Czytaj książkę: «De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem»
Joost van den Vondel
De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066403515
Inhoudsopgave
DAVIDS LOFZANG VAN JERUZALEM, DIE HEERLIJKE EN HEILIGE STAD GODS, of een Poëtische Uitbreidinge over den 122 Psalm.
Grafschrift op Bredero
AAN DEN BRUIDEGOM LAMBRECHT JACOBSZ. MET ZIJN BRUID AACHTJEN ANTHONIS (Dr.) , VEREENIGD ANNO 1620, DEN 28EN VAN HOOIMAAND.
Gebed, uitgestort tot God OVER MIJN GEDURIGE KWIJNENDE ZIEKTE, A o . 1621.
Gebed.
Opdracht DER AFBEELDINGE VAN PRINS WILLEMS GRAF , AAN DE STATEN DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.
Op HENRIK DE KEYZER, DOORLUCHTIG BEELD- EN STEENHOUWER VAN AMSTERDAM.
OP HET METALEN PRONKBEELD, TE ROTTERDAM OPGERECHT, TER EERE VAN DEN GROOTEN ERASMUS.
GEDACHTENIS VAN DESIDEER ERASMUS. ROTTERDAMMER, AAN DEN HEER PIETER SCHRYVER .
Op Erasmus.
Davids Lijkklacht OVER SAUL EN ZIJN ZONEN.
Mozes' Gezang.
Babylonische Gevangenis PSALM CXXXVI.
Op de Geboorte van ONZE HOLLANDSCHE SAFFO ANNA ROEMERS .
Klinkert OP D. WILLEBRORDUS SNELLIUS, MATHESEOS PROFESSOR IN DE HOOGE SCHOLE TOT LEIDEN.
TOT LOF VAN DE KUISCHE EN GODVRUCHTIGE MARTELARESSE ST. AGNES.
UITBREIDING OVER DEN 19 PSALM DAVIDS, VERVATENDE DE UITNEMENDHEID VAN DE WET DES HEEREN.
Lijk-dicht, OP HET OVERLIJDEN VAN D. COENRADUS VORSTIUS, GEWEZEN PROFESSOR DER H. GODHEID, TOT LEIDEN.
Op Jacobus Arminius
Op Johan Uytenbogaert .
Op Simon Episcopius
MISBRUIK DES KERKELIJKEN BANS. Klink-dicht.
Op een Moordpasquil, BIJ EEN ANDER GEDICHT, EN MOEDWILLIG OP MIJNEN NAAM GEDRUKT.
Op de Zangkunst VAN Heer JOAN ALBRECHT BAN .
OP MEESTER JOAN PIETERSEN SWELINGH , FENIX DER MUZIEKE, EN ORGELIST VAN AMSTERDAM.
Het Lof der Zeevaart, AAN DEN HEER LAURENS REAEL, RIDDER, OUD-GENERAAL VAN OOST-INDIËN, ENZ.
Vechtzang, VOOR JOFFROUW MARIA TESSELSCHADE.
De Tortsen VAN ALARD KROMBALK, EN TESSELSCHA ROEMERS .
Bruiloftlied.
OP TESSELSCHADES HUWELIJK MET ALARD KROMBALK.
Op een Trouwpenning.
ANDER.
Op een Trouwpenning .
ANDER.
Op de Dood van JONKVROUW MACHTELD VAN KAMPEN
Op 't Vertolken van Bartas DOOR DEN HEER WESSEL VAN BOETSELAER, VRIJHEER EN BARON TOT ASPEREN.
OP DEN BURGERKRIJG DER ROMEREN, DOOR DEN HEER FISCAAL STORM UIT LUCAAN VERTAALD.
NEREUS' VOORSPELLING OP Den Ondergang van Troje; UIT HORATIUS.
Lijkklacht over OVIDIUS NASO, UIT ENGEL POLITAEN 'S LATIJN VERTAALD.
GEZANG, OP HET LATIJNSCHE WOORD TRAHIT SUA QUEMQUE VOLUPTAS .
Gekken te hoop.
OP HET VERONGELUKKEN VAN DOCTOR ROSCIUS.
Op Anthony Roscius.
