Czytaj książkę: «De H. Nikolaas in het folklore»
Jos. Schrijnen
De H. Nikolaas in het folklore

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066340056
Inhoudsopgave
I.
II.
III.
IV.
V.
I.
Inhoudsopgave
HET VRUCHTBAARHEIDSTIJDPERK.
Sinte Klaas, die goede man,
Die ook alles bakken kan,
Suikergoed en taaie man,
Ja, daar krijg ik ook wat van.
(Dr. Eelcoo Verwijs, Sinterklaas, 's Gravenhage, 1863. P. 74.)
Verreweg de meeste gebruiken en volksvoorstellingen, die met het feest van den H. Nikolaas in verband staan, behooren m. i. tot de derde groep in de waarlijk „onmisbare distinctie,” door Dr. Brom in zijn eerste artikel vastgesteld(4). Zelfs dan, als de Kerk wilde afschaffen, gelukte het haar bij lange niet volkomen, het ingekankerde heidendom uit te roeien. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men slechts den Indiculus superstitionum et paganiarum(5) na te gaan, en aldra zal men tot de ontdekking komen, dat verschillende nummers, zoo b. v. De incantationibus(6) (No 12), en De divinis vel sortilegis(7) (No 14) nog in het huidige bijgeloof voortbestaan. Opmerking verdient het, dat zich dit bijgeloof vooral aan kristelijke feesten, zoo b. v. Kerstdag en St. Thomasdag vasthecht;—en aan deze opvattingen en praktijken zal toch wel niemand een kristelijken oorsprong willen toeschrijven. Ook vind ik reeds het eerste nummer eener vragenlijst uit de XVde eeuw, ten behoeve der priesters voor biechtelingen uit de gewone volksklasse, in het Limburgsche Folklore terug: Qui exercent supersticiositates cum acu qua cadaver est consutum(8).
Maar wat zeggen van gebruiken als het geven van geschenken, het zetten van den schoen, van volksfantasieën als het rijden over de daken, het werpen door den schoorsteen? Zou men niet veilig kunnen aannemen, dat de Kerk ten opzichte hiervan steeds strikt onpartijdig gebleven is, daar zij er volstrekt geen gevaar in zag, zoo sommige heidensche attributen al door het volk op een H. Nikolaas werden overgedragen? Men moge dan met nog zooveel ijver de oudste dokumenten doorwroeten en het dichtste stof der archieven doen opdwarrelen, ten sterkste zou ik het betwijfelen, of men er ooit in zal slagen, eene kerkelijke veroordeeling van het geloof aan een Sleipnir aan het daglicht te brengen.
Aan Wôdan, de verpersoonlijking der bewogen lucht, den windgod en bijgevolg den god der vruchtbaarheid, behoorden de Winterfeesten; hem op de eerste plaats werd dan geofferd; andere chtonische- en windgodheden, zooals Holda en Perchta, speelden dan slechts eene ondergeschikte rol. Nu mag men met Grimm aan een driedeeling des jaars en, in verband hiermee, aan het voormalig bestaan van drie hoofdoffertijden blijven vasthouden, ofwel—wat waarschijnlijker is—met Weinhold en Phannenschmid, door Mogk gevolgd(9), het Germaansche jaar in vieren indeelen,—het bestaan der beide Winterfeesten wordt door niemand ontkend. Het eerste dezer feesten, hetwelk een geruimen tijd duurde, begon omstreeks het begin van November; het tweede z. g. Midwinterfeest of Joelfeest, ontegenzeglijk het hoogste feest der oude Germanen, viel in de tweede helft van December en in de eerste van Januari. Dit wordt het tijdperk der „Twaalf Nachten” genoemd; onze oostelijke naburen spreken van de Zwölften, Unternächte, Rauchnächte of Losstage. Volgens sommigen moet men door de Rauchnächte de drie Donderdagen vóór Kerstmis verstaan(10). De Tirolsche boerenalmanak geeft als zoodanig 6, 25 en 31 December, en 6 Januari aan. Het woord „Joel”, afkomstig van het Oud-Noordsche jol (= *jul), hangt waarschijnlijk niet met het Angel-Saksische hveol = rad, samen, maar komt waarschijnlijk van eene Indo-Germaansche wortel Jeku, en beteekent „scherts”, „vroolijkheid”, zoodat dit feest, naar zijne etymologie te oordeelen, het „jolige” bij uitstek was(11). Inderdaad, het karakter der beide Winterfeesten bestond in eene uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt 1º door het genieten der offergaven, gedurende dien tijd aan Wôdan c. s. en ook aan de zielen der afgestorvenen gebracht; en 2º—reden van œkonomischen aard—door de twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen, wanneer deze niet, zooals Tille beweert(12), zelfs de hoofdaanleiding tot de winterfeestviering gegeven hebben.
Anders was het in het Noorden. De Oost-Germanen vierden hun hoofdfeest, het Góiblót, in Februari, „til gródhrar” voor den wasdom, terwijl het „Joelfeest” daar in Januari viel, „til árs” voor den oogst(13).
