheid en sentimenteelheid is willoosheid en verveling. Natuurlijke gezondheid is handelende kracht. Al heeft echter de Herderspoëzie bij ons niet willen tieren, toch neemt zij in onze Letteren een plaats in: de Renaissanceletteren waren internationaal, ondanks hun individualisme. Doch juist de geschiedenis der Bukolische Idylle te onzent bewijst, dat de Idyllische stemming ons in het Gouden Tijdperk vreemd was. Een Bukolische kleur draagt onze Litteratuur in de eerste dertig jaren der XVIIIde eeuw: hoe weinig heeft zij toen voortgebracht, dat, zich boven ’t middelmatige verheffende, van genie getuigt, van oorspronkelijk, persoonlijk leven. Vóór 1650 heeft de Italiaansche smaak eigenlijk geen vat op onze dichters kunnen krijgen. Eerst in de tweede helft der eeuw begon men zich er mee in te laten: het nationaal karakter was toen aan het verzwakken. Zoo de Pastorale in de dagen van krachtigen bloei zelfs door een van Vondel’s uitstekendste gewrochten vertegenwoordigd wordt,—de Leeuwendalers van 1647 is ook het meest nationale en meest realistische zijner drama’s: de onvervalschte Pastorale echter is realistisch noch Hollandsch. En hoe was Vondel tot het plàn van zijn Landspel gekomen? De Pastorale was overal elders ook allegorische Feest-vertooning geworden en een Landelijke Allegorie leek den Dichter de beste vorm om, heugelijk, dramatisch te vieren den vrede, die het glorierijk einde was van de rampzalige en beroerlijke tijden waarin het burgerlijke en landelijke Nederland zoolang gedompeld was geweest. Ook was Rodenburg er hem in voorgegaan de Pastorale op vaderlandsche zaken toe te passen, en dat beide stukken de personen en namen van Heereman en Vrederijck gemeen hebben, bewijst voldoende, dat Vondel deze proefneming gekend heeft5. Heel iets anders dan zijn landtooneel was ten jare 1634 de vertooning in Krul’s Amsterdamsche Muziekkamer: de tijdgenooten hebben op het Romantisch Pastorel-Musgck-Spel. dat men hier opera-achtig opvoeren zag, weinig of geen acht geslagen. Eigenaardige beteekenis heeft de Angeniet van Bredero, vijf jaren na zijn dood, in 1623 verschenen. Men mag dit stuk een zónderling soort van Pastorale noemen,—een Pastorale is het. De tegenstelling van oprechten eenvoud en verdorven beschaafdheid is er het thema. Een ongelukkige liefde had den realistischen schilder van het lagere volksleven indachtig gemaakt, hoe elders in Europa vele dichters hun teleurstellingen, hun liefdesmart in herdersdrama en herdersroman gewoon waren uit te klagen. Zoo stortte ook hij zijn hart uit over de practische lieden die penningen boven degelijkheid en talenten stellen, en geeselde er de ontrouwe coquette. Reeds in 1617 had de Trouwen Batavier van Rodenburg het licht gezien. De Leeuwendalers was ten deele aan Guarini’s Pastor fido, voor een ander deel aan Tasso’s Aminta ontleend. De Batavier is een navolging van den Pastor. Vondel’s stuk echter speelt in Arcadië: Rodenburg kiest zijn tooneel in Batavia en stelt den tijd in den tachtigjarigen oorlog, omtrent 1595 kan men zeggen misschien. Wij vinden er ons in den Haag en te Leiden verplaatst. Desniettemin is Heereman hoogepriester van Diana en afstammeling van Hercules gelijk Zeegheer van God Pan. Het is mogelijk dat de dichter (men kent hem er voor) de ongepolijste klucht langs dezen weg wou tegenwerken.5 Dit was dan een misrekening: het stuk is al te zonderling.

Wij handelen nu niet over vertalingen van Herdersromans en van Theocritus’ en Vergilius’ Eclogae, niet over Heemskerk’s didactische Arcadia of over gedichten als Huyghen’s Uytlandige Herder, waarin hij-zelve bespiegelingen over zijn vaderland houdt, noch over het liedboek en de Herderszangen bij Heinsius, Hooft, Cats, Beaumont, Starter, Vondel en anderen. ’t Eene noch ’t andere zou de stelling omver stooten, dat onze Letteren in hun besten tijd alles behalve Bukolisch geweest zijn.

