Czytaj książkę: «De mannen van '80 aan het woord»

Czcionka:

E. D'Oliveira

De mannen van '80 aan het woord

Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066061005

Inhoudsopgave

HISTORIE VAN DIT BOEKJE.

LODEWIJK VAN DEYSSEL

K.J.L. ALBERDINGK THIJM

EERSTE INDRUK.

VAN DEYSSEL'S DEBUUT.

"EEN LIEFDE."

IMPRESSIONISME.

DE "ONVOEGZAAMHEDEN" IN "EEN LIEFDE."

L'ART POUR L'ART.

VAN DEYSSEL GEZELLIG.

DE "OUDE" VAN DEYSSEL.

SCHRIJVER EN PUBLIEK.

EERST MOET ZIJN WERK HEM GENOT SCHENKEN.

DE "GRENZEN" VAN LETTER- EN SCHILDERKUNST.

DE SOCIALISTISCHE DICHTERS.

ZEKERE "SCHETSEN"-SCHRIJVERS.

TENDENZ-KUNST.

HOE HIJ WERKT.

WILLEM KLOOS

WILLEM KLOOS

"DANK U MENEER, VERDER NIET."

HERINNERING AAN JACQUES PERK.

HET NIEUWE.

DE UITGAVE VAN "MATHILDE."

WAAR EEN MENSCH NIET BIJ KAN.

DE OPRICHTING VAN "DE NIEUWE GIDS."

MEDEWERKERS.

HET WOORD EEN LEVEND WEZEN.

DE GROEP VALT UITEEN.

HUWELIJK.

ER IS MAAR EEN GOEDE RICHTING.

KUNSTENAAR EN REFERENT.

ONZE HEDENDAAGSCHE LITERATUUR.

NEERDRUKKENDE KUNST.

KUNSTENAAR EN MAATSCHAPPIJ.

VERGETEN KUNSTENAARS.

OM LITERATUUR TE BEGRIJPEN….

HET PUBLIEK EN DE BOEKEN.

"MEN" OORDEELT NIET ARTISTIEK.

ALBERT VERWEY

ALBERT VERWEY

SCHRIJVEN UIT LIEFHEBBERIJ.

"EEN JAAR OF WAT UIT MIJN JEUGD."

DR. DOORENBOS.

DE STROOMING VAN 1890.

DOEL VAN HET "TWEEMAANDEL. TIJDSCHRIFT."

OPRICHTING VAN "DE BEWEGING."

HET INNERLIJKE: GELIJK STREVEN OP ALLERLEI GEBIED.

DE GESCHIEDENIS VAN ZIJN WERK.

GEESTELIJKE KUNST.

DE ONZEGBAARHEID.

WIJ GAAN NAAR HET RELIGIEUSE.

DICHTER EN MAATSCHAPPIJ.

PROZA EN VERZEN.

HIJ BEHOEFT NIET ALTIJD IETS TE "VERTELLEN."

MAATSCHAPPIJ EN DICHTER.

STIJL.

DE TIJD VAN DE STIJLGEVING.

DE KUNSTENAAR "ALS ZOODANIG" EN ZIJN PERIODE.

WAT NIET GEZEGD KAN WORDEN.

FREDERIK VAN EEDEN

FREDERIK VAN EEDEN

HOE VAN EEDEN DE NIEUWE GIDSRICHTING BEGRIJPT.

LITERAIR DICHTERSCHAP EN MAATSCHAPPELIJK DICHTERSCHAP.

DE INVLOED VAN KLOOS MAAKTE DE NIEUWE RICHTING INDIVIDUALISTISCH.

NIETZSCHE EN MULTATULI.

TENDENZ-KUNST DAN?

ZIJ VERGETEN HUN MEESTER SHELLEY.

ALGEMEEN MENSCHELIJK STREVEN EN TAAL VERMOGEN.

HET KENMERK VAN VERKEERDE TENDENZ-LITERATUUR.

TOEN DE OOGEN HEM OPENGINGEN.

DRAMATISCH WERK.

KUNSTENAAR EN "DE MASSA."

DE WAARDE VAN PRESTIGE

DE MENSCHEN MOETEN GELEID WORDEN.