Gegeven dus, dat het eerste Winterfeest eene vrij groote rij van dagen in beslag nam; dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis en Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen; dat beide Winterfeesten hoofdzakelijk Wôdan, den god der vruchtbaarheid golden; dat eindelijk, gedurende heel den tijd, als de natuur schijnt uitgestorven en de winden het vaakst ontketend zijn, volgens de voorstellingen der oude Germanen de Wilde Jacht, met Wôdan als voorrijder, door het luchtruim joeg(14), dan krijgen wij een bijna aaneengesloten feesttijdperk, den god der goede gaven ter eere, dat zich ongeveer van het begin van November tot het midden van Januari uitstrekte. Wij bevinden nu, dat vele volksgebruiken en volksverhalen, welke met kristelijke feesten gedurende dit tijdperk samenhangen,—St. Martinus (11 November), St. Clemens (23 November), St. Andreas (30 November), vooral St. Andreasnacht, St. Barbara (4 December), St. Nikolaas (6 December), St. Lucia (13 December), St. Thomas (21 December), Kerstmis (25 December), St. Stefanus (26 December), het feest der Onnoozele Kinderen (28 December), Driekoningen (6 Januari)—veel overeenkomst blijken te bezitten met de gebruiken van het Winterfeesttijdperk en met de attributen van den god, die alsdan de hoofdrol vervulde. Zien wij dan anderdeels, dat zij in hun huidigen toestand eene groote objectieve verscheidenheid vertoonen en bedenken wij, dat in de feestkringen van andere tijdperken dergelijke overeenkomst vergeefs wordt gezocht, dan dunkt mij is de gevolgtrekking, zoo niet strikt bewijsbaar, dan toch alleszins te rechtvaardigen, dat het hier attributen geldt, van hun oorspronkelijk subjekt losgerukt, en door de volksfantasie, het eene vóór, het andere na, aan kristelijke instellingen en persoonlijkheden vastgehecht.
Heidensche offers gingen steeds van offermaaltijden vergezeld. Wat hiervan in ons hedendaagsch Folklore kan zijn overgebleven? „In unserem Volksglauben”, zegt Mogk(15) „sind in algemeinen die Opfer vergessen; gewisse Gerichte, die man in jenen Tagen isst, scheinen nur noch schwach daran zu erinnern”; en Grimm(16) beschouwt als offerresten vooral „das reiben der heiligen flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen in das feuer, backen und austheilen grosser brote oder kuchen, und der reihetanz”. Zoo ook v. Reinsberg-Düringsfeld: „Der Weihnachtsschmaus trat an die Stelle der alten Gastereien, die mit den Opfern verbunden waren, wie uns die verschiedenen Speisen, die noch üblich sind, sowie die Weihnachtskuchen, welche die Gestalt von Ebern, Pferden und anderen Tieren haben, deutlich bekunden”(17). Men mag deze meening zijn toegedaan of niet, vreemd is het in ieder geval, dat juist gedurende den Joeltijd (in den meest uitgebreiden, boven aangeduiden zin) de meeste smulpartijen en gebaksvormen gevonden worden.
Met St. Maarten bakt men bij ons bijzondere koeken, St. Maartenshoorntjes genaamd; in Duitschland houdt men smulpartijen, Mogk althans spreekt van Martinsschmäusen(18). In het Freudenthal (Oostenr. Silezië) krijgen kinderen en volwassenen op St. Maartensvooravond velerlei geschenken, maar vooral het Martinshörndl mag niet ontbreken(19). Met St. Andreas wordt te Reichenberg de Andreaskranz gebakken(20). In Hohenzollern begint men acht dagen vóór Sinterklaas reeds met het bakken van het Klausenmannle, een wittebrood in den vorm van een dansenden man(21). Met Sinterklaas vergast zich in heel ons land oud en jong aan peperkoek onder de meest grillige vormen en benamingen. Te Seekirch (Würtemberg) bakt men alsdan lange, dunne koeken, die den vorm van pyramiden hebben; in het „Oberambt Ehingen” kleine, ronde suikerbroodjes, z. g. Cloosen-Weckle; te Dieburg (Hessen-Nassau) Nicolaus-Lebkuchen; te Leipzig Pflaumentoffel, eene eigenaardige lekkernij(22). Dan volgt Kerstmis met zijn in het Limburgsche Folklore eigenaardige Kerstbroodje van Geleen(23), en tweede Kerstdag, waarop de kinderen te Neeroeteren (Belg. Limburg) op broodjes onthaald worden(24); voorheen at men op Stefanusdag in den Eiffel tweeërlei brood, het eene zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden(25). Ook zijn de Weihnachtsstollen bekend. Kerstbrood geldt in Duitschland voor brandstillend(26). Tusschen Kerstmis en Nieuwjaar kende men er eertijds een bijzonder soort brood(27). Voeg hierbij nog het Nieuwjaarsgebak („Nieuwjaarsmoppen”, aan den Rijn: „Neujahrskränzchen”) en de smulpartijen op Driekoningendag, die o. a. te Laerz (Mecklenburg) plaats vinden(28), en ge zult tot het besluit komen, dat de gastronomen gedurende het Joeltijdperk geen reden tot klagen hebben. Bovengemelde meening omtrent deze gerechten wordt dan ook, bepaaldelijk voor de Kerstkoeken, aannemelijk geacht, door den inzender van No 1178b der aangehaalde Bartsch'sche verzameling(29): „Die gegen Weihnachten gebackenen sogenannten Kinnerges=Poppen, Has=Poppen, welche nach jetziger Denkung die Hirten von Bethlehem und deren Heerde darstellen sollen, unsprünglieh aber Opfergaben gewesen sein mögen, die am Julfeste dargebracht wurden (Beyer in den Mekl. Jahrb. XX, 150), werden von manchen Bäckern mit Saffran bestrichen und heissen darum auch: Saffran=Pöppings”. Ook Meyer is deze zienswijze toegedaan(30), met het oog vooral op het volgende: Buiten den wolf (en den raaf)(31) zijn Wôdan vooral de bok en de ever heilig; deze dieren vooral werden als symbolen der vruchtbaarheid in den Joeltijd aan Wôdan den windgod, den god der vruchtbaarheid geofferd. “Veel wind, veel ooft,” zegt een spreekwoord; wind schenkt vruchtbaarheid en doet het koorn, rijpen(32). Vandaar 1º dat Wôdan als god der vruchtbaarheid vooral dan vereerd werd, als de winden heviger loeiden dan ooit. Het Joelfeest werd dan ook niet ter eere van den zonnegod, maar van den god der vruchtbaarheid gevierd(33); en 2º dat om redenen van œkonomischen aard dit feest bij de Germaansche plattelandbewoners als het hoogste gold. Nu bakt men gedurende het heele Joeltijdperk, niet slechts met Sinterklaas, niet alleen koeken in den vorm van menschen en paarden, maar vooral van bokken en varkens. Ook met Kerstmis stellen in Mecklenburg de z. g. Kinjes-Poppen meestal varkens voor(34). In Zwaben bakt men met Kerstmis Springerle, d. i. koeken in allerhande soorten van diervormen. Dan ook wordt in het Noorden de Julgalt gebakken en onder het zaadkoren gemengd; dit gebak heeft den boks- of zwijnsvorm. Op Nieuwjaarsmorgen brokt de Meklenburger een Hörnstöter onder het voêr(35). Ook in het Odenwald mengt men z. g. Julkuchen onder het zaad; als eigenaardigheid diene echter hierbij te worden vermeld, dat de boksvorm hier met een hamer versierd is(36). Dit mocht ons onverklaarbaar voorkomen, wisten wij niet, dat ook de hamer een hoofdsymbool der vruchtbaarheid is, wel niet aan Wôdan, maar aan Donar toegeschreven, die volgens Saxo Grammaticus door een slag van zijn hamer den bliksem deed geboren worden(37). Waarschijnlijk hebben wij hier te doen met No 26 van den Indiculus superstitionum:(38) De simulacro de consparsa farina(39). Ook anderszins nog wordt zulk een simulacrum vervaardigd. In Oost-Gothland is het een met zwijnshuid overtrokken blok, Julbucken genoemd; en in Silezië snijdt men schapen en geiten (niet veeleer bokjes?) uit hout, en overtrekt die met konijnsvel(40).
De Joeltijd is daarenboven het tijdperk, gedurende hetwelk, zooals Dr. Brom het zoo juist uitdrukt, „gegeven werd en tegenwoordig nog gegeven wordt”(41).
Wederom wordt dit tijdperk door St. Maarten geopend. In de provincie Limburg, te Roermond en te Venloo vooral, wordt op het feest van dezen Heilige de jeugd op appelen, peren, noten, krakelingen en wat dies meer zij onthaald; ook in de noordelijke provinciën is dit gebruik niet heelemaal onbekend, zooals uit de door Schotel verzamelde gegevens blijkt(42). Iets dergelijks vindt men in heel Mecklenburg(43), in de Altmark(44) en in Oostenrijksch Silezië(45); daar geeft men alsdan ook aan volwassenen allerlei soort van geschenken. Op sommige plaatsen is St. Maarten zelfs het hoofdfeest en komt Sinterklaas of Kerstmis op de tweede plaats, zoo b. v. te Düsseldorf in Erfurt(46), waar men als te Venloo, te Utrecht(47) en voorheen in Oostfriesland(48) met lantaarns en lampions op den vooravond door de straten trekt, in de Rijnstreken, te IJperen, in heel het kanton Aalst(49) en voorheen te Augsburg(50). Over de roede van St. Martinus in een volgend hoofdstuk. In Engeland is St. Clemensdag, te Reichenberg St. Andreasdag schenkingsfeest(51).
Darmowy fragment się skończył.