Als Cats’ Pastorale van de Koningklijcke Harderin Aspasia wordt meegeteld, dan ontbreekt op onze boedellijst, wellicht, nog slechts de Granida. Zij is van 1605 maar werd in 1615 gedrukt, en juist dit jaartal is voor ons betoog van belang. Granida is uit de jaren van onze litterarische voorbereiding en wordt met recht een vrucht van Hooft’s liefde voor Italië genoemd. Rodenburg noemt den Batavier een “zestien-jaren-verleden-tijd-verdrijf” en dit voert ons almede naar het begin der eeuw terug: ook hij had vroegtijdig in het buitenland, toen aan het Hof van Elizabeth in Engeland, verkeerd. Een kleine halve eeuw ligt tusschen de Leeuwendalers en deze oefeningen. Wat bracht Hooft echter tot de ùitgave van zijn stuk? Daarvan legt hij rekenschap af in het in handschrift gebleven voorbericht6, dat hij er eerst aan toe had willen voegen. Buiten des auteurs weten had men zijn Achilles en zijn Ariadne voor den dag gehaald en krielend van fouten in ’t licht gezonden. Hetzelfde lot dreigde het herdersspel. En dit dwong hem “om te gedooghen, dat men ’t liever wtgaeve soo slecht als ’t was, dan heel bedorven; hoe seer het hem ook tegens de borst stiet”. Zoo is het schijn, dat in 1615 het onnationale genre in den smaak kwam. Of is het niet opmerkelijk dat juist vlak na Granida Rodenburg zijn Batavier weer ter hand neemt en uitgeeft (1617), zijn half-vergeten proeve7, Bredero den Angeniet opzet8 en in 1618 de eerste vertaling eener Italiaansche Pastorale, door Mr. G. van der Eembd verschijnt en wel juist van Guarini’s Getrouwen Herder, waarmee de Granida annex was9, dien de Batavier nagevolgd had? In drie jaren op eenmaal vier stukken. Tot 1647 duurt het dan niettemin met Vondel’s Landspel (Krul’s stukken zal niemand hier mee laten doen): men was dus niet voortgegaan op den ingeslagen weg. Alleen in 1646 een tweede vertaling van den Pastor10: de vier nog volgende vallen later, en met Tasso’s Aminta duurde het tot 1660, later door nog drie vertalingen gevolgd. Blijkbaar is Rodenburg door het voorbeeld van Hooft indachtig geworden, dat ook hij nog iets in de lade had: hij gaf gaarne uit. Beider voortbrengselen dateerden van een vroegeren tijd en waren aan het verblijf der dichters in Italië en Engeland te danken. Bredero liet zijn wraak weer varen en de uitvoering van zijn plan verbleef aan zijn vriend Starter. Zijn Angeniet is niet uit letterkundige liefde tot het genre-zelf ontstaan.11 En de Leeuwendalers? Wat Vondel op het denkbeeld bracht, hebben wij aangeduid en zijn drama viel niet Italiaansch maar Hollandsch uit.

III.

Inhoudsopgave

Het handschrift der Granida draagt den datum 1 Maart 1605. Om dit vroege jaar moet het stuk met groote belangstelling worden begroet. Er was toen eigenlijk nog geen Nieuw-nederlandsche Litteratuur; zij verkeerde in hare voorbereiding. Geen der andere mannen van onze Letteren kon nog toonen, wat hij worden zoude. Vondel was achttien, Huygens nog geen negen jaar. Maar reeds had Hooft (geb. 1581) zich gezet tot het bewerken van het eerste drama dat, los van alle Rederijkerij, inderdaad modern mocht heeten. Hij opende de toekomst van het drama. Reeds waren liederen uit zijn pen gevloeid, die wedijveren met het beste dat eenig volk ooit gezien heeft. Het Herdersspel moet nog voleindigd worden, als de dichter begint met zich een gedenkteeken op te richten, duurzamer dan metaal: een gedenkteeken van zijn vroege rijpheid en de manlijke kracht van zijn talent. Vóór de Eeuw van Frederik Hendrik daar was, had hij in zijn Lyrische Poëzie al van het hoogste bereikt, dat de kunst daarna bereiken mocht: een onwaardeerbare schat, waarin het vroegste waardig nevens het latere prijkt. In zijn eerste gedichten gaf Hooft niet slechts beloften: hij was van die weinigen, welken het, met veel stillen, ernstigen geestesarbeid, gegund is zoo jong een meester te zijn.12