ZONDER VERBITTERING!

VAN EEDEN EN "DE NIEUWE TIJD."

PERSOONLIJKHEID.

ZIJ ZOEKEN DE GROOTE PERSOONLIJKHEID.

HET NIEUWE LUCHTSCHIP.

FRANS NETSCHER

FRANS NETSCHER

LETTERKUNDIG LEVEN IN DEN HAAG.

HOE NETSCHER TOT ZOLA KWAM.

EERSTE WERK.

KARAKTER VAN HET EERSTE WERK.

SUCCES VAN HET NATURALISME.

HOE DE "WOORDKUNST" ONTVANGEN WERD.

JUSTUS VAN MAURIK

VAN EEDEN EN "HET SERVETJE."

AUTEURSVERDRIET.

NETSCHER TE PARYS.

THEORETISCHE STUDIE; HAAR NUT.

DE ROMAN "EGOISME."

DE HOLLANDSCHE REVUE.

NETSCHER OVER ONZE LITERATUUR.

DE ARTIST EN "HET OPENBARE LEVEN."

NETSCHER IN DE POLITIEK.

TOEKOMSTPLANNEN.

MARCELLUS EMANTS

MARCELLUS EMANTS

EMANTS' VEELZIJDIGHEID.

EMANTS ALS STUDENT.

DE BERGEN.

KUNSTENAAR EN MAATSCHAPPELIJK LEVEN.

HOE DE DINGEN HEM TREFFEN.

WAAROM HIJ ZIJN WERK PUBLICEERT.

HIJ KAN 'T NIET ANDERS.

ZIJN ONAFHANKELIJKHEID.

HET PESSIMISME. IS EMANTS SCHOPENHAUERIAAN?

PESSIMISME EN GEMOEDSTOESTAND.

HET FUTIELE VAN EEN LEVENSDOEL.

MOET MEN VOOR HET PESSIMISME PROPAGANDA MAKEN?

EMANTS EN HET SOCIALISTISCH IDEAAL.

"DE MOREELE IJSPERIODE."

LILITH EN LOKI DE EENIGE WERKEN DIE EEN WERELDBESCHOUWING BELICHAMEN.

EMANTS STREVEN NAAR OBJECTIVITEIT.

LILITH.

LOKI, HET INTELLECT.

"LOKI" GEEN EIGENLIJK SYMBOLISCH GEDICHT.

EMANTS EN DE "NIEUWE RICHTING."

HIJ WILDE ZICH ZELF BLIJVEN.

HIJ ZIET OOK THANS NIET IN, WELKE NIEUWE RICHTING HIJ HEEFT INGELEID.

DE OVERDREVEN VEREERING VAN DE WOORDKUNST.

GEEN ONSCHULDIGE GRAPPEN!

ER IS GEEN BIJHOUDEN AAN!

ZWAARMOEDIGE KUNST UIT MAATSCHAPPELIJK OOGPUNT.

EMANTS' ERVARINGEN MET EEN LUGUBER BOEK.

VOOR EN TEGEN VAN MENSCH-ONTLEDENDE LITERATUUR.

ZIJN LIEFSTE BOEKEN.

WAAROM HIJ DE "WOORDKUNST" VEROORDEELT.

ZIJN MODELLEN.

DOODE NATUUR EN GEKRENKTE MODELLEN.

AUG. VERMEYLEN

AUG. VERMEYLEN

KUNST EN LEVEN.

ZIJN STREVEN NAAR "PERFECTIE."

"DE WANDELENDE JOOD."

HET SCHRIJVEN ZELF.

VERMEYLEN OVER DE NOORD-NEDERLANDSCHE LITERATUUR.

SCHRIJVER EN PUBLIEK.

DE VLAAMSCHE BEWEGING VOOR '80.

BEWUST OPTREDEN VAN DE NIEUWERE RICHTING.

"JONG VLAANDEREN."

KLOOS EN DE VLAAMSCHE BEWEGING.

LETTERKUNDIG LEVEN TE BRUSSEL.

LOTGEVALLEN VAN "VAN NU EN STRAKS."