STRIJD OF KAMP TUSSCHEN KUISCHHEID EN GEILHEID GEHEILIGD AAN DE EERWAARDIGE EN AARDIGE JONKVROUWEN CATHARINA EN DIANIRA BAECK.
Wijk -zang.
Kristelijk Vrijagiëlied.
ZANG, OP DE WIJZE: IETS MOET IK U, LAURA! VRAGEN.
BEEKZANG, AAN KATHARINA.
OP HET TROUWEN VAN JUFFROUW MAGDALENA VAN ERP MET JUSTUS BAECK.
OP DEN HEER JUSTUS BAECK EN MAGDALENA VAN ERP.
OP MEVROUW, DE DROSTIN VAN MUIDEN, KRISTINE VAN ERP .
OP DE AFBEELDING VAN HANS DE RIES
OP DE AFBEELDING VAN LUBBERT GERRITSZ.
OP URBAAN DEN ACHTSTEN
OP "DE LEDIGE UREN" VAN DEN GEESTRIJKEN HEERE CONSTANTIN HUYGENS
DAVIDS LOFZANG VAN JERUZALEM,
DIE HEERLIJKE EN HEILIGE STAD GODS,
of een Poëtische Uitbreidinge over den 122 Psalm.
Inhoudsopgave
Ik verheuge mij dies, dat mij gezeid is, etc.
1.
Wanneer ik over 't hoofd Jeruzalems zie hangen
Het uitgetogen zweerd, dat haren schedel dreigt:
Wanneer ik Sion zie met ketenen gevangen,
En dat zoo schoonen zon haar p'ruik ter aarden neigt:
2.
Als ik ons daken zie en muren omgevallen,
Ge-effend met het gras, dat 't leegste dal besloeg,
En 't pratte Babilon met dees[1] trofeên gaan brallen,
Die David zegenrijk den Filistijn ontjoeg:
3.
Dan sterft mijn hert van rouw, dan gaat het op een schreyen,
Dan ben ik als de sneeuw, die voor den zomer smelt[2],
Dan gaat mijn droeve ziel in 't dal van droefheid weyen,
Daar stadig eenen stroom van vochte peerlen zwelt;
4.
Maar als ik, wederom gekomen tot mij zelven,
De spitsen rijzen zie van 't heerlijk nieuw gebouw,
Den tempel en 't paleis, die prachtige gewelven,
Dan schiep ik zoo veel vreugds als voormaals was de rouw.
5.
Dan spreek ik bij mij zelf: "o, Salem uitverkoren!
Van blijdschap juicht mijn hert, van vreugd ontspringt mijn ziel,
Om dat, ik weet niet wie, mij luistren komt in de ooren:
De stad is weêr gebouwd, die voormaals neder viel;
6.
God, God heeft aangezien 't boetveerdige vernedren
Van zijn twaalfstammig volk, gevangen aan d' Eufraat,
De tempel wederom, met marmorsteen en cedren,
Den sterren 't voorhoofd biedt, en naar de wolken gaat.
7.
Het heiligdom, dat praalt met goude en zilvre vaten;
De priestren, op een nieuw, 't hoog altaar smoken doen;
Men hoort de rundren weêr en vette koeyen blaten,
Welks smeer[3] geheiligd is, om 't offervuur te voên.
8.
Klimt op in 's Heeren huis, klimt op in 't huis des Heeren!
Van onzer vadren stad de poorten open staan;
Laat 's priesters lippen u Gods wet en zeden leeren,
En aan zijn voetschabel roept uwen Koning aan!
9.
O, uitverkoren stad! o, moeder aller steden!
Door 's Hemels schikking zelf, niet bij geval gesticht,
Tot een bijzonder eind, door 's Oppersten beleeden[4];
Gij zult mijn doelwit zijn, en stof van mijn gedicht.
10.
O, eere van Judeên! o, zetel van de stammen,
Die met den heilgen glans eens Godheids zijn bekleed!
Gij blinkt met 's konings kroon en 's tempels heilge vlammen,
Dat elk een, die u ziet, van u te spreken weet.
11.