Hoofts letterkundige arbeid onderscheidt zich eigenaardig en scherp, ondanks wezenlijke punten van overeenkomst, niet enkel van Huygens, ook van Vondel. Vondel en Huygens, ook Cats in een aantal opzichten, zijn vertegenwoordigers van de nieuwe beschaving die op de middeleeuwen gevolgd is en in Italië begon, voortgekomen ten deele uit de herleving van de Klassieke Litteratuur en haar geest. De Nederlandsche Letteren der XVIIde eeuw zijn in veel opzichten echt nationaal. De ijverig Katholieke Vondel en de gematigd Calvinistische Huygens zijn noch Italiaansch, noch copieën van de Ouden. Het is Nederlandsche Renaissance. Maar Hooft heeft een kleine Litteratuur opzich-zelve voortgebracht. Daarin uit zich een gemoeds- en geestesleven, dat veelszins vreemd was aan de natie. Hooft alleen geeft ons een denkbeeld van de Italiaansche Renaissance, van een Renaissance tevens, die in veel wezenlijk Antiek is.13 Hij is, hoezeer tegelijkertijd een degelijke Hollander, een type van een Renaissancemensch; bijna, denkend aan de ondegelijkheid van zijn zuidelijke geestverwanten, zeiden wij: een model—om zich aan te spiegelen. Het is, in zijn algemeen Humanisme, symbolisch voor hem, dat hij, zoomin als zijn vader, tot een kerkelijke gemeenschap behoord heeft. Het Calvinisme noch de Schrift, als levensboek, trok hem aan. Hij gevoelde zich beter thuis in het gezelschap van Petrarca en Ronsard. Hij was minstens even zedelijk als wij; voor ’t overige had hij Italië lief en was op zijn wijze Italiaansch. Dit was hij zonder tegen zijn natuur in te gaan. Hij deed dit ook niet in zijn geschriften. Hij bootste niet na. Het Zuiden heeft hem aan zichzelf ontdekt, hem opgewekt, hem sterk gemaakt en gevormd. Ook aan Frankrijk heeft hij verplichtingen, maar in de Italiaansche Letterkunde zag hij het ideaal bereikt—een Letterkunde de Oudheid waardig gesticht in de taal van de eigen natie. Italië was zijn eigenlijke school.14

Het is Hooft, die te onzent, gelijk het in Italië geschied was, naar de modellen der Oudheid, een nieuwe Geschiedbeschrijving toepast, die de schoonheid met de waarheid vereenigen wil en pragmatischen samenhang verlangt. Latijnsche schrijvers hadden op uitstekende wijze den Brief beoefend. De eerste geesten van Italië vatten die Epistolographie wederom ijverig op. Hooft is het, die bij ons, met hen, zijn Hollandsche brieven den eisch stelt van kunstwerken te zijn. Als de Renaissancemannen van den goeden tijd streeft hij bovenal naar de preciese en aanschouwelijke voorstelling zijner gedachten en gewaarwordingen. Hem spreekt het van zelf, dat zijn Lied, als zijn Sonnet, rijk van gedachte moet zijn en de eenheid van aanschouwelijkheid en juistheid de schoonheid-zelve is. Al zijn Lyrische poëzie verraadt de edele eerzucht van den geroepen kunstenaar, die scheppen wilde, en scheppen kon.