GEWIJZIGDE IDEEEN.

VERHOUDING TOT DE OUDEREN.

TWEEDE "VAN NU EN STRAKS." NIET UITSLUITEND LITERAIR.

WAARAAN "VAN NU EN STRAKS" ZIJN GROOTEN INVLOED DANKTE.

"VLAANDEREN."

PERSONEN.

HOLLANDSCHE INVLOED.

DE GEDACHTE ALS ZOODANIG.

GEMEENSCHAPSGEVOEL.

CONSCIENCE.

DE ECONOMISCHE ZIJDE VAN DE TAAL-QUAESTIE.

TOEKOMSTPLANNEN.

ILLUSTRATIES.

ILLUSTRATIES.

EEN ONDERZOEK NAAR EENIGE BEGINSELEN VAN DE "NIEUWE-GIDS"-SCHOOL
DOOR E. D'OLIVEIRA
HISTORIE VAN DIT BOEKJE.

Inhoudsopgave

De samensteller ging uit van de meening, dat een auteur,—al dient hij instinctief het schoone,—met name in onzen tijd zich bewust behoort te zijn van zijn positie als geestelijk leider, van de roeping zijnen artistiek voelenden medemenschen een beter leven, een waardige taak voor te houden met zijn Kunst.

Achter iedere uiting van taalkunst is derhalve een persoonlijkheid te zoeken, die vereerd wordt, wijl de tegenstelling tusschen Idee en Natuur, die den gemiddelden fijngevoeligen mensch kwelt, in hem—en onmiddellijk daarna in zijn kunst—tot verzoening is geraakt. Deze tegenstelling wordt in elke beschavingsperiode voelbaar in een vorm die voor deze periode typisch is:—de verzoening, die het echte kunstwerk vervult, is te beschouwen als voorbewuste levenswijsheid van een bepaalde Cultuur.

Treedt nu de criticus op in de eerste plaats als middellaar tusschen publiek en 's schrijvers persoonlijkheid, dan kan een deel van de samenleving zich aan diens leefkunst spiegelen:—voordat de wijsgeer ze tot voorbijgaand moment heeft gemaakt van een gedachtensysteem, dat—als zoodanig—het practische leven vliedt.

De schrijver zag in zijn omgeving elementen genoeg voor een samen-werking als hier geschetst. En de zuivere totstandkoming er van achtte hij een zoo groot beschavingsbelang, dat hij niet opzag tegen een langdurig en bewerkelijk onderzoek naar de mogelijkheid. In de eerste plaats ging hij tot "De mannen van '80", een stel auteurs, door het volksgeweten en door eigen keuze tot een groep gerekend, maar, zooals uit het vervolg wel blijken zal, met sterk uiteenloopende gezindheden … een "school" niettemin aan wier invloed thans geen pen-voerder van naam in ons land ontkomen is.

Hij stelde hun zijn vragen niet zoo beslist als hij—blijkens het boven weergegeven inzicht—wel kon: immers hij wilde weten, wie hunner "uit eigen beweging", krachtens persoonlijkheid en verleden, zijn taak als letterkundige opvatte gelijk hij zich die had voorgesteld.

Men bedenke ook, dat hij tegenover vreemden stond en niet rechtstreeks zijn vragen kon richten op 't allerintiemste van hun zieleleven en -overtuiging. Men wete verder, dat hij niet altijd verlof kreeg alles te vragen wat hem voor den mond kwam.

In de schetsen, die hij later van zijn gesprekken met deze geestelijke voorgangers vervaardigde, ontmoet men het vraagpunt waarvan hij uitging dan ook min of meer verbrokkeld. Maar in den eigenaardigen loop dien het onderhoud telkens nam—deze betoonde dit punt, gene een ander—kwam de geestesaanleg van den behandelden auteur getrouwelijk tot uiting. Het aandeel dat de ondervrager aan 't gesprek had werd slechts weergegeven, voor zooverre hij daadwerkelijk de leiding behield—wat hij liefst vermeed.

