Czytaj książkę: «Ruize-rijmen»
Charivarius
Ruize-rijmen

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066403522
Inhoudsopgave
1. NAAMPIE.
2. BROER, ZUS EN MOP.
3. DE REVANCHE-IDEE.
4. WIJ, DWAZEN!
5. EER EN HOOGACHTING!
6. EEN KAARTJE!
7. DÎNER À PRIX FIXE.
8. ST. NICOLAASKLACHT.
9. DE LIEVE JEUGD.
10. VERJAARSWENSCH.
11. CELIBATAIRSWEE.
12. BEÊ AAN NEÊRLANDS GOÔN.
13. RIDDERORDENRIJM.
14. DE NETTE MENSCH SPREEKT.
15. DE SÉANCE.
16. IMPÔT UNIQUE.
17. VISITE.
18. DE HUWELIJKSRECEPTIE.
19. HET ENKELE WOORD.
20. DE DIEP-BEDROEFDE AANBEHUWDELINGEN.
21. MIJN BEGRAFENIS.
II. POLITIEKE RIJMEN.
1. WAT MOET MIJN ZOON WORDEN?
2. DE BIJZONDERSTE VOORZIENIGHEID OP HET GEVALLEN BOEKSKE.
3. DE RAAD DER BEZADIGDEN.
4. PENELOPE.
5. AAN LIEFTINCK, HET TACHTIGJARIG KAMERLID.
6. STEMRIJM.
III. OORLOGS-RIJMEN.
1. DE BLOEDGEBEDEN.
2. HET SCHOONSTE.
3. DAPPERE SOLDATEN, BANGE DIPLOMATEN.
4. ZES DIPLOMATEN.
5. AAN CORT.
6. NIEDERLAND! DIE WAFFEN NIEDER!
7. MOEDER, WIL U BABY ROEPEN?
8. THE HYMN OF HATE.
9. CONSPUEZ!
10. OLIEVERF-RIJM.
11. DE TIEN.
12. ’T WORDT WEER AANGEVULD.
13. IN DEN GULDEN RIDDERTIJD.
14. „SCHIMPT HEUSCHELIJCK!”
15. DIETSCHLAND, DIETSCHLAND, UEBER ALLES!
16. O, GIJ, EENS DE ZON VAN MIJN LEVEN.
17. ACH, DEDEN WIJ OOK MAAR MEE!
18. DAT IS HET!
19. WANHOPIG BESLUIT VAN EEN GESLINGERD KRANTENLEZER.
20. DIE GROSZE ZEIT.
21. DE GROOTE TOEVLUCHT.
22. IK HEB NU NET EEN JAAR GEMOORD.
23. DE HOCHKULTUR EN DE BLOOMING FOREIGNER.
24. OPEN BRIEF.
25. DE TOEKOMST.
26. WAT ZIJ KUNNEN DOEN.
27. O, DIE BLINDE, BLINDE, BLINDE...
28. DE ZWARTE LIJN.
29. DE MELKKNECHT EN DE DUITSCHE KULTUR.
30. WE WONEN IN EEN HOUTEN HUIS.
31. LEUZEN-RIJM.
32. REIK MIJ DE HAND, OF......
33. WIJ!
34. DE SNOEVERS.
35. DIVINA COMOEDIA.
36. ONZE OUDE.
37. DE STRIKTSTE BEVELEN.
38. QUOD LICET JOVI NON LICET BOVI.
39. DE GEVALLEN RUITER.
40. DE TOEKOMSTIGE LEIDING DER MENSCHHEID.
41. BIOLOGISCHE FRIEDENSRÜSTUNGEN.
42. LEUGEN-RIJM.
43. ROFFEL-RIJM.
44. CHARIVARIUS’ BEKEERING.
45. HET MEILIED DER MOEDERS.
46. MAJESTEIT OF HET KONINGSCHAP VOLGENS TSAAR EN KEIZER.
47. PRINSEN-RIJM.
48. EEN NEUTRAAL LIED VAN DEN OORLOG EN HET OPPERWEZEN.
49. AAN FRANS BASTIAANSE, MIJN CONCURRENT-RUIZERIJMER.
50. AAN CHARIVARIUS, om hem gerust te stellen.
51. VORSTENSCHOOL.
52. KARL EN ZITA OF HET BIOSKOOPGEVAAR.
53. MIES, CHARIVARIUS, DE KANARIE EN DE OORLOG.
54. O! O! O!
55. EEN FAILLISSEMENT.
56. WIJ DUITSCHERS, VOORHEEN EN THANS.
57. HOOG BEZOEK.
58. DE BRIEF VAN DEN VADER.
59. HOEZEE!
IV. TAAL.
1. TAAL-RIJM.
2. ED-DIJM.
3. MEVROUW.
4. BESLIST.
5. RUIZE!
6. WAAR GAAT HET OM?
7. PRACHT-BEWEGING.
8. ZIELIGE ZALIGHEID.
9. FEDERALISME.
10. HET LIED VAN MOOIE KAREL UIT DE JORDAAN.
11. UITKOMST-RIJM.
12. SPREEK JE MOERS TAAL!
13. THE OLD MASTERS OF HOLLAND.
14. DE CHAOS.
V. KUNST.
1. AAN SPEENHOFF.
2. DE BENAUWDE VESTE.
3. AAN TIELENS.
4. D’R KOMEN NETTE LUI!
5. PRELUDIUM.
6. HOLLANDSCHE HUMOR.
7. HOE SCHRIJF IK EEN TOONEELSTUK?
8. DE BLOEMENTUIN.
9. DE CRITICUS.
VI. LETTEREN.
1. VAERS.
2. SONNET.
3. HET GOUDENE RAADSEL VAN HET WONDERE GELUK.
4. EEN ST. NICOLAASCADEAUTJE.
5. RID- EN RUNDERS.
6. ZAK-DRAMA.
7. RUST-RIJM.
8. RIJM-RIJM.
9. LOFRIJM OP DE PRIKKEL-IDYLLEN.
VII. IERSCHE GIJN
VIII. OVIDIUS’ HERSCHEPPINGEN.
1. DEUCALION EN PYRRHA.
2. ECHO.
3. NARCISSUS.
4. PYGMALION.
5. ARACHNE.
6. ICARUS.
7. PYRAMUS EN THISBE.
8. PHILEMON EN BAUCIS.
9. PHAETON.
IX. GESCHIEDENIS DES VADERLANDS.
EERSTE ZANG.
TWEEDE ZANG.
DERDE ZANG.
VIERDE ZANG.
VIJFDE ZANG.