Maar, zooals aan den vorm, ook aan den geest van zijn minnedicht heeft Italië deel,—ook van zijne geschriften in ’t algemeen. Wat hij met de leermeesteressse gemeen heeft, onteert hem gelukkig niet en bewijst zijn soliditeit en zijn zelfstandig en stoutmoedig oordeel. Het maakt tevens dat lieden van moderne denkwijze hem verstaan en behagen in zijn omgang scheppen. Hij is zoo sceptisch aangaande de verhouding der onzienlijke en zienlijke dingen, dat men met recht beweren mag: Hooft is strikt genomen geen “Christen” geweest. De macht die het zichtbaar beloop van het aardsche regeert of stuurt, noemt hij bij voorkeur “Geluk”, “Fortuin”. Met de Oude Godheden, die hij in zijn gedichten zoo natuurlijk huldigt alsof het zijn voorouderlijke godheden waren, is ook de Antieke Fortuna tot hem ingekeerd. Maar de Ouden bracht zij veelal heil en zegen. Hooft stelt haar vaker als de vijandin der menschheid voor: de Grieksche Moira heeft den Romeinschen naam bij hem aangenomen. Het onverbiddelijk Determinisme, dat Hooft later belijdt, is buiten kijf reeds van ouden datum bij hem. Al met zijn eerste Latijn en Grieksch had hij het ingezogen. Het laat zich van vroeg af wel vermoeden, dat dit philosophisch hoofd eenmaal weigeren zal de noodwendigheid van al wat is, oordeel Gods in Christelijken zin te noemen. Fransche philosophie werkte er krachtig toe mee. Prediken doet hij zijn: “Wat weet ik?” niet. Het gevoelen dat de maatschappij met onchristelijken twijfel gebaat zou zijn, is hij niet toegedaan. Hij acht het nergens dienstig toe, er de rust van zijn kalm leven mee te verstoren. Ieder mag op eigen manier zalig worden. Geen belijdenis sluit het goede uit en dit vindt hij veel. Een goede Katholiek is niet slechts. Hooft is indifferent: niet tegen den godsdienst is hij, maar zelf (behoudens zijn eerbied voor het mysterie dat hem omgeeft en zijn vereering van het Goede), zonder uitgewerkt geloof en vurige aanbidding. Verdraagzaamheid vloeit hier uit voort. Niet Vondel’s Roomsch-zijn, maar zijn onnationale gevolgtrekkingen in ’t politieke veroorzaakten een omkeer in de gezindheid van den Drost. Doch—ook Vondel’s ijveren was hem tegen de borst. Hij was niet vrij van Egoïsme, hij was verzot op het aangename, hij was Epicuristisch van aanleg en door studie. Het ideaal van een verstandig man achtte hij in volkomen rust gelegen. In zijn jeugd mag hij dit wel reeds van zijn ouden vriend Hendrik Spieghel vernomen hebben, en geen van beiden heeft Epicurus schande aangedaan. Noch in overvloed en rijkdom, noch in eer en macht stelt hij zijn geluk. Alle zinlijke genoegens en genietingen bemint hij, maar nadrukkelijk waarschuwt hij zich-zelven en anderen voor het Te Veel. Geestelijk genot gaat boven alles. En de middelen, die ons de vriendschap der gelijken en het goede aandenken der minderen verwerven, zijn, met een wel ingericht huis, onder de voorwaarden eener eerlijke gemoedsrust. Hij voor zich rekent nog een uitnemend echtgenoot daartoe.—Zijne denkbeelden over de Liefde zijn niet minder karakteristiek dan zijn vrije blik op de wereld. De Renaissance had over de Alpen een hoogeren stand in het leven geroepen, die zich, anders dan in de Middeleeuwen, door schitterende geestesbeschaving ver boven het gros verheven mocht rekenen. Zij had er de vrouw uit haar staat van afzondering en onmondigheid ontslagen, om haar voortaan te doen huldigen als richteres en handhaafster der schoone vormen. Hooft wederom zou zich op het Muiderslot de verfijning en veredeling van het gezellige leven ter harte nemen en van den beginne af ziet men hem boven het achtenswaardig Vaderlandsch Realisme verheven, dat in de wederhelft weinig meer dan de beminlijke moeder der kinderen en de aangename bestierster der huishouding behoeft. Want den vierentwintig-jarigen dichter van Granida was dit te weinig. In Florence had hij de kunst der Galanterie geleerd en zij was meer bij hem dan vernissen van in hartelijkheid of reinheid te kort schietende gezindheid en neiging. Zoo er conventie en manier in steekt, zij staan hier in dienst der echte poëzie. De uitheemsche taal der vereering werd hem het natuurlijke middel om zijn eigen vereering van de begaafde vrouw te uiten: bewonderenswaardig is de gemakkelijkheid waarmede hij zich deze taal heeft eigen gemaakt. Hij aanbidt in de Geliefde de Bella Donna der Italiaansche sonnetisten: het volkomene Ideaal der Goedheid in Schoonheid zichtbaar geworden, de zuiverste openbaring van het Goddelijke. Ongeveinsd is zijn deelnemen aan hun eeredienst van het Hoogste Schoon, waarin de stoffelijke vorm zinnebeeld is van koninklijke eigenschappen. Uit echte verwondering komt zijn religieus-getinte natuurverheerlijking voort, maar het is voor zijn “Vrouw” dat de vergode Zon schijnt. Ongedwongen neemt zijn spreken den toon aan van het gebed, wanneer hij haar Godin noemt en knielt voor haar altaar. Alle kleinheid en zwakheid is haar vreemd. Zij vereenigt goedheid met waardigheid, met beraden wijsheid teedere lieflijkheid. Heilig zijn haar leden, heilig de gunsten die zij uit Goddelijke genade schenkt. Zoo Platonisch is Hooft wel niet, dat hij het zinlijke minacht. Integendeel. Maar hij wil geadelde zinlijkheid, die, wortelend in de betrekking der geslachten, uitloopt in Ideale Vriendschap:

