Czytaj książkę: «De complete werken van Joost van Vondel»

Czcionka:

Joost van den Vondel

De complete werken van Joost van Vondel


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066402822

Inhoudsopgave

OP DE AANKOMSTE VAN DE KONINGINNE VAN 'T ZUIDEN TE HIERUSALEM.

Klinkert.

Vier Uitersten .

Uiterste Oordeel.

JAAR-ZANG, OP DEN TOON VAN DEN NEGENDEN PSALM.

HEMELVAART-ZANG, OP DEN TOON VAN DEN ACHTSTEN PSALM.

PINXTER-ZANG, OP DE STEM VAN DEN C PSALM.

PINXTER-ZANG, OP DE STEM VAN MARIA LOF-ZANG.

Aandachtige Betrachtinge OVER KRISTUS' LIJDEN, UIT DEN HOOGDUITSCHEN VERTAALD DOOR M. L. B. EN TER LOOPS GERIJMD DOOR J. V. V., OP DE WIJZE VAN DEN 91 PSALM.

ZEDIG GEDICHT VAN DE IJdelheid der Menschen en Wankelbaarheid der Konink-rijken.

Houwlijk-Zang, tusschen God en de Geloovige Ziele, OP DEN TOON VAN DEN 100STEN PSALM DAVIDS.

DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS.

Aan de Oudvaderen, Priesteren, Koningen, Profeten, en Helden.

DEN WIJZEN, GELEERDEN EN WELERVAREN HEER JOHAN FONTEYN, DER ARTSNIJEN DOCTOR, EN LIEFHEBBER VAN ALLE GOEDE KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN.

AAN DEN OPMERKENDEN EN VERSTANDIGEN LEZER.

Klinkert.

ADAM, DER VADEREN VADER.

ABEL, DE EERSTE MARTELAAR.

SETH, DE GODVRUCHTIGE.

ENOCH, DIE 'T GRAF VERSMAADDE.

NOACH, D' OUDSTE SCHIPPER.

MELCHISEDECH, DE KONINKLIJKE PRIESTER.

LOTH, HET ZOUT VAN SODOMA.

ABRAHAM, DER GELOOVIGEN VADER.

IZAÄK, DE BELOOFDE.

JACOB, DE WORSTELAAR.

JOZEF, DER JONGELINGEN SPIEGEL.

MOZES, DE WETGEVER.

AÄRON, DER PRIESTEREN ZONNE.

FINEAS, DE PRIESTERLIJKE HELD.

CALEB, DE STANDVASTIGE.

JOZUA, DE LEIDSMAN.

GEDEON, DE HELD.

SAMSON, DE STERKE.

SAMUEL, DE PROFETISCHE RECHTER.

DAVID, DE KONINKLIJKE PROFEET.

SALOMON, DE WIJSHEID.

ELIAS, D' OPGENOMENE.

ELIZEUS, ELIAS' NAVOLGER.

MICHAEAS, DE VERTOONDER.

JONAS, DE BOETPREDIKER.

EZECHIAS, DE GODSDIENSTIGE.

JOZIAS, DE GODZALIGE.

EZAIAS, DE EVANGELISCHE PROFEET.

JEREMIAS, DE VROEGPREDIKER.

EZECHIEL, DE GROOTE ZIENDER.

DANIEL, DE GODGELEERDE.

DE TWAALF PROFETEN, OF REI DER ZIENDERS.

ESDRAS, DE WETGELEERDE.

NEHEMIAS, DE HEILIGE BOUWMEESTER.

JOB, DE LIJDZAAMHEID.

TOBIAS, DE GODVREEZENDE.

MATATHIAS, DE PRIESTERLIJKE KAMPIOEN.

JUDAS MACHABÆUS, DE VOORVECHTER.

OP DE AANKOMSTE VAN DE
KONINGINNE VAN 'T ZUIDEN TE HIERUSALEM.

Inhoudsopgave

Klinkert.

Inhoudsopgave

Ei! ziet, wat schoonder Zon verlaat de Zuider palen[1],

Opheffend' haar perruik, die op de vorsten smaalt[2]

Met steenen, daar natuur op 't Goddelijkst meê praalt;

Wat ijver perst haar doch zoo wijd te loopen dwalen?

Hoe nu, is 't om een peerl nog aan haar kroon te halen?

Ach! neen, de liefd' die heeft haar eedle borst gewond,

Om smaken, hoe den dauw, uit 's wijzen konings mond,

Veel liefelijker vloeit als honig in de dalen;

Een vrouwe, eene koninginne, en heidene, die komt

Beschamen onzen roem, hoe schoon die is verblomd[3]:

't Licht van dees gouden lamp wischt, met zijn groote klaarheid,

Al onzen luister uit, vermids wij, zwaar gejokt[4],

Ons Kristus' wijsheid nooit zoo wijd heeft uitgelokt:

Dies derven wij het heil van de aangeboden waarheid.

DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.

[1] grenzen, landen.

[2] blinkt.

[3] versierd.

[4] gejukt, belast; een zoogenoemde afgebroken zin, welks onderwerp in den volgenden regel voorwerp wordt.

Vier Uitersten[1].

Inhoudsopgave

I.

De dood is algemeen; wie is er ooit gebleven?

Hoe arm, hoe rijk van schat, elk loopt haar in 't gemoet,

D' een is zij bitter gal, den andren honig-zoet,

Wel hem, die sterven leert en zoekt een beter leven.

II.

't Verstorven graan verrijst, 't en blijft niet weg gescholen,

Zoo 'n doet de mensch ook niet, diens lichaam van den doôn[2]

Van nieuws bezield, verschijnt voor God en 's menschen Zoon,

Die 't vierschaar zelf bekleedt, en[3] 't vonnis is bevolen.

III.

Wee! wee der boozen rot! hoe wil 't[4] de ziel doorsnijden

Des geens, die als een bok ter slinker zijde staat,

Als Kristus dondren zal met een vergramd gelaat:

"Vermaledijde, gaat! gaat, gij vermaledijden!"

IV.

O driemaal witten dag[5]! wel-zalig die mag hooren

Aan Kristi rechter hand die liefelijke stem:

"Komt hier en erft uw kroon in 't Nieuw Jeruzalem!

Gebenedijde, komt! komt hier, mijn uitverkoren!"

[1] Wij lasschen dit en de volgende gedichten, als waarschijnlijk uit deze zelfde jaren (1616 en v.v.), hier in; verg. ten overvloede Van Lennep, I, bl. 603.

[2] uit den dooden.

[3] Versta: en wien.

[4] zal 't.

[5] Latijnsche zegswijs voor blijde, gelukkige dag.

Uiterste Oordeel.

Inhoudsopgave

Den Hemel vierschaar houdt, de graven barsten open,

Het aardrijk knielt alzins[1] van zielen opgekropen[2];

Zijn zoete en felle stem de Rechter hooren laat:

"Gebenedijde, komt! vermaledijde, gaat!"

[1] alom.

[2] Nam. uit het graf.

JAAR-ZANG,
OP DEN TOON VAN DEN NEGENDEN PSALM.

Inhoudsopgave

Nu zegt vaarwel aan 't oude jaar,

Want 't is in Kristus nieuw; en waar

De strenge Mozes derft zijn klaarheid,

Hier schijnt genaad' en enkle waarheid.

't Is nu den dag der zaligheid,

Die God zijn volk heeft toegeleid;

't Jaar der verlossing is gekomen,

Feesteert[1] en juicht nu, Kristen-vromen!

Men predik' en bazuin' alom

Het troost-rijk Evangeliom:

Der zonden duistre zielen-kerker

Is overweldigd van een sterker.

Des herten ooren open-sluit

En gaat het rijk des Duivels uit;

Trek uit, die[2] lust te zijn ontbonden,

Den rook des vleesch, en 't juk der zonden!

Want ziet, in Kristus geldt gewis

Noch voorhuid, noch besnijdenis;

Maar een vernieuwd gemoed warachtig,

En sterk geloof, door liefde krachtig.

Besnijdt dan 't vleesch niet, maar uw hart;

En een verborgen[3] Jode werdt[4].

Den geest kiest voor den dooden letter,

En leeft hoe langs hoe onbesmetter!

Hiertoe Gods zoon, nu opgewekt,

Een heilig levend voorbeeld strekt;

Hierom heeft Kristus vroeg geleden,

En is op d' achtsten dag besneden.

[1] Viert feest; verg. vroeger.

[2] Versta: gij, die.

[3] Min gelukkig voor geestelijke, vleeschelijk onbesneden.

[4] Voor wordt (verg. vroeger).

HEMELVAART-ZANG,
OP DEN TOON VAN DEN ACHTSTEN PSALM.

Inhoudsopgave

Maakt handgeklap, en juicht, gij Kristen-scharen!

Ziet Hemelwaart op zijn triomf-koets varen

Die onlangs daalde in 't graf, na zoo veel smaads,

En heerlijk nu gaat nemen d' hoogste plaats.

Klim op, klim op, gij, God en 's Menschen zone!

Versmaad het kruis, de speer, en doorne-krone:

En 't boos geslacht, dat, met een grimmig oog,

Ontzinnig U in 't heilig aanschijn spoog.

Doet[1] open ons uw vreugdenrijke troonen,

En baant het pad ten leven Adams zonen!

Ontsluit ons weêr 't gesloten Paradijs,

En zaligt ons, door uw naams lof en prijs!

Hoog-Priester, die onsterflijk zijt bevonden,

En hebt uw bloed gestort voor 's werelds zonden,

Klim op, klim op in 't alderheiligst koor!

Gods strengheid kom met uw verdiensten voor!

O, die van God gezalfd zijt tot een Koning!

Aanziet uw Kerk, uw Bruid uit 's Hemels woning,

Die hier verstrooid kent anders troost noch hoofd,

Zend haar den Geest en Trouwring, lang beloofd.

Zoo mag zij steeds in 's Bruigoms liefde blaken;

Zoo mag haar kroon noch zond noch wereld raken;

Zoo blijft haar liefd' veel sterker als de dood,

En erft ten loon haar lieve minnaars schoot.

[1] Waarschijnlijk welluidendheidshalve voor doe, daar 't enkelv. onderwerp blijft; (verg. voor 't overige boven, bladz. 1, aant. 3).

PINXTER-ZANG,
OP DE STEM VAN DEN C PSALM.

Inhoudsopgave

Komt, komt, o driemaal Heilge Geest!

Ei, zegent onze Pinxter-feest;

Komt, tortel-duif van 's Hemels dak,

En brengt ons den olijven-tak!

Vertrooster, brengt ons Kristus' vreê,

En neemt in ons geweten steê!

Geest Gods, maakt onzen geest gewis,

Dat God ons aller Vader is.

O vinger Gods, die 't steenen hert

Vermorzelt, dat het wakker[1] werd[2],

En Kristus' wet, die eeuwig blijft,

In ons gemoed en zinnen schrijft!

O gij, die onbegrijplijk zijt!

Ons hert tot uwen tempel wijdt!

Die onze inwendigheid herschept,

En lust bij ons te wonen hebt.

Komt, Hemel-dauw! en overstort

't Gemoed, onvruchtbaar en verdord;

O stroom des levens! o fontein!

Bevochtigt ons en maakt ons rein.

Komt, Godlijk vier! en steekt voortaan

Ons koude ziel met ijver aan!

Komt, heilig vier! verteert, verslindt,

Al wat in ons nog 't vleesch bemint.

Gij, wind des Heeren! leidt doch meê

Des zielen schip in 's werelds zee:

Op dat zij, vrij van schip-breuk, dan

Lande in 't beloofde Canaän!

[1] Wellicht een drukfout voor weeker, waarin het bij een later uitgave veranderd is.

[2] Voor wordt.

PINXTER-ZANG,
OP DE STEM VAN MARIA LOF-ZANG.

Inhoudsopgave

Na Kristus' Hemelvaart,

De Apostelen, vergaard

Eendrachtelijk te gader,

Verwachtten voor haar hoofd

Den Trooster, die beloofd

Haar was van God den Vader.

De[1] Pinkster-feest verscheen,

Als snellijk viel beneên

De Geest, daar elk op hoopte;

Die, als een winds gedruisch,

Terstond vervulde 't huis,

En met een vier haar[2] doopte.

De Twaalve zag men hier

Omschenen met een vier,

Omstraald met vierge tongen;

Haar sprake zonder tolk

Verbaasde 't uitheemsch volk,

Van alzins ingedrongen.

"O, wonder is 't," zegt de een,

"Dat die van Galileên

Al 's werelds talen konnen!"

Een ander zegt: "zij zijn

Verzopen in den wijn,

En van den drank verwonnen!"

"Neen, neen!" roept Cefas blij,

"'t Is Joëls profecij,

Die God aan ons vervulden;

Ten ende Jakobs huis

Werd kondig[3], wie aan 't kruis

Nam op hem 's werelds schulden."

Den hamer Gods hier sprak,

De steenen harten brak;

Wij zijn vol schuld bevonden

Aan 's Heeren bloed; wat raad?

"Elk een," zegt Peter, "laat'

Afwasschen al zijn zonden!"

Drie duizend zielen daar,

Boetvaardig, wonderbaar,

Zich Kristus niet en schamen;

Zij volgen Jezus' wet,

Zij waken in 't gebed,

En zijn één ziel te zamen.

[1] Thans het; maar verg. boven, blz. 2b, aant. 4.

[2] Even als in 't eerste coeplet, voor hen.

[3] Vername.

Aandachtige Betrachtinge[1] OVER KRISTUS' LIJDEN, UIT DEN HOOGDUITSCHEN VERTAALD DOOR M. L. B. EN TER LOOPS GERIJMD DOOR J. V. V., OP DE WIJZE VAN DEN 91 PSALM.

Inhoudsopgave

Waak op, mijn ziel! wat slaapt gij, hoe?

Uw Bruigom is voorhanden.

Koop olie: schik uw lampen toe,

Zoo blijft gij niet in schanden;

Wanneer hij in zijn kamerkijn

Te midnacht in zal streven,

Zult gij een dwaze maget zijn,

En in het duister sneven.

Waak[2] op de uur van 't harte dijn,

En tel de klok haar slagen,

Het kan niet ver van twaalven zijn;—

O wee, gij moet vertsagen,

Indien gij niet uw grof aardsch kleed,

Met Jozef[3], wilt verlaten,

En u ten ingang houdt gereed,

Ontbloot van eer en staten.

Een staaltjen[4] neemt aan zijne min,

Die kan zich zelven haten,

Opdat ge, om hem, uw eigen zin

Uit weêrmin zoudt verlaten.

Hij laat zijn rijk en leven wel,

Om uwe liefd' t' erlangen;

Hij daalt ook voor u in de Hel,

Nog laat gij u niet vangen;

Zoo kan des werelds snoode hoer

Door eigenliefde u vleyen.

Doch in het ende breekt het snoer,

En 't spel verkeert in schreyen:

Want zij boeleert, en kan haar echt

Niet ongebroken houden:

Wanneer de dood u ziel bevecht

Moet 's werelds liefd' verkouden.

De wereld dan den rugge keert!

Volg Kristus met verlangen;

Met open armen hij begeert,

U aan het kruis t' ontvangen.

Hij neigt zijn hoofd, om u een kus

Al neigende te geven;

Wat schuwt gij zijne dood aldus?

Ze is oorzaak van ons leven.

Gij vraagt, wat hem aan 't kruise bracht,

Dat zal men u uitleggen:

Uw ontrouw en Zijn liefd' betracht,

Die zullen 't u wel zeggen;

Want als de slang u brocht ten val,

Door 't ooft[5] vol ongelukken,

Wat schepsel was in 't aardsche dal,

Dat u van hem kost rukken?

De Goddelijke liefde most

U wederom verwerven,

En u, die hem het leven kost,

Genieten door zijn sterven.

Hierom, zoo hing[6] het heilig Lam,

Door 't vier der liefd' gebraden[7]

En dorst naar u, aan 't kruishoutsstam:

Nog laat gij u niet raden.

Want hij, die is het eeuwig zoet,

Moet zuren edik drinken;

En bittre gal van wraak, tot boet[8]

Der menschen, zich laat schinken[9].

Gewond is hem, ook na zijn dood,

Het hart met booze daden;

Dies zich de zon verbergt uit nood,

De zonne der genaden.

Uw beurs gij boven Kristus stelt,

En knort, als werd[10] vergoten

Den balsem van der armen geld,

Op 's Heilands hoofd gevloten.

Al ziet gij, met den rijken man,

Aan Lazarus veel zweeren,

Gij neemt u zijnes gants niet an,

Schoon wormen hem verteren.

Beschuldigt Judas noch en schelt

Hem, om zijn valsche daden;

Want gij ook, om 't vervloekte geld,

Zelf Kristus hebt verraden.

Of gij hem met den mond belijdt,

En schijnt den kus te geven,

Om dartig penningen profijt,

Brengt hij[11] Gods Lam om 't leven.

De nacht ook buiten u niet is,

Daar Krist geboeid moet zuchten,

Als, in der zonden duisternis,

De jongers angstig vluchten.

Aldus raakt uw standvastigheid,

Door slaap en vlucht, aan 't glijden:

Gij vlucht van Kristus, wijd verspreid,

Wanneer hij gaat aan 't lijden.

Gij smijt[12] met Petrus in de schaar,

Als 't kruis begint te naken;

Maar dorft, in nood en lijfsgevaar,

Wel driemaal God verzaken,

Eer driewerf kraait gewetens haan,

Ook op een wijfs bedragen[13];

Gij zoudt met Kristus sterven gaan

In vreugd en goede dagen.

De hoogepriesters meer en meer

Ook zelfs in u vergaren;

Dat zijn vernuft en menschenleer,

Die Kristus staâg bezwaren;

Zij roepen: "kruist, ja kruist hem, och!

Laat Barrabas bij 't leven!"

Verschoont den ouden Adam toch,

Den nieuwen vrij laat sneven.

Met stok en spies van uw vernuft,

Gij Kristus wilt bevechten.

Neuswijsheid aandacht heel verbluft,

En weet niet uit te rechten.

Gij schermt al t' ijdel in de lucht,

En Gods en Kristus namen

Zijn blixems-blikkren[14] zonder vrucht;

Met recht moet gij u schamen.

Gij zijt van Malchus' slag[15] gewis,

Wiens recht' oor af gehouwen;

Dus hoort gij niet wat Gods wil is,

Maar laat u zachtkens klouwen,

Door lof, het slinker ezelsoor,

't Welk gij best af liet snijden,

En 't rechter aanzetten daarvoor

Om kwaad geklap te mijden.

Al deedt gij Kristus leed op leed,

Om 's keizers vriendschaps wegen,

En droomt van Duivels spook, alreed'

Gij zoekt uw hand te vegen

Met water, als Pilatus eer,

Met kerkgang God te paayen,

En Doop en Nachtmaal, om den Heer

Een neus dus aan te draayen.

Veel slagen, schimpen, hoon, en nood

Den Heiland heeft geleden;

Der woênden[16] misbruik al te snood

Hem aantrekt andre kleeden:

Dan wit, als bij Herodes' rot,

Dan purperen gewaden:

Zoo maakt gij Kristus tot een spot,

O schande! o kwaad der kwaden!

Uw eerzucht dorf[17] de doornekroon

Hem om zijn voorhoofd drukken;

Uw boosheid is het kruis vol hoon,

Waaronder hij gaat bukken.

Met Simon van Cyrenen woudt

Gij Kristus' kruis niet dragen,

Ten zij men u den rugge touwt[18],

En daartoe drijft met slagen.

Geen smid hier ook aan 't aanbeeld hoort[19],

Die spijkers smeedt van staven,

Terwijl gij Kristus' hand doorboord,

En voeten hebt doorgraven.

Uw doen en wandel maar betracht,

Die nagel maakt kwetsuren:

Het wordt al in dit kruis volbracht,

Op nieuw in u, alle uren.

Gij maakt schriftuurs-rok nadeloos

Een beedlaars rok[20] ten leste;

De letter is de geest te loos,

Als die[21] dient tot uw beste:

Maar houdt de letter niet de proef,

Zoo verft[22] gij schriftgeschillen

Of knijpt die[23], als een valsche boef

Den teerling, naar uw grillen.

De wereld speelt om Kristus' kleed

Met niet dan ijdle vragen:

Men schut, met een bewijs gereed,

Hierop[24] een anders slagen;

Zoo laat men Kristus, 't rechte wit[25],

Zich uit de handen rooven;

Zoo houden wij den dop voor 't pit,

Daar andren vast[26] haarkloven.

Des slinkschen moorders ongeduld

Vertoont gij in uw lijden,

Wanneer het hart u biecht uw schuld

In d' avond van 't[27] verblijden.

Bidt gij niet naar 's bekeerden wijs,

Dat Krist u heil wil geven;

Wanneer hij komt in 't Paradijs,

Uw zonde aan 't kruis blijft kleven.

Van Kristus' graf gij vliedt en scheidt,

Als zijnde sterk bewaket[28]

Van wereldlijke overheid,

Daartoe ook vast vermaket[29]

Door 't zegel des hoogpriesters meest,

Die beî, met ban en vloeken,

Vernielen, die naar Kristus geest

En kracht in 't graf gaan zoeken.

In somma: Kristus' bittre dood

Is maar uw vleeschlijk leven,

Zijn smerten en vijf wonden rood

Uw lust hem overgeven.

Hij sterft en staat niet op in u,

Voor gij uw lust wilt sterven;

Zijn dood is zelf uw leven nu,

Kunt gij zijn liefd' verwerven.

Al roept men: "Heere, Heere!" sterk,

Het is hem een afgrijzen;

Men moet de handen slaan aan 't werk,

Dat zijn kruisbroeders wijzen.

De roos och! onder doornen groeit.

Gij moet den kelk[30] ook nutten,

Dat bloedzweet langs uw aanschijn vloeit,

Zoo help zijn kruisgang stutten.

Het leît ook niet aan wetenschap,

Hoe God om u most sterven;

In 't leven[31] leît de kracht en 't sap,

Al is 't met uw bederven.

Is niet zijn kruis in 't hert gegrond,

Veel weten brengt geen zegen;

Een aasken schulds van duizend pond

Niet eens wordt opgewegen.

De band der liefde in 't algemeen

Is eenen last te dragen,

Daar twee, in liefde en leed nu een,

Malkander onderschragen.

Hoe mint gij God en Kristus trouw,

Dien gij altijd valt tegen,

En daaglijks kruisigt, zonder rouw,

In uw verkeerde wegen.

Maar, wilt gij naar zijn liefde staan,

Zoo kruist uw stijve zinnen,

En laat u naakt aan 't kruise slaan;

Dat 's 't merk van God te minnen[32].

Zoo geeselt u door ware boet,

Met ootmoeds kroon van doren:

Temt hovaardij, dat slanggebroed,

En stopt voor haar uwe ooren!

Ook spijkren hand en voeten aan,

Met kristelijken wandel,

Opdat ze langs geen dwaalweg gaan,

Maar drijven vromen handel.

Ontziet niet eens, of men u al

Wil gal en edik schenken:

Een zoete en koele bronne zal

De dood en 't leed verdrenken.

En of in u de zonneglans

Zou schijnen te verbleeken,

De dood u ook verslinden gansch,

Van 't kruis dient niet geweken:

Want als dan eens de voorhang rijt[33],

Die God en ons komt scheyen:

De Geest uw steenen harte splijt,

Gekweekt door kruis en schreyen.

O, wat een zaalge duisternis,

Die ons het licht kan geven!

Een dood, die zoet en noodig is,

Waarin men vindt het leven!

Maar wee, dat vleeschelijke licht,

Daar nacht in is verborgen;

Wie zich naar 's werelds leven richt,

Zijn eigen ziel zal worgen[34].

Bekeert u fluks, de tijd is reed':

Men zal de klok haast hooren;

Vertrekt gij[35], nu het heden heet,

Zoo gaat uw ziel verloren.

Dan blijkt het eerst, hoe dol en dwaas

De morgen gij in weelde,

En uwen middag ook, helaas!

Met vleesch en bloed verspeelde.

De negenste uur naakt onbewust,

En Kristus is verscheyen.

Loop, loop! hier is geen tijd van rust,

Nu help zijn dood beschreyen.

Gij komt als 't licht verdwijnt in mist,

En moet bij duister dolen,

Gij vindt voor Krist den Antikrist,

Nu is het licht gescholen[36].

[37]O lieve ziel! bedenk toch dat,

En wilt ten kruise loopen.

Volgt Kristus op het rechte pad:

Wilt al uw goed verkoopen.

Gij moogt niet uw gerechtigheid

Op Kristus' kerfstok snijden;

Wilt gij ten leven zijn bereid,

Gij moet eerst met hem lijden!

O lieve ziel! dat is de boom,

Die goed en kwaad kan geven;

In u is Hemel, Hel, en schroom,

De dood en ook het leven.

Het werelds-leven is de dood,

Die Kristus krenkt met smarte;

Maar sterft gij in zijn wonden rood,

Zoo leeft hij in uw harte.

Telt ge u in 't uitverkoren tal,

Zoo merkt u met het teeken:

Het kruis van Kristus overal

In 't voorhoofd zij gestreken.

Wat baat de wolf des lams geween,

Indien hij huilt hier tegen:

Nog min als eenen harden steen

De vruchtbre dauw of regen.

[1] D. i. practische beschouwing.

[2] Hier let, geef acht.

[3] Even als Jozef (Potifarischer gedachtenis).

[4] voorbeeld.

[5] den Eva's-appel.

[6] Zoo lees ik voor lang.

[7] Min gelukkig voor verbrand (gelijk een brandoffer).

[8] schuldvoldoening.

[9] Voor schenken.

[10] Voor wordt.

[11] Men zal hier wel gij of drie regels vroeger ook hij moeten lezen.

[12] Naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord: slaat.

[13] beschuldiging.

[14] weêrlicht-flikkering. De dichter bedoelt blijkbaar, dat het ijdel Heere, Heere roepen, en bezigen van God en Kristus' naam, geen baat geeft. Aan een drukfeil (gelijk Van Lennep meent) behoeft men dus ook niet te denken; het volgende coeplet daarentegen is wel zoo gewrongen en valsch vernuftig.

Ograniczenie wiekowe:
0+
Data wydania na Litres:
15 stycznia 2025
Objętość:
80 str. 1 ilustracja
ISBN:
4064066402822
Wydawca:
Redaktor:
Właściciel praw:
Bookwire
Format pobierania:

Podobne książki