Czytaj książkę: «De Eenzame; "Klok" "Klok"; Een lustige broeder»

Czcionka:

Cyriel Buysse, Jaak Boonen

De Eenzame; "Klok" "Klok"; Een lustige broeder


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066402112

Inhoudsopgave

FLANDRIA'S NOVELLEN BIBLIOTHEEK

DE EENZAME

CYRIEL BUYSSE.

"KLOK" "KLOK" Een lustige broeder

JAAK BOONEN

Cyriel Buysse.

DE EENZAME.

Cyriel Buysse.

«Klok» «Klok».

dr. Jaak BOONEN.

Een lustige broeder,

dr. Jaak BOONEN.

FLANDRIA'S
NOVELLEN
BIBLIOTHEEK

Inhoudsopgave

DE EENZAME

Inhoudsopgave

door
CYRIEL BUYSSE.
"KLOK" "KLOK"
Een lustige broeder

Inhoudsopgave

door
JAAK BOONEN

Inhoudsopgave

Gent
Drukkerij Plantyn
(Naamlooze Vennootschap) Korte Koestraat 3a


[Op blz. 2 staat juni 1909 als publicatiedatum vermeld; dit is nr. 105 in Flandria's Novellen]

[Nota's van de bewerker staan na de tekst.]




Cyriel Buysse.

Inhoudsopgave


Te Nevele geboren in 1859, woont thans 's winters in den Haag en 's zomers te Afsnee aan de Leie.

Hij is de krachtigste en vruchtbaarste onzer Vlaamsche romanschrijvers. In zijn eerste belangrijk werk HET RECHT VAN DEN STERKSTE staat hij gansch onder Zola's invloed, doch in de vele bundels, die op dezen roman volgden is zijn realisme persoonlijker geworden. Tot zijn beste werken behooren WROEGING, SURSUM CORDA, OP 'T BLAUWHUIS, MEA CULPA, SCHOPPENBOER, TE LANDE, UIT VLAANDEREN, VAN ARME MENSCHEN, ROZEKEN VAN DALEN, 'T BOLLEKEN EN LENTE,

Met Couperus en Van Nouhuys was hij medeoprichter van het tijdschrift GROOT NEDERLAND.



[De auteur van de inleiding wordt niet vermeld.]









DE EENZAME.

Inhoudsopgave

door
Cyriel Buysse.[1]

Inhoudsopgave

POOVER'S huisje stond eenzaam op de groote heide.....

Vier okergele, scheef-en-schots-gezakte kernen muurtjes, vol barsten en builen, een grauw, half ingevallen stroodak, aan den westkant met een zware, donkere deken van klimop begroeid, twee kleingeruite raampjes met verschoten, scheefhangende blauwe luikjes,

en laaggewelfd, vermolmd, bleekblauw deurtje, zoo stond het, in zijn stille, doodsche eenzaamheid op de verlaten heide... Zoo klein en nietig onder het eindeloos breed en hoog gewelf der hemelen, tegen de verre donkere streep van aan den horizon golvende bosschen... Zoo knellend-melankolisch-eenzaam onder de gure, grijze najaarsstormen, die in klaaggeloei over de gansche wijdte van de hobbelige vlakte zweepten; zoo eenzaam-rustig en gemoedelijk enkele malen, wanneer het heidekruid in verre roze-en-paarse tinten bloeide, wanneer de zon, stralend in hoogere reinen hemel, als met eigen louter hemelsblauw het week, verschoten blauw van deurtje en van luikjes weer deed opglanzen.

«Poover» noemden hem de enkele menschen die hem kenden of die van hem hadden hooren spreken. Zijn eigenlijke naam herinnerde zich niemand. Hij leefde moederziel alleen dààr, drie uren van de naaste menschenwoning, vier van het naastgelegen kleine dorp verwijderd. Men wist alleen maar dat hij er was komen wonen met zijn ouders, in den reeds lang geleden tijd toen de groote bosschen zich nog tot in de buurt van zijn eenzaam stroohutje uitstrekten. Als de jachtbewaker van een rijken heer was zijn vader er gekomen. Maar de heer was arm geworden, en vele bosschen waren uitgerooid. Enkel het huisje, dat voor niemand meer een waarde had, was blijven staan. Daar hadden Poover's vader en moeder tot hun dood gewoond, en na hun dood was hij er ook gebleven, omdat hij nu eenmaal gewend was aan dat leven, omdat hij naar iets anders niet verlangde, omdat hij, onwetend van alles wat er in de wijde wereld omging, zich geen ander leven meer kon voorstellen.

Hij bezat enkele kippen die hem eieren gaven, een zwijntje dat hij vetmestte, een hond, dien hij voor zijn kruiwagen spande, een kat, die de muizen en de ratten uit zijn huisje weerde. En hij had ook een sijsje, in een kooitje, dat vroolijk zingen kon in 't zonnig ochtenduur, en ook een boschuil, vreemde stille gast, die gansche dagen roerloos in een donker hok zat, en enkel met het schemeruur kwam opdagen, stil-nijdig met zijn groote, ronde kattenoogen op de vensterbank van 't kleingeruite raam gezeten, waar Poover hem zijn voeder kikkers, musschen, muizen in de klauwen stopte. Verder was er niets van leven om hem heen. Op een door hem ontgonnen hoekje heide plantte en zaaide hij aardappels, koren, groenten; uit de verre bosschen haalde hij takkebos voor brandstof. Zijn slaapplaats was een hoop met stroo en dorre bladeren tusschen vier ruwe planken, zijn kleederen hadden de kleur der aarde. Hij was van middelmatige, ietwat gebogene gestalte, met opmerkelijk lange armen. Zijn baard en haren waren ruig en grauwachtig, zijn magere koonen hadden een zonderlinge hoog-roze kleur, en in zijn vreemd-licht-grijze, rustelooze oogen lag een uitdrukking van groote schuwheid en gejaagdheid.

Nooit, of bijna nooit kwam er een mensch in zijn nabijheid. En als er zich soms een vertoonde, hield Poover zich liefst schuw-verborgen, alsof het hem iets vreemds en onheilspellends was. Het spraakvermogen had hij nagenoeg verloren, en de namen van zijn beesten uitte hij in korte klanken. Zijn hond heette Duc, zijn uil heette Koeb, zijn poes heette Mie, zijn sijsje heette Fientje. En in zijn geest waren de gedachten schaarsch en duister, altijd en onveranderlijk beperkt tot den beperkten horizon waarin zijn eenzaam leven opgesloten was. Hij dacht aan zijn kippen en zijn zwijn, aan zijn aardappels en aan zijn koren, aan zijn arbeid, aan zijn hond, aan zijn kat, aan zijn uil. Op stille zomeravonden zat hij zijn pijp te rooken, neergehurkt in het zand vóór zijn deur, werktuigelijk-en-roerloos-starend, zonder gepeinzen. Des winters zat hij starend voor zijn haardvuur, de oogen in de vlam, de handen op zijn knieën, het denkvermogen ingeslapen. Soms keek hij lange tijden naar de poes, die rustig in elkaar gerold te spinnen lag, soms kwam hij in de schemering van 't venster naast den boschuil zitten, om hem, in stil-starende-roerloosheid, de kikkers en de vogeltjes te zien verslinden,

Geld had hij niet, zag hij niet. Maar telkens als zijn zwijn was vetgemest, of als hij te veel kippen had, wat om de vier of vijf maanden gebeurde, trok hij er mee naar het ver afgelegen dorp, om er allerhande waren tegen in te ruilen.

Hij vreesde zeer die onvermijdelijke tochten. Want elken keer was het een opschudding in het doorgaans zoo rustig dorpje.

Van zoo verre de straatjeugd hem met zijn trekken den hond en volgeladen kruiwagen zag komen, ging het gegil op: «Doar es Poover! Doar es Poover!» En in joelende, spottend-uitgelaten benden liepen zij met hem mede, het geblaf van zijn hond, het geknor van zijn zwijn, het gekraai van zijn hanen nabootsend, terwijl Poover, rood van angst en schaamte, zich met schuwe, schuinsche blikken spoedde, en weldra hollend het wiel van zijn kruiwagen tegen den staart van zijn jankenden hond duwde, om zoo gauw mogelijk, door de dubbele rij van meehollende bengels en van spottend op hun drempels staande dorpelingen, aan het huis van den spekslager en winkelier, als in een veilige haven, te zijn.

Daar was hij uit de wreede klauwen. Zijn zwijntje werd gewogen, de prijs gedebatteerd, en voor de waarde ervan nam hij allerhande uit den winkel mede; eerst een nieuw jong zwijntje, dat hij weer vet zou mesten, en verder spek en kruidenierswaren, linnengoed en andere kleeren, boter, meel, koffie, tabak, alles wat hij voor zijn lange eenzaamheid weer noodig had. De menschen van het winkeltje onthaalden hem daarenboven nog op een lekkeren «spoelkom kaffee», met kaas en tarweboterhammen, en vergezelden hem met hun ietwat spottende, maar toch goedmoedige gelukwenschen tot aan de deur. En telkens had daar weer dezelfde grap plaats; telkens als Poover de draagboomen van den kruiwagen optilde, en « hue! » roepend tegen zijn hond, sterk met het lichaam duwde om den wagen voort te krijgen, ging er uit de groep van aan den overkant der straat geschaarde bengels een joelende schaterlach op. Een van hen had bedriegelijk een baksteen tusschen het wiel en de voorplank geduwd en de wagen kon niet voort. Suf glimlachend en onnoozel met het hoofd schuddend, als was hij telkens weer verrast door die telkens weer herhaalde grap, liet Poover de draagboomen los, haalde met moeite den baksteen van tusschen het wiel en de voorplank, en reed dan eindelijk weg, al spoedig weer hollend als bij zijn aankomst, onder het spotgejoel der tot verre buiten 't dorp met hem meehollende straatjeugd.

Darmowy fragment się skończył.

Ograniczenie wiekowe:
0+
Data wydania na Litres:
15 stycznia 2025
Objętość:
34 str. 8 ilustracji
ISBN:
4064066402112
Wydawca:
Właściciel praw:
Bookwire
Format pobierania:

Podobne książki