Den ijver mij verslindt, en krenkt bijna mijn zinnen,
Wanneer ik vieren help op 't statigst 't hooge feest;
Dan ben ik naauwlijks mensch, maar een der Cherubinnen,
Mijn lichaam is wel hier, maar elders mijnen geest.
12.
Men ziet een wereld hier van menschen t' zamen dringen,
Van wijd en zijd te hoop vergaderd op een steê:
Gelijk de vloeden, die van hier en daar ontspringen,
En geven zich op 't lest uit de engten in een zee.
13.
De priesterlijke rei, welriekende van 't smeeren[5],
Uitmuntende in cieragië, elks aanzicht tot zich haalt,
In rokken, gordels, hoên[6], en geschakeerde kleêren,
In goud en klaar gesteent' het oog bijna verdwaalt.
14.
't Slachtoffer, eerst gehecht, geknoopt aan 's altaars hoornen,
Met zijn warm ingewand het heilig plat beslaat;
Den Hemel, die zich om 's volks zonden ging vertoornen,
Op de offeranden ziet, en zich verzoenen laat.
15.
Daar vangt dan 't loven aan, daar zingt men Gode psalmen;
De wind, het snarenspel, en 't Goddelijk muziek
In 't hangende gewelf doen de Echo wedergalmen;
Dan juichen ze als om strijd met d' Englen algelijk.
16.
God Jacobs! roepen zij, van kalveren noch stieren
Kan 't uitgestorte rood afwasschen onze smet,
Maar een veel eedler bloed van 't slachtschaap goedertieren,
Ons allen tot een zoen en offer voorgezet.
17.
Wij zien alleen op Hem, op Hem alleen wij oogen;
Hij wordt door deze dienst ons levende afgebeeld.
O, komt MESSIAS! komt, en helpt ons onvermogen,
Op dat de schaduw vliê, die ons voor d' oogen speelt.
18.
Lof, lof zij Gode en 't Lam, dat, eer de sterren blonken,
Ons met zijn dierbaar bloed hem zelven heeft gekocht;
Heft als gevleugeld op uw herten leeg gezonken,
En draagt des hoogsten roem ten wolken in de locht.
19.
O, peerle van het rijk! o, hoofdstad uitgelezen!
Noch zwijge ik, dat in u van elpenbeen en goud
Staat, vol van majesteit, de rechterstoel gerezen,
Daar elk zijn vonnis haalt als Juda vierschaar houdt.
20.
Hier dringt men voor 't paleis: d' een moet den koning spreken,
En d' ander hem te zien is al zijns herten wensch:
Zoo fluks hij zich vertoont, is elks gemoed bezweken,
Als hij meer God gelijkt dan eenig sterflijk mensch.
21.
Dat Memfis 't hoofd inhaal, en vrij den moed laat dalen
Voor 't glinstrende kasteel, dat in de bergen ligt;
Dat Sidon niet eens droom dees spitsen t' achterhalen,
En Tyrus elders wend' haar schaamrood aangezicht.
22.
Zij pronkt gelijk de bruid eens konings hoogverheven,
Kleinoodje is haar sieraad, en purper hare dracht;
Den Hemel scheen verliefd zijn trouwe aan haar te geven,
En heeft om dees Godin alle andere steên veracht.
23.
Zij schijnt een Paradijs, omhelsd van zilvre beken,
Een Eden, daar het mann' aan 't hout des levens groeit,
Een riekende prieel, dat, nergens bij geleken,
Geen wintervlagen voelt, maar altijd jeugdig bloeit.
24.
Zij treedt gelijk een paauw, wiens schemerende schachten
De schoonste voglen zelf ontluistren heel beschaamd.
Maar zacht, mijn zangeres! daar schiet in mijn gedachten,
Dat zij geen roem ontbeert, die alsins[7] is befaamd.
25.
't Zij, dat ik dan aanzie, dat binnen uwe wallen
't Hoofd Levi vet gezalfd, en Juda wordt gekroond:
Dat ze elk, naar haren staat, op 't alderheerlijkst brallen,
En dat d' een 't Heiligdom, en d' ander 't Hof bewoont:
26.
Het zij, dat ik aanzie, dat gij begrijpt de kooren
Van 't blinkende gewelf 't welk Gode is toegewijd,
Daar d' Hemel de gebeên der heilgen wil verhooren,
En als wij zijn vervloekt ons weêr gebenedijdt[8]:
27.
Het zij, ik u aanschouwe als 't beeld, dat ons naar 't leven
Een stad voor oogen bootst, waarvan dat[9] ieder een,
Elk een die van de geest des Heeren wordt gedreven,
In 't lest der dagen wordt een levendige steen:
28.
Het zij gij 't munster[10] mij wilt van die stad toeschijnen
Daar onzer vadren God van is de timmerman[11],
Wiens poorten peerlen zijn, wiens muren zijn robijnen,
Een stad die eeuwig blijft, noch zich bewegen kan:
29.
Gij zijt Jeruzalem en blijft mijns herten weelde;
Dat Jacob, als hij is ontlast van Babels juk,
Van verre u heil toewenschte, en zijnen zegen deelde[12]!
Dat op uw minnaars daalde een regen van geluk!
30.
Vermits de brand des twists neêrbliksemt hooge muren,
En voorspoed in de schoot van vrede en eendracht rust,
Moet vrede in u altijd en eeuwiglijken duren,
En 't vuur des dullen krijgs steeds blijven uitgebluscht.
31.
Om onzer broedren wil, ter liefde van de vrunden,
Die gij een herberg strekt en aangename woonst'[13],
Wij hertelijker nog u vrede en welvaart gunden,
En wenschen, dat gij groeit en bloeit op 't alderschoonst'.
32.
Om d' heilge dorpels ook, die binnen uwe vesten
Geplaatst zijn, en betreên van Aärons geslacht,
Ik steeds betrachten wil al 't geen u dient ten besten,
Gelijk een, die uw heil zijn heil te wezen acht."
DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.
[1] Voor die.
[2] Het onderscheid door Van Lennep tusschen dit smelt en 't vroegere smilt bij Vondel gezocht, is even denkbeeldig als dat tusschen tasch en Vondels tesch; verg. boven, bl. 42b, aant. 188.
[3] vet; van daar nog de naam van een bekend gebak: smeerbollen.
[4] Voor beleiden, bestier.
[5] Voor zalven.
[6] Voor hoofddeksels in 't algemeen.
[7] van alle zijden.
[8] Voor benedijt, zegent.
[9] Naar de spreektaal.
[10] monster, beeld.
[11] Voor bouwmeester.
[12] Voor toe-deelde.
[13] woning, zie vroeger.
Grafschrift op Bredero[1].
Inhoudsopgave
Hier herbergt[2] 't lijf, wiens geest in kluchten muntten uit,
En[3] met veel boerterij steeds zwanger ging van hersen;
Wien Charon willig voerde om sunst[4] in de oude schuit,
Vermits de zieltjens droef nog lachten om zijn farcen[5].
(In latere lezing:)
Hier rust Breêro, heengereisd,
Daar de boot geen veergeld eischt
Van den geest, die, met zijn kluchten,
Holp[6] aan 't lachen al die zuchtten.
[1] De bekende geestige dichter Gerbrand Adriaansz. (in Bredero), 23 Aug. 1618, ruim 33 jaar oud, overleden.—Om de reeks der voorafgaande gedichten niet te breken, bespaarden wij deze kleinigheid tot hier.
[2] woont, huist; verg. vroeger.
[3] Versta: En die.
[4] om niet; verg. vroeger.
[5] Fransch voor kluchten.
[6] Voor hielp.
AAN DEN BRUIDEGOM
LAMBRECHT JACOBSZ.[1] MET ZIJN BRUID AACHTJEN ANTHONIS (Dr.), VEREENIGD ANNO 1620, DEN 28EN VAN HOOIMAAND.
Inhoudsopgave
De Schilderkunst, die praalt met duizend oude stukken,
Die aan den Tiber als Godin wordt aangebeên
Van aller geesten puik, dat vurig derwaarts heen
Zich spoedt, om met doô stof het leven uit te drukken;—
Dees[2], hoe aanlokkend, kost de zinnen niet verrukken
Van onzen schilder-geest[3], die[4], in 't gemoed bestreên,
Geen doode verw vernoegt, albast noch marmersteen,
Om een ontdoken bloem in 't Nederland te plukken.
Na veel raadslagens hij 't Geheimenis[5] dus vraagt:
"Waar mag mijn êga zijn? hoe noemt men deze[6] maagd?"
"Aacht!" galmde 't Heiligdom; dies, om nu uit te kiezen
Van duizend Aachten één, keerde onze bruîgom thuis,
En zocht zijn troost, zijn helft, zijn bruid, met druk en kruis,
En in midzomer[7] vond zijn Aacht in 't Hof der Friezen.
[1] Doopsgezind predikant te Leeuwarden.
[2] Nam. de straks vermelde Schilderkunst.
[3] L. Jsz. was als talentvol schilder bekend.
[4] Thans dier.
[5] Gelijk reeds meer voor orakel.
[6] Versta: die.
[7] Thans ongelukkig verloren, voor Sint Jan in den zomer; verg. Shakspere's midsummernightsdream.
Gebed, uitgestort tot God
OVER
MIJN GEDURIGE KWIJNENDE ZIEKTE, Ao. 1621.
Inhoudsopgave
Gij die de ziekte kweekt, en doet ze weêr verdwijnen,
Aanziet een Kristen hert, belegerd met veel pijnen;
O, Vader alles troosts! gij weet en ik beken,
Dat ik een aarden vat, en broos van stoffe ben!
Aanziet de zwakheid dan van uwen armen dichter,
Mijn rouwe wonden zalft, en maakt mijn kwalen lichter;
Of, zoo 't u dus behaagt om onzer zonden schuld,
Zoo wapent mijne borst bestendig met geduld:
Dit harnas eischt den[1] nood, want jaren zag ik enden,
Maar nooit mijn zwarigheên en dagelijksche ellenden.
Dit maakt mij 't leven zuur, en mat de geesten af,
En doet ons hemelwaart vaak zuchten om het graf.
Als ik de zwaluw zie geherbergd aan de gevel
Van 't overlenend[2] huis: "o, die van d' aardsche nevel
Ontslagen," spreek ik dan, "mocht nestlen, daar 't gestarnt,
Daar 't goud in 't blaauw torkois zoo flonkerende barnt!"
Gij weet het, goede God! hoe vierig uwen zieken
Naar een gezonder locht, door 't roeyen van zijn wieken,
Opstijgen wil gezwind, of dat een van uw boôn[3]
Hem op zijn pennen draagt in uwen rijken troon.
Als ik, om tijd-verdrijf, met mijne stem ga paren
Den weêr-klank van mijn luit en zangerige snaren,
Dan dunkt mij, dat uw geest met mijnen geest getuigt,
Hoe 't heilig heerschaar Gods daar boven speelt en juicht.
Dees lust tot 't hoogste goed, dit Goddelijk verlangen,
Uit dees kwellagie wordt geboren en ontvangen.
Wij nemen dan in dank den tijdelijken druk:
Laat ons, o Heer! slechts niet bezwijken onder 't juk;
Noch laat de ellende niet te zeer ons broosheid tergen,
Noch meer als[4] het vermag, wilt niet uw schepsel vergen;
Zoo zal mijn zangeres u roemen onder maan,
En 's werelds duistre nacht en schaduwen versmaân
Om[5] 't zalig licht, tot dat de geest, van 't lijf gescheyen,
Zal weerdig zijn bekend[6], te juichen met uw reyen.
[1] Eerste naamval.
[2] vooroverhellend.
[3] Engelen.
[4] Thans dan.
[5] voor.
[6] erkend.
Gebed.
Inhoudsopgave
Uw zegen, Heer! daal op ons allen:
Bewaar ons, dat wij tot geen kwaad vervallen!
Ons zorge zoek' het rijk daar boven meest!
Nu, in den naam van Vader, Zoon, en Geest,
Genuttigd, met een dankbaar hart, te gader,
Al wat ons wordt gejond van God, den Vader!
Zijn milde hand verleent ons drank en spijs:
Men geef hem lof, en dank, en eer en prijs!
Darmowy fragment się skończył.