Het lijf-omhelsen moet bij ’t sielvermengen swichten;

Voor overst ken jck Liefd’, acht Mins vermeugen cleen.15

Men heeft Hooft, in zijn Minneliederen, van onhartelijkheid en gebrek aan hartstocht beschuldigd. Niemand echter die op de bepaalde en juiste uitdrukking zijner denkbeelden en op de vastheid zijner gevoelens let, met onverzwakten nadruk telkens weer uitgesproken, zal van onnatuur en onwaarheid spreken. In hooge mate bezat de dichter de gave der waardeering en het is niet te ontkennen, dat zijn verzen de zeer persoonlijke uiting zijn eener oprechte bewondering van het vrouwenkarakter.

Had de auteur der Granida van 1605 ons zijn naam onthouden, wij zouden dien zonder mistasten bepalen. Zelfs met den datum stonden wij niet verlegen. Duidelijk draagt het werk den stempel van zijn talent. Wij kennen hem aan zijn taal. En ondersteld dat Hooft een vreemd drama navolgde,—er ware grond voor het vermoeden, dat het den invloed van zijn eigen denken heeft ondergaan. Bleek het dat die invloed minder sterk was dan men geneigd was te onderstellen.—de keuze zou getuigenis van den vertaler afleggen. Zoo al de overeenkomst van ideeën tusschen Hooft’s Liederen en zijn herdersspel nog niet de oorspronkelijkheid van het laatste kon bewijzen, uit den klauw zouden wij den leeuw toch kennen. Met zekerheid zouden wij zeggen: dit drama moet uit dien tijd dagteekenen, naar luid van zijn taal; van die taal de kracht nog daargelaten, van die liederen het accent niet eens meegerekend, kan niemand dan Hooft toenmaals zich met zooveel ingenomenheid en zoo gelukkigen uitslag aan de overbrenging hebben gezet. Een toevalligerwijze niet, had de zanger van Weet yemant beter saus als honger tot de spijsen16 zijn hand dan op Granida gelegd. Het was voorkeur—en dit te gevoelen is een voorwaarde van genieten. De kenner van Hooft’s Liederen vindt in zijn Pastorale een bekoring meer, die anderen moeten missen. Hij ontmoet er den wijsgeerigen minnezanger in levenden lijve. Het geestig pleidooi voor de rechten der jeugd herinnert hem aan de Ritornelles voor Diana.17 Galathea uit het lied Vluchtige Nimph18 heeft in Granida haar naam met Dorilea verwisseld; in den dialoog voor Ida Quekel19, heet zij Amaryllis en koestert tegen Cephalus (d. i. Hooft—Daifilo niet ongelijk) hetzelfde wantrouwen reeds. De Epicuristische leer van ’t vergenoegen, met woord en daad door de princes gepredikt, die lage rust boven verdrietige hoogheid kiest, brengt ons telkens het aantrekkelijk gedicht op den rijkdom20 te binnen, waarvan het Herdersspel soms de illustratie wel schijnt. Hooft’s fijne zinnelijkheid schijnt in de Reien der Iofferen, van de twee eerste bedrijven, door te stralen. Onmiskenbaar is in Granida ook zijn natuurzin.21 Zelfs de tegenstelling van Kunst en Natuur ontbreekt er niet.22 Dat de blinde Fortuin er een eerste viool speelt, heeft de dichter ongetwijfeld in orde gevonden. De philosophie over den Staat23 komt hem die Geeraerdt van Velsen (1612 of 1613) of Baeto (1616 en 1617) heeft gelezen, niet vreemd voor: daar vond hij ook de tyrannenhaat van den Republikein uitgesproken en zijn opvatting van de taak der vorsten.24 Eindelijk is in Granida als in de Liederen als in den Baeto de liefde een de geheele schepping doodringende, levenwekkende macht,25 die in den mensch zich met het edelst menschelijke verbindt en hem tot dienaar van het Schoone bestemt. Beide Daifilo en Pieter Cornelisz. klimmen op van de begeerlijkheid die schoonheids lichaam meer dan lichaams schoonheid mint, tot vereering van vorstelijke vrouwendeugd.26

8,65 zł
Ograniczenie wiekowe:
0+
Data wydania na Litres:
16 stycznia 2025
Objętość:
191 str. 2 ilustracji
ISBN:
4064066400934
Wydawca:
Właściciel praw:
Bookwire
Format pobierania: