Czytaj książkę: «Koning Hendrik de Vierde»

Czcionka:

William Shakespeare

Koning Hendrik de Vierde


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066404475

Inhoudsopgave

EERSTE DEEL.

EERSTE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

TWEEDE TOONEEL.

DERDE TOONEEL.

TWEEDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

TWEEDE TOONEEL.

DERDE TOONEEL.

VIERDE TOONEEL.

DERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

TWEEDE TOONEEL.

DERDE TOONEEL.

VIERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

TWEEDE TOONEEL.

DERDE TOONEEL.

VIERDE TOONEEL.

VIJFDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

TWEEDE TOONEEL.

DERDE TOONEEL.

VIERDE TOONEEL.

VIJFDE TOONEEL.

KONING HENDRIK DE VIERDE.

TWEEDE DEEL.

PROLOOG.

EERSTE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

TWEEDE TOONEEL.

DERDE TOONEEL.

TWEEDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

TWEEDE TOONEEL.

DERDE TOONEEL.

VIERDE TOONEEL.

DERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

TWEEDE TOONEEL.

VIERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

TWEEDE TOONEEL.

DERDE TOONEEL.

VIERDE TOONEEL.

VIJFDE TOONEEL.

VIJFDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

TWEEDE TOONEEL.

DERDE TOONEEL.

VIERDE TOONEEL.

VIJFDE TOONEEL.

EPILOOG,

EERSTE DEEL.

Inhoudsopgave

 PERSONEN:

 Koning Hendrik de Vierde.

 Hendrik, prins van Wales,zonen des Konings.John van Lancaster,

 De Graaf van Westmoreland.

 Sir Walter Blunt.

 Thomas Percy, Graaf van Worcester.

 Hendrik Percy, Graaf van Northumberland.

 Hendrik Percy, bijgenaamd Heetspoor, zijn zoon.

 Edmond Mortimer, Graaf van March.

 Richard Scroop, Aartsbisschop van York.

 Archibald, Graaf van Douglas.

 Owen Glendower.

 Sir Richard Vernon.

 Sir John Falstaff.

 Sir Michaël, een vriend van den Aartsbisschop van York.

 Poins.

 Gadshill.

 Peto.

 Bardolf.

 Lady Percy, gemalin van Heetspoor, zuster van Mortimer.

 Lady Mortimer, dochter van Glendower, gemalin van Mortimer.

 Vrouw Haastig, waardin van een herberg in Eastcheap.

 Lords, Officieren, een Sheriff, een Wijntapper, een Laarzenpoetser, Herbergbedienden, twee Voerlieden, Reizigers, Bedienden en Gevolg.

Het tooneel is in Engeland.

EERSTE BEDRIJF.

Inhoudsopgave

EERSTE TOONEEL.

Inhoudsopgave

Londen. Een vertrek in ’s Konings paleis.

Koning Hendrik, Westmoreland, Sir Walter Blunt en Anderen komen op.

Koning Hendrik.

Hoe diep geschokt, hoe bleek van zorg wij zijn,

Tijd vinden wij, dat de opgejaagde vrede

Uitblaze en hijgend spreek’ van nieuwen strijd,

Te voeren aan een ver verwijderd strand.

Niet langer zal de dorstige aard haar lippen

Met harer eigen kindren bloed hier verven,

Niet langer scherpe krijg haar velden ploegen,

Haar bloemen kneuzen met den ijz’ren tred

Van ’s vijands ros; die tegenstandersoogen,

Die, als eens donkren hemels meteoren,

Van één natuur, uit ééne stof verwekt,

Zich pas in ’t stormen en de woeste worstling

Der burgerslachting op elkander stortten,

Zij zullen nu, eendrachtig, saamgeschaard,

Denzelfden weg gaan, langer niet in twist

Met landgenooten, magen en verbond’nen; 16

Niet langer zal het krijgszwaard, als een mes

In slechte scheê, zijn eigen meester wonden.

Dies, vrienden, naar het verre graf van Christus,—

Wiens heilig kruis de vaan is, die tot krijgers

Van hem ons wijdt en ons tot strijden roept,—

Vereen’gen wij met spoed een Engelsch leger,

Welks armen in den moederschoot zich vormden

Ter jacht op heidnen in dat heilig land,

Betreden door die zegenrijke voeten,

Die, ons tot heil, voor veertienhonderd jaar

Genageld werden aan het bitter kruis.

Doch dit ons plan, twaalf maanden is ’t reeds oud,

En zeiden we enkel dit: “wij gaan”, ’t waar’ nutt’loos;

Niet daarom zijn wij hier; laat dus mij hooren,

Van u, mijn waarde neef van Westmoreland,

Wat gistren avond onze raad besloot,

Om dien ons dierb’ren tocht nu door te zetten.

Westmoreland.

Mijn vorst, die spoed werd ijvrig overwogen,

En van de midd’len tot den krijg was gistren

Reeds veel bepaald, toen ons te kwader uur

Een bode uit Wales recht booze tijding bracht;

Het ergst is dit, dat de eed’le Mortimer

Die met zijn troep, in Herefordshire gelicht,

Glendower, den woesten Welschen hoofdman, aangreep,

Dien ruwen krijger zelf in handen viel;

Een duizendtal der zijnen werd geslacht;

En Welsche vrouwen hebben hunne lijken

Mishandeld, ja, zoo schandlijk en zoo dierlijk

Verminkt, dat schaamte een elk beletten moet,

Dit te beschrijven of er van te spreken.

Koning Hendrik.

En het bericht van dezen strijd,—zoo schijnt het,—

Heeft onze zaak van ’t Heilig land geschorst?

Westmoreland.

Ja, dit, met meer ontrustend nieuws, mijn vorst, 49

Want ruwer tijding, nog veel meer onwelkom,

Kwam uit het noorden aan, van dezen inhoud:

Op kruisverheffingsdag stiet dapp’re Heetspoor,

De jonge Hendrik Percy, daar op Douglas,

Den immer strijdb’ren en beproefden Schot,

Bij Holmedon,

Waar zij een boos en bloedig uur doorleefden,

Zooals de bode naar ’t kanongebulder

En verdren schijn van ’t slaggewoel vermeldt,

Want die de tijding bracht, steeg in de hitte

En hoogste woede van den strijd te paard,

Toen de afloop nog geheel onzeker was.

Koning Hendrik.

Hier staat een trouw en onvermoeibaar vriend,

Sir Walter Blunt, zoo pas van ’t paard gestegen,

Bespat met al het onderscheid van grond,

Dat tusschen Holm’don is en onzen zetel.

Die heeft ons glad en welkom nieuws gebracht.

De graaf van Douglas is geheel verslagen;

Tienduizend stoute Schotten, twintig ridders,

In eigen bloed gestapeld, zag Sir Walter

In Holm’dons veld; Heetspoors gevang’nen zijn:

Mordake, de graaf van Fife en oudste zoon

Van de’ overwonnen Douglas, en de graven

Van Athol, Murray, Angus en Menteith.

Acht gij dit niet een buit, die eere brengt,

En prijs voor hoogen moed? Spreek, neef, wat dunkt u?

Westmoreland.

Voorwaar,

Een zegepraal, waarop een prins kon bogen.

Koning Hendrik.

Thans maakt gij mij bedroefd en wekt de zonde

Des nijds in mij, dat lord Northumberland

De vader is van zulk een heilrijk zoon:

Een’ zoon, dien de eere steeds als voorbeeld prijst,

In ’t hooge woud den rijzigste’ aller stammen,

Den liev’ling en de trots van ’t mild Geluk,

Terwijl dat ik, zijn roem aanschouwend, zie,

Hoe schande en woestheid mijnen jongen Hendrik

Het voorhoofd smetten. O, liet zich bewijzen,

Dat, spokend in de nacht, een elf de kindren,

Toen ze in hun wiegjes lagen, had verruild,

’t Mijn Percy, ’t zijn Plantagenet genoemd!

Dan had ik zijnen Hendrik, hij den mijnen.—

Doch weg daarmee!—Wat dunkt u van den trots

Des jongen Percy’s? de gevang’nen, die

Hij in dit jongste treffen heeft gemaakt,

Behoudt hij voor zichzelf, en zegt, dat ik

Slechts Mordake, graaf van Fife, van hem krijg.

Westmoreland.

Dat is de leering van zijn oom, ’t is Worcester, 96

Bij elken hemelstand uw booze ster;

Die maakt, dat hem de kam der jeugd zoo zwelt,

En hij zoo fier uw hoogheid tegentreedt.

Koning Hendrik.

Hoe ’t zij, ik riep hem op ter rekenschap;

En om die reden moet ons heilig plan

Naar Palestina nog een wijle rusten.

Aanstaanden Woensdag, neef, beleggen wij

Te Windsor raad, verwittig dus de lords:

Doch keer gijzelf terstond tot ons terug;

Er valt nog meer te zeggen en te doen,

Dan nu in gramschap kan besproken worden.

Westmoreland.

Zeer wel, mijn vorst.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Inhoudsopgave

Aldaar. Een ander vertrek in het paleis.

Prins Hendrik en Falstaff komen op.

Falstaff.

Wel, Hein, wat tijd van den dag is het, jongen?

Prins Hendrik.

Gij zijt zoo vet van brein geworden van het oude-sekdrinken, het kamizool-losknoopen na het avondeten, en het slapen op banken na den middag, dat gij verleerd hebt, werkelijk te vragen naar wat gij werkelijk weten wilt. Wat duivel hebt gij met den tijd van den dag te maken? Als niet uren glazen sek zijn’ en minuten kapuinen, en klokken koppelaarsterstongen, en wijzerplaten uithangschilden voor liederlijke huizen, en de lieve zon zelve een mooie, hitsige deerne in vuurkleurige zijde, zie ik geen reden, waarom gij zoo buitensporig zoudt zijn van naar den tijd van den dag te vragen.

Falstaff.

Ja, waarlijk, Hein, daar hebt gij mij een teêr punt aangeroerd; want wij, die beurzen snijden, wij gaan uit bij de maan en het zevengesternte, en niet bij Phoebus, “den dolenden ridder fijn”. En, ik bid u, mijn lieve guit, als gij eens koning zijt,—wat God uwe genade,—majesteit wilde ik zeggen, want op genade hebt gij niet te hopen,—

Prins Hendrik.

Wat! in het geheel niet?

Falstaff.

Neen, zeker niet, zelfs niet voor de kleinste pekelzonde.

Prins Hendrik.

Nu, wat verder? ga voort, vrijuit, vrijuit!

Falstaff.

Nu dan, mijn lieve guit, als gij eens koning zijt, laat dan niet toe, dat men ons, die schildknapen zijn van de nacht, ooit dagdieven noemt; laat ons heeten: Diana’s houtvesters, ridders van de schemering, lievelingen van de maan; en laat men zeggen, dat wij mannen zijn van een besten levenswandel, want wij regelen ons, evenals de zee, naar onze edele en kuische meesteres, de maan, en het is onder haar mantel, dat wij stelen. 33

Prins Hendrik.

Zeer goed gezegd, en zeer juist bovendien; want het geluk van ons, die dienaars zijn der maan, heeft zijn eb en vloed als de zee, en wordt, evenals de zee, door de maan bestuurd. Bij voorbeeld aldus: een goudbeurs wordt Maandagnacht zeer vastberaden gekaapt, en Dinsdagmorgen zeer onberaden doorgebracht; veroverd met een vloek: “draai bij, afgeven!” en verdaan met het geschreeuw: “kom hier, aannemen!” nu eens, ebbe zoo laag als de voet van de ladder, dan weer, vloed, zoo hoog als het dwarshout van de galg.

Falstaff.

Bij God, gij hebt gelijk, jongen. En is mijn waardin van het wijnhuis niet een allerzoetst bekje?

Prins Hendrik.

Als de honing van Hybla, mijn oude schermersbaas. En is er iets meer boeiends dan een man in een buffelleêren wambuis?

Falstaff.

Hoe zoo, hoe zoo, dolle guit? hebt gij alweer uw invallen en uitvallen? wat voor den duivel heb ik met boeiende mannen te doen?

Prins Hendrik.

En wat weêrgâ heb ik met de waardin van het wijnhuis te doen?

Falstaff.

Nu, gij hebt toch aardig dikwijls met haar afgerekend.

Prins Hendrik.

Heb ik er u ooit bijgeroepen, om uw deel te betalen?

Falstaff.

Neen, dat moet ik u tot uw eer nageven, gij hebt altijd alles betaald.

Prins Hendrik.

Ja hier, en elders ook, zoover mijn geld reikte; en waar dit niet toereikte, heb ik mijn krediet gebruikt.

Falstaff.

Ja, en opgebruikt ook, zoodat, als gij niet de vermoedelijke troonopvolger waart, vermoedelijk,—maar ik bid u, zeg mij, mijn lieve guit, zullen er in Engeland nog galgen overeind blijven staan, als gij koning zijt, en zullen zij, die wat durven, evenals nu, beetgenomen worden met den roestigen breidel van den ouden zotskap, de wet? Neen, hang geen dief meer op, als gij koning zijt.

Prins Hendrik.

Neen, gij zult het doen.

Falstaff.

Ik? o voortreffelijk! Bij God, ik zal een kostelijk rechter zijn.

Prins Hendrik.

Er is rechten en rechten, en uw oordeel is nu al verkeerd; ik bedoel, dat gij de dieven zult hangen, en dus een man van gewicht, een scherprechter zult worden. 76

Falstaff.

Mooi, Hein, mooi; ik zeg u, het is al evenveel naar mijn smaak, als aan het hof te verschijnen.

Prins Hendrik.

Als mijn getrouw aanhanger?

Falstaff.

Dat zou wel zoo wezen, want de scherprechter heeft, helaas! maar al te veel aan te hangen. Verduiveld, ik ben zoo melancholiek als een oude kater of een geneusringde beer.

Prins Hendrik.

Of als een oude leeuw of een minnaarsluit.

Falstaff.

Of als een baspijp van een Lincolner doedelzak.

Prins Hendrik.

Zoudt gij niet zeggen, als een naargeestige haas, of een stilstaande stadsgracht?

Falstaff.

Gij hebt de onsmakelijkste vergelijkingen ter wereld, en zijt inderdaad de vergelijkendste, spitsboefachtigste,—aardigste jonge prins.—Maar ik bid u, Hein, val mij niet meer met ijdelheden lastig. Ik wenschte van God, dat gij en ik eene gelegenheid wisten, om een voorraad goeden naam te koopen. Een oude lord van den geheimen raad haalde mij onlangs op de openbare straat om uwentwille door, man; maar ik lette niet op hem, en toch, hij sprak zeer wijs, maar ik sloeg geen acht op hem; en toch sprak hij wijs, en bovendien op straat.

Prins Hendrik.

Gij deedt wel; want de wijsheid verheft hare stem op de straten, en niemand slaat acht op haar.

Falstaff.

O! gij hebt vloekwaardige aanhalingen en zoudt waarlijk in staat zijn, een’ heilige te verleiden. Gij hebt veel schuld over mij gebracht, Hein;—God moge het u vergeven. Vóor ik u kende, Hein, wist ik van niets, en nu ben ik, als ik naar waarheid moet getuigen, weinig beter dan een van de goddeloozen. Ik moet van dit leven afstand doen, en ik wil er afstand van doen. Bij God, als ik het niet doe, ben ik een schurk; ik wil niet ter helle varen, voor geen enkelen koningszoon in de christenheid.

Prins Hendrik.

Waar willen wij morgen een geldbuidel rooven, Hans?

Falstaff.

Alle weêrgâ, waar gij wilt, jongen; ik ben er bij. Als ik het niet doe, noem mij dan een schurk en een lafaard en wat ge wilt.

Prins Hendrik.

Ik zie daar een fraaie bekeering in u, van bidden tot beurzensnijden.

(Poins verschijnt op den achtergrond.)

Falstaff.

Wel, Hein, ’t is mijn beroep, Hein; en in zijn beroep werkzaam zijn is geen zonde.—Poins!—Nu zullen wij hooren, of Gadshill wat op touw heeft gezet.—O, als de menschen door verdiensten zalig worden, welk gat in de hel zou dan heet genoeg zijn voor hem? Hij is de meest doortrapte spitsboef, die ooit een eerlijken drommel “sta!” heeft toegeroepen. 122

Prins Hendrik.

Goeden morgen, Edu.

Poins.

Goeden morgen, beste Heintje!—Wat zegt Sinjeur Gewetensknaging? Wat zegt Sir John Sek-met-suiker? Hans, hoe staat het met den duivel en u, omtrent uw ziel, die gij hem den laatsten Goeden Vrijdag voor een roemer Madera en een koud kapoeneboutje verkocht hebt?

Prins Hendrik.

Sir John houdt zijn woord; den duivel zal zijn recht geworden, want hij heeft nog nooit een spreekwoord gebroken; hij geeft zelfs den duivel het zijne.

Poins.

Dan zijt gij vervloekt, omdat gij den duivel uw woord houdt.

Prins Hendrik.

Anders was hij vervloekt geweest, omdat hij den duivel bedrogen had.

Poins.

Maar jongens, jongens, morgen ochtend vroeg tegen vier uren, naar Gadshill! Er gaan pelgrims naar Canterbury met rijke offergaven, en er rijden kooplieden naar Londen met goedgespekte buidels; ik heb maskers voor u allen, paarden voor u hebt gijzelf. Gadshill blijft van nacht te Rochester; ik heb voor morgen avond eten besteld in Eastcheap; wij kunnen het even veilig doen als slapen. Wilt gij meegaan, dan stop ik u de zakken vol kronen; wilt gij niet, zoo blijf thuis en laat u hangen.

Falstaff.

Hoor eens, Eduardus; als ik thuis blijf en niet ga, dan hang ik u voor het meêgaan.

Poins.

Zoo, vleeschklomp?

Falstaff.

Hein, doet gij mede?

Prins Hendrik.

Wie? Ik stelen? Ik een dief? Neen, waarachtig niet.

Falstaff.

Er is in u geen eerlijkheid, geen manhaftigheid, noch goede kameraadschap, en gij zijt ook niet van koninklijken bloede, als gij het hart niet hebt, een paar kronen in den zak te steken.

Prins Hendrik.

Nu goed, ik wil eens in mijn leven een dollemansstreek begaan.

Falstaff.

Zie, dat is verstandig gesproken.

Prins Hendrik.

Neen, er gebeure wat er wil, ik blijf thuis.

Falstaff.

Bij God, dan pleeg ik hoogverraad aan u, als gij koning zijt.

Prins Hendrik.

Ga uw gang.

Poins.

Sir John, ik bid u, laat den prins en mij alleen; ik zal hem zulke gronden voor deze onderneming geven, dat hij meêgaan moet.

Falstaff.

Nu, God geve u den geest der overreding en hem de ooren der leergierigheid, opdat, wat gij spreekt, moge treffen en, wat hij hoort, geloof vinden, zoodat de echte prins, voor tijdverdrijf, een valsche dief wordt, want de arme misbruiken der wereld behoeven bescherming! Vaarwel; gij vindt mij in Eastcheap. 176

Prins Hendrik.

Vaarwel, herfstlente! vaarwel, allerheiligenzomer!

(Falstaff af.)

Poins.

Hoor, mijn beste suikerprins, rijd morgen met ons mede; ik heb een grap voor, die ik niet alleen ten uitvoer kan leggen. Falstaff, Bardolf, Peto en Gadshill moeten die lieden berooven, waar de strik reeds voor gespannen is; gij en ik zullen er niet bij zijn; en, hebben zij den buit, mijn kop af, als wij tweeën hun dien niet afzetten!

Prins Hendrik.

Maar hoe komen wij bij het rijden van hen af?

Poins.

Nu, wij rijden voor of na hen af en wijzen hun een plaats van bijeenkomst aan, waar wij desverkiezende van daan blijven. Dan zullen zij het schelmstuk zonder ons wagen, en nauwelijks zijn zij er mee klaar, of wij overvallen hen.

Prins Hendrik.

Goed, maar waarschijnlijk kennen zij ons aan onze paarden, aan onze kleederen, aan honderd andere dingen meer, dat wij het zijn.

Poins.

O, onze paarden zullen zij in het geheel niet zien, die bind ik in het bosch vast; wij doen andere maskers voor, zoodra wij hen verlaten hebben, en dan heb ik hanssoppen van stijf linnen bij de hand, om onze kenbare kleeding geheel te vermommen.

Prins Hendrik.

Goed, maar ik vrees, dat zij ons te sterk zullen wezen.

Poins.

’t Mocht wat; twee van hen ken ik als zoo volbloed-lafaards, als er ooit de hielen gelicht hebben; en de derde,—als hij langer vecht dan hij raadzaam acht, wil ik nooit meer een zwaard ter hand nemen. Het vermakelijkste van de grap zullen de ontzettende leugens wezen, die deze vette schelm ons op zal disschen, als wij bij het avondeten elkaâr ontmoeten; hoe hij met ten minste dertig man gevochten heeft, wat parades, wat stooten, wat levensgevaren hij heeft doorgestaan; en hem dan in eens te logenstraffen is de grap.

Prins Hendrik.

Nu, ik ga mede; breng al het noodige voor ons in orde; en kom morgen avond bij mij in Eastcheap; daar wil ik dien avond eten. Vaarwel.

Poins.

Vaarwel, prins.

(Poins af.)

Prins Hendrik.

Ik ken u allen en ik steun een poos 219

Den teugelloozen moedwil van uw nietsdoen,

Ik volg hierin het voorbeeld van de zon,

Die aan oneed’le, kwade wolken toelaat,

Haar schoonheid voor de wereld te verduist’ren,

Opdat men na ’t gemis haar meer bewonder’,

Wanneer het haar behaagt zichzelf te zijn,

En zij door al de booze neev’len breekt

Van dampen, die haar dreigen te verstikken.

Ware ieder dag van ’t jaar een feest- en speeldag,

Langwijlig wierd het spelen, als het werken;

Doch ’t zelden komen maakt een feest gewenscht,

En niets behaagt, dan wat zeer enkel komt.

Zoo, als ik dezen lossen wandel afzweer,

De schuld betaal, waarvan ik niets beloofde,

Beschaam ik eens, wat elk verwacht, te meer,

Naarmate ik beter dan mijn woorden blijk;

En als een blank metaal op donkren grond,

Zal mijn bekeering, op mijn feilen blinkend,

Veel schooner stralen, meer elks oogen trekken,

Dan wat door de’ achtergrond niet wordt verhoogd.

Mijn zondig doen zij eens als kunst geacht;

Den tijd herwin ik, als dit niemand wacht.

(Prins Hendrik af.)

DERDE TOONEEL.

Inhoudsopgave

Aldaar. Een ander vertrek in het paleis.

Koning Hendrik, Northumberland, Worcester, Heetspoor, Sir Walter Blunt en Anderen komen op.

Koning Hendrik.

Te koel en te gematigd was mijn bloed,

Niet vatbaar om bij zulk een hoon te koken;

En dit hebt gij ontdekt, want daarom treedt gij

Op mijn lankmoedigheid; maar, wees verzekerd,

Van nu af wil ik meer zijn naar mijn rang,

Geweldig, schrikbaar, niet zoo naar mijn aard,

Die glad als olie, zacht als dons geweest is,

En daarom dat ontzag niet heeft erlangd,

Dat enkel trots aan trotsche harten afdwingt.

Worcester.

Ons huis verdient het luttel, heer en vorst,

Dat hoogheid met haar geeselroê het treff’,

En wel een hoogheid, die onze eigen handen

Tot zulk een peil verhieven.

Northumberland.

Tot zulk een peil verhieven. Eed’le vorst,—

Koning Hendrik.

Worcester, van hier; want in uw oogen lees ik

Miskenning van uw vorst, en boos verzet.

Uw houding is te driest; zij wil bevelen;

En majesteit moet nimmer ’t nukkig trotsen

Verdragen van eens dienaars grammen blik.

Gij hebt verlof tot gaan; wanneer we uw dienst

En raad behoeven, zullen we u ontbieden.

(Worcester af.)

(Tot Northumberland.) Gij wildet spreken. 22

Northumberland.

Ja, mijn waarde vorst,

De krijgsgevang’nen, namens u geëischt,

Die Hendrik Percy hier bij Holm’don maakte,

Zij werden, zegt hij, niet zoo stout geweigerd,

Als aan uw majesteit geboodschapt werd;

En daarom zijn òf nijd òf misverstand

Van dit vergrijp de schuld, en niet mijn zoon.

Heetspoor.

Gevang’nen heb ik niet geweigerd, heer;

Maar ik bezin mij, toen ’t gevecht voorbij was

En ik, van woede en fellen strijd verhit,

Mat, hijgend, op mijn zwaard daar stond te leunen,

Verscheen een zeker heer, net, opgesmukt,

In bruigomstooi; zijn pasgemaaide kin

Geleek een stoppelveld op ’t feest van de’ oogst.

Hij rook naar geurtjes als een modekramer,

En tusschen duim en vinger hield hij spelend

Een muskusdoosje, dat hij aan zijn neus

Afwiss’lend reikte en daad’lijk weer onttrok;

En die trok toornig, als de doos weer kwam,

Er zich voor op; hij lachte en praatte aldoor;

En toen het krijgsvolk dooden langs hem droeg,

Schold hij hen uit voor plompe, lompe kerels,

Dat zij een morsig, aak’lig lijk zoo tusschen

Den wind en zijnen adel durfden brengen.

Met jonkvrouwpraatjes en met zondagswoorden

Vroeg hij mij uit, en vorderde onder andren

Mijn krijgsgevang’nen voor uw majesteit.

Ik toen, verbolgen, met mijn koude wonden,

Dat zulk een zwetsend papegaai mij plaagde,

Gaf in mijn ergernis en ongeduld

Een antwoord, dat mij inviel, ’k weet niet wat

Van ja of neen; hij had mij dol gemaakt,

Dat hij zoo smetloos blonk, zoo heerlijk rook,

En als een snappend kamermeisje relde

Van vuurroers, trommen, wonden,—help’ mij God!—

En zeide, dat voor innerlijke kneuzing,

Niets, neen, ooit boven spermaceti ging;

En dat het eeuwig jammer was, doodjammer,

Dat uit het ingewand der schuldlooze aard

Het schandlijk boos salpeter werd gegraven,

Dat meen’gen kloeken borst lafhartig velt;

En als dat boos geschut maar niet bestond,

Dan zou hijzelf soldaat geworden zijn.

Op dit onzinnig, laf gebazel, heer,

Gaf ik, zooals ik zeide, losweg antwoord;

En ik bezweer u, dat, wat hij bericht,

Nooit als een aanklacht tusschen mijne liefde

En uwe hooge majesteit zich dring’!

Blunt.

Wordt alles overwogen, beste vorst,—

Wat toen ook Hendrik Percy hebb’ gezegd

Tot een persoon als die, en op dien tijd

En te dier plaats, met wat wij verder hoorden,

Het moge sterven en herleve nooit

Om hem te schaden; ’t breng’ hem geen verwijt,

Wat hij toen sprak, als hij het nu herroept.

Koning Hendrik.

Welnu, hij blijft zijn krijgsgevang’nen weig’ren, 77

Al zij ’t voorwaard’lijk, en al stell’ hij de’ eisch

Dat wij, voor onze reek’ning, fluks zijn zwager

Loskoopen, dien verdwaasden Mortimer,

Die, bij mijn ziel, de levens zijner volgers

Moedwillig in den strijd verraden heeft

Aan dien vervloekten toovenaar Glendower,

Wiens dochter, zoo men zegt, de graaf van March

Nu heeft gehuwd. Wat! zouden we onze schatkist

Gaan leêgen, om verraders vrij te maken?

Verraad gaan koopen? met wat immer dreigde

En nu zichzelf ten val bracht, ons verdragen?

Verhong’ren moog’ hij op die kale bergen;

Want nimmer houd ik dien man voor mijn vriend,

Wiens tong een penning van mij beed’len durft

Tot vrijkoop van de’ oproer’gen Mortimer.

Heetspoor.

De’ oproer’gen Mortimer!

Nooit viel hij van u af, mijn heer en vorst,

Dan door het lot des krijgs; om dit te staven,

Zij één tong slechts geleend aan al die wonden,

Als monden open, stout door hem ontvangen,

Toen hem des schoonen Severns biesrijke oever,

Een vol uur bijna lang, een fellen strijd,

Man tegen man, zwaard tegen zwaard, bestaan zag,

Zich metend met den machtigen Glendower.

Drie malen schepten ze adem, driemaal dronken

Zij volgens afspraak uit den snellen stroom,

Die dan, ontzet van beider bloedig uitzicht,

Zich angstig in zijn trillend riet verschool,

Zijn kroeshoofd bergend in den hollen oever,

Bespat met dezer dapp’re strijders bloed.

Nooit kleurde lage, vuige veinzerij

Haar heimlijk doen met zulke felle wonden,

En nimmer ook zou de eed’le Mortimer

Zoo velen er ontvangen, en gewillig;

Daarom, hij zij van oproer niet beticht.

Koning Hendrik.

Gij liegt daar van hem, Percy, liegt van hem;

Nooit heeft hij zich gemeten met Glendower.

Ik zeg u,

Den duivel bood hij even gaarne ’t hoofd,

Als in een echten strijd dien Owen Glendower.

Wat! schaamt ge u niet? Onthoud, man, dat ik nimmer

Een woord u spreken hoor’ van Mortimer.

Zend mij, zoo ras gij kunt, uw krijgsgevang’nen,

Of dra hoort gij van mij het een en ander,

Dat slecht u smaakt.—Mylord Northumberland,

Gij hebt verlof, met uwen zoon te gaan.—

Zend uw gevang’nen, of gij hoort van mij.

(Koning Hendrik met Blunt en verder Gevolg af.)

Heetspoor.

En kwam de duivel zelf en brulde om hen,

Ik zond ze niet.—Ik wil terstond hem na,

En zeg hem dit; het zal mijn hart verlichten,

Al zet ik ook mijn hoofd er bij op ’t spel.

Northumberland.

Hoe is ’t, van gal smoordronken? Wacht nog; blijf;

Daar komt uw oom. 130

(Worcester komt weder op.)

Heetspoor.

Daar komt uw oom. 130 Van Mortimer niet spreken!

Verdoemd! ’k wil van hem spreken; moog’ mijn ziel

Vervloekt zijn, als ik niet zijn zijde kies;

Voor hem wil ik deze aad’ren alle leêgen,

Mijn bloed vergieten, drup voor drup, in ’t stof;

Doch heffen wil ik mijn vertreden zwager,

Hoog, tot de hoogte diens ondankb’ren konings,

Dien giftigen, ondankb’ren Bolingbroke.

Northumberland (tot Worcester).

De koning, broeder, heeft hem dol gemaakt.

Worcester.

Wie heeft die vlam ontstoken, sinds ik ging?

Heetspoor.

Hij wil, waarachtig, al mijn krijgsgevang’nen;

En toen ik nogmaals aandrong op den vrijkoop

Van mijn vrouws broeder, werd hij bleek als asch,

En richtte op mij een strakken lijkenblik,

Bij de’ enklen naam van Mortimer reeds sidd’rend.

Worcester.

Ik kan ’t in hem niet gispen; heeft niet Richard,

Die dood is, hem als naaste in ’t bloed erkend?

Northumberland.

Gewis, ik hoorde zelf de proclamatie;

Het was, toen de arme koning—God vergeev’

Ons onze zonden jegens hem!—den krijgstocht

Naar Ierland ondernemen ging, van waar

Hij door wat hier gebeurde wederkwam,

Om afgezet en dra vermoord te worden.

Worcester.

En om wiens dood der wereld luide stem

Ons schuldig noemt en smaad’lijk van ons spreekt.

Heetspoor.

Niet verder, bid ik; zeg, heeft koning Richard

Mijn broeder Edmund Mortimer erkend

Als erfgenaam des troons?

Northumberland.

Als erfgenaam des troons? Ja, ’k hoorde ’t zelf.

Heetspoor.

Dan is zijn neef, de koning, niet te gispen,

Die liefst hem hong’ren zag op ’t kaal gebergt.

Doch hoe kunt gij, die den ondankb’ren man

De kroon op ’t hoofd gezet hebt, en om hem

De booze schandvlek draagt, dat gij tot moord

Hem aangeprikkeld hebt, kunt gij een wereld

Van vloeken u getroosten, alsof gij

Zijn helpers waart, zijn lage loonbedienden,

Zijn stroppen, ladder of veeleer zijn beulen?—

Vergeef mij, dat ik tot die diepte daal,

Om u te wijzen, welk een plaats en rang

Gij onder dezen sluwen koning inneemt!—

Moet men, o schande, in deze tijden zeggen,

Of in kronieken voor de toekomst boeken,

Dat mannen van uw adel, uwe macht, 172

Zich beiden voor een slechte zaak verpandden,—

Zooals gij beiden, God vergeve ’t! deedt,—

Om Richard, de eed’le zoete roos, te wieden,

En deze hondsroos, Bolingbroke, te planten?

En zal men, tot nog dieper schande, zeggen,

Dat hij, voor wien gij al dien smaad verdroegt,

U wegstiet, uitlachte en u van zich schudde?

Neen, nog is ’t tijd, om uw verbannen eer

Weer vrij te koopen, door uw doen op nieuw

Der wereld liefde en achting u te winnen,

Den smaad en hoonende’ overmoed te wreken

Des trotschen konings, die nu, dag en nacht,

De schuld, aan u te kwijten, tracht te delgen,

Al ware ’t met het losgeld van uw dood.

Daarom, dit zeg ik,—

Worcester.

Daarom, dit zeg ik,— Stil, neef, ga niet voort!

’k Wil thans een heim’lijk boek u openslaan

En aan uw snel begrijpend ongenoegen

Een zaak doen lezen, diep en hoogstgevaarlijk,

Halsbrekend, die een moed vereischt, zoo groot,

Als om op ’t wankel voetpad van een speer

Een stroom, die loeit en opbruist, te overschrijden.

Heetspoor.

Valt hij er in: “Goe nacht, en zink of zwem!”

Storm’ vrij gevaar van ’t oosten naar het westen,

Zoo eer het kruist van ’t noorden naar het zuid,

De worst’ling volgt.—O fierder bruist het bloed

Bij leeuwendrijfjacht dan bij ’t hazenkloppen!

Northumberland.

Hem zweeft een grootsche daad voor, en dit doet

Hem alle perken van ’t geduld verbreken.

Heetspoor.

Bij God! het komt een lichte sprong mij voor,

De bleeke maan de zilvren eer te ontrukken,

Of, nederduikend tot den grond der zee,

Waar nooit het peillood tot den bodem reikte,

De smorende eer te grijpen bij de lokken,

Zoo hij, die haar bevrijdt, met al haar glans

Zich zonder mededingers sieren mag;

Maar dit halfslachtig bondgenootschap,—weg!

Worcester.

Een wereld ziet hij, die verbeelding schept,

Maar niet wat werk’lijk is, wat hij zien moest.—

Schenk, waarde neef, me een oogenblik gehoor

En luister thans!

Heetspoor.

En luister thans! Ik vraag vergiff’nis.

Worcester.

En luister thans! Ik vraag vergiff’nis. Al die eedle Schotten,

Die uw gevang’nen zijn,—

Heetspoor.

Die uw gevang’nen zijn,— Ik houd hen allen.

Bij God! niet éénen Schot sta ik hem af;

Al kon een Schot zijn ziele redden, neen,

Geen enk’len Schot, bij deze rechterhand! 216

Worcester.

Gij draaft aldoor en let niet op mijn plannen;

Die krijgsgevang’nen houdt gij.

Heetspoor.

Die krijgsgevang’nen houdt gij. Ja, bepaald!

Hij zeide, Mortimer koopt hij niet vrij,

Verbood mijn tong, van Mortimer te spreken;

Maar ik bezoek hem, als hij ligt en slaapt,

En in zijn ooren schreeuw ik: Mortimer!

Ja,

Ik koop een spreeuw, dien ik wil leeren spreken,

Maar niets dan “Mortimer”, en geef hem dien,

Om steeds zijn gramschap aan te wakk’ren.

Worcester.

Maar hoor toch, neef, een woord!

Heetspoor.

’k Zweer plechtig hier elke andre studie af,

Dan ’t nijpen, tergen van dien Bolingbroke;

En aan dien smijtersbaas, dien prins van Wales,—

Als ik niet dacht, dat hem zijn vader haat

En gaarne een onheil hem zag overkomen,

Ik reikte in een kan bier hem dood’lijk gif.

Worcester.

Vaarwel, neef; eerlang zal ik met u spreken,

Als gij eens meer gezind tot luist’ren zijt.

Northumberland.

Wat wesp heeft u, onstuim’ge dwaas, gestoken,

Dat ge in een vlaag van vrouwenwoede losbreekt,

En ’t oor aan geene tong dan de uwe leent?

Heetspoor.

Ja, ziet, zweepstriemen voel ik, roedeslagen,

Brandnetels, mierensteken, bij den naam

Van dezen lagen staatsvos Bolingbroke.

In Richards tijd,—hoe noemt gij ook het slot?—

De duivel hale ’t!—’t is in Glostershire,—

’t Was, waar zijn oom, de dwaze hertog, huisde,

Zijn oom van York,—waar ik voor ’t eerst de knie

Boog voor dien glimlach-koning Bolingbroke,—

Vervloekt!—

Toen gij en hij van Ravenpurg terugkwaamt;—

Northumberland.

Slot Berkley.

Heetspoor.

Slot Berkley. Juist, daar was het.

Nu, welk een suikerberg van hofflijkheid

Bood toen die hazewind mij kwisp’lend aan!

“Als zijn nog teer geluk eens mondig werd,”

En—“lieve Hendrik Percy,”—en: “mijn waarde;”—

Wierd hij een schim, die waarde!—God vergeev’ mij!—

Deel, oom, uw plan mij mee; ik heb gedaan.

Worcester.

Nu, hebt gij ’t soms nog niet, ga nu dan voort;

Wij kunnen wachten. 258

Heetspoor.

Wij kunnen wachten. 258 Neen, ik heb gedaan.

Worcester.

Nog eens dan van uw Schotsche krijgsgevang’nen.

Geef daad’lijk allen zonder losgeld vrij,

En maak u Douglas’ zoon tot middel, om

In Schotland volk te werven; wat, geloof mij,

Om reed’nen, die ik u op schrift zal geven,

Gewillig u gegund wordt.

(Tot Northumberland.) En, mylord,

Terwijl uw zoon in Schotland dit bewerkt,

Moet gij u heim’lijk nest’len in het hart

Van den beminden waardigen prelaat,

Den aartsbisschop.

Heetspoor.

Van York, niet waar?

Worcester.

Van York, niet waar? Ja, die kan niet verkroppen

Zijns broeders dood in Bristol, van lord Scroop.

Ik zeg dit niet op los vermoeden, niet

Naar wat mij moog’lijk schijnt, neen, maar ik weet,

Wat lang beraamd, gewikt, besloten is,

En enkel wacht, wanneer ’t gelaat zich toont

Van ’t gunstig uur, dat tot het hand’len wenkt.

Heetspoor.

Ik ruik het al;

Zoo waar ik leef, ’t zal gaan, voortreff’lijk gaan.

Northumberland.

Gij koppelt alweer los, eer ’t wild nog rijst.

Heetspoor.

Neen, ’t moet en zal een prachtige aanslag zijn.—

En dan de macht van Schotland en van York

Met Mortimer vereend, ha?

Worcester.

Zeker, zoo.

Heetspoor.

Voorwaar, het is voortreff’lijk uitgedacht.

Worcester.

En wat tot spoed ons noopt, is niets gerings:

Om ’t hoofd te bergen stellen we ons aan ’t hoofd;

Want hoe gedwee en rustig we ons gedragen,

Steeds acht de koning zich bij ons in schuld,

En denkt, dat wij ons onbevredigd achten,

Tot hij voor goed eens met ons af kan reek’nen.

En ziet eens, hij begint alreeds en doet

Ons vreemd’ling zijn voor zijn genadeblikken.

Heetspoor.

Dat doet hij, ja; wij willen ’t op hem wreken. 291

Worcester.

Vaarwel nu, neef. Maar doe geen enklen stap,

Dan op den weg, dien ik u schriftlijk aanwijs.

Is eens de tijd gerijpt,—wat spoedig zijn zal,—

Dan sluip ik naar Glendower en Mortimer,

Waar Douglas, gij en onze gansche macht

Naar mijn bestel blijmoedig zich verzaam’len,

Om ons geluk, dat thans ons dreigt te ontgaan,

Met eigen sterke vuisten vast te houden.

Northumberland.

Vaarwel, mijn broeder; ik vertrouw, wij slagen.

Heetspoor.

Vaarwel, oom.—Tijd, vlieg om, tot ’s vijands bloed

Ons jachtveld kleurt, zijn roch’len ons begroet!

(Allen af.)

TWEEDE BEDRIJF.

Inhoudsopgave

EERSTE TOONEEL.

Inhoudsopgave

Rochester. Het binnenhof van een herberg.

Een Voerman komt op, met een lantaren.

Eerste Voerman.

Hola!—Als het niet op slag van vieren is, laat ik me hangen; de Groote Wagen staat al boven den nieuwen schoorsteen, en nog is ons paard niet gepakt. Kom toch, stalknecht!

Stalknecht

(van binnen). Ja, ja, ik kom.

Eerste Voerman.

Zeg, Tom, klop Hans zijn zadel gelijk en steek een paar vlokken wol onder den knop; de arme knol is aan de schoft gedrukt als ik weet niet wat.

(Een tweede Voerman komt op).

Tweede Voerman.

De erwten en boonen zijn hier zoo muf als een hond, en dat is de ware manier om aan de arme knollen wurmen te bezorgen. Dit huis is het onderste boven gekeerd, sinds Jaap de stalknecht dood is.

Eerste Voerman.

Die arme kerel! hij had geen vroolijk uur meer sinds de haver zoo opsloeg; dat was zijn dood.

Tweede Voerman.

Ik geloof, dat dit wel het beroerdste huis is op den geheelen Londenschen weg, wat de vlooien betreft; ik ben zoo gestoken als een zeelt.

Eerste Voerman.

Als een zeelt? Voor den duivel, geen koning in de christenheid kan erger gebeten zijn dan ik, sinds het eerste hanengekraai.

Tweede Voerman.

Wel, zij gunnen ons ook nooit een pot en dan watert elk onder de schouw; en zoo’n kamerloog broeit vlooien als kikkerschot.

Eerste Voerman.

Kom toch, stalknecht! Voor den dag en laat je hangen! kom toch!

Tweede Voerman.

Ik heb een zij spek en twee pakken gember, die ik heel te Charingcross moet afleveren. 28

Eerste Voerman.

God in den hemel! de kalkoenen in mijn korf zijn zoo goed als verhongerd.—Hei, stalknecht!—Haal je de pest! Heb je geen oogen in ’t hoofd? kan je niet hooren? Als het niet een loffelijk werk is, even goed als drinken, je de hersens in te slaan, ben ik een hondsvot.—Kom, en laat je hangen! Is er niets op je te bouwen?

(Gadshill komt op.)

Gadshill.

Goeden morgen, voerluî; hoe laat is het?

Eerste Voerman.

Ik geloof, twee.

Gadshill.

Ik bid je, leen me even je lantaren, om op stal naar mijn ruin te kijken.

Eerste Voerman.

Bedaard wat, bid ik je; ik ken streken, tweemaal zoo goed als die, hoor.

Gadshill.

Leen jij me dan de jouwe, bid ik je.

Tweede Voerman.

Ja, wanneer? tel dat maar op je knoopen af. “Leen me je lantaren!”—waarachtig, eer wil ik je zien hangen.

Gadshill.

Jij voerman, hoe laat denk je te Londen te zijn?

Tweede Voerman.

Vroeg genoeg om met een kaars naar bed te gaan, dat verzeker ik je.—Kom, vriend Joost, wij willen de heerschappen oproepen; zij willen in gezelschap verder, want zij hebben vrij wat bij zich.

(De Voerlieden af.)

Gadshill.

Heidaar, laarzenpoetser!

Laarzenpoetser

(binnen.) Bij de hand, zegt de beurzensnijder.

Gadshill.

Je kunt even zoo goed zeggen: “bij de hand, zegt de laarzenpoetser”, want je bent van het beurzensnijden niet verder af dan het aanwijzen van het uitvoeren af is; je doet de geschiedenis aan de hand.

(De Laarzenpoetser komt op.)

Laarzenpoetser.

Goeden morgen, sinjeur Gadshill. Het blijft zoo, als ik gisteren avond je verteld heb; het is een grondbezitter uit de wouden van Kent, die driehonderd mark in goud bij zich heeft; ik heb het hem gisteren avond aan tafel hooren zeggen tegen een van het gezelschap, een soort van rentmeester, die ook een aardig vrachtje bij zich heeft, God weet wat. Zij zijn al op en verlangen brood met eieren; zij willen dadelijk heen.

Gadshill.

Nu, man, als die niet Sint Nicolaas zijn makkers tegenkomen, mag je mijn nek present hebben. 68

Laarzenpoetser.

Neen, man, ik dank je, bewaar die maar voor den beul, want ik weet, jij dient Sint Nicolaas zoo braaf, als een spitsboef maar doen kan.

Gadshill.

Wat spreek je mij van den beul? als ik moet hangen, maak ik een paar galgen vet; want als ik hang, hangt de oude Sir John er bij en je weet, die is geen hongerlijder. Stil! er zijn nog andere Trojanen, waar je niet van droomt, die voor de grap zich verwaardigen het handwerk eer aan te doen; die zouden, als men ons te nauw op de vingers keek, voor hun eigen goeden naam, alles in het effen brengen. Ik sluit me niet aan bij landloopers te voet, niet bij knuppeldragende schellingafzetters, niet bij dolle, snorrendragende, purperroode moutwurmen: maar bij adel en renteniers; bij burgemeesters en groote hanzen; bij mannen, die hun stand ophouden, die eer zullen toeslaan dan spreken, eer spreken dan drinken, en eer drinken dan bidden; doch neen, hier lieg ik; want ze roepen telkens hun heilige aan: ’s lands welvaren; of liever ze roepen het niet aan, maar houden het aan, en het varen in dat schuitje is hun bestaan.

Laarzenpoetser.

Wat! ’s lands welvaren hun schuitje? en kunnen ze dat waterdicht houden in boos vaarwater?

Gadshill.

Zeker, zeker, geen gevaar; te rechter tijd weten zij te stoppen en te smeren, waar het noodig is. Wij stelen als achter een wal, schootvrij; wij hebben het recept van varenzaadjes, wij zwerven onzichtbaar om.

Laarzenpoetser.

Nu, op mijn woord, ik geloof, dat je het meer aan de nacht dan aan het varenzaad te danken hebt, dat je onzichtbaar rondzwerft.

Gadshill.

Geef me de hand; je zult je deel in onze winst hebben, zoo waar ik een eerlijk man ben.

Laarzenpoetser.

Geef het me liever, zoo waar je een spitsboef bent.

Gadshill.

Loop rondom; homo is een algemeene naam voor alle menschen. Zeg den stalknecht, dat hij mijn ruin uit den stal haalt. Vaarwel, smerige schobbejak!

(Beiden af.)

TWEEDE TOONEEL.

Inhoudsopgave

De groote weg bij Gadshill.

Prins Hendrik en Poins konen op; Bardolf en Peto, op een afstand.

Poins.

Kom, wegschuilen, wegschuilen! ik heb Falstaff’s paard ter zijde geleid, en hij knarst als gesteven fluweel.

Prins Hendrik.

Op zijde!

(Falstaff komt op.)

Falstaff.

Poins! Poins! naar de galg met je! Poins!

Prins Hendrik.

Stil toch, gemeste rakker! wat is dat voor een getier, dat je maakt?

Falstaff.

Waar is Poins, Hein?

Prins Hendrik.

Hij is boven op den heuvel geklommen; ik wil hem zoeken.

(Hij houdt zich, alsof hij Poins zoekt.)

Falstaff.

Het is een vloek, in gezelschap van dien spitsboef uit rooven te gaan; de rakker heeft mijn paard verdonkeremaand en ik weet niet waar vastgebonden. Als ik nog vier voet, met den duimstok gemeten, te voet ga, zal ik bersten. Nu ik hoop met dat al een eerlijken dood te sterven, als ik ten minste niet gehangen word om het ombrengen van dien schoft. Ik heb nu sinds twee en twintig jaren ieder dag en uur zijn gezelschap afgezworen, en toch ben ik nog altijd met het gezelschap van dien schoft behekst. Als die schurk me geen drankjes heeft ingegeven, dat ik van hem houden moet, laat ik mij hangen; het kan niet anders, ik heb drankjes ingekregen.—Poins!—Hein!—Loopt alle twee naar den duivel!—Bardolf!—Peto!—Ik wil van honger sterven, eer ik een voet verder ga rooven. Als het niet even verdienstelijk als drinken is, een eerlijke kerel te worden en die schurken te verlaten, ben ik de grootste lomperd, die ooit tanden had om te bijten. Tien ellen oneffen grond te voet zijn voor mij zes dozijn mijlen en meer, en die booswichten met steenen harten weten dat maar al te goed. Naar den duivel er mee, als dieven onder elkaar niet eerlijk kunnen zijn. (Er wordt gefloten.) Wuwu!—Naar den duivel met je allen! Geeft mij mijn paard, schelmen! Geeft mij mijn paard en laat je hangen!

Prins Hendrik.

Stil, dikbuik! leg je neer; leg je oor vlak op den grond, en luister of je niet het stappen van reizigers hoort.

Falstaff.

Heb je hefboomen, om mij weer op te richten, als ik eens lig? Alle duivels, ik wil mijn eigen vleesch nooit meer zoo ver te voet voortsleepen, voor al het geld in je vaders schatkamer niet! Loop naar de weêrgâ, ’t is uit tusschen ons, je hebt het voor goed bij mij verknold.

Prins Hendrik.

Wat reutel je, verknold? ontknold, dat ben je.

Falstaff.

Ik bid je, beste prins Hein, help mij weer aan mijn paard, mijn lieve koningszoon! 44

Prins Hendrik.

Loop, schelm! moet ik je stalknecht zijn?

Falstaff.

Nu dan, hang je zelven op aan je eigen vermoedelijke-troonopvolgers-kousebanden! Als ze mij krijgen, verklik ik alles. Als ik niet zorg, dat ze straatliedjes maken op jullie allen, en die op gemeene deuntjes zingen, mag ik vergiftigd worden met een roemer sek. Als een grap ver gaat, en dat nog wel te voet, heb ik er een afschuw van.

(Gadshill komt op.)

Gadshill.

Sta!

Falstaff.

Dat doe ik, tegen mijn zin.

Poins.

O, het is onze speurhond; ik ken zijn stem.

(Bardolf komt op.)

Bardolf.

Wat is er?

Gadshill.

Gezichten weg, de maskers voor! daar komt geld van den koning den heuvel af, het gaat naar ’s konings schatkamer.

Falstaff.

Dat liegt ge, schelm; het gaat naar ’s konings wijnhuis.

Gadshill.

Het is genoeg, om ons allen—

Falstaff.

Aan de galg te helpen.

Prins Hendrik.

Mannen, jullie vieren valt hen aan in den hollen weg; Poins en ik gaan verder naar beneden; als zij den aanval boven ontsnappen, loopen zij ons in den mond.

Peto.

Met hun hoevelen zijn zij?

Gadshill.

Acht of tien ongeveer.

Falstaff.

Verduiveld, zullen zij òns niet plunderen?

Prins Hendrik.

Wat, een lafaard, Sir John Dikpens?

Falstaff.

Nu, zijn magerheid, Jan van Gent, uw grootvader, ben ik niet, maar toch geen lafaard, Hein.

Prins Hendrik.

Nu, de proef zal ’t leeren.

Poins.

Vriend Hans, je paard staat achter de heg; als je het noodig hebt, vind je het daar. Vaarwel en houd je goed.

Falstaff.

Nu kan ik hem toch niet ranselen, al stond er de galg op.

Prins Hendrik

(ter zijde tot Poins). Edu, waar zijn onze vermommingen?

Poins.

Hier vlak bij, kom hier ter zijde.

(Prins Hendrik en Poins af.)

Falstaff.

Nu mannen, wie waagt, die wint, zeg ik, alle man nu aan ’t werk! 81

(Reizigers komen op.)

Eerste Reiziger.

Kom buurman, de jongen kan onze paarden den heuvel afleiden; wij willen een poos te voet gaan om ons wat te vertreden.

De Roovers.

Staat!

De Reizigers.

Heere Jezus! help ons!

Falstaff.

Slaat toe! op den grond met hen! snijdt aan de schurken den hals af! O dat vervloekte uitzuigersgeboefte! spekvreters! zij verfoeien ons, jong volk! scheert hun de wol af!

De Reizigers.

O, wij zijn verloren, wij en de onzen, voor altijd!

Falstaff.

Laat je hangen, smeerbuikige schoften! Jullie verloren? Neen, vette korenwolven, ik wenschte, dat wij je voorraad hier hadden. Voort, spekkerels, voort! Wat, schelmen! jonge menschen moeten ook leven. Gezworenen ben je ook, niet waar? Nu, wij zullen je bezweren, hoor je!

(Falstaff en de Overigen af, de Reizigers voor zich uit drijvend.)

(Prins Hendrik en Poins komen weer op, verkleed.)

Prins Hendrik.

De dieven hebben de eerlijke lui gebonden. Als wij tweeën nu de dieven konden berooven en lustig naar Londen trekken, zou dat stof tot onderhoud geven voor een week, gelach voor een maand, en een prachtige grap voor altoos.

Poins.

Ter zijde! ik hoor hen komen.

(De Roovers komen weder op.)

Falstaff.

Komt, mannen, laat ons deelen, en dan te paard, eer het dag wordt. (Zij gaan allen op den grond zitten.) Als de Prins en Poins niet twee aartslafaards zijn, dan is er geen gerechtigheid meer op aarde; die Poins heeft niet meer dapperheid in het lijf, dan een wilde eend.

Prins Hendrik

(te voorschijn stortend). Je geld!

Poins.

Schurken!

(Terwijl Falstaff en de zijnen aan het deelen zijn, overvallen hen de Prins en Poins. Allen loopen weg, Falstaff na een paar stooten eveneens, hun buit in den steek latend.)

Prins Hendrik.

Veroverd in een wip! Nu vlug te paard!

De roovers zijn verstrooid en zoo van vrees

Bezeten, dat zij voor elkaar gaan loopen;

Elk hunner houdt zijn makker voor een rakker.

Kom meê, vriend Edu. Falstaff zweet zich dood,

En spekt de magere aarde, waar hij loopt;

’k Zou hem beklagen, kon ik dat van ’t lachen.

Poins.

Dat brullen van dien deugniet!

(Beiden af.)

DERDE TOONEEL.

Inhoudsopgave

Warkworth. Een vertrek in het slot.

Heetspoor komt op, een brief lezende.

Heetspoor.

—“Doch, wat mijzelf betreft, mylord, zou ik er mij in kunnen verheugen, daar te zijn, uit hoofde van de liefde, die ik uw huis toedraag.” Hij zou er zich in kunnen verheugen,—waarom doet hij het dan niet? Uit hoofde van de liefde, die hij ons huis toedraagt;—intusschen toont hij, dat zijn eigen schuur hem liever is, dan ons huis. Laat mij verder zien: “De onderneming, die gij op touw zet, is gevaarlijk;” nu, dat is zeker; het is gevaarlijk kou te vatten, te slapen, te drinken; maar ik zeg u, Mylord Zotskap, van dien netel, het Gevaar, plukken wij de bloem Veiligheid. “De onderneming, die gij op touw zet, is gevaarlijk; de vrienden, die gij noemt, zijn onzeker; de tijd zelf is slecht gekozen en geheel uw plan te licht voor het tegenwicht van zulk een grooten wederstand.”—Zegt gij dat? Zegt gij dat? Ik zeg op mijn beurt tot u, dat gij een bekrompen, laffe boerenkinkel zijt, en dat gij liegt. Wat is dat voor een hersenloos wezen! Bij God, ons plan is zoo goed, als er ooit een plan beraamd is; onze vrienden trouw en standvastig: een goed plan, goede vrienden, en veelbelovend; een uitmuntend plan, zeer goede vrienden! welk een bevroren hart heeft die schavuit in het lijf! Wat! Mylord van York keurt het plan en het algeheele beloop van den aanslag goed. Verdoemd, als ik nu bij dien schurk was, kon ik hem met zijn vrouws waaier de hersens inslaan. Is mijn vader er niet bij, en mijn oom, en ikzelf? Lord Edmund Mortimer, mylord van York en Owen Glendower? En is bovendien Douglas er niet bij? Heb ik niet al hun brieven, dat zij zich gewapend met mij zullen vereenigen op den negenden der volgende maand? En zijn zij niet, enkelen van hen, reeds opgerukt? Wat voor een ongeloovige schurk is hij! een heiden! Ha! gij zult zien, in de volle openhartigheid van zijn angst en zijn kleinmoedigheid gaat hij naar den koning om hem al onze aanstalten bloot te leggen. O, ik kon mij splitsen en mijzelf afranselen, dat ik zulk een schotel afgeroomde melk tot zulk een edel werk heb willen bewegen! Aan de galg met hem; hij mag het den koning mededeelen; wij zijn gereed. Ik wil van avond op weg gaan. 38

(Lady Percy komt op.)

Hoe gaat het, vrouw? ik moet u binnen twee uren verlaten.

Lady Percy.

O mijn gemaal, wat zijt gij zoo alleen?

Om welke schuld ben ik sinds veertien dagen

Een vrouw, verbannen uit mijn Hendriks bed?

Zeg, lieve man, wat is het? wat ontrooft

U eetlust, vreugde en uwen gulden slaap?

Waarom slaat gij uw oogen zoo ter aard

En schrikt zoo vaak, als gij alleen zit, op?

Waarom verloort gij ’t frissche bloed der wangen,

En schonkt mìjn rijk bezit, mijn recht op u,

Aan dofziend peinzen en verfoeilijk zwartzien?

Ik heb u in uw halven slaap bespied,

En hoorde steeds van ijz’ren krijg u momplen,

Uw steigrend ros met ruiterwoord en sporen,

En roepen: “Op! ten strijde!” Telkens spraakt gij

Van uitval, van terugtocht, schansen, tenten,

Redoeten, halve manen, parapets,

Veldslangen, gotelingen en kanonnen,

Gevangnen-vrijkoop en verslagen krijgers,

Van heel de wiss’ling van een heeten strijd.

Uw geest in u was zoozeer bij den krijg,

En heeft u zoo in uwen slaap verhit,

Dat parels zweet u op het voorhoofd stonden,

Als blazen op een pas verwoeden stroom;

En uw gelaat verried een vreemde ontroering,

Gelijk een man zijn adem inhoudt, als hem

Een grootsch bevel verrast. Wat teek’nen zijn dit?

Een zware taak nam mijn gemaal zich voor,

En weten moet ik ’t, of hij mint mij niet.

Heetspoor.

Heidaar!

(Een Bediende komt op.)

Heidaar! Is Gilliams weg met het pakket?

Bediende.

Sinds ruim een uur, mylord.

Heetspoor.

En Butler,—bracht hij paarden van den sheriff?

Bediende.

Één paard, mylord, bracht hij zoo even hier.

Heetspoor.

Welk paard? een vos, een kortoor, zoo ik hoop?

Bediende.

Die is ’t, mylord.

Heetspoor.

Die is ’t, mylord. Dien vos kies ik tot troon.

Goed, ik bestijg hem daad’lijk. Espérance!

Zeg Butler, dat hij in het park hem voorbreng’.

(De Bediende af.)

Lady Percy.

Maar hoor toch, mijn gemaal!

Heetspoor.

Wat is ’t, mijn gemalin?

Lady Percy.

Wat voert u toch van hier?

Heetspoor.

Wat anders, lieve, dan mijn paard, mijn paard? 79

Lady Percy.

Och kom, wat apenfratsen!

Een wezel zelfs heeft zooveel grillen niet,

Als die ù plagen. Op mijn woord, ik wil

Uw plannen weten, Hendrik; ja, ik wil ’t.

Mijn broeder Mortimer, dit vrees ik, roert zich,

En maakt weer aanspraak, en zond u zijn boden,

Dat gij zijn plannen stijft. Doch gaat gij, lieve,—

Heetspoor.

Zoo ver te voet, dan, lieve, word ik moede.

Lady Percy.

Kom, kom, gij papegaai, geef op die vraag,

Die ik u heb gedaan, mij rondweg antwoord.

Ik zeg u, ’k zal de pink u breken, Hendrik,

Als gij niet alles eerlijk mij vertelt.

Heetspoor.

Weg, weg,

Speelsch kind!—Wat, lieve!—Lief heb ik u niet,

Zie thans niet naar u om. Dit is geen tijd

Voor poppenspel, voor stoeien met de lippen;

Neen, neuzen deuken, koppen klieven, kronen

Inkerven en toch in betaling nemen

Voor schuld, dat is ons spel.—Vervloekt, mijn paard!—

Wat zegt gij, kind, wat wilt gij nog van mij?

Lady Percy.

Hebt gij mij niet meer lief? niet lief meer, waarlijk?

Goed, laat het. Maar, hebt gij mij niet meer lief,

Ik ook mijzelf niet. Hebt gij mij niet lief?

O, zeg, spreekt gij in scherts nu, of in ernst?

Heetspoor.

Kom, wilt gij mij zien rijden?

Zit ik te paard, dan wil ik zweren, vrouw,

Dat ik u eindloos liefheb. Doch, hoor dit:

Ik wil niet, dat gij in ’t vervolg mij uitvraagt,

Waarheen ik ga, of raden wilt, waartoe.

Waarheen ik gaan moet, moet ik, en, kortom,

Ik moet van avond u verlaten, beste.

Ik weet wel, gij zijt wijs, maar toch, niet wijzer

Dan Hendrik Percy’s vrouw; standvastig zijt gij,

Maar toch een vrouw; wat zwijgen aangaat, acht ik

Geen edelvrouw meer dicht, want ik geloof,

Dat gij niet klappen zult, wat gij niet weet;

En zoover wil ik u vertrouwen, beste.

Lady Percy.

Zoo ver? niet verder?

Heetspoor.

Geen duimbreed verder. Doch verneem nu, Kaatje:

Waar ik naar toe ga, volgt gij mij welras;

Ik ga vandaag vertrekken, morgen gij.

Nu zijt gij toch tevreden?

Lady Percy.

Nu zijt gij toch tevreden? ’k Moet het zijn.

(Beiden af.)

VIERDE TOONEEL.

Inhoudsopgave

Eastcheap. Een vertrek in de herberg “Het Zwijnshoofd”.

Prins Hendrik komt op.

Prins Hendrik.

Om ’s hemels wil, Edu, kom uit die smerige kamer, en help mij eens wat lachen.

(Poins komt op.)

Poins.

Waar zijt gij geweest, Hein?

Prins Hendrik.

Met drie of vier ezelskoppen tusschen drie of vier dozijn okshoofden. Ik heb op de allerlaagste snaar van nederigheid gespeeld. Mensch, ik ben nu gezworen broeder van een’ koppel tappersknechts en kan ze allen bij hun doopnamen noemen: Tom, Frits en Frans. Zij verpanden er reeds hun zaligheid voor, dat ik, hoewel slechts kroonprins, toch de koning der wellevendheid ben, en zeggen mij ronduit, dat ik geen hoogmoedige Hans ben, zooals Falstaff, maar een Corinthiër, een brave kerel, een goede jongen,—bij God, zoo noemen zij mij,—en als ik eens koning van Engeland ben, zal ik alle wakkere kerels in Eastcheap tot mijn beschikking hebben. Sterk drinken noemen zij scharlaken verven, en als iemand bij het doorspoelen even ademhaalt, roepen zij: “hum, hum!” en zeggen u door te gaan. Kortom, ik heb het in een kwartier uur zoo ver gebracht, dat ik mijn leven lang met elken ketellapper in zijn eigen taal drinken kan. Ik zeg u, Edu, veel eer is u ontgaan, dat gij niet met mij bij deze heldendaad geweest zijt. Maar, mijn zoetelief, mijn Edu,—om dien naam van Edu te zoeten, geef ik je dit stuiverszaksken suiker, dat mij zoo even een ondertapper in de hand gedrukt heeft, zoo een, die van zijn leven geen ander Engelsch gesproken heeft dan:—“acht schellingen, zes stuivers,” en—“goeden avond,” met het uitgegilde vervolg:—“dadelijk, Heer, dadelijk! Een pint muskaat voor de Halvemaanskamer opschrijven”, of zoo iets. Maar Edu,—om ons den tijd te verdrijven, totdat Falstaff komt,—ga gij eens in een kamer hierbij, terwijl ik mijn kleinen tappersjongen afvraag, waarom hij mij de suiker gegeven heeft, en roep gij onophoudelijk “Frans!”, zoodat hij bij mij niets anders kan uitbrengen, dan—“dadelijk!” Ga ter zijde en ik laat u een toonbeeld zien.

(Poins gaat in een zijvertrek.)

Poins

(van binnen). Frans!

Prins Hendrik.

Gij zijt volleerd.

Poins

(van binnen). Frans!

(Frans komt op.)

Frans.

Dadelijk, heer, dadelijk!—Ralf, help gij beneden in de Granaatkamer.

Prins Hendrik.

Kom hier, Frans.

Frans.

Mylord?

Prins Hendrik.

Hoe lang heb je hier te dienen, Frans? 45

Frans.

Om de waarheid te zeggen, vijf jaar, en zoolang, tot—

Poins

(van binnen). Frans!

Frans.

Dadelijk, heer, dadelijk!

Prins Hendrik.

Vijf jaar! Bij onze lieve Vrouwe, een langen tijd om met tinnen kroezen te klepperen! Maar zeg eens, Frans, zou je wel het hart hebben, om tegenover je verbintenis voor lafaard te spelen, en haar een fraai paar hielen te laten zien, en voor haar op den loop te gaan?

Frans.

Heere mijn tijd, mylord, ik zou op alle boeken in Engeland durven zweren, dat ik het hart zou hebben,—

Poins

(van binnen). Frans!

Frans.

Dadelijk, Heer, dadelijk!

Prins Hendrik.

Hoe oud ben je, Frans?

Frans.

Laat zien;—komenden Sinte Michiel zal ik—

Poins

(van binnen). Frans!

Frans.

Dadelijk, heer!—Een amerijtje geduld, mylord!

Prins Hendrik.

Neen, maar hoor eens, Frans! Die suiker, die je straks gegeven hebt,—het was voor een stuiver, niet waar?

Frans.

O, prins, ik wenschte, dat het er voor twee geweest was!

Prins Hendrik.

Ik wil er je duizend pond voor geven; vraag er mij om, wanneer je wilt, en je zult het hebben.

Poins

(van binnen). Frans!

Frans.

Dadelijk, dadelijk!

Prins Hendrik.

Dadelijk, Frans? Neen, Frans; maar morgen, Frans; of, Frans, Donderdag; of, wezenlijk, Frans, wanneer je wilt. Maar, Frans,—

Frans.

Mylord?

Prins Hendrik.

Wil je hèm bestelen, hèm met leêren wambuis, kristallen knoopen, met ronden knikker, agaten ring, vlookleurige kousen, gekeperde kniebanden, gladde tong, dikke pens,—

Frans.

Hemelsche goedheid, wien meent gij, Heer? 81

Prins Hendrik.

Zie, daarom is bruine muskaat je eenige drank; want, zie je, Frans, je wit linnen kamizool zal smerig worden. In Barbarije, vriend, kan het zoo duur niet wezen.

Frans.

Wat, Heer?

Poins

(van binnen). Frans!

Prins Hendrik.

Weg, deugniet! Hoor je niet, dat er geroepen wordt?

(Terwijl Frans weggaat, roepen hem beiden; hij staat verbluft, en weet niet, welken kant hij uit zal gaan.)

(De Tapper komt op.)

Tapper.

Wat, sta je hier te kijken, terwijl je zoo hoort roepen? Ga, zie naar de gasten binnen. (Frans af.) Mylord, de oude Sir John en nog een half dozijn staan voor de deur, zal ik ze binnenlaten?

Prins Hendrik.

Laat hen nog een oogenblik staan en doe dan de deur open. (De Tapper af.)—Poins!

(Poins komt weer op.)

Poins.

Dadelijk, Heer, dadelijk.

Prins Hendrik.

Jongen, Falstaff en die andere spitsboeven staan voor de deur. Willen wij ons eens recht vroolijk maken?

Poins.

Zoo vroolijk als krekels, kerel. Maar hoor, welk een kostelijk spel heb je daar met dien jongen gespeeld! Maar wat nu verder?

Prins Hendrik.

Ik ben nu gestemd tot alle kluchten, die ooit kluchtig gebleken zijn van de stokoude dagen van bestevaâr Adam af tot den zuigelingsleeftijd van ditzelfde middernachtsuur toe. (Hij roept.)

Hoe laat is het, Frans?

(Frans komt weer op.)

Frans.

Dadelijk, Heer, dadelijk.

(Frans af.)

Prins Hendrik.

Hoe kan die knaap minder woorden hebben dan een papegaai, en toch de zoon wezen van een vrouwmensch? Zijn bezigheid is—trap op, trap af,—zijn welsprekendheid, het optellen van verteringen.—Ik ben nog niet gestemd als Percy, de Heetspoor van het noorden, die je zijn zes of zeven dozijn Schotten voor zijn ontbijt ombrengt, zijn handen wascht en tot zijn vrouw zegt: “Foei, wat een stil leventje! ik verlang naar werk.” “O, mijn lieve Hendrik,” zegt zij, “hoe velen hebt gij er vandaag omgebracht?” “Geef mijn roodvos te drinken;” zegt hij, en antwoordt “een stuk of veertien,” een uur later, “een kleinigheid, een kleinigheid.”—Ik bid u, roep Falstaff binnen; ik zal Percy spelen, en die vervloekte paaschos moet voor Dame Mortimer, zijn vrouw, spelen. “Rivo”, zegt de dronkaard. Roep het ribbenstuk, roep den vetklomp binnen. 25

(Falstaff, Gadshill, Bardolf en Peto komen op, en ook Frans.)

Poins.

Welkom, Hans, waar ben je geweest?

Falstaff.

Haal’ de pest alle laf bekken, zeg ik, en sla hen de donder bovendien! Ja en amen!—Geef mij een beker sek, jongen!—eer ik langer zoo’n leven leid, wil ik liever kousen breien en ze mazen en verhielen ook. Haal’ de pest alle lafbekken!—Geef mij een beker sek, schelm!—Is er in ’t geheel geen deugd meer op aarde?

(Frans brengt hem wijn; hij drinkt.)

Prins Hendrik

(tot Poins). Heb je nooit gezien, hoe Phoebus een schaal boter kuste,—de weekhartige Phoebus,—en hoe de boter bij de zoete woordjes van den Zonnegod smolt? Heb je het wel eens gezien, zie dan nu deze massa eens aan.

Falstaff.

Jij schelm, daar is nu ook kalk in deze sek; niets dan schurkerij is er te vinden bij booze menschen. (Frans af.) Maar een lafaard is nog erger dan een beker sek met kalk; zulk een schurkachtige lafaard!—Ga voort op uw weg, oude Hans; sterf als gij wilt. Als manhaftigheid, echte manhaftigheid niet van het aangezicht der aarde verdwenen is, ben ik een ijle haring. In heel England leven geen drie echte mannen, die niet gehangen zijn, en een van hen is vet en wordt oud. God beter’ ’t! een slechte wereld, zeg ik. Ik wenschte, dat ik een wever was; ik zou psalmen kunnen zingen of wat ook. De pest hale alle lafbekken, zeg ik nog eens.

Prins Hendrik.

Komaan, wolbaal, wat brom je daar zoo in je baard?

Falstaff.

Een koningszoon! Als ik je niet uit je koninkrijk jaag met een houten zwaard, en al je onderdanen voor je uitdrijf als een zwerm wilde ganzen, wil ik nooit meer een haar op mijn gezicht dragen. Gij een prins van Wales!

Prins Hendrik.

Nu, jij schandalige rolpens, wat heb je dan?

Falstaff.

Ben je niet een lafaard?—geef daar eens antwoord op,—en Poins daar ook?

Poins.

Alle duivels, jij vetklomp, als je mij een lafaard noemt, steek ik je dood.

Falstaff.

Ik je een lafaard noemen! Ik wil jou verdoemd zien, eer ik je een lafaard noem; maar ik gaf wel duizend pond, als ik zoo hard kon loopen als jij. Je bent recht genoeg in de schouders en het kan je niet schelen, wie je rug ziet; noem je dat, je vrienden den rug dekken! De pest haal’ zulke ruggevrienden! geef er mij, die mij het gelaat toekeeren!—Geef mij een beker sek; ik ben een schelm, als ik vandaag iets over mijn lippen heb gehad. 169

Prins Hendrik.

O schurk, je hebt ze nog niet afgeveegd na den laatsten dronk.

(Frans brengt wijn en gaat weer heen.)

Falstaff.

Het komt op hetzelfde neer. (Hij drinkt.) De pest hale alle lafaards, zeg ik nog eens.

Prins Hendrik.

Wat is er dan toch?

Falstaff.

Wat er is? er zijn er hier vier onder ons, die van morgen vroeg een duizend pond hebben buitgemaakt.

Prins Hendrik.

Waar is het, Hans? waar is het?

Falstaff.

Waar het is! ons afgenomen is het; omtrent honderd tegen onze armzalige vier.

Prins Hendrik.

Wat! een honderd, mensch?

Falstaff.

Ik ben een schelm, als ik niet met een dozijn van hen op een halve degenlengte geweest ben, twee uren aan één stuk. Door een wonder heb ik er het leven afgebracht. Ik heb acht stooten door mijn wambuis gekregen, vier door mijn hozen; mijn schild is door en door gehouwen, mijn zwaard ingehakt, als een handzaag; ecce signum. Sinds ik man ben, heb ik mij nooit beter gehouden; maar het mocht niet baten. De pest hale alle lafaards!—Laten zij spreken! als zij aan de waarheid iets toe- of afdoen, zijn zij schurken en zonen der duisternis.

Prins Hendrik.

Spreekt, mannen; hoe ging het toe?

Gadshill.

Wij met ons vieren overvielen een goed dozijn—

Falstaff.

Zestien ten minste, mylord.

Gadshill.

En knevelden ze.

Peto.

Neen, neen, zij werden niet gekneveld.

Falstaff.

Jij schelm, ze werden gekneveld, man voor man, of ik wil een jood wezen, een Hebreeuwsche jood.

Gadshill.

Toen wij aan het deelen waren, overvielen ons zes of zeven versche kerels,—

Falstaff.

En maakten de andren los, en toen kwamen de overigen.

Prins Hendrik.

Wat! hebt ge met die allen gevochten?

Falstaff.

Allen? ik weet niet, wat je allen noemt, maar als ik niet met een vijftig van hen gevochten heb, wil ik een bosje radijs wezen. Als de arme oude Hans er niet twee of drie en vijftig op den hals had, ben ik geen tweebeenig creatuur. 208

Prins Hendrik.

God geve, dat gij er niet enkelen naar de andere wereld gestuurd hebt.

Falstaff.

Ja, daar helpt geen bidden meer voor; ik heb het twee van hen ingepeperd; twee, dit weet ik zeker, heb ik het betaald gezet, twee schelmen in stijflinnen plunje. Ik zal je wat zeggen, Hein;—als ik je iets voorlieg, spuw me dan in het gezicht, noem mij een paard. Je kent mijn oude parade: zoo lag ik, en zoo hield ik mijn kling. Vier schelmen in stijflinnen drongen op mij aan;—

Prins Hendrik.

Wat, vier! Zoo op ’t oogenblik zei je twee.

Falstaff.

Vier, Hein; ik sprak van vier.

Poins.

Ja, ja, hij zei vier.

Falstaff.

Die vier kwamen allen recht op mij af en deden als één man een uitval tegen mij. Ik maakte er mij niet druk mee, maar ving hun zeven spitsen alle met mijn schild op,—zóó.

Prins Hendrik.

Zeven? Daar pas waren het er nog maar vier.

Falstaff.

In stijflinnen?

Poins.

Ja, vier, in stijflinnen plunje.


Koning Hendrik IV, Eerste Gedeelte, Tweede Bedrijf, Vierde Tooneel.

Falstaff.

Zeven, bij dit gevest, of ik wil een schelm zijn.

Prins Hendrik.

Ik bid je, laat hem begaan; op ’t oogenblik krijgen wij er nog meer.

Falstaff.

Luister je, Hein?

Prins Hendrik.

Ja, en ik let goed op, Hans.

Falstaff.

Doe dat; het is het luisteren wel waard. Die negen in stijflinnen, waar ik van sprak,—

Prins Hendrik.

Zoo, alweer twee meer.

Falstaff.

Toen ik er met mijn kling goed op had losgeveterd,—

Poins.

Zakten hun hozen af.

Falstaff.

Begonnen ze te wijken; maar ik hen achterna, ik overviel hen en in een ommezien had ik het er zeven van de elf betaald gezet.

Prins Hendrik.

O ontzettend, elf stijflinnen kerels uit twee gegroeid!

Falstaff.

Maar, alsof de duivel in het spel was, vielen er drie misbakken spitsboeven in groen laken mij in den rug en hieuwen er op in;—want het was zoo donker, Hein, dat men geen hand voor oogen zien kon;— 248

Prins Hendrik.

Die leugens zijn even als de vader, die haar verwekt, groot en breed als een berg, in het oog vallend, tastbaar. Zeg eens, jij onthersende rolpens, jij knoestkoppige dwaas, jij afschuwelijk, glibberig, smerig talkvat,—

Falstaff.

Wat ben je dol? ben je dol? wat waar is, is waar.

Prins Hendrik.

Wel, hoe kon je die kerels in groen laken onderscheiden, als het zoo donker was, dat je geen hand voor oogen kondt zien? Kom aan, verklaar dat eens, geef je gronden eens op.

Poins.

Kom, je gronden, Hans, je gronden!

Falstaff.

Wat! gedwongen? Neen; al ware ik aan de wipgalg of op alle pijnbanken ter wereld, gedwongen zou ik niets zeggen. Gronden geven bij dwang! Al waren er gronden zoo overvloedig als bramen, van mij zou niemand een grond door dwang vernemen, van mij niet.

Prins Hendrik.

Ik wil niet langer deel hebben aan deze zonde; deze volbloedige lafaard, deze bedplatdrukker, deze paarderugbreker, deze verbazende vleeschberg,—

Falstaff.

Stilgezwegen, jij hongerlijder, jij aalshuid, jij gedroogde kalfstong, jij bullepees, jij stokvisch,—O, had ik maar adem genoeg om te zeggen, waar je op gelijkt!—jij snijdersel, jij degenscheê, jij boogfoedraal, jij erbarmelijk, rechtopstaand rapier,—

Prins Hendrik.

Wacht even, kom op adem. en begin dan weer; en als je uitgeput bent van, slechte vergelijkingen, luister dan eens naar wat ik zeg.

Poins.

Let op, Hans.

Prins Hendrik.

Wij tweeën zagen jullie vieren vier man aanvallen en knevelen, en je waart meester van hun goed. Let nu op, hoe een eenvoudig verhaal je te schande zal maken!—Toen overvielen wij tweeën jullie vieren, en snauwden je met een enkel woord van je buit weg, en hebben dien, ja, en kunnen je dien hier in huis toonen.—En jij, Falstaff, hebt daarbij je pens zoo vlug meegesleept, met zulk een snelle behendigheid, en om genade gebulkt, en in eens doorgeloopen en gebulkt, als ik ooit een bulkalf heb hooren doen. Wat voor een deugniet ben je, je zwaard in te hakken, zooals je gedaan hebt, en dan te zeggen, dat het van ’t vechten is gekomen! Wat voor een streek, wat uitvlucht, wat schuilhoek kun je nu uitvinden; om je voor deze openlijke en klaarblijkelijke schande te versteken?

Poins.

Komaan, laat hooren, Hans! wat voor een streek heb je nu? 294

Falstaff.

Bij God, ik kende je zoo goed als hij, die je gemaakt heeft. Nu, hoort gij mij aan, mannen! Kon het in mij opkomen, den vermoedelijken troonopvolger om te brengen? Kon ik mij tegen den echten prins te weer stellen? Je weet, ik ben zoo dapper als Hercules;—maar heb ontzag voor het instinct; de leeuw roert den echten prins niet aan. Instinct is een groote zaak; ik was lafaard uit instinct. Ik zal levenslang nu des te beter van mijzelf en van jou denken, van mij als een dapperen leeuw, van jou als een echten prins.—Maar, bij God, jongens, ik ben blij, dat je het geld hebt.—Waardin, de deuren toe! heden, gewaakt, morgen gebeden!—Brave kerels, broeders, jongens, harten van goud, alle titels van goede kameraadschap voor je! Hoe is het? willen we pret maken? willen we voor de vuist een komedie spelen?

Prins Hendrik.

Aangenomen;—en het onderwerp zal wezen: je wegloopen.

Falstaff.

O, niets meer daarover, Hein, als je mij liefhebt.

(De Waardin komt op.)

Waardin.

O Jezus! genadige heer prins,—

Prins Hendrik.

Hoe is het, mevrouw de waardin? Wat heb je mij te zeggen?

Waardin.

Genadige heer, daar is een edelman van het hof aan de deur, die u wil spreken; hij zegt, dat uw vader hem iets opgedragen heeft.

Prins Hendrik.

Dan is het een koninklijk maal; zend hem terug, dat hij mijn moeder er op vraag’.

Falstaff.

Wat soort van een man is het?

Waardin.

Een oud man.

Falstaff.

Wat doet de deftigheid te middernacht uit haar bed?—Zal ik hem te woord staan?

Prins Hendrik.

Ja, doe dat; gaarne, Hans.

Falstaff.

Op mijn woord, ik zal hem wel afschepen.

(Falstaff af.)

Prins Hendrik.

Nu, bij onze lieve vrouw, kerels, jullie hebt wakker gevochten,—jij ook, Peto,—jij ook, Bardolf; je bent ook leeuwen, je liep weg uit instinct, je zoudt den echten prins niet willen aanroeren, vooral niet,—o foei!

Bardolf.

Op mijn woord, ik liep, omdat ik de anderen zag loopen.

Prins Hendrik.

Kom aan, biecht mij nu eens oprecht, hoe kwam Falstaff’s degen zoo geschaard?

Peto.

Wel, hij hakte er op met zijn dolk, en zeide, dat hij de waarheid Engeland uit zou zweren, maar hij zou u doen gelooven, dat het van ’t vechten gekomen was, en hij haalde ons over hetzelfde te doen. 339

Bardolf.

Ja, en onze neuzen met scherp gras te kittelen om ze aan het bloeden te brengen, en er dan onze kleederen mee te besmeren, en te zweren, dat het bloed was van eerlijke luî. Ik deed, wat ik in zeven jaar niet gedaan had,—ik bloosde, toen ik zijn afschuwelijke invallen hoorde.

Prins Hendrik.

O jij spitsboef! jij hebt achttien jaar geleden een beker sek gestolen en werdt op heeter daad gegrepen, en sedert heb je altijd ex tempore gebloosd. Je hadt vuur, en aan je zijde een zwaard, en toch liep je weg; welk instinct hadt je daartoe?

Bardolf

(op zijn gelaat wijzende). Mylord, ziet gij die verschietende sterren, ziet gij die vuurvlammen?

Prins Hendrik.

Ja zeker.

Bardolf.

Wat denkt gij wel, dat zij aanduiden?

Prins Hendrik.

Een heete lever en een koude beurs.

Bardolf.

Gal, genadige heer, als men ’t naar eisch vat.

Prins Hendrik.

Een galg, man, als men je naar eisch vat.

(Falstaff komt weder op.)

Daar komt schrale Hans, daar komt Klapperbeen.—Nu, mijn allerliefste watten popje! hoe lang is het geleden, Hans, dat je je eigen knie gezien hebt?

Falstaff.

Mijn eigen knie? toen ik van uw jaren was, Hein, was ik om het lijf niet zoo dik als een adelaarsklauw; ik had kunnen kruipen door den duimring van iederen alderman. Naar den duivel met kommer en zuchten, dat blaast een mensch op als een blaas.—Er is schurkachtig nieuws in omloop; Sir John Bracy was daar van uw vader; gij moet morgen vroeg naar het hof. Die bewuste dolle kerel in het noorden, Percy, en hij uit Wales, die eens den boozen geest Amaimon stokslagen gaf, en Lucifer horens opzette, en den duivel als echten vazal in den eed nam op het kruis van een Wallisische hellebaard,—wat weêrgâ, hoe heet hij ook?

Poins.

O! Glendower.

Falstaff.

Owen, Owen, dezelfde;—en zijn schoonzoon Mortimer, en de oude Northumberland, en die vurige Schot der Schotten, Douglas, die in snellen loop te paard een loodrechten berg opgaat,—

Prins Hendrik.

Die in sterken galop met zijn pistool een musch in de vlucht doodschiet.

Falstaff.

Je hebt het getroffen. 381

Prins Hendrik.

Maar hij nooit de musch.

Falstaff.

Nu, die schelm heeft een hart in ’t lijf; die gaat niet loopen.

Prins Hendrik.

Wat voor een schelm ben je dan, die hem om zijn snellen loop zoo roemt?

Falstaff.

Te paard, jij uilskuiken; te voet wijkt hij geen voet van zijn plaats.

Prins Hendrik.

Toch wel, Hans, uit instinct.

Falstaff.

Dat geef ik toe, uit instinct. Nu, die is er ook bij, en een zekere Mordake, en nog wel een duizend blauwmutsen bovendien. Worcester heeft zich bij nacht uit de voeten gemaakt; uws vaders baard is op de tijdingen wit geworden; gij kunt land nu even goedkoop koopen als stinkende makreelen.

Prins Hendrik.

Nu, dan, als er een heete Juni komt en deze burger-kloppartij aanhoudt, zullen wij waarschijnlijk maagdommen koopen als hoefnagels, bij het gros.

Falstaff.

Sacrament, jongen, je hebt gelijk; in dat opzicht zullen wij denkelijk goede zaken doen.—Maar zeg mij, Hein, zit je niet schrikkelijk in den brand? Je bent troonopvolger, en kan nu de heele wereld je nog eens drie zulke tegenstanders uitpikken als dien duivel Douglas, dat hellekind Percy, en dien boozen geest Glendower? Zit je niet verschrikkelijk in den brand? rilt je bloed er niet van?

Prins Hendrik.

In het minst niet, op mijn eer! daartoe zou ik iets van dat instinct van jou moeten hebben.

Falstaff.

Nu, je zult er morgen verschrikkelijk langs krijgen, als je bij je vader komt; als je mij lief hebt, bedenk dan te voren een antwoord.

Prins Hendrik.

Goed, stel jij dan mijn vader voor, en neem mij over mijn levenswandel in ’t verhoor.

Falstaff.

Moet ik?—Het zij zoo.—Deze stoel zal mijn troon zijn, deze dolk mijn scepter en dit kussen mijn kroon.

Prins Hendrik.

Je troon is niet beter dan een vouwstoel, je gouden scepter dan een looden dolk, en je kostelijke, rijke kroon dan een armzalige kale kruin.

Falstaff.

Wacht maar, als er nog een sprankje genade in je leeft, zult ge nu geroerd worden.—Geef mij een beker sek, opdat mijn oogen rood zien, en men denke, dat ik geweend heb; want ik moet diep bewogen spreken, en dat wil ik doen, op de manier van koning Cambyses.

(Hij drinkt.)

Prins Hendrik.

Goed; hier is mijn strijkvoet.

Falstaff.

En hier mijn toespraak.—Treedt ter zijde, bloem van mijn adel! 429

Waardin.

O Jezus! dat is een kostelijke grap!

Falstaff.

Ween niet, o koningin! vergeefsch is tranendropp’ling.

Waardin.

Jezus Maria! wat neemt hij een houding aan!

Falstaff.

Lords, leidt mijn droeve koningin ter zij; Want leed verstopt de sluizen van haar oogen.

Waardin.

O Jezus! hij doet als die minnekoozerijspelers zoo goed als ik ooit maar zien kan!

Falstaff.

Stil, goede pintkan! stil, vrouw Spraakwater!—Hendrik, mij verbaast niet alleen, waar gij uw tijd doorbrengt, maar ook met wie gij omgaat; want ofschoon de kamille, hoe meer ze vertreden wordt, te sneller groeit, is toch de jeugd, hoe meer men ze verspilt, des te sneller versleten. Dat gij mijn zoon zijt, daarvoor heb ik deels de verzekering van uw moeder, deels mijn eigen meening, maar voornamelijk een schurkachtigen trek in uw oog, en een onnoozel hangen van uw onderlip als borg er voor. Als gij dus mijn zoon zijt,—nu kom ik tot mijn doel,—waarom wordt gij, als gij mijn zoon zijt, het doelwit van ieders vinger? Moet de roemrijke zon des hemels een struikdief worden en bramen eten? Een vraag, die niet gedaan mag worden. Moet de zoon van Engeland een nachtdief worden en beurzen snijden? Een vraag, die wel gedaan moet worden. Er is één ding, Hendrik, waar gij meermalen van gehoord hebt, en het is aan velen in ons land bekend onder den naam van pik; dit pik pleegt, zooals oude schrijvers berichten, te besmetten; zoo doet ook het gezelschap, waar gij meê verkeert; want, Hendrik, nu spreek ik tot u, niet in mijn dronk, maar in tranen, niet in vermaak, maar in droefenis, niet enkel in woorden, maar ook in zorgen.—En toch is er een deugdzaam man, dien ik meermalen in uw gezelschap heb opgemerkt, maar ik weet zijn naam niet.

Prins Hendrik.

Wat voor een soort van man, als het uwe majesteit belieft? 463

Falstaff.

Een welgemaakt, deftig man, dat moet ik zeggen, en wat zwaarlijvig; met een opgeruimden blik, een innemend oog en een zeer waardige houding; en, naar ik vermoed, in de vijftig, of, als God wil, bij de zestig; en,—nu valt mij in,—zijn naam is Falstaff. Als die man tot uitspattingen kan overhellen, dan bedriegt hij mij; want, Hendrik, ik lees deugd in zijn oogopslag. Wanneer dus de boom aan zijn vruchten te kennen is, zoowel als de vrucht aan den boom, dan zeg ik bepaald en stellig: er is deugd in dien Falstaff; houd u aan hem en verban de anderen. En zeg mij nu, gij nietswaardige deugniet, zeg mij, waar hebt gij de geheele maand gezeten?

Prins Hendrik.

Spreekt gij als een koning? Ga gij voor mij staan, en ik zal mijn vader spelen.

Falstaff.

Mij afzetten? Als gij het half zoo statig, zoo majestueus doet, zoo in woord als daad, hang mij dan bij de hielen op, als een zuigkonijntje of een gevilde haas.

Prins Hendrik.

Goed, hier zit ik.

Falstaff.

En hier sta ik.—Oordeelt nu, mannen.

Prins Hendrik.

Zoo, Hendrik, van waar komt ge?

Falstaff.

Mijn hooge vader, van Eastcheap.

Prins Hendrik.

De klachten, die ik over u hoor, zijn grievend.

Falstaff.

Alle duivels, mylord, ze zijn valsch.—O, ik zal u een lief, jong prinsje laten zien, waarachtig!

Prins Hendrik.

Vloekt gij, goddelooze knaap? kom mij voortaan nimmer meer onder de oogen. Gij laat u met geweld wegsleuren van de genade; er is een duivel, die om u waart in de gedaante van een vetten, ouden man; een ton van een man is uw kameraad. Waarom verkeert gij met die kist vol grillen, dien builtrog van dierlijkheid, die opgeblazen baal waterzucht, dien grooten wijnzak met sek, dat volgepropte darmenvalies, dien gebraden kermisos met den podding in ’t lijf, die eerwaardige ondeugd, die grijze verdorvenheid, dien vader losbol, die ijdelheid op jaren? Waarin is hij goed, dan in het sek proeven en drinken? waarin net en keurig, dan in het kapuinen voorsnijden en eten? waarin knap, dan in list en bedrog? waarin listig, dan in schurkerij? waarin schurkachtig, dan in alles? waarin achtenswaardig, dan in niets?

Falstaff.

Ik wenschte, dat uw genade mij op de hoogte bracht. Wien meent uwe genade?

Prins Hendrik.

Dien schurkachtigen verfoeilijken verleider der jeugd, Falstaff, dien ouden, witbaardigen satan.

Falstaff.

Mylord, dien man ken ik. 510

Prins Hendrik.

Ik weet, dat gij hem kent.

Falstaff.

Maar als ik zeide, dat ik meer kwaad van hem weet, dan van mijzelf, zou ik meer zeggen, dan ik weet. Dat hij oud is, God zij het geklaagd, zijn witte haren getuigen het; maar dat hij, met verlof van uwe genade, een hoerenjager zou wezen, dit ontken ik ten sterkste. Als sek met suiker boos is, dan sta God de zondaars bij! Als oud en vroolijk zijn zonde is, dan is menig oude waard, dien ik ken, verdoemd; als vet te zijn hatenswaardig is, dan zijn Pharao’s magere koeien beminnelijk. Neen, mijn beste heer, verban Peto, verban Bardolf, verban Poins; maar dien lieven Hans Falstaff, dien goeden Hans Falstaff, dien trouwen Hans Falstaff, dien dapperen Hans Falstaff,—en daarom te dapperder, omdat hij de oude Hans Falstaff is, zooals hij is,—verban dien niet uit het gezelschap van uw Hendrik; verban dien dikken Hans, en gij verbant de geheele wereld.

(Er wordt geklopt; de Waardin, Frans en Bardolf af.)

(Bardolf komt weder binnenstormen.)

Bardolf.

O mylord, mylord! de sheriff, met een allervervaarlijkste wacht, staat voor de deur.

Falstaff.

Weg, gij schelm!—Speel het spel ten einde, ik heb nog veel te zeggen ten gunste van dien Falstaff.

(De Waardin komt terug.)

Waardin.

O Jezus! Mylord, mylord!—

Prins Hendrik.

Ho, ho! de duivel rijdt op een strijkstok. Wat is er aan de hand?

Waardin.

De sheriff en zijn geheele wacht staan voor de deur; zij komen hier huiszoeking doen; moet ik ze binnenlaten?

(De Prins schijnt te willen toestemmen.)

Falstaff.

Hoor eens, Hein! Noem een echt goudstuk nooit een valsche munt; gij zijt in waarheid dol, al schijnt gij het niet.

Prins Hendrik.

En gij een geboren lafaard, zonder instinct.

Falstaff.

Uw gevolg wijs ik af; wilt gij dien man met gevolg afwijzen, goed; zoo niet, laat hem binnenkomen. Als ik op de kar niet een even goed figuur maak als eenig ander, dan hale de duivel mijn opleiding! Ik hoop, dat een strop het even kort met mij maakt als met eenig ander.

Prins Hendrik.

Ga, verberg u achter het wandtapijt; de anderen moeten naar boven gaan. Nu, mannen, een eerlijk gezicht en een goed geweten!

Falstaff.

Die heb ik alle twee eens gehad; maar hun tijd is er geweest, en daarom wil ik mij versteken. 553

(Allen af, behalve de Prins en Poins.)

Prins Hendrik.

Roep den sheriff binnen.

(De Sheriff en een Voerman komen op.)

Nu, meester Sheriff, wat is uw verlangen?

Sheriff.

Vooreerst verschooning, eed’le prins. Een oploop

Heeft enkle lieden tot dit huis vervolgd.

Prins Hendrik.

Wie zijn die lieden?

Sheriff.

Één hunner is genoeg bekend, mijn prins;

Een zware, vette man.

Voerman.

Een zware, vette man. Zoo vet als boter.

Prins Hendrik.

Die man, kan ik verzeek’ren, is hier niet,

Daar ik juist zelf hem in mijn dienst gebruik.

Doch, sheriff, ik verpand mijn woord aan u,

Dat ik hem morgen middag tot u zend,

Om u, of wien ook, rekenschap te geven

Van alles, wat men hem ten laste legt;

Dus vraag ik u, dat gij dit huis verlaat.

Sheriff.

Terstond, mylord. Bij dezen straatroof hebben

Twee heeren ruim driehonderd mark verloren.

Prins Hendrik.

Dat moog’ zoo zijn. Als hij dien roof bedreef,

Het worde op hem verhaald;—en nu vaarwel!

Sheriff.

Genadig heer, een goede nacht!

Prins Hendrik.

’t Mag wel reeds “goeden morgen” zijn, niet waar?

Sheriff.

Ja, juist, mylord, ’t is over tweeën, meen ik.

(De Sheriff en de Voerman af.)

Prins Hendrik.

Die schelmachtige olieton is zoo bekend als de Paulskerk.—Ga, roep hem voor den dag.

Poins.

Falstaff!—Vast in slaap achter het tapijt, en snorkend als een paard.

Prins Hendrik.

Ja, hoor, hoe zwaar hij ademhaalt. Doorsnuffel zijn zakken eens. (Poins doet het.)—Wat hebt gij gevonden?

Poins.

Niets dan papieren, mylord.

Prins Hendrik.

Laat zien, wat het is; lees ze voor.

Poins

(leest).


Item, een kapoen 2 schelling 2 stuivers.
Item, saus 4 stuivers.
Item, sek, twee stoop 5 schelling 8 stuivers.
Item, ansjovis, en sek na ’t avondeten 2 schelling 6 stuivers.
Item, brood ½ stuiver.

Prins Hendrik.

Wel ontzettend! voor slechts een halven stuiver brood bij deze verschrikkelijke massa sek!—Wat daar verder nog is, steek het bij u; wij zullen dat bij gelegenheid wel eens lezen. Laat hem daar slapen tot het dag is. Ik wil morgen vroeg naar het hof; wij moeten allen in den oorlog, en gij zult een eervolle plaats krijgen. Ik zal dien vetten schelm een commando te voet verschaffen; en ik weet, dat een marsch van een paar honderd pas zijn dood zal zijn. Het geld zal met een goeden bijslag terugbetaald worden. Kom morgen bijtijds bij mij; en nu, goeden morgen, Poins!

Poins.

Goeden morgen, beste Heer!

(Beiden af.)

DERDE BEDRIJF.

Inhoudsopgave

EERSTE TOONEEL.

Inhoudsopgave

Bangor. Een vertrek in het huis van den Aartsdeken.

Heetspoor, Worcester, Mortimer en Glendower komen op.

Mortimer.

’t Verbond is zeker, de beloften schoon,

En heel ons voorspel vol van blijde hoop.

Heetspoor.

Lord Mortimer en neef Glendower, ik bid u,

Neemt plaats!—

Ook gij, oom Worcester!—Wat! de duivel haal’ mij!

Ik heb de kaart vergeten.

Glendower.

Ik heb de kaart vergeten. Neen, hier is zij.

Neem plaats, neef Percy; zet u, beste Heetspoor;

Wel best! want telkenmaal, dat Lancaster

Met dezen naam u noemt,

Verbleekt zijn wang, en met een diepen zucht

Wenscht hij u in den hemel.

Heetspoor.

U in de hel, zoo dikwijls Owen Glendower

Genoemd wordt in zijn bijzijn.

Glendower.

En wel te recht. Des hemels aanschijn was

In mijn geboortenacht vol vuurgestalten

En laaie toortsen; mijn verschijnen deed

Der aarde bouw en zwaren grondslag rillen

Gelijk een lafaard. 17

Heetspoor.

Wel, dat zou op dien zelfden tijd ook gebeurd zijn, als uw moeders kat jongen geworpen had, al waart gijzelf nooit geboren.

Glendower.

Ik zeg, dat de aard bij mijn geboorte rilde.

Heetspoor.

En ik zeg, de aard had niets van mijn natuur,

Als gij gelooft, dat zij, u vreezend, trilde.

Glendower.

De hemel stond in vlammen, de aarde beefde.

Heetspoor.

Dan rilde de aarde, wijl zij heel den hemel

In vuur zag, niet uit vrees om uw geboorte.

Niet zelden breekt een ziekte der natuur

In dolle krampen uit; de zwangere aard

Wordt vaak, als door koliek gekweld, genepen;

Lucht, damp, die woelt en werkt, is in haar schoot

Alsdan bekneld, en schokt, bevrijding zoekend,

Oudmoeder aarde, en stort aloude burgen

En torens neêr in puin. Bij uw geboorte

Werd onze bestemoêr door zulk een aanval

Van pijn geschokt.

Glendower.

Van pijn geschokt. Van vele mannen, neef,

Zou ik dien spot niet dulden. Sta mij toe,

Nog eens te zeggen, dat bij mijn geboorte

Het hemelwelf vol vuurgestalten was;

De geiten holden van ’t gebergt’, de kudden

Verschrikten door haar vreemde kreten ’t veld.

Die teekens stemp’len mij als ongemeen,

En heel de loop mijns levens toont, dat ik

Niet op de rol sta der gewone menschen.

Waar leeft de man,—omsloten door de zee,

Die Englands, Wales’ en Schotlands kusten beukt,—

Die iets mij leerde, mij zijn kweek’ling noemt?

Stel hèm voor mij, die, slechts een vrouwe-zoon,

Mij op de zware baan der kunst kan volgen,

Zich met mij meet in diepe wetenschap.

Heetspoor.

Dat niemand beter Welsch spreekt, neem ik aan.

Ik ga aan tafel.

Mortimer.

Stil toch, neef Percy, zóó maakt gij hem dol.

Glendower.

Ik roep uit woeste diepten geesten op. 52

Heetspoor.

Welnu, dat kan ik ook, dat kan een ieder;

Maar komen ze inderdaad, als gij hen roept?

Glendower.

Nu, ’k leer u, neef, den duivel te bezweren.

Heetspoor.

En ik u, neef, den duivel weg te bannen

Door waarheid; roep hem waarheid toe, hij vlucht.—

Vermoogt gij hem te roepen, breng hem hier,

Ik zweer, ik overmag hem, spot hem weg.

’t Gaat door; zeg hem de waarheid, en hij vlucht!

Mortimer.

Kom, kom;

Staakt dit gepraat, dat ons niet verder brengt.

Glendower.

Driemaal heeft Hendrik Bolingbroke den strijd

Met mijne macht gewaagd, en driemaal zond ik

Hem van de Wye en ’t zandig bed des Severns,

Bij storm, de kousen op den kop, naar huis.

Heetspoor.

Wat! ongeschoeid! en dat bij storm en onweer!

Hoe blijft hij vrij van koorts, in ’s duivels naam?

Glendower.

Komt, neemt de kaart nu. Willen we ons gebied

Alsnu naar ons verdrag in drieën deelen?

Mortimer.

De aartsdeken heeft voor ons het land alreeds

Gedeeld in drie geheel gelijke stukken.

England, van Trent en Severn tot hiertoe,

Naar ’t zuiden en naar ’t oosten, is voor mij;

Het westen, Wales, aan gene zij der Severns,

En al het vruchtbre land, aldus begrensd,

Aan Owen Glendower;—aan u, mijn waarde neef,

Al ’t oov’rige, ten noorden van de Trent.

Drievoudig zijn de stukken opgemaakt;

En hebben wij die wederzijds bezegeld,—

Wat heden avond nog gebeuren kan,—

Dan trekken wij, neef Percy, gij en ik

Alsook mylord van Worcester, morgen op,

Om uwen vader en het Schotsche leger

Te Shrewsbury, naar afspraak, aan te treffen.

Mijn vader hier is nog wel niet gereed,

Doch veertien dagen is zijn hulp te missen.—

En in dien tijd hebt gij toch uw vazallen,

Uw vrienden en uw magen wel bijeen?

Glendower.

Een korter tijd brengt mij, mylords, tot u;

En onder mijn geleide ook uwe vrouwen.

Nu sluipt gij weg en zegt haar geen vaarwel;

Want anders zou een vloed van tranen stroomen,

Bij ’t afscheid, dat gij van uw vrouwen neemt.

Heetspoor.

Mij dunkt, dat mijn deel, noord’lijk hier van Burton,

Niet een der uwe in omvang evenaart. 97

Ziet, hoe de stroom, hier in mijn land zich kronk’lend,

Een groote halve maan, een reuzenbrok,

En dat van de’ allerbesten grond, er uit snijdt.

Ik wil, dat hier de stroom worde afgedamd;

En in een nieuwe bedding vloeie hier

Dan vrij en recht de heldre, zilv’ren Trent;

Met zulk een bocht zal die zich hier niet krommen,

Dat zij mij zulk een rijken grond ontkaapt.

Glendower.

Niet krommen? ’t Moet en zal; gij ziet, zij doet het.

Mortimer.

Ja, maar ziet,

Hoe hier de stroom zijn richting neemt, bij mij

In ’t land dringt en geheel ten uwen bate

Van ’t overland zoo veel aan mij ontfutselt,

Als hij aan de’ andren kant aan u ontneemt.

Worcester.

Men graaft hem hier met weinig kosten door

En wint in ’t noorden lichtlijk deze landtong;

Dan zijn de scherpe bochten weg.

Heetspoor.

Ik wil ’t; met weinig kosten is ’t gedaan.

Glendower.

’k Wil niets veranderd hebben.

Heetspoor.

’k Wil niets veranderd hebben. Wilt gij ’t niet?

Glendower.

Neen, en gij doet het niet.

Heetspoor.

Neen, en gij doet het niet. Wie zal ’t verbieden?

Glendower.

Nu, dat zal ik.

Heetspoor.

Nu, dat zal ik. Laat mij u niet verstaan,

En zeg het in het Welsch.

Glendower.

Ik spreek, heer, Engelsch, even goed als gij,

En werd zelfs opgevoed aan ’t Engelsch hof,

Waar ik, nog jong, voor menig Engelsch lied

Een lieflijk tokk’len van de harp ontwierp,

En aan de tong een hulprijk siersel schonk;

Nooit heeft men zulk een gave in u herkend.

Heetspoor.

Daarover, neef, verheug ik mij van harte,

’k Waar’ liever nog een katje en riep miaauw,

Dan een van die kling-klang-balladekramers;

’k Wil liever koop’ren luchters hooren draaien,

Of ongesmeerde wagenraadren knarsen;

Daar klemde ik zoo mijn tanden niet van saâm,

Als van die lisp’lend zoete poëzie;

Die is me, als ’t draven van een stijven knol.

Glendower.

Nu goed, verleg de Trent dan maar.

Heetspoor.

’t Is me onverschillig; driemaal zooveel land

Geef ik den eersten, besten, trouwen vriend;

Maar geldt het een verdrag of koop, let wel,

Dan twist ik om het tiende van een haar.

Zijn onze stukken klaar? en gaan we op weg?

Glendower.

’t Is held’re maan, gij kunt van nacht nog gaan;

Ik zal den schrijver haasten en ga tevens

De vrouwen op uw afreis voorbereiden.

Want, o, ik ducht, mijn dochter wordt waanzinnig

Zoozeer is ze aan haar Mortimer gehecht. 146

(Glendower af.)

Mortimer.

Neef Percy, foei, wat dwarsboomt gij mijn vader!

Heetspoor.

Ik kan ’t niet laten; soms maakt hij mij toornig

Door wat hij mij vertelt, van mier en mol,

Van droomer Merlin en zijn profetieën,

Van draken, van een vinnenloozen visch,

Een raaf, die ruit, een grijp, geknot van wieken,

Een leeuw, die rust, een kat, die sluipt en springt,

En zooveel wirrelwarrig tuig, dat ik

Geheel verheidend word. Denk,—gistren avond

Hield hij mij vast, ten minste negen uren,

Met al de duivels op te noemen, die

Hem dienstbaar zijn; ’k riep: “Hum!” en “goed, ga voort”,

Doch lette op niet één woord. Men wordt hem moede,

Meer dan een struik’lig paard, een kijvend wijf,

Een rook’rig huis. O veel, veel liever zou ik

Op kaas en knoflook zitten, in een molen,

Dan lekker smullen en zijn praatjes hooren

In eenig lustslot van de christenheid.

Mortimer.

Hij is, geloof me, een waardig edelman,

Van veel belezenheid en door-ervaren

In diepe kunsten, dapper als een leeuw,

Gezellig en in mildheid onuitputt’lijk

Als Indiës mijnen. Moet ik ’t zeggen, neef?

Hij koestert eerbied voor uw fieren geest,

En doet zijn eigen aard, als gij zijn wenschen

Zoo dwarsboomt, veel geweld aan, ja, dat doet hij.

’k Verzeker u, op aarde leeft geen mensch,

Die zoo hem tarten mocht, als gij het deedt,

En niet gevaarlijk wierd te recht gewezen;

Doch waag het niet te vaak, dit smeek ik u.

Worcester.

Voorwaar, mylord, uw hoofdigheid is laakbaar;

Gij hebt sinds uwe komst genoeg gedaan,

Om zijn geduld volkomen uit te putten.

Die fout, heer, moet gij leeren overmeest’ren;

Zij geev’ soms blijk van fierheid, adel, moed,—

In zoo ver kan zij u tot sieraad zijn,—

Doch al te vaak verraadt zij felle woede,

Ruwheid van doen, gebrek aan zelfbeheersching,

Trots, nederzien op and’ren, eigenwijsheid;

En zij zelfs met het kleinst gebrek uit deze

Een edelman behept, dit rooft hem steeds

Der menschen hart, en werpt ook op den glans

Van al zijn verd’re deugd een booze vlek,

Die haar van welverdienden lof versteekt. 189

Heetspoor.

Nu, ’k heb mijn les; geluk met hofmanieren!

Ziet, onze vrouwen; laat ons afscheid nemen.

(Glendower komt terug, met de Vrouwen.)

Mortimer.

Dit is voor mij een dood’lijk grievend leed:

Mijn vrouw verstaat geen Engelsch, ik geen Welsch.

Glendower.

Mijn dochter weent; zij wil van u niet scheiden;

Zij wil soldaat zijn, wil met u in ’t veld.

Mortimer.

Mijn vader, zeg haar, dat zij met nicht Percy

Ons onder uw geleide weldra volgt.

(Glendower spreekt met zijn dochter in het Welsch, en zij antwoordt in dezelfde taal.)

Glendower.

Zij is als dol, een lastig, koppig schepsel,

Dat voor geen overreding vatbaar is.

(Zij spreekt tot Mortimer in het Welsch.)

Mortimer.

O, ik versta uw blik, dat lieflijk Welsch,

Dat uit uw zwaar bewolkte heem’len stroomt,

Ken ik te goed; en als ik mij niet schaamde,

Gaf ik u antwoord in dezelfde taal.

(Zij spreekt weder.)

’k Versta ook uwen kus, als gij den mijnen,

En dat is een gevoelvol onderhoud;

Doch nimmer wil ik ledigloopen, lieve,

Eer ik uw taal geleerd heb; want uw tong

Maakt Welsch zoo zoet als hooggestemde lied’ren,

Die bij haar luit een schoone koningin

Verrukk’lijk zingt in ’t zomer-lustprieel.


Koning Hendrik IV, Eerste Gedeelte, Derde Bedrijf, Tweede Tooneel.

Glendower.

Als gij ook wegsmelt, wordt zij gansch waanzinnig.

(Zij spreekt weder.)

Mortimer.

Die taal! ’k ben één en al onwetendheid!

Glendower.

Zij wenscht, gij vlijt u op het weeld’rig bies;

En legt uw dierbaar hoofd in haren schoot,

Dan wil zij u uw liev’lingsliedjes zingen,

Den god des slaaps bekronen op uw oogleên,

Uw bloed betoov’rend met een zoete loomheid,

Zóó lieflijk slaap en waken bij u scheiden,

Als tusschen dag en nacht de scheiding is,

Het uur, voordat des hemels zonnespan

In ’t oosten zijnen gouden tocht begint.

Mortimer.

Van harte gaarne zit ik neer en luister;

In dien tijd, hoop ik, komt ons stuk gereed.

Glendower.

Doe dat; de muzikanten,

Die voor u spelen zullen, zweven thans

Op duizend mijlen afstands in de lucht,

Doch zullen daad’lijk hier zijn. Zit en luister.

Heetspoor.

Kom, Kaatje, gij verstaat de kunst

om u neer te vlijen ook; kom, vlug, vlug! ik

wil mijn hoofd in uw schoot leggen. 231

Lady Percy.

Loop, gij malle gans!

(Muziek laat zich hooren.)

Heetspoor.

Nu merk ik, dat de duivel Welsch verstaat;

En ’t is geen wonder, dat hij luimen heeft;

Hij is, bij God, een goede muzikant.

Lady Percy.

Dan moet gij door en door muzikaal wezen, want gij wordt geheel door uw luimen geregeerd. Lig stil, gij schelm, en hoor hoe de Lady Welsch zingt.

Heetspoor.

Ik hoorde liever Lady, mijn brak, Iersch huilen.

Lady Percy.

Wilt gij een gat in uw hoofd hebben?

Heetspoor.

Neen.

Lady Percy.

Wees dan stil.

Heetspoor.

Ook niet; dit is een vrouwengebrek.

Lady Percy.

Nu, God help’ u!

Heetspoor.

In het bed der Welsche Lady?

Lady Percy.

Wat zegt gij?

Heetspoor.

Stil! zij zingt.

(Lady Mortimer zingt een Welsch lied.)

Kom, Kaatje, nu moet gij eens voor mij zingen.

Lady Percy.

Ik niet, in vollen ernst niet.

Heetspoor.

“Ik niet, in vollen ernst niet!” Mijn hartje, gij zweert als een banketbakkersvrouw: “Gij niet, in vollen ernst niet!” en “Zoo waar ik leef!” en “Zoo waar mij God helpe!” en “Zoo waar de lieve zon schijnt!”

Darmowy fragment się skończył.

Ograniczenie wiekowe:
0+
Data wydania na Litres:
16 stycznia 2025
Objętość:
254 str. 8 ilustracji
ISBN:
4064066404475
Wydawca:
Właściciel praw:
Bookwire
Format pobierania:

Podobne książki