X. ALLERLEI.
1. MEI-RIJM.
2. DE POST-STAKING.
3. NAPOLEON-RIJM.
4. EERSTE LIEFDE.
5. KWAK-RIJM.
6. HET WONDER.
7. O, TELEFOON!
8. OPGEMERKT.
9. STEMMINGSRIJM VAN DOOD EN LEVEN.
10. DE TREINEN ZIJN OP TIJD.
11. HAZEN-RIJM.
12. MENSCH, ERGER JE NIET!
13. OWEEERSWEE OF HET EET-EXAMEN.
14. DE OWEEËRS KRIJGEN LES.
15. LOFLIED OP DE VRIENDSCHAP.
16. HET ANTWOORD VAN ’T MEISJE.
17. WAAR WERD OPREGHTER TROU......
18. EXAMEN-RIJM.
19. AUTO-RIJM.
20. GEMAKKELIJKE BIJVERDIENSTE.
21. HET EENE MERKWAARDIGE.
22. IDYLLE.
23. LENTELIED.
24. OP DE AUTO-TENTOONSTELLING.
25. VOETBAL-HYMNE.
26. HET EENE NOODIGE.
27. LOF DER ZOTHEID. I.
28. LOF DER ZOTHEID. II.
29. DE BLOEDNEUSPROLEET.
30. RECLAME-RIJM.
31. HET ERGSTE.
32. PLAATSELIJKE KEUZE.
33. DE BLAREN EN DE BLADEN.
34. DE NIET-ONBEVOEGDE ZIJDE.
35. HET PLAATSELIJKE BLAADJE.
36. PATRICISCH PROLETARIAAT.
37. KERSTLIEDJE.
38. LEVENSWIJSHEID.
XI. VAN LEVEN EN STILTE.
1. LEVENSLIED.
2. CHARIVARIUS IN DE ALPEN (DE PERS IN DE WOLKEN) .
3. BOSCH-RIJM.
4. STRAND-RIJM.
5. SNEEUW-DAG IN DE DUINEN.
6. KACHEL-MIJMERIJ.
7. DE JONGE BLINDE.
8. BELLO, DE TREKHOND, dien Charivarius, na wat afdingen, voor ƒ 7,50 kocht van een hondenbeul.
9. TREUR-RIJM.
10. TOE, JONGENS, WEEST NIET WREED!
11. DES EENLINGS MIJMERIJ.
12. TWEE-EENHEID.
L’ENVOI.
1. NAAMPIE.
Inhoudsopgave
De tijd van Klara, Bettekoo, van Annemie en Aagje
Is lang voorbij. We volgen nu het voorbeeld van het Haagje.
Zoo’n naampie op een y-tje klinkt zoo fijntjes, zoo coquetjes,
Marie, Christien, Jacoba, Anna, Mina is niet netjes.
We zeggen liever Mary, Tini, Cobi, Anni, Mini,
En Kitty, Nelly, Wimmy, Elly, Florry, Lotty, Stini.
En Jet is veel te burgerlijk, fatsoenlijker is Jetty,
En Jenny, Molly, Henny, Dolly, Enny, Polly, Hetty,
En Maggy, Tilly, Fanny, Lili, Lizzy, Carry, Corry,
En Bini, Betty, Dini, Nettie, Suzie, Emmy, Dorry.
Een jongen heet geen Hein, maar Harry. Jan is plat; zeg Johnny,
En Willem — dat moet Willy zijn, en Toon natuurlijk Tonny,
Dan noem’ we Wijnand Wijnie’ hoor; een ie-tje hebben zal-ie!
Wat moet’ we dan met Albert doen? — Wel, noem den lummel Ally!
Ook Eduard is veel te flink, en Frits en Ferdinand,
Die worden dus tot Eddy, Freddy, Ferry-dear ontmand.
En Gijs wordt Bertie, Bonnie staat voor... drommels ja hoe hiet die?
Gelukkig nog dat Piet voorloopig Piet is en niet Pietie!
Al wat uit Eng’land komt is chic. Ja juist, maar je vergeet,
Dat daar de waschvrouw Mary, en het vischwijf Kitty heet!
2. BROER, ZUS EN MOP.
Inhoudsopgave
De kwestie van de namen is en blijft een lastig vraagstuk,
Benoem je kinderen niet te dwaas, bedenk het is een waagstuk.
Ik ken een deftig handelsman, gewichtig, stram en stoer,
Hij groeit geweldig door zijn haar — maar heet nog altijd... Broer!
Een donkere vrouw van veertig jaar, in statige gewaden,
Schrijdt, vorstelijk neigend, door de zaal. Haar naam, zoo zou je raden,
Is Hilda, Nora, Adelheid? — Helaas, ’t is niet aldus,
De schitterende schoone luistert naar den naam van Zus!
Haar oudre zuster voelt zich jong; dat blijkt, wanneer je weet,
Dat zij — ze is nog ongetrouwd — (hoe snoezig!) Baby heet!
Marianne klinkt te muzikaal, te mooi; daar weet’ w’ iets op:
De arme stumperd wordt veroordeeld — levenslang — tot Mop!
We willen Fransche namen, best! maar ’t Fransch is ons de baas,
En daarom wordt Louise Wies, Françoise — schrik niet! — Zwaas!
Een kindje, laat-in-’t-spreken, stottert, en wij stotteren ’t na,
Zoo’n hik-snik wordt tot naam verheven door Papa en Ma.
Zoo Hak en Tip en Hep en Toet en Iet en Noes en Biep,
En Pip en Mans en Tot en Ans en Lei, Tee, Dig en Siep,
En Ankie, Poetje, Robbie, Doetje, Tientje, Ponk en Poppie,
En Mokkie, Pukkie, Apie, Kukkie, Seppie, Tut en Toppie,
En Kiek en Uk en Noep en Tuk en Ies en Oot en Mik...
Zoo zull’ de stakkers blijven heeten tot den jongsten snik.
’k Doe, slachtoffers, beroep op u. Gij allen, die moet lijden,
Door ’t smakeloos en zot bedrijf, gij moet uzelf bevrijden.
O Broer, o Zus, o Peuter, Poes, o Tik, o Fink, o Riet!
Vecht voor je naam, en luistert naar die kokhalsklanken niet!
3. DE REVANCHE-IDEE.
Inhoudsopgave
Opgedragen aan Hak en Tip en Hep en Toet en Iet en Noes en Biep en Pip en Mans en Tet en Ans en Lei, Tee, Dig en Siep en Ankie, Poetje, Robbie, Doetje, Tientje, Snor en Poppie, en Mokkie, Pukkie, Apie, Kukkie, Seppie, Tut en Topie, en Kiek en Uk en Noep en Tot en Ies en Oot en Mik, en Broer en Zus en Peuter, Poes en Fink en Tik.
Motto: „Verongelijkten van alle ouders, vereenigt u!”
Neen, Uk en Poes, en Tut, verdraagt je schande niet geduldig,
Neemt op je ouders wreede wraak, want waarlijk zij zijn schuldig!
Zij leverden u over, Broer en Miep, aan hoon en smaad,
Neemt wraak! en zet het hun betaald! Vergeldt dan kwaad met kwaad!
Maar, luistert, want je moet het goed en vinnig, met verstand doen,
Ik weet wat voor je. ’k Zal je eens wat aardigs aan de hand doen.
Vooreerst, zegt altijd „Jou” en „Jij” — dat geeft zoo’n lekkere snauw:
„Jij, Tut!” — „Nee, jij mot, jij!” — „’t Is ’t jouwe!” — „Nee, van jou! van jou!”
Je noemt dat Fransch of Duitschen stijl — al is ’t ook geen van beiden,
Want Franschen, Duitschers zeggen „jou” tot God, „u” tot de meiden!—
En verder, zegt nooit „Moeder” meer, zoo hartelijk en zacht,
Zoolang zij hikt van „Hak” en „Tip”, met misbruik van haar macht.
Zegt „Mamma”, want daar ku’ j’ zoo’n doffen rommelklank in leggen,
Of, wil je nog wat leelijkers, dan moet je „Mam” gaan zeggen.
Je weet, dat mamma „uier” is (een oud-latijnsche stam)
En „Mam” klinkt zoo poëtisch! Net als ham, en kam en klam.
Nu heb ik nog iets voor je om je vader klein te krijgen:
Je moet het mooie „vader”-woord zorgvuldiglijk verzwijgen,
Je scheldt hem plat en duidelijk uit, ter eer van ’t vaderschap,
Met woord voor ’t slijmerig kindervoêr, en noemt je vader... Pap!
Allemaal:
’t Weerklinke dus van Groningen, Maastricht tot Amsterdam
Van: Mam en Pap en Pap en Mam en Mam en Pap en Mam!!
4. WIJ, DWAZEN!
Inhoudsopgave
„Ons land zij groot in al, waarin een klein land groot kan zijn,”
Zoo luidde ’t vorstelijk woord, (te veel!) herhaald door groot en klein.
En als er ooit geluisterd werd naar zulke wijze lessen,
Dan hebben wij dat hier gedaan. Kijk maar eens naar d’ adressen;
Die zijn, hoe klein ons land ook is, behoorlijk lang en groot,
En daarbij goed bedacht — door een volslagen idioot.
Wij, dwazen, schrijven elken dag die dolle nonsens neer:
WelEdele, of, deftiger, WelEd. Geboren Heer,
Den Heer, zoo sec, dat durv’ we niet; dat moeten we verlengen
Tot WelEerwaarden, ZeerGeleerden, WeledelGestrengen,
Den HoogGeboren Heer of Vrouwe; en — je moet het hooren!—
Die even minder deftig is, die is HoogWelGeboren!
En ben j’ iets meer dan hooggeboorn, al is ’t verschil ook klein,
Wat ben je dan? Medunkt, dan moet je ZeerGeboren zijn!
HoogEdele, GrootAchtbare, Geleerde, ZeerEerwaarde...
Verbeeld je iemand, die den adel aan geleerdheid paarde,
Zoo iemand werd HoogWelgeborenEdelZeerGeleerd!
En was hij in de Rechten bovendien gepromoveerd,
En wist hij het tot raadslid van Kwadijk of Liemt te brenge’
Hij werd WelEdelAchtbaarHoogGeborenZeerGestrenge!—
O, HoogGeborenWelEerwaardeZeerGrootAchtbare Heer,
U is geleerd, maar is U ’t Hoog, of is U ’t nog maar Zeer?—
Wij moesten eens bedenken, wij, grootachtbare eedle dwazen,
Voor wie wij toch zoo zeergeleerd op d’enveloppen razen,
Voor wie ’t bestemd is, al die strenge edelachtbaarheid?...
Ik zal ’t je zeggen: voor den postman en voor Mie, de meid.
5. EER EN HOOGACHTING!
Inhoudsopgave
De nonsenstermen zijn nu afgeschaft op d’enveloppen,
We doen niet meer aan Edel, Streng, of dergelijke moppen,
Den Waarden Weleer Zeer Geleerden Hooggeboren Heer—
Geen lieve lezer van de Ruize-Rijmen schrijft dat meer.
Maar wees nu consequent, en pas hetzelfde stelsel toe
Op Waarde, Beste, Zeer Geacht’ en al dat mal gedoe;
Hoogachtend, Met de meeste Achting, ’k Blijf geheel de Uwe,
Uw dienaar, dienstwillig, dienstvaardig... is ’t niet om te gruwe’?
En meen’geen gaf ’t in wanhoop op, en schreef maar niet, ten leste,
Omdat hij maar geen keus kon doen uit Lieve, Waarde of Beste!
Is het zoo moeilijk, zou het niet met een’ge oef’ning lukken,
Dienstvaardigheid en achting in den brief zelf uit te drukken?
En zuiver zaken-brieven, als: „Is u van middag vrij?”
Moet daar die achting en dienstwilligheid nu ook al bij?
Zeg, hebt gij zelf nog nooit zoo iets geschreven als dit, lezer:
„In antwoord op Uw Zeer Geëerde van den vierden dezer
Heb ik de Eer U mede te deelen, Zeer Geachte Heer,
Dat onze kat gejongd heeft, dat’s nu voor de tiende keer,
En al de beestjes leven nog; ’t is boven mijn verwachting.
’k Verblijve Uw dienstwil’ge dienaar, met de meeste Achting”?
Die dwaze wartaal weg te laten strijdt met je fatsoen,
Maar sta je, als je spreekt met iemand, ook zoo gek te doen?
Bv. zeg je: „Zeer Geleerde, Hoog Geachte Heer!
Ik heb de Eer U mee te deelen: ’t is vandaag mooi weer?”—
Wie doet er mee, en breekt met dit gedachteloos geteem,
En schrijft — zooveel als ’t mooglijk is — naar ’t volgende systeem:
Laat slechts den datum op uw brief, den naam er onder prijken,
En laat uw achting, liefde en geest uit stijl en woordkeus blijken!
6. EEN KAARTJE!
Inhoudsopgave
Wie stuurt er me-n-’n kaartje,
Een kaartje met Nieuwjaar?
Die kaartenstroom, die kaartenvloed
Die doet me ieder jaar zoo ’n goed!
Mag ik ’r op reek’nen dat je ’t doet?
Och, stuur me maar een kaartje,
Een kaartje met Nieuw Jaar!
Wie stuurt er me-n-’n kaartje,
Een kaartje met Nieuw Jaar?
Je doet m’ ’r zoo’n genoegen mee,
En ’t is zoo’n aardig, nieuw idee,
Zoo met „p.f.” of met „m.g.”,
Ik snak zoo naar je kaartje,
Je kaartje, met Nieuw Jaar.
O, stuur me toch je kaartje,
Je kaartje met Nieuw Jaar!
Dan heeft de Post wat bezigheid,
December is de slappe tijd,
Zoodat je ook de Post verblijdt,
Begrijp je? met je kaartje,
Je kaartje met Nieuw Jaar.
Zoo’n kaartje, dat bespaart je
Een langen brief, niet waar?
’t Is dan niet noodig, dat je dicht
Een mooien wensch aan Oom of Nicht,
Voor ’t jaar, „dat weder vóór ons ligt,”
Je stuurt ze maar een kaartje,
Je bent veel gauwer klaar.
Dus krijg ik vast je kaartje,
Je kaartje met Nieuw Jaar?
’k Behandel ’t heusch niet achteloos,
’k Bewaar het netjes in een doos,
En stuur je na een korte poos,
Uit dankbaarheid mijn kaartje,
Voor ’t kaartje van Nieuw Jaar.
Zoo gaat het jaar op jaartje,
Zoo foppen wij mekaar.
De wereld is een poppenkast!
We doen elkander overlast,
Maar ’t hoort, dus doen we ’t; dàt staat vast...
Och, stuur me maar geen kaartje,
Nee, dank je. Laat het maar.
7. DÎNER À PRIX FIXE.
Inhoudsopgave
Opgedragen aan alle vriendelijke gastvrouwen, door een paying guest.
Laat mijn lustig lied bezingen
Een van d’ allerdolste dingen,
Die in onze nette kringen
Tot den goeden toon behooren,
(Dus je weet al van te voren,
Dat je weer wat moois zal hooren.)
Wie bij vrienden gaat dineeren,
Moet een pop — contant — spendeeren,
Wie bij vrienden gaat logeeren,
Waar hij „Logies met Ontbijt” krijgt,
Dokt een gulden, die de meid krijgt—
Dat wil zeggen, ’t heet, dat zij ’t krijgt,
Zij ontvangt het; goed — uitstekend,
Maar je weet wat het beteekent:
’t Is bij ’t huren zóó berekend:
„Zooveel zal je loon zijn, Keetje,
Maar we geven, hm, ja, weet je,
Nog al zoo eens een dineetje...
Bovendien, wij inviteeren
Dikwijls menschen te soupeeren,
Of ze komen hier logeeren,
— ’t Zal zoo eens per veertien daag zijn—
Anders zou je loon wat laag zijn.”
„Nu mevrouw, ik wil hier graag zijn,”
Antwoordt heel tevreden Keetje.
En na ieder dejeuneetje,
Of dineetje of soupeetje,
Voelt zij al haar handpalm jeuken...
„Och, mevrouw, waar is de keuken?”
Vraagt de gast. „Daar!” zegt ze leuk, en
Ziet hoe Keetje, niets verlegen,
Krijgt, wat zij — wat is er tegen?—
Loons te weinig heeft gekregen.
Ja, wie zich op stand laat „veur”-staan,
Houdt van deftig doen en geurslaan,
Die laat Mina bij de deur staan,
Dat is nog te prefereeren,
Want dan kan geen gast ’t probeeren,
Om ’m stiekempjes te smeren...
Och mevrouw, mag ik het wagen,
U bescheidenlijk te vragen,
Of u wellicht dezer dagen
Eens bij mij wilt komen eten?
Maar dan moet ik zeker weten,
Dat g’ uw beursje zult vergeten:
Komt u bij mij middagmalen,
’k Wil u gaarne goed onthalen—
Maar u mag het niet betalen!