Het ware den samensteller gemakkelijker en wellicht aantrekkelijker geweest: zijn indrukken om te zetten in romantisch-getinte schetsjes van wat hij op zijn kunst-reis ondervond. Van begin af echter was er iets in hem dat zich daartegen verzette. En nu hij het geheel overziet, kan hij slechts dankbaar zijn, zich gebukt te hebben voor de overweging die hem drong op de zaak te letten en op niets als de zaak. Beter dan in andere omstandigheden kan nu de lezer zijn gedachten laten gaan over de boven-historische lijn, welke verbindt een Van Deyssel, die de eenzaamheid lief heeft; met een Emants, die in 't gemeenschaps-leven een "baantje" zoekt om zijn waarneming frisch te houden; en een Vermeylen, die gemeenschapstaak en artistieke wenschelijkheid niet gescheiden houdt; de lijn welke van een Van Deyssel, die de kunst wil om de kunst; gaat naar Emants, die 't taalschoon als "middel" tot allerscherpste verstandsuiting schijnt te voelen, en Vermeylen, die kunst een afspiegeling wil doen zijn van een "schoon en gezond leven". Door zijn rubriceering heeft de samensteller getracht: vergelijking uit andere gezichtspunten dan de hier aangeroerde van dienst te zijn. Maar de vraag, hoe elk schrijver dacht over de verhouding van zijn persoonlijkheid tot zijn werk en zijn invloed op de maatschappij: beheerschte de rangschikking van deze opstellen, welke stuk voor stuk het motto "Kunstenaar en Samenleving" tot ondertitel kunnen voeren.

Breedere uiteenzetting van verschillende beginselen ware geenszins onmogelijk geweest, misschien zelfs wenschelijk; de samenleving echter stelde, via den uitgever, zijn eischen aan den omvang van dit boekje. Ook is een poging om op een punt grondiger in te gaan mislukt, doordien de heer Alberdingk Thijm in de gelegenheid was, mij gedurende de voorbereiding van dezen herdruk te ontvangen. Maar de oplettende lezer vindt van ieder der hier behandelde schrijvers een schoone, gevoelvolle waarheid: weergegeven in diens eigen woorden. Deze waarheid was de grondslag van al zijn streven. Wie ze begrijpt is nader gebracht tot 's schrijvers werk en bedoelingen.

Deze opstellen maken aanspraak op den roep van groote nauwkeurigheid en onpartijdigheid. Intusschen acht ik mij bij dezen tweeden druk verplicht, ernstig te waarschuwen tegen de dwaling, dat hier eigenlijk een verslaggever doende is, die met vaardig stift meeningen en opmerkingen, al interviewend, genoteerd heeft en deze nu kalmweg met wat draperie er om heen zijn ietwat gehaaste lezers voorzet. Ik ken de oorzaken van deze schromelijke vergissing en zal haar verder niet aanvechten. Liever gedenk ik hier een vriendelijk lezer, die mij een exemplaar van dit boekje voorlegde, doorspekt met cijfertjes en verwijzingen, en mij toonde hoe hij iederen uitspraak van den eenen schrijver (zelfs uitspraken die aanvankelijk van weinig beteekenis schenen) had getoetst aan overeenkomstige gedachten van alle anderen. Wie zijn inzicht wil verrijken in de mate welke dit bescheiden boekje geven kan, hij volge dit voorbeeld! Hij zal zien dat hij hier te doen heeft met een geheel, dat door talrijke vezeltjes wordt saamgehouden,—ook al heb ik mij beijverd, ieder onderdeel zelfstandig te laten.

Bijna zonder uitzondering hebben de hier sprekend voorgestelde schrijvers mij, ongevraagd, hun instemming met mijn schetsjes (die zij uit handschrift of drukproef kenden) doen blijken. Behalve Netscher (die alles aan mij overliet) hebben allen mij raad en voorlichting gegeven, waar ik in woordkeus of in nuanceering van een bepaald standpunt soms twijfelde. De ter zake kundige lezer weet hoe een klein woordje te onpas aangebracht of weggelaten een heelen zin dood kan maken of … laten; hij zal dan ook de waarde van deze hulp ten volle kunnen waardeeren en ook de mate van mijn erkentelijkheid.

Ik ben gelukkig met de sympathie, die de in dit boekje begonnen taak bij onze geestelijke leiders heeft gevonden; aan deze sympathie heb ik het zeker voor een deel te danken, dat deze grooten mij—leerling—zoo uitvoerig te woord hebben willen staan.

Heb ik—ten slotte—gevonden wat ik eigenlijk zocht? De vraag beantwoordt zichzelf. Indien alles precies zoo ware ingericht als ik persoonlijk het wenschte, (daar schrijvers deze eigenaardigheid hebben, dat ze hun meening … niet voor zich houden, ware dit mij zeker niet verborgen gebleven)—dan hadd' ik met mijn onderzoekingstocht nooit een begin gemaakt. In hoeverre het geestelijk leven van onze natie aan mijn schema beantwoord, de lezer beoordeele dit voorloopig zelf. Aan het slot van een eerlang te verschijnen vervolg, dat een latere schrijvers- "generatie" zal behandelen en dat ook een synthese van het geheel zal bevatten, hoop ik mijn meening hierover duidelijk te zeggen. Doch reeds nu vinde hier de verzekering plaats, dat ik de weken, aan deze kunst-reis besteed, tot de zeer gelukkige in mijn leven tel.

D'OLIVEIRA.
LODEWIJK VAN DEYSSEL

Inhoudsopgave

[Illustratie: K. J. L. ALBERDINGK THIJM (Lodewijk van Deyssel)]

K.J.L. ALBERDINGK THIJM

Inhoudsopgave

(LODEWIJK VAN DEYSSEL)

Baarn.

"Hoe vaart u, meneer? Aangenaam u te zien. Heeft u den weg alleen kunnen vinden? Een kruier genomen, zegt u? Wel, dat is aardig. Ja, u hebt gelijk, ik woon hier wel wat afgelegen. Maar ik zal u straks een weg aanwijzen … die is misschien wel een beetje langer, maar die heeft 't voordeel, dat u niet missen kunt…. Zoo, wilt u nu misschien even mee komen?"

EERSTE INDRUK.

Inhoudsopgave

Ik had mij gedroomd den Van Deyssel van de portretten, den tot zich zelf gekeerden, met donkeren blik en borsteligen baard…. Ik had gedacht, dat hij onbeweeglijk zou tronen in het halfduister van een wijd vertrek met lood-gevatte ruitjes en langs de wanden hooge boekenstapels. Stil zou hij daar zitten aan zijn breede tafel, de nerveuse hand slechts even heffend uit zijn baard, om mij met een korten, forschen wenk een plaats te wijzen … dan weer zonder spraak, norsch wachtend tot ik wat zou zeggen…. De eenzame, die zoo hatelijk kan zijn als een koude stormnacht, die kan grijnzen als een satan en die een poosje later, neen! tegelijkertijd, kan glimlachen zoo innig als een eerste lentemorgen en de zon kan aanroepen als een kweelend vogeltje, dat licht omhoog zich werpt in de wazige lucht….

En was dat nu Van Deyssel? die vriendelijke, voorkomende, gezellig babbelende heer, met zijn stijven knevel en zijn netjes gladgeschoren kaken?

—"Zoo, wilt u nu misschien even mee naar boven komen? Ik zal u maar voorgaan, niet waar? Past u op, het is hier wat donker, en voordat u in de gang komt, moet u nog een treedje op. Bent u er? Prachtig. Nu hier maar binnen."

Als men in Van Deyssel's werkkamer komt is men niet heelemaal op zijn gemak. Men voelt zich beklemd bij de gedachte aan den taaien strijd, die hier zoo vaak werd gestreden, en men verbeeldt zich … luister!… "Toen ben ik gaan wezen alleen met mij zelf, en heb mij in wanhoop bekend, dat ik de gedachte nooit zou zien, haar nooit zou weten en kennen, nooit, nooit voor mij de gedachte…. Ik houd van schrijvers, die lang-uit erge mooie, errege groote zaken schrijven, van schrijvers met volumineuze, dikke, breede, zware zinnen…. Ik houd van woorden, die op mij aanstormen … als … kom eens hier, Janneman … je bent heelemaal niet geleerd…."—men verbeeldt zich, dat er van onder het gele lampe-schijnsel fragmenten van zinnen en rythme van zwaar-gehouwen proza, verward, vaag, onwezenlijk komen aangemurmeld.

En al heb je nu ook jaren verlangd eens een enkel keertje bij hem, bij hem, te mogen zijn, heelemaal op je gemak voel je je niet. Maar….

"Gaat u toch zitten. Wou u wat meer in het licht komen? Om aanteekeningen te maken? Zoo, dat is heel aardig. U doe maar! Een sigaar? Nee, ik vind uw vragen niet onbescheiden…. Welnee, heelemaal niet. Vraag u maar gerust."

En je bent plotseling verlost van je beklemming, en zoo blij, zoo blij!

Dan Van Deyssel, doodkalm, met een vriendelijk gezicht aan het vertellen. Van tijd tot tijd komt hij bijna in opwinding. Niet heelemaal … want dat doet-ie niet in gezelschap. Maar een klein beetje. Als het zoover met hem is, buigt hij voorover uit zijn leunstoel en slaat zijn zware witte hand driftig op en neer:

VAN DEYSSEL'S DEBUUT.

Inhoudsopgave

"Ik ben van een familie van auteurs. Ik zag mijn vader altijd schrijven, en toen ben ik het ook maar gaan probeeren. En toen was er … wacht eens, in welk jaar was dat? … in '79 of '80 zoowat, toen verscheen er…. U moet weten, mijn vader had een tijdschrift: "De Dietsche Warande" … en ik had veel Fransche auteurs gelezen…. En toen kwam er in 'n ander tijdschrift een artikel van dr. Schaepman; tegen Victor Hugo was dat gesteld. Ik was toen zestien jaar … ik voelde mij juist een groot bewonderaar van Hugo…. Toen voelde ik mij geroepen, om daar een lang artikel tegen in te gaan schrijven: "De eer der Fransche meesters". Bij die gelegenheid bracht ik ook den naam Van Deyssel in de wereld. Mijn artikel lokte heel wat polemiek uit; niemand wist van wien het was en de grappigste veronderstellingen liepen daarover. Ik was toen nog heel jong feitelijk, en aan mij dacht niemand. Op mijn verdediging kwam natuurlijk weer een antwoord; de zaak trok de aandacht van de pers, tijdschriftartikelen en brochures werden geschreven en de geschiedenis heeft wel een jaar geduurd.

"Dat was een aardig debuut … ja … omdat sommige menschen dachten, dat mijn vader het was … en daardoor werd er meer werk van gemaakt dan anders misschien wel het geval zou geweest zijn. Die "Dietsche Warande" had maar heel weinig abonne's en verscheen niet eens op gezette tijden. Nu, als er dan eens wat byzonders in stond, dan had mijn vader het gedaan, dachten de menschen. Die dr. Schaepman heeft in sommige van zijn artikelen alleraardigste beelden gebruikt. Zoo wist hij b.v. te vertellen, dat ik "den pauwstaart van mijn ijdele belezenheid had uitgezet" en toen ik mij over Bossuet, u weet: de zeventiend' eeuwsche Fransche prediker, toen ik mij daar in minder prijzende woorden over had uitgelaten, schreef hij, dat ik "het hondje speelde tegen monumenten."

"Nu, dat is toen altijd zoo door blijven gaan. De menschen vonden mijn schrijverij blijkbaar heel aardig—en ik werd verschrikkelijk hoogmoedig, "'t Zal dan wel je roeping zijn en zoo moet het maar blijven," dacht ik.

"Toen leerde ik kennen, degenen die redacteur van de "Nieuwe Gids" zijn geweest. Dat was in 1882. Het eerst Van der Goes, u weet wel, die later socialist is geworden. Dat was hij toen nog niet … dat begon pas een jaar of tien daarna."

Gatunki i tagi

Ograniczenie wiekowe:
0+
Data wydania na Litres:
16 stycznia 2025
Objętość:
140 str. 1 ilustracja
ISBN:
4064066061005
Wydawca:
Właściciel praw:
Bookwire
Format pobierania: