Czytaj książkę: «Een huwelijk in Indië»
Mina Krüseman
Een huwelijk in Indië

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066405366
Inhoudsopgave
EERSTE DEEL
HOE ZIJ WAS
La femme au XIX e siècle.
EERSTE DEEL
HOE ZIJ WAS
EERSTE HOOFDSTUK
HOE LINA OPGEVOED WERD
TWEEDE HOOFDSTUK
HET EERSTE VOORGEVOEL
DERDE HOOFDSTUK
DE GOUVERNANTE
VIERDE HOOFDSTUK
MEESTERES EN LEERLING
VIJFDE HOOFDSTUK
EEN BRIEF VAN HUIS
ZESDE HOOFDSTUK
LOUISE VAN AMERONGEN
ZEVENDE HOOFDSTUK
EEN BAL
ACHTSTE HOOFDSTUK
HET BEZOEK VAN DEN RESIDENT
NEGENDE HOOFDSTUK
DE HUWELIJKSAANVRAAG
TIENDE HOOFDSTUK
VADER EN DOCHTER
ELFDE HOOFDSTUK
HET JAWOORD
TWAALFDE HOOFDSTUK
HET VERLOVINGSFEEST
DERTIENDE HOOFDSTUK
HET EERSTE GESPREK ZONDER GETUIGEN.
VEERTIENDE HOOFDSTUK
HOE BRUID EN BRUIDEGOM OVER ELKANDER DENKEN
VIJFTIENDE HOOFDSTUK
HET OFFER AAN EERZUCHT GEBRACHT
TWEEDE DEEL
HOE ZIJ WERD
TWEEDE DEEL
HOE ZIJ WERD
ZESTIENDE HOOFDSTUK
TE HUIS
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK
WIE BIJ LOUISE WAKEN KOMT
ACHTTIENDE HOOFDSTUK
DE KINDEREN VAN MINA
NEGENTIENDE HOOFDSTUK
DE EERSTE RECEPTIE
TWINTIGSTE HOOFDSTUK
EEN NIEUW GEVOEL
EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
SYMPATHIE
TWEEENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
EENIGE BLADZIJDEN UIT HET LEVEN VAN DEN DOKTER
DRIEENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
HOE HET KWAAD ONTSTAAT
VIERENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
GEVOELEN EN BEGRIJPEN
VIJFENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
PLANNEN
ZESENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
PLICHT
ZEVENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
DOOD
ACHTENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
MEVROUW JOLY
NEGENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK
DE GOUVERNEUR-GENERAAL
DERTIGSTE HOOFDSTUK
VRIJDAG AVOND. WERNER
EENENDERTIGSTE HOOFDSTUK
HET TIJGERGEVECHT
TWEEENDERTIGSTE HOOFDSTUK
FELICITA. DE JACHTPARTIJ
DRIEENDERTIGSTE HOOFDSTUK
KRANKZINNIG
VIERENDERTIGSTE HOOFDSTUK
HET BEZOEK DER OUDERS
VIJFENDERTIGSTE HOOFDSTUK
DE VLUCHT
DERDE DEEL
HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN
DERDE DEEL
HOE ZIJ HAD KUNNEN ZIJN
ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK
SPERANZA
ZEVENENDERTIGSTE HOOFDSTUK
LAWSON
ACHTENDERTIGSTE HOOFDSTUK
GELUK
NEGENENDERTIGSTE HOOFDSTUK
RECHT
VEERTIGSTE HOOFDSTUK
LINA’S HUWELIJK
EENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
HAAT EN MINACHTING. MOEDERLIEFDE.
TWEEENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
AUGUST VAN LANGENDIJK
DRIEENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
OUDE KENNISSEN
VIERENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
IN HET HAAGSCHE BOSCH
VIJFENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
ACADEMIE-VRIENDEN
ZESENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
LINA’S TUSSCHENKOMST
ZEVENENVEERTIGSTE HOOFDSTUK
DE LAATSTE BRIEVEN
EERSTE DEEL
HOE ZIJ WAS
Inhoudsopgave
[]
La femme au XIXe siècle.
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave
Un piège lui est tendu à chaque pas qu’elle fait seule.
Une insulte l’attend au bout de chaque réussite.
Et l’intérêt seul lui tresse sa couronne de gloire, qu’il lui pose sur la tête avec un rire de mépris.
Le travail l’abaisse,
Le talent la déshonore,
L’indépendance la dégrade.
Il faut qu’elle ne soit rien pour être quelque chose. Ou bien qu’elle tombe, pour avoir le droit de monter.
Lettre à M. Alexandre Dumas, fils, au sujet de son livre L’Homme-Femme, par Mlle Oristorio di Frama, Cantatrice. [1]
[]
EERSTE DEEL
HOE ZIJ WAS
EERSTE HOOFDSTUK
HOE LINA OPGEVOED WERD
Inhoudsopgave
Mijnheer Van Wageningen was eenige jaren geleden als ritmeester gepensioneerd geworden. Niet lang daarna had hij zijn vrouw verloren, een lief, flink, praktisch mensch, dat hem een ware steun, een hulp, een troost in zijn, anders zwaar beproefd, leven geweest was, en hem steeds had lief gehad met haar geheele hart en verstand.
Na den dood zijner vrouw was Van Wageningen van het tooneel der wereld verdwenen. Zijn vrienden hadden hem even gemist, zijn kennissen hadden zijn spoor verloren, en zijn bloedverwanten wisten niets meer van hem dan dat hij zich ergens in Gelderland, in een afgelegen dorpje, een huisje had gekocht, waar hij afgezonderd en zuinig van zijn klein inkomen leefde, en zich geheel toewijdde aan de opvoeding van zijn twee [2]kinderen, die hij aan geen vreemde zorgen toevertrouwde.
Wat zijn zoontje betrof, had de man gelijk. Maar zijn dochtertje, een aardig, vlug, verstandig ding van nog geen elf jaar, werd in het geheel niet opgevoed zooals de mode of de gewoonte wilde dat een meisje van haren stand opgevoed zou worden.
Lina was een goed, gevoelig, hartelijk kind, maar zóo rondborstig, oprecht en vrij, dat zij de schrik was van allen die haar kenden.
»Later zal zij leeren zwijgen, laat zij eerst maar leeren oordeelen,” was de leus van den vader, en bij het minst wat er voorviel, waren de eerste woorden van den ritmeester: »Lina, mijn kind, wat zeg je daarvan?”
Hierdoor had Lina dan ook zulk een zuiver en vlug oordeel verkregen en zoo goed geleerd haar gedachten gemakkelijk en helder mee te deelen, dat de kinderen van het dorp haar te geleerd, de dames (er waren er twee) haar te wijsneuzig en de heeren haar te brutaal vonden, om zich met haar in te laten; zoodat het arme kind bijna altijd met haar vader alleen was, en tot tijdverdrijf of uitspanning, in de uren dat zij niets beters te doen had, van hem schermen en exerceeren leerde, evenals haar jonger broertje, om wat gezonde beweging te maken.
De notaris had den ritmeester eens om zijn schermmeesterschap bespot, in het koffiehuis waar zij ’s Woensdagsavonds hun whistclub hadden, maar de ritmeester [3]had hem kalm laten uitlachen en hem toen al mêleerende geantwoord:
»Die nooit in verlegenheid wil geraken, moet alles kennen; zóover brengen wij het niet, dat is waar, maar we moeten toch trachten het zoo ver mogelijk te brengen. Ik wou jou wel eens naar Afrika of Amerika zenden, geheel alleen, zooals je daar vóor me staat, en je als je schaduw volgen, om te zien hoe je ’t maken zoudt. Ik geloof dat ik interessante kluchten beleven zou. En dat ik je nog wel eens zou hooren zeggen: »had ik ook maar schermen en exerceeren geleerd! En zoo veel andere dingen meer, die ik versmaad en bespot heb, omdat ik ze niet kende.”—Docter ’t is aan u.”
Eens kocht de ritmeester een veulen van een boer. Lina had het zien mishandelen door twee lompe boerenjongens, die het sloegen en met stokken prikten om het te doen steigeren. Met gloeiende wangen en vonkelende oogen was zij binnen komen stuiven in de kamer van den ritmeester. »Och Paatje!—Pa lief, kom toch!—Ik kan het niet aanzien!—Ze mishandelen een veulen omdat ze ’t leelijk en koppig noemen, die affreuse boeren!—Koop het Paatje! Och koop het toch.—Bij ons zal het arme dier gelukkig wezen!”—De ritmeester was met haar mee gegaan, had het veulen gezien en het, tot verbazing van den boer, gekocht.
»Wat mag die daar mee doen?” had de verkooper bij zichzelven gezegd, »drie keer heb ik het naar de paardenmarkt gebracht en drie keer ben ik er weer [4]mee thuis gekomen, omdat ik het niet kwijt kon raken. Wat mag de ritmeester er mee doen?” Hij telde met welgevallen het geld dat hij pas ontvangen had (’t was meer dan hij op de markt had durven vragen) en lachte, sous cape over zijn eigen slimheid. »De ritmeester beet gehad!”
Bij den ritmeester in huis werd ook gelachen, het was er feest, ter eere van het veulen, dat gras uit kinderhanden at en wortelen en klontjes suiker.… Welk een geluk!
Eenigen tijd daarna ging Lina haar veulen een bezoek brengen in een nieuwe wei; de vorige eigenaar had het in zijn wei niet langer willen houden. Zij moest een boerderij langs, waar een groote hond voor een hok aan een ketting lag; ’s nachts liep hij los, dan moest hij op de bleek passen.
»Pas op, de hond zal je bijten!” riep een boer.
Lina lachte, zag het groote bruine dier flink in de oogen met haar open, goedhartigen blik en lei haar hand op zijn kop.
Hektor kwispelde met zijn staart, drong zich dicht aan haar zijde en lekte haar kleine hand.
»Ziet gij wel dat de kennis gauw gemaakt is? Wij weten wel dat wij van elkander houden.” En, den hond een zoen op zijn kop gevende, vloog zij de wei in om haar veulen te bezoeken.
De hond oogde haar na, zoolang hij kon. Dankbaarheid, vreugde, liefde, droefheid, trouw—wat lag er al niet in dien hondenblik! [5]
De boer ook oogde haar na, dom en wel, met open mond en half gesloten oogen. »Ze zal er nog eens tegen aanloopen” mompelde hij half overluid en keerde tot zijn ploeg terug.—Was hij geen boer geweest dan had hij »excentrique” gezegd. Doch het was maar een boer. De hond zou zoo iets nooit gezegd hebben.
»Randa!” klonk een kinderstem door de wei. Een veulen, dat bij een beekje stond te grazen, spitste de ooren en zag om.
»Hier mijn Randa, kom je mee?”
In een oogwenk was hij naar haar toegesneld, en met zijn hoofd op haar schouder, haar armen om zijn hals, stapte Lina met Randa het houten brugje over, de wei uit. Toen zij de boerderij voorbijging, zag zij nog even om naar den hond.
»Adieu Hektor! adieu!”
En Hektor wurgde zich half aan zijn zware ketting om haar weer te zien en na te oogen en den hem eigenaardigen vriendschapsgroet te zenden, dien hij anders slechts voor zijn meesters over had.
De boer zag om, hij dacht dat een zijner kinderen met zijn boterhammen kwam, het was Lina maar.
»Zwijg!” riep hij van verre, hij wierp den hond met een steen en hervatte zijn werk.
Toen het veulen groot en sterk genoeg was om bereden te worden, dresseerde de ritmeester het zelf en gaf hij het aan Lina cadeau, die er den volgenden dag het dorp op door draafde. [6]
»Schande!” riepen de dames. »Van Wageningen is een ongehoorde waaghals!” En zij haalden hare kinderen naar binnen, die op de stoep speelden en licht door het slechte voorbeeld bedorven konden worden.
Eenige dagen later leerde Lina schieten met de buks. En toen zag men op eens het huis van den ritmeester gesloten.
»God weet wat hij nu weer uit heeft gevoerd!” riepen de vrome menschlievende dames; vroom en menschlievend waren zij, want zij vergaten nooit te bidden en stuivertjes te geven voor de te bekeeren Chineesjes in Afrika en Indiaantjes aan de Noordpool.
»Wat hij uit heeft gevoerd? Ik denk dat Lina den een of ander overreden heeft.”
»Of doodgeschoten!”
»Ja, doodgeschoten! ’t Is best mogelijk.”
»O zeker.”
En den volgenden morgen twijfelde niemand in het heele dorp er meer aan dat Lina iemand doodgeschoten had. Men wist zelfs het uur waarop en de plek waar het feit had plaats gehad; den naam van den armen vermoorde was men vergeten, maar die zou wel in de courant komen, wanneer de justitie zich met de zaak bemoeien zou.
Veertien dagen later werd het huis van den ritmeester weer geopend, en zag men Lina weer rijden en schieten, alsof er niets gebeurd was.
Niemand scheen zich het droevig voorval meer te herinneren, althans niemand sprak er meer over als [7]Lina, die het ten laatste ook gehoord had en er braaf om lachte.
Zoo waren er nog een paar jaren verloopen, toen de ritmeester zijn dochter eens in den tuin riep en haar vriendelijk zeide:
»Lina, kindlief, ik moet eens een ernstig woordje met je spreken. Je bent nu oud en wijs genoeg om zelve te oordeelen, en daar het je eigen toekomst geldt, wil ik ook dat je zelve zult beslissen.”
Lina ging naast haren vader op de tuinbank zitten en wachtte geduldig op hetgeen er volgen zou.
»Wij zijn niet rijk, dit weet ge, kind,” hernam de ritmeester; »maar gelukkig zijn wij niet arm ook, daar wij genoeg hebben en het u en den kleinen Eduard, zoolang ik leef, aan niets behoeft te ontbreken. Maar kom ik vandaag of morgen te sterven, dan houdt mijn pensioen op, en dan zal uw inkomen zóo gering wezen, dat gij er niet van leven kunt. Wat wilt ge dan beginnen?”
»Dan zal ik werken,” antwoordde Lina vast besloten.
»Uw oom en tante te Utrecht, bij wie wij een paar jaar geleden veertien dagen doorbrachten, hebben mij verzocht u te zeggen, dat gij bij hun leven nooit voor de toekomst bezorgd behoefdet te wezen, daar gij hun huis steeds als dat uwer ouders beschouwen kondet. Na hun dood zijt gij en Eduard hun eenige erfgenamen.”
Er blonken groote tranen in Lina’s oogen. »Oom en tante zijn wel goed voor ons, maar ik zou toch noch [8]liever weinig verdienen dan veel krijgen,” zeide zij.
»Goed kind! Dus bij oom en tante wilt gij niet wezen. Maar wat wilt gij dan? Wilt gij gouvernante worden? huishoudster? katechiseerjuffrouw?”
»Wat kan ik nog meer worden?” vroeg zij, alsof de opgenoemde betrekkingen haar niet bijzonder toelachten.
»Naaister of juffrouw van gezelschap, anders schiet er ook al niet veel meer voor de vrouwen over tegenwoordig. Tenzij gij millionair waart, dan zouden alle carrières voor je openstaan, die je slechts bekoren konden. Nu moet gij een keuze doen uit die welke weinig kosten om ze te leeren, en toch een geschikt bestaanmiddel aanbieden. Om het ver in muziek of schilderen te brengen, daarvoor zijt gij reeds te oud. En een kruk moogt gij niet worden. Doe wat je wilt, maar doe het goed. Ik heb meer achting voor een schaarslijper die zijn vak verstaat dan voor een halfmislukt geleerde.”
»Ja, waren de kinderen maar niet altijd zoo bang voor mij, dan zou ik gaarne gouvernante willen worden.”
»Goed, gouvernante dus. Maar een gouvernante moet kunde hebben, en, wat meer zegt, zij moet menschenkennis bezitten. Zij moet weten wat er in de wereld omgaat. Zij moet het goede kennen om het uit te oefenen en het kwaad om het tegen te gaan. Zij moet karakterkunde en fisionomiekunde bezitten, om bij den eersten oogopslag te zien wie zij vóor heeft, en hoe zij met de menschen om moet gaan. Daarbij moet zij een karakter hebben, vast en onwrikbaar, want zij moet doen wat recht en billijk is, en geheel leven voor het welzijn van hare [9]medemenschen. De kinderen, wier verstandelijke, wier geestelijke opvoeding geheel aan hare zorgen wordt toevertrouwd, zijn haar vreemd, zij moet ze leeren kennen en liefhebben, als of het de haren waren. Zij moet een goed humeur, een edel hart, een sterken geest, een helder oordeel hebben, wil zij dien heilzamen invloed op hare leerlingen uitoefenen dien zij alleen door eigen voorbeeld verkrijgen kan. Als ik vrouw was, zou bij mijn leven, nooit een kind van mij in handen van een vreemde komen.”
Lina liet haar hoofd op den schouder van haar vader vallen en vroeg zacht: »Paatje, hoe zou ik aan menschenkennis kunnen komen, ik die geen menschen ken?”
»Logisch! Zeer logisch, kind. Maar nu gij gouvernante worden wilt, zal ik u in de gelegenheid stellen te leeren al wat gij daarvoor kennen moet.”
Een maand later woonde ritmeester Van Wageningen met zijn kinderen in Parijs, waar Lina alle soorten van meesters en meesteressen had in vreemde talen en schoone kunsten.
»Hier zijn wij bij de oppervlakkigheid,” had de ritmeester gezegd, »en aangezien de oppervlakkigheid een hoofdrol in de wereld speelt, zoo zijn wij hier goed.” Het daarbij houdende, dwaalde hij met zijn dochtertje geheel Parijs door. Het kind moest alles zien van de Catacombes af, tot het vondelingenhuis en Bicètre toe.
Eens terwijl zij in een restaurant aan tafel zaten, kwam [10]er een dame op krukken binnen. Zij was alleen. Een oogenblik bleef zij in de deur staan om naar een plaats te zien.—Haar oog viel op Lina die haar aankeek.
»Mooi!” dacht de eene.
»Lief,” zei de andere.
En de lieve kwam naast de mooie zitten.
Het duurde niet lang of een gesprek werd aangeknoopt. De nieuw gekomene was jong en, zonder juist een schoonheid te zijn, bekoorlijk. Zij had dat zachte, dat lijdende, dat goedhartige over zich, wat wij gewoon zijn sympathiek te noemen. En wanneer zij sprak kwam er tusschenbeide zulk een gloed in hare donkere oogen, speelde er zulk een fijne lach om hare dunne lippen, dat Lina haar tout simplement een »beauté” noemde.
Gedurende eenige dagen bleef de kennismaking bij samen eten en samen praten. De beauté was elken dag op hetzelfde uur in den restaurant gekomen, op eens bleef zij weg.
»Ze is zeker ziek,” zeide Lina. »Als ik wist waar zij woonde ging ik haar opzoeken.”
»Waar zij woont? Wel dat zal een van de garçons mogelijk wel weten.”
Alle garçons wisten het.
»Mlle Salvita? Rue Lafayette No.…” riepen zij van alle kanten.
De ritmeester reed er dadelijk met zijn dochtertje heen.
Zij vonden de deur van Mlle Salvita’s kamer open, [11]en zagen het jonge meisje voor haar piano zitten, het hoofd in de handen gezonken, bitter weenende.
De ritmeester wilde aankloppen, maar Lina was reeds binnen, en lag in de armen harer nieuwe vriendin.
»Quel ange d’enfant vous êtes! Et vous aussi, mon cher monsieur, comme vous êtes bon!”
»Je vous ai cru malade,” zeide Lina.
»Et je le suis en effet. Voilà ma maladie.” Zij wees met de hand op de muziek die vóor haar lag. »J’aime le chant, je l’aime passionnément et mon amour me tue!”
Lina begreep niet recht, de ritmeester begreep ook niet.
»Il y a six mois,” vervolgde zij, »j’étais chanteuse dramatique à l’opéra. Que de peines, que de souffrances, que de misères pour en arriver là!—Et comme j’étais heureuse alors!—Le succès coûte cher, toujours et partout—une de mes camarades, jalouse de mes triomphes, me fit tomber un soir, en jetant des pelures de pommes dans un escalier que je devais descendre rapidement. Depuis lors toute ma vie n’a été que souffrances. Ma jambe, cassée d’abord, puis mal remise, mal soignée, fut enfin amputée.—Adieu théâtre!—Adieu rêves de gloire et de bonheur!—”
Zij snikte overluid en bleef een oogenblik met het hoofd op de piano rusten. Toen lachte zij door haar tranen heen en vroeg zacht:
»Chantez vous Mademoiselle?” [12]
»Non madame, je touche un peu du piano, c’est tout.”
»Voyons, si elle a de la voix?”
En of Lina wilde of niet, zij moest de noten aangeven.
»Quelle voix splendide! Venez me voir tous les jours, je vous apprendrai le chant. Ne dites pas non, car je suis triste et malheureuse, je suis seule au monde, c’est une oeuvre de charité que je vous demande.”
Zóo leerde Lina zingen in Parijs.—En toen de familie Van Wageningen zes maanden later naar het vaderland terug was gekeerd en zich in de hofstad gevestigd had, werd Mlle Salvita gepresenteerd als de gouvernante van Lina.
De ritmeester werd weder van krankzinnigheid beschuldigd.
»Waarom menschen?” vroeg hij lachend, toen de critique, na geheel den Haag doorloopen te hebben, ook hem ten laatste het men zegt in het oor kwam fluisteren.
»Waarom menschen? Omdat ik anders handel dan gij gedaan zoudt hebben? Wel, daar moest je me des te meer om achten! Maar je begrijpt me niet. Tant pis pour vous!”
»Eene actrice!” gilt de wereld.
»Een mensch,” antwoordt de ritmeester. »En een mensch dat goed is, dat verstandig is, en dat geleden heeft.”
»Eene actrice!” galmt de echo noch.
En de ritmeester hoort dien nagalm en lacht hem uit, [13]
»De opvoeding mijner kinderen ligt mij het naast aan het hart,” zei Van Wageningen eens, toen men hem naar de gezondheid zijner schijfschietende dochter vroeg. »De helft van den dag besteedt zij aan hare studies, de andere helft is aan lichaamsoefeningen en uitspanningen gewijd, de avonden brengt zij in theaters, concerten of gezelschappen door—studie naar het leven—menschenkennis! altijd menschenkennis op den voorgrond.—Alle standen moet zij doorworstelen, en daar zij met den boer begonnen is, zoo moet zij met den Koning eindigen. Wat zij leeren kan dat moet zij leeren, van schijfschieten en zwemmen af, tot kooken, deklameeren en borduren toe. Zóo alleen kunnen wij vrouwen, zóo alleen kunnen wij moeders krijgen.
»Uw boeren koebeesten, uw middelstandsche werkezels, uw deftige onbekwaamheden en uw adellijke modepoppen bevallen mij niet. Leeghoofden, zelfonbewustheden, die met moeite het leven doorkruipen, omdat gij haar het gaan belet.”
Mogelijk had de man gelijk, maar zeker had hij het niet moeten zeggen, daar hij niemand tot zijn denkwijze overhaalde, en hij uitgelachen werd door zijn vrienden, die hem doorgaans de gouvernante en zijn dochter de ritmeester noemden.
Eens, het zal zoo wat twee jaar later geweest zijn, kwam Lina aan haar vader zeggen dat zij gereed was haar examen voor hoofdonderwijzeres af te leggen. »Ik ben nu al achttien jaar,” voegde zij er ernstig bij, »en het wordt dus hoog tijd dat ik voor mij zelve ga zorgen.” [14]
»Goed kind,” was het antwoord, »ga, en vertrouw op God, die al wat goed is zegent.”
Lina ging, deed haar examen en kwam er met glans door.
Een der examinatoren, een gemoedelijk, oud mannetje, had haar vóor het examen gevraagd of zij niet bang was. »Neen,” had zij lachend geantwoord. »Ik weet wel dat ik er goed door zal komen.”
»Kleine, pedante wijsneus!” dacht de oude examinator bij zichzelven, »hoe jonger hoe verwaander, is het tegenwoordig!”
Maar Lina was er inderdaad goed doorgekomen, en toen moest de oude erkennen dat er meer waarheid en meer eenvoud in hare kalmte gelegen had, dan in den angst en onrust der overige geëxamineerden, die bijna allen bleek en bevend aan de groene tafel verschenen waren en geen van allen zoo goed voldaan hadden als zij.
Noch dienzelfden winter werd Lina voorgesteld aan het hof. Ook daar bleef zij niet lang onopgemerkt. Zij was grooter dan gewoon en had een meer dan gewone vrouwelijke schoonheid. Men had gepraat over hare excentriciteit en gelachen over haar origineele opvoeding en men had daarbij niet gedacht aan frissche jeugd, gezondheid, schoonheid. Sympathique! dat was het eenige woord dat door de bonte menigte gonsde; toen eindelijk het wezen zelf verscheen, waarvan reeds zoovele karikaturen in het licht gegeven waren. En of het vreemd is of niet, dit was zeker niet tegen te spreken, dat de eenvoudige, kalme Lina meer gefêteerd werd, dan [15]menig hooger geplaatst meisje, dat het zeker meer verwacht had dan zij.
Toen de winter half ten einde was, hield er een prachtig rijtuig stil vóor het huis, waar Van Wageningen op kamers woonde, en een oogenblik later trad graaf Henri d’Artonges het woonvertrek des ritmeesters binnen, om hem de hand zijner dochter te vragen voor zijn eenigen zoon.
De ritmeester stond op en belde.
»Antje,” zeide hij, »verzoek juffrouw Lina even hier te komen.”
En zich tot den graaf wendende, vervolgde hij:
»Mijnheer d’Artonges, ik ben gewoon mijn dochter in al haar handelingen vrij te laten. Zij kent uwen zoon; acht zij hem en deelt zij zijn liefde, dan zal het mij gelukkig maken onze kinderen eenmaal vereenigd te zien.”
Een oogenblik later trad Lina binnen. Mijnheer d’Artonges herhaalde zijn aanzoek, er bij voegende dat hij de toestemming haars vaders reeds verkregen had.
Lina had hem vrij verwonderd aangehoord. Toen stond zij op, reikte hem de hand en sprak zacht:
»Neen, wij zouden elkander niet gelukkig maken—onze karakters loopen te veel uiteen.” Zij wachtte een oogenblik en vervolgde toen, met tranen in de oogen:
»O! denk daarom niet dat ik hem niet hoog acht, of dat ik hem niet dankbaar ben voor het vertrouwen dat hij in mij stelt! Neen, ik ken hem, en ik weet hoe goed hij is—maar ik kan zijn liefde niet beantwoorden [16]zooals zij verdient beantwoord te worden, daar ik meer bewondering dan sympathie voor hem gevoel.”
Mijnheer d’Artonges deed nog eenige pogingen om Lina tot andere inzichten te brengen, maar toen hij overtuigd was dat haar besluit vast stond, vertrok hij, na haar herhaaldelijk zijn diep leedwezen verzekerd te hebben, dat zij zijn schoondochter niet worden zou.
»Gij hebt goed gehandeld mijn kind,” zeide de ritmeester, zoodra hij zich met zijn dochter alleen bevond. »Het geld brengt veel geluk aan in de wereld, maar het hart kan koud blijven en de ziel onvoldaan te midden der grootste rijkdommen,—en gij gevoelt niets voor den jongen d’Artonges, nietwaar?”
»Niets,” antwoordde Lina met een licht hoofdschudden.
Een oogenblik bleven vader en dochter zwijgen, toen zag Lina hem uitvorschend aan met hare groote heldere oogen, en vroeg zij zacht:
»Papa, is Herman Wagner nog niet bij u geweest?”
De beurt van uitvorschend aanzien kwam aan den ritmeester.
»Neen,” zeide hij verwonderd, »maar indien er eenig verband in den loop uwer gedachten bestaat, dan zou ik geneigd zijn te vragen: Gevoelt gij ook meer voor hem dan voor den jongen d’Artonges?”
»Ja,” antwoordde Lina nauw hoorbaar, zich half weenend half lachend in de armen haars vaders werpende. [17]
De ritmeester trok haar zacht naar de canapé en ging naast haar zitten.
»Lief kind,” begon hij, na een oogenblik, »ik geloof dat Wagner een beste, brave, oppassende jongen is. Ik billijk je keuze dus ten volle. Maar Wagner is luitenant en bezit niet veel meer dan zijn traktement. Hebt gij er dus op gerekend dat er nog menig jaartje zal moeten verloopen, eer er aan een huwelijk gedacht zal kunnen worden?”
»Ja,” antwoordde Lina weder.
»Weet Wagner dat ook gij geheel ontbloot zijt van fortuin?”
»Ik heb het hem gezegd, lang vóor dat hij mij zijn liefde verklaarde, en …”
»En?—wat verder?”
»Gisteren toen wij wandelden en gij met zijn broeder ons eenige schreden vooruit waart, heeft hij mij gevraagd of ik genoeg van hem hield om te wachten tot hij kapitein zou zijn. Ik heb »ja” gezegd, en nu is hij van plan over te gaan bij het leger in Indië, in de plaats van éen zijner vrienden, die liever in Europa wilde blijven en hem dezen ruil had voorgesteld.—En nu had ik van mijn kant ook een plan gemaakt—dat gij zult goedkeuren, niet waar?”—voegde zij er vleiend bij. »Want het zou uw Lina gelukkig maken!”
»Spreek kind, en wanneer het tot de mogelijkheden behoort, zal ik u helpen om het plan ten uitvoer te brengen. Want goed is het zeker, anders zoudt gij het niet gemaakt hebben.” [18]
Lina schoof wat dichter naar den ritmeester toe, greep zijn beide handen in de haren, zag hem aan alsof zij in het diepst zijner ziel wilde lezen en zeide zacht:
»Mevrouw Van Hoorn zoekt een gouvernante voor een fatsoenlijke, brave familie in Indië.…. zoudt gij het ondankbaar van mij vinden, indien ik u verlaten ging?”
De ritmeester bedacht zich een oogenblik. »Neen,” zeide hij, »van ondankbaarheid kan hier nooit sprake wezen, daar wij een jaar of drie geleden immers reeds overeengekomen zijn dat gij, wat ouder geworden, een betrekking als gouvernante zoeken zoudt.—Gisteren dacht ik nog aan Indië—en ik vond u te jong om u zoo geheel alleen de wijde wereld in te zenden. Maar de vrouw, die waarachtig lief heeft, is ouder dan hare jaren en sterk door hare liefde; de deugd is haar een behoefte, want zij is haar steun en hare belooning tevens. Ga dus, mijn kind! ga, betracht uw plicht en wees gelukkig!”
Drie maanden later werden er groote koffers uit het huis van den ritmeester gedragen en verzonden naar het schip Antonia dat te Rotterdam in lading lag voor Java.
En acht dagen daarna werd Lina van Wageningen naar boord gebracht door haren vader, Wagner, en Richard haar broeder.
Toen zij weder t’huis gekomen waren, reikte Mlle Salvita den ritmeester zwijgend de hand. Zij begreep wat er in het hart van den armen vader omging en zij vond geen woord van troost voor den braven, zelf-opofferenden [19]man, die in de wereld alleen stond en niets dan spot of onverschilligheid in vreemde oogen las.
»Zij heeft gelijk dat zij ver weg gaat,” sprak hij nauw hoorbaar, »want in haar eigen land had ze nooit een conditie gevonden.—»Excentrique!” heeft haar dorpje gezegd en »excentrique” heeft de hofstad nagegalmd. »Excentrique” gilt de wereld al verder en verder, en de kring, gevormd door een droppel in een waterplas, wordt dagelijks grooter en grooter!—Domme wereld die een lof tot een schimpnaam maakt, zonder te begrijpen dat het toch een lof blijft.—Niet gewoon is buitengewoon dus meer dan gewoon.—God zegene alle excentrieke menschen! O! mocht het hedendaagsch gewoon vernietigd en het excentrieke gewoon worden. Welk een reuzenstap zou dan de menschheid op het gebied van vooruitgang gedaan hebben!”
[]
TWEEDE HOOFDSTUK
HET EERSTE VOORGEVOEL
Inhoudsopgave
Zij zat aan den voet van een ouden weringinboom in het mollige gras te spelen. Een jonge poedel dartelde vroolijk om haar heen, duizende bloemen geurden aan haar voeten en veelkleurige vlinders omdartelden het vriendelijke kinderkopje, terwijl de vogels het bosch van hun liefelijke tonen deden weergalmen en de eenzaamheid [20]die toovermacht uitoefende, welke tot zelfs op het gemoed van het onnadenkend zorgeloos kind inwerkt en een zweem van overpeinzing doet geboren worden in de ziel die nog nimmer heeft gevoeld door nadenken, of nagedacht over hetgeen zij gevoelde.
Vreemd voorwaar is het oogenblik van ontwaken, wanneer men zóo ontwaken kan; maar groot, maar heilig is dat oogenblik voor de toekomst, en machtig werkt het op het jeugdig hart, dat in de vrije, rijke natuur het eerst met zichzelf bekend is geworden. En later, wanneer de wereld zich met hare schijntooneelen somber aan het menschenoog vertoond heeft; wanneer teleurstelling en bedrog elke illusie, elk ideaal, ja, somtijds zelfs elken wensch vernietigd hebben; wanneer vrees de plaats van hoop, en mistrouwen die van menschenliefde heeft ingenomen; wanneer het denkbeeld van geluk door een spotlach wordt verdreven; wanneer deugd en godsdienst als bittere schimpwoorden, in de dichtste plooien van het versteende hart teruggedrongen worden, en smart of haat de eenige tonen opwekken die nog weerklank vinden in de droeve, kranke ziel,—o, dan is het goed een gelukkige kindschheid gehad te hebben! Dan is het heilzaam een blik in het verledene te kunnen werpen en dáar de heldere, klare dagen weer te vinden, die ons in het tegenwoordige ontbreken; dáar de deugden in ons zelve aan te treffen, die wij thans in onze medemenschen ontkennen willen: dáar te herleven, terwijl het tegenwoordige ons dreigt te dooden.
Maar hieraan dacht de kleine Melatie niet. Zij was nog [21]in den aanvang des levens en haar aandacht was niet op het verledene gevestigd. Het was de toekomst die zij gevoelde, het was het menschelijk instinkt, dat in het kind ontwaakte.
Zij had gezongen en gespeeld en versjes opgezegd voor haar getrouwen poedel. Maar plotseling nam het spel een einde, de lieve kinderstem bleef zwijgen en het »Zou ik niet mijn moeder eeren” werd door een tranenvloed gesmoord.
»O! maatje! maatje!” snikte zij luid, »zal Mela altijd bij u blijven?—O! sterf toch niet!—sterf nooit—of neem uw kleine Mela mee!”
Zij weende lang en staarde treurig vóor zich.… Maar poedel kwam, lekte ’t lieve kind de kleine natte handjes, sprong tegen ’t rood geschreid gezichtje op en ging weer lustig aan het stoeien.
Weg met Van Alphen! Weg met de tranen! Weg met elke gedachte die niet recht vroolijk was!
Dáar sprong zij op. Weer plukten de kleine handjes de geurigste bloemen, weer speelde een gulle lach om het bevend onderlipje, weer blonk een straal van hoop in ’t nog betraande oog. En vlug trippelden de voetjes weer voort over ’t mollige frissche gras.
Gelukkig de jaren der kindsheid, waarin een traan in een lach, waarin een zucht in een vreugdekreet kan wegsmelten! Gelukkig de mensch die zulk een kindsheid gehad heeft en die zich haar ten nutte heeft gemaakt om in zijn hart de dankbaarheid jegens zijn Schepper aan te kweeken zooveel in zijn vermogen was. Gelukkig de sterveling die zich ook in de jaren van ondervinding en smart [22]in zijn jeugd kan spiegelen en nooit de gelijkenis verliest, die tusschen het beeld van het kind en dat van den mensch bestaan kan en bestaan zal, zoolang de ziel haar oorspronkelijke reinheid behouden heeft, en het verstand ontwikkeld is geworden, zonder dat het hart door deze ontwikkeling verwaarloosd is of gedood.
[]
DERDE HOOFDSTUK
DE GOUVERNANTE
Inhoudsopgave
De kleine Melatie was nog geen zeven jaar oud toen haar moeder haar op een morgen een fleschje eau de Cologne en een stukje zeep gaf om in de kamer van de »juffrouw” te brengen.
Trotsch op de gewichtige taak welke zij volbracht had, kwam zij een oogenblik later terug en zei ernstig:
»De juffrouw zal tevreden zijn over Melatie, want Melatie heeft hard gewerkt vandaag.”
»Zoo? Wat heb je dan gedaan?”
»Ik heb bloemen geplukt voor de juffrouw en ze in haar bed gestrooid.”
»En als de juffrouw nu eens niet hield van bloemen in haar bed? Want daar zijn de menschen in Holland niet aan gewoon?”
»Zal ik ze weer weghalen, moesje?” vroeg het arme kind teleurgesteld, maar terstond weer vroolijk lachende, [23]vervolgde zij vleiend: »Mag ik met papa meegaan, om de juffrouw uit de stad te halen?”
»Ja, dat moogt ge, maar laat Sarina je eerst netjes aankleeden en gedraag je dan verstandig, anders krijgt de juffrouw nog berouw van hier gekomen te zijn en al hare familie en vrienden verlaten te hebben, alleen voor het geluk van de kleine Melatie.”
Het goede kind beloofde dat zij zoet zou wezen en de nieuwe gouvernante heel lief zou vinden, en reed toen, netjes aangekleed, met mijnheer Oristorio di Frama, naar A., om Lina van Wageningen, de nieuwe gouvernante, af te halen.
Lina was nog niet bij de familie Joly aangekomen, bij wie mijnheer di Frama haar rendez-vous gegeven had.
Na geruimen tijd al pratende gewacht te hebben kwam er eindelijk een reisrijtuig met koffers beladen het hek inrollen. Mevrouw Joly, haar vijf meisjes, waarvan het oudste veertien jaren telde, mijnheer Oristorio, de kleine Melatie, allen snelden naar voren om de jonge gouvernante te verwelkomen, die niet wist welke hand zij het eerst zou vatten, welke vraag zij het eerst moest beantwoorden.
»Dag jufje!” klonk eindelijk een kinderstemmetje tusschen al die drukte. »Dag jufje! Krijgt Melatie geen zoentje van je?”
Lina zag het arme kind de handjes naar haar uitstrekken en haar bij haar japon grijpen om niet door de groote menschen verdrongen te worden.
»Kom hier mijn zoete, lieve Melatie!” sprak zij met [24]tranen in de oogen, en het kind in hare armen sluitende, drukte zij het tegen haar hart, overlaadde het met kussen en vervolgde zachter:
»O zulk een ontvangst had ik nooit durven verwachten! Wat zijt gij allen goed voor mij!”
Spoedig vertrokken mijnheer Oristorio, Lina en de kleine Melatie naar Felicita, alwaar mevrouw di Frama met ongeduld de jonge gouvernante wachtte, die zij zonder eenige plichtplegingen omhelsde en bij de hand naar haar kamer geleidde.
»Wij zijn allen gelukkig u in ons midden te zien,” sprak zij goedig. »Zoo gij u in de eenzaamheid kunt schikken, geloof ik dat gij hier tevreden zult wezen, en hoop ik dat gij uw ouderlijk huis niet te veel zult missen in een familie die gij geheel als de uwe beschouwen kunt.”
»O! dat gevoel ik!” antwoordde Lina aangedaan. »Gij zult allen goed en lief voor mij zijn, daar twijfel ik niet aan! Mijn vurigste wensch is, mij die goedheid waardig te maken en voor dat lieve kind te wezen.…”
Zij kon niet verder spreken en borst in een luid snikken uit.
Mevrouw di Frama leidde haar zacht naar een rotanbank waarop zij naast haar plaats nam, en liet haar ongestoord uit weenen.
Toen zij tot bedaren was gekomen, sprak zij met haar over haar reis, haar aankomst te Batavia, haar kortstondig verblijf in Java’s hoofdstad. Zoo werden de tranen, al pratende, weggewischt, en toen de huisgenooten [25]een half uur later aan het diner vereenigd waren, klonken de gesprekken zóo ongedwongen en vertrouwelijk dat niemand verondersteld zou hebben dat zich een nieuweling in dien kleinen vriendenkring bevond.
»Och! er zijn geen vreemdelingen,” zeide Lina lachend, »voor mij ten minste bestaan ze niet!”
»Voor mij ook niet!” riep mijnheer Oristorio, »dat zijn wij alweer éens. Dien ik niet dadelijk ken, ken ik nooit!”
»En dien ik niet dadelijk ken, verlang ik niet te kennen ook,” gaf Lina ten antwoord. »Ik heb reeds zooveel tegen sympathie en antipathie gestreden en ik heb er mij nog nooit goed bij bevonden. Daarom ben ik nu ook tot de conclusie gekomen, dat wij wijs zouden doen indien wij dat onverklaarbaar, waarschuwend instinkt, in plaats van het tegen te werken en langzamerhand te vernietigen, liever met zorg aankweekten en zuiver hielden.….”
»Hetzelfde wat ik altijd zeg! Niet waar Julie?” vervolgde mijnheer di Frama, zich tot zijn vrouw wendende, »Heb ik niet altijd gezegd, de mensch weet meer dan hij zelf weet, maar zijn hoogmoed gaat zóo ver, dat hij alles weten wil en per slot van rekening door zijn waanwijsheid zijn weten verleert. Bleven wij toch maar eenvoudig waar, ongekunsteld oorspronk.…”
»Toewan Werner,” kondigde een der jongens aan, en op hetzelfde oogenblik trad een jong mensch de achtergalerij binnen.
»Onze huisvriend,” zeide de gastheer, »onze gouvernante,” [26]vervolgde hij, Werner een stoel aanbiedende tusschen zijn vrouw en Lina.
De nieuw gekomene was een slank jongman, met golvend blond haar en groote blauwe oogen, een hoog voorhoofd, een fraaien neus en fijne welgevormde lippen, nauwlijks overschaduwd door de kleine blonde knevels. Bij den eersten aanblik was men geneigd hem vroolijk te noemen; maar, sloeg men hem aandachtig gade, dan vond men meer geestdrift en meer denken in die beweegbare trekken, dan eigenlijke vroolijkheid. Buitendien teekende zijn geheele persoon kalme vastberadenheid, zachtheid en kracht. Hij had iets hoogs, iets vorstelijks over zich, dat vreemd overeenkwam met zijn jeugd, daar hij nauwlijks eenentwintig jaren bereikt kon hebben. Toch was er harmonie in zijn voorkomen en, zooals mijnheer di Frama gewoonlijk zeide: »charme.”
»Juffrouw Van Wageningen, is dat een vreemdeling?” vroeg mijnheer Oristorio, op Werner wijzende.
»Neen mijnheer, dat is een kennis.”
»Op weg om een vriend te worden, hoop ik? Hij speelt viool en zingt, soms declameert hij ook, maar daar is hij karig mee, zeker omdat hij zijn auditorium niet op de hoogte van zijn talent acht. Maar nu het publiek met een artiste vermeerderd en dus verbeterd is, sedert de komst van de juffrouw, zal hij zich zeker minder laten bidden en ons.…”
»Neen mijnheer di Frama, dat moogt gij niet zeggen! De juffrouw zou nog gaan denken dat ik talent had en ik kan toch werkelijk niets.” [27]
»Kom, kom, geen valsche schaamte, als je blieft. Gij hebt meer talent in uw kleinen pink, dan er in geheel A. te vinden is.”
»Och! neen, geloof dat niet juffrouw,” hernam Werner levendig. »Ik ben maar een arme verwaarloosde jongen die eigenlijk niets goed, grondig geleerd heb.—Ik heb vroeg mijn ouders verloren, en mijn voogden lieten zich nooit veel aan mij gelegen liggen. Toen zij mij vroegen wat ik worden wilde, zeide ik »zeeman”, omdat ik eens met een mijner vrienden een dag te Scheveningen doorbracht, en het gezicht van de zee mij zoo had getroffen dat het dweepen met de golven en de kleine vaartuigen mij drie dagen van mijn werk hield en mij veel straf bezorgde. Op mijn zestiende jaar deed ik mijn eerste reis als adelborst en daarna werd ik voor vijf jaren naar Indië gezonden. De zee beviel mij, maar het zeemansleven had ik mij gansch anders voorgesteld, en ik was zoo gelukkig hier iemand te vinden die er mij van verloste. Het was te Samarang. Ik stond in de sociëteit met een paar officieren te praten, toen een man van middelbaren leeftijd, bruin, verbrand, met een donkeren oogopslag en een forsche stem, mij plotseling op den schouder klopte met de vraag: »Wel jonker, hoe bevalt je het zeemansleven?”
»Slecht, mijnheer.”
»Dat dacht ik wel. En als je ook nog geen berouw hadt over de keuze van je vak, dan zou ik je zeggen dat je het weldra krijgen zoudt. Je liefde of liever je bewondering voor de zee heeft je het scheepsleven over het hoofd doen zien, niet waar? En nu je eenmaal in het schuitje bent, [28]vaar je voort, omdat je geen kans ziet er weer uit te komen.”
»Juist mijnheer,” antwoordde ik lachend, eenigszins verwonderd over den familjaren, kortafgebeten en toch goedhartigen toon van den vreemdeling.
»Heeren, je permiteert me?” vervolgde hij, de officieren groetende en mij zonder complimenten bij den arm de galerij uitvoerende.
»Luister jonker, je bevalt me. Ik heb op mijn fabriek iemand noodig die vlijtig en eerlijk is, en meer gezond verstand en oordeel heeft, dan vernuft en geleerdheid. Ik geloof dat ik in u gevonden heb wat ik zoek; een bruikbaar mensch. Wil je de zeedienst vaarwel zeggen en bij mij komen, dan kun je beginnen met ondergeschikt werkzaam te zijn, en later kun je administrateur worden. Of je eenmaal deelhebber of eigenaar zult worden, dit zal geheel van je zelven afhangen. Om te beginnen kun je rekenen op een inkomen van tweehonderd ’s maands, vrij woning, vrij brandstof enz. enz.— —Neem je mijn aanbod aan?”
»Dat weet ik niet, mijnheer.”
»Je bent voorzichtig. Dat bevalt me ook. Máar waarom weifel je? Heb je ouders wier toestemming je denkt noodig te hebben?—Dan zal ik wachten tot je die verkregen hebt.—Of denk je dat épauletten meer waarde aan een mensch geven dan een pen of een schop? Dan vergis je je. Of is je traktement niet hoog genoeg? Dan zal ik het.….”
»O! neen mijnheer, niets van dat alles! Mijn eenige vrees is dat ik niet berekend ben voor de betrekking die gij mij zoo loyaal aanbiedt.” [29]
»Daar ben je vrij wat beter voor berekend dan voor de betrekking, die je thans vervult.—Maar ik dring je niet. Ik wil zelfs volstrekt niet dat je met overijling over je levenslot beschikken zult. Hier heb je mijn kaartje—wacht heb je ook even een potlood voor me?—Zóo—en hier heb je het adres van mijn vriend bij wien ik logeer.—Als je iets besloten hebt, kom mij dan zien; je kunt informaties naar me inwinnen bij wie je wilt—heel Samarang kent me—au revoir!”
Hij had mijn hand gegrepen en was verdwenen, eer ik nog recht tot bezinning gekomen was.
Wat bewoog dien man om dus te handelen? Ik begreep er niets van. Maar er lag zóo iets goedigs, opens en vertrouwelijks in zijn donkere oogen, dat ik nog dienzelfden avond naar Bodjong reed, om hem te zeggen dat ik mijn ontslag had ingediend.
»En welke informaties heb je van me ingewonnen?”
»Geen, mijnheer.” Ik was trotsch dát te kunnen zeggen.
»Geen? Dat is onvoorzichtig jonker, want je kent me niet, je weet niet wie ik ben en waartoe ik in staat ben.”
»Ik weet niets, mijnheer, dat is waar. Maar ik ken hier niemand en ik heb dus geen reden om iemand anders meer te vertrouwen dan u, de eenige persoon die mij werkelijk belangstelling betoond heeft.”
»Daar heb je gelijk in, en ik hoop je later ook te toonen dat ik je vertrouwen waardig ben.”
»Zóo kwam ik hier op de fabriek van den heer Van Romberg terecht, waar ik nu als administrateur een [30]gelukkig, kalm, werkzaam leven lijd. Mijnheer Van Romberg is eenige maanden geleden, tot herstel van gezondheid, naar Europa vertrokken, en nog dagelijks mis ik den hartelijken, vertrouwlijken omgang van den braven man, dien ik langzamerhand als een vader heb leeren hoogachten en liefhebben.”
»En dien je weldra in zijn zaken zult opvolgen,” ging mijnheer Oristorio voort. »Zeg nu alles maar, want deelhebber is hij reeds sedert eenigen tijd, en als de zaken zóo blijven voortgaan, als ze tot dus ver gegaan zijn, dan kan hij over twee, drie jaar de fabriek vrij hebben, en voor zijn eigen rekening de zaken voortzetten.”
»En mijnheer Van Romberg?” vroeg Werner angstig.
»Van Romberg zal niet terugkomen. Hij is naar Europa vertrokken hoofdzakelijk omdat hij het heimwee naar zijn oude moeder had en omdat hij zijn vaderland terug wilde zien, zijn gezondheid was eigenlijk pas de derde reden.”
»Maar mijnheer, dat heeft hij mij nooit gezegd!”
»Dat weet ik wel, maar hij heeft het mij geschreven. Wacht, ik zal u zijn brief laten lezen. Julie, waar is hij? Wij hebben hem gisteren in de pianokamer gelaten, niet waar?—Siedin, tjobak liat apa tr’ada satoe soerat di atas piano?”1
Siedin kwam met den brief terug, waaruit mijnheer di Frama het volgende voorlas: [31]
»Ik ben rijk genoeg. Waarom zou ik nog langer in den vreemde blijven, terwijl mijn oude moeder gelukkig is mij bij zich te hebben? En terwijl ik zelf hier alles gevonden heb wat ik met billijkheid verlangen kan? Intusschen regretteer ik nog ons heerlijk Indië, maar men kan niet overal te gelijk zijn, en nu ik kiezen moet, hier blijven of terugkeeren, heb ik maar besloten, een einde aan alle quaesties te maken, door hier te blijven. Met de volgende mail schrijf ik aan Werner. Zonder hem had ik zoo spoedig mijn zaken niet verlaten, want ik heb hart voor mijn land en hart voor mijn volk, dat ik zoo maar niet aan den eersten den besten had willen overgeven, voor een miserable hand vol banknoten.—Wat Werner betreft, zijn eenig gebrek is dat hij zóo jong is (maar dat zal wel beteren), overigens is hij geheel de man, berekend voor het besturen eener groote possessie. Hij is werkzaam en stipt, goedhartig en ferm, meegaande en plichtlievend; en Goddank, heeft hij enthousiasme en poëzie genoeg om zich in de eenzaamheid niet dood te kniezen. Als ik in mijn riet niets dan suiker had gezien en in mijn suiker niets dan geld, dan was ik krankzinnig geworden, lang vóor dat ik rijk was geweest!—En zóo is het met hem ook gesteld.—Het eenige wat ik hem toewensch, is een lieve, verstandige, brave vrouw, die met hem denken en gevoelen kan—maar—waar hij die vinden zal?—Of hij haar zelfs ooit zal vinden?—Er zijn naturen in de wereld, die geschapen schijnen om alleen te staan. Zijn ze te goed, te hoog, te fier, te rein?—Wat zijn ze?.… Ik weet [32]het niet. Maar ik weet wel dat ze hier op aarde ronddoolen om gelukkig te maken en niet om gelukkig te zijn. Ik houd Werner voor éen van die lichtzuilen in de duisternis. De menschheid heeft mooi golven en woelen, bruisen en opstuiven tegen den rotsklomp die tot voetstuk dient, de zuil staat vast en kalm, en het licht blijft schijnen en waarschuwen en goed doen, tegen alle mishandeling in.—Ik ken nog iemand die tot de lichtzuilen behoort; ik bedoel onzen armen dokter, die ook als een dwaalster alleen het leven doorgaat, troost en verlichting brengt, waar hij komt, en voor zichzelven geen geluk kan vinden. Arme Heisterman! Ik wou dat hij hier was, om mijne moeder te troosten, als zij haar aanvallen van rhumatisme krijgt, waaraan de dokters beweeren dat niets gedaan kan worden. Arme menschheid die zoo veel moet lijden, omdat ze zoo weinig weet! Enfin, dáar zijn wij dan ook maar menschen voor, enz. enz.”
»Gij ziet dus,” vervolgde mijnheer Oristorio den brief dichtvouwende, »dat Van Romberg geen plan heeft om terug te komen.”
»Dat spijt mij. Niets kan mij de vriendschap vergoeden van den edelen man, die mij heeft voortgeholpen, onderwezen, aangemoedigd alsof ik zijn eigen zoon geweest was.”
»Gij hadt hem liever zien terugkomen, dan uwe positie te verbeteren door zijn afwezigheid?”
»O zeker!” riep Werner, ter sluiks een traan wegpinkend. »Ik geef niet om geld,” vervolgde hij, Lina aanziende, [33]»daar ben ik waarschijnlijk nog te jong voor. Dat zal de juffrouw wel begrijpen.”
»Ja dat begrijp ik volkomen. Ik gevoel ook niets voor geld.”
»Chut! gij spreekt als kinderen, die niet weten wat er in de wereld omgaat. Geld is de groote spil, waarom alle gelukken en gelukjes draaien, vervolgd, verdrongen, beknepen door hoop, teleurstelling en intrigue. Zonder geld is er geen geluk mogelijk.”
»En alle ongelukken zijn mogelijk met geld, niet waar?” riep Werner lachend.
»Bijna allen… ja…”
»Och! geluk is zoo denkbeeldig!” zei Lina. »Zoo als de eene mensch geschapen schijnt om onder alle omstandigheden gelukkig te wezen, zoo schijnt de andere voorbeschikt tot altijddurend zuchten en klagen.”
»Ja, dat zien wij aan Heisterman, die zijn gansche leven door met ongelukken en soesahs te kampen heeft gehad en altijd even opgeruimd en tevreden is.”
»O! ho! dat is niet altijd zóo geweest!” riep een vreemde stem. »Heisterman heeft ook droefheid en wanhoop gekend.…. Pardon.… Mejuffrouw!…”
De dokter zag nu eerst dat er een vreemde dame aan tafel zat, die hem met groote, vragende oogen aanstaarde en naar zijn woorden luisterde met een nieuwsgierigen lach, waardoor hij geheel van zijn stuk raakte.
»Ga voort, Heisterman, ga voort, geneer je niet. Juffrouw Van Wageningen kent je al sedert een uur en is dus waarschijnlijk blij je te zien.” [34]
»Ja, dat ben ik,” antwoordde Lina, »zelfs zijt gij niet vroeg genoeg gekomen naar mijn zin, daar ik reeds tijd gehad heb naar uw kennismaking te verlangen.”
De dokter bleef haar zwijgend aanstaren en nam werktuigelijk aan hare zijde plaats.
»Juffrouw Van Wageningen!” sprak hij half overluid—en haar steeds aanziende herhaalde hij nog zachter:
»Juffrouw Van Wageningen!—Ritmeester Van Wageningen——zijn dochter?——Lina?—”
»Ja dokter.”
Hij bedekte zijn gelaat met beide handen en bleef een oogenblik in gepeins verloren zitten.
»Waar blijft de tijd!” riep hij eindelijk, het hoofd weer opheffende.
»Vergeef mij,” vervolgde hij zachter, »ik moet u wel krankzinnig toeschijnen.—Mogelijk ben ik het ook—want ik leef met de dooden alsof ze levend waren—en dikwijls met de levenden alsof zij dood waren.”
»Dat schijnen ze ook wel, al zijn ze ’t niet!” antwoordde Lina lachend.
Verrast staarde hij haar weder aan.
»Zóo had ze moeten zijn!” dacht bij overluid. En als hadden zijn eigen woorden hem verschrikt, zóo sprong hij van zijn stoel op, greep zijn hoed, vatte Lina’s hand.…
»Tot weerziens—ik moet weg—ik heb geen tijd—tot morgen—au revoir!”
En weg was de dokter.
»Wat heeft hij?”
»Wat is hij raar van avond!” [35]
»Welk een vreemde man!”
»Waar moet hij heen?” riepen allen tegelijk, en niemand begreep iets van het zonderling gedrag van den dokter, dan Lina misschien, die den ganschen avond stil en afgetrokken bleef en groote sympathie gevoelde voor den vreemden man, met wien zij medelijden had.
1 Siedin, ga eens zien of er geen brief op de piano ligt.↑
[]
VIERDE HOOFDSTUK
MEESTERES EN LEERLING
Inhoudsopgave
»Hu! juf een spin!” riep Melatie, en zij liep hard de kamer uit om een bezem te halen, waarmee zij de spin wilde dooden. Maar toen zij terug kwam, met den bezem in de hand, stond Lina haar in de geopende deur af te wachten.
»Waarom wilt gij dat arme diertje dooden?” vroeg zij zacht.
»O! omdat het zoo leelijk is!”
»En omdat gij ook leelijk zijt, zou men u dus ook moeten dooden?”
»Maar jufje! Ik ben toch geen spin!”
»Neen, gij zijt geen spin, maar gij zijt toch ook zeer leelijk, en wat hebt gij dan vóor boven die spin?”
»Wel dat ik veel verstandiger ben dan zij, en dat ik kan lezen en schrijven en naaien—en dat kan die domme spin toch niet!” [36]
»Neen dàt kan zij niet, maar daarentegen kan zij iets anders dat gij niet zoudt kunnen, al wildet gij ook nog zoo gaarne.”
»Och! juf! En wat is dat?”
»Hebt gij ooit een spin haar webje zien maken?”
»Zoo’n vuil, leelijk spinneweb?”
»Ik vind het niet vuil en niet leelijk, Melatie. Hebt gij het wel ooit van nabij beschouwd?”
»O! neen, lieve juf!”
»En waarom spreekt gij er dan met zulk een minachting over? Kom eens even hier—maar zet eerst je bezem weer buiten de kamer, dan zal ik je eens laten zien wat die domme spin kan maken, en hoe zij zelfs de menschen nog van dienst kan wezen. Ziet gij dat leelijke spinrag hier wel aan den zolder hangen?”
»Ja, jufje, dat had de baboe al lang moeten weghalen—maar zij heeft het vergeten.”
»Kom nu eens mee in den tuin, dan zal ik je nog een spinrag laten zien, en dat zult ge voorzeker zoo leelijk niet vinden.”
Melatie ging wel met haar gouvernante mede, maar zij lachte er toch om, dat zij naar den tuin moest loopen om een webje te bewonderen.
»Welnu?” vroeg Lina, haar een spin wijzende, die midden in haar net zat, »hoe vindt gij nu dat webje?”
»Och, juflief! Ik zie er niets bijzonders aan, ik vind het heel gewoon.”
»Maar gij vindt mogelijk alles gewoon wat gij dagelijks ziet?—Neen, mijn lieve Mela, zóo oppervlakkig [37]moogt gij niet oordeelen. Alles is waard met aandacht bezichtigd te worden en elk schepsel vooral, dat gij dagelijks om u heen ziet leven, verdient uw opmerkzaamheid ten volle. Gij hebt reeds dikwijls het garen gezien, waarmede gij dagelijks naait, niet waar?”
»Ja, juf.”
»Hoe vindt gij dat? fijn of grof?”
»Fijn, heel fijn, jufje.”
»Net zoo fijn als de draden van dit webje?”
»Neen!—O! neen—lang niet zóo fijn!”
»Kent gij dan een anderen draad, die zóo fijn is als deze?”
»Zóo fijn als deze?—Neen jufje.”
»Ziet gij nu wel dat die leelijke spin nog zoo dom niet is als gij wel zoudt denken, en dat de draden die zij kan maken vrij wat fijner en fraaier zijn, dan die welke door menschenhanden gemaakt worden?”
»Ja, zoo’n draadje! Maar wat heeft men nu nog aan zoo’n draadje?”
»Wat men er aan heeft? Dat zal ik u zeggen. Zooals gij ziet, bestaat een web uit een menigte rondloopende draadjes, die weer door dwarsdraadjes, evenals aaneengeschakelde laddertjes aan elkander verbonden zijn. Elk dezer fijne draadjes nu, dat gij slechts als éen geheel kunt onderscheiden, bestaat weer uit zoovele, veel dunnere en fijnere draadjes, dat gij die, indien men ze eens uitgespreid vóor u op tafel kon leggen, zelfs met geen mogelijkheid zoudt kunnen tellen.”
»Hé jufje, en daar zie ik niets van!” [38]
»Ja, mijn kind, gij kunt niet alles zien wat bestaat; er is nog zóoveel in de natuur waarvan gij u geen denkbeeld kunt vormen, maar daarom juist moet gij niets onopgemerkt laten voorbijgaan, en moet gij nooit iets met minachting behandelen, of met onverschilligheid beschouwen, omdat gij het niet kent of omdat gij het niet begrijpen kunt.—Maar weet gij mij nu ook te zeggen, lieve Mela, waarom die spin dat kunstig weefsel maakt en waarmede zij de menschen van dienst kan wezen?”
»Neen jufje.”
»Zooals gij nu dat net dáarvoor u ziet, dient het hoofdzakelijk tot het vangen van vliegen en andere insekten, waarmede de spin zich voeden moet, terwijl zij de menschen alzoo tevens van een werkelijke plaag bevrijdt. Later, wanneer zij haar eieren gelegd heeft, waaruit weder andere spinnetjes te voorschijn moeten komen, spint zij ook die eiertjes geheel in een webje, om ze op deze wijze te behoeden tegen de aanvallen van weer en wind, waardoor zij anders beschadigd of geheel vernield zouden worden. En wat zegt gij nu wel van die leelijke, domme spin, Melatie? Wilt gij haar nu nog met uw bezem dooden, omdat gij haar zoo leelijk vindt? Ziet gij nu nog niets bijzonders aan dat webje? Vindt gij die dunne, fijne draadjes nu nog zóo gewoon?”
»Neen, neen, jufje! Nu vind ik ze mooi, en nu vind ik de spin zelve ook niet half zoo dom meer als vroeger. En nu ik weet dat zij van vliegen en andere nare beesten moet leven, verzeker ik u dat ik nooit meer een enkele spin zal [39]plagen of dooden, want ik heb een vreeselijken hekel aan vliegen!”
»En toch moogt gij ook zelfs geen vliegje verachten: dit hebt gij aan de spin gezien. Elk diertje, hoe klein en hoe gering het u ook moge toeschijnen, bestaat omdat het moet bestaan, omdat de goede God het een leven gaf en een werkkring op onze aarde aanwees, waarvoor het berekend en geschapen is. Ziet gij dus later mogelijk nog eens een diertje dat gij leelijk vindt, of waarvan gij om de een of andere reden een afkeer hebt, ontzie het dan, lieve Mela, spaar het en bescherm het, omdat het een schepsel is dat door denzelfden Schepper gemaakt is die u het leven gaf en die nog dagelijks voor u en voor uw ouders zorgt, zooals Hij ook verlangt dat Zijn schepselen onderling voor elkander leven zullen en voor elkander zullen zorg dragen.”
»Altijd, jufje?”
»Ja zeker, altijd.”
»En de menschen schieten elkander dood, met groote geweren, zooals mijnheer Werner heeft.”
»Dat mogen zij niet doen.”
»Een mooie officier met dikke1 épauletten en een grooten sabel heeft zelf aan Mama verteld, dat hij acht menschen in éen uur dood gemaakt had, en dat zeide hij, dat zoo goed was.”
»Neen Mela, dat is niet goed; maar de menschen weten niet wat goed is en daarom handelen zij verkeerd. Al wat eenig leed veroorzaakt, is kwaad, en al wat beter of gelukkig [40]maakt is goed,—vergeet dat nooit, en als gij het een of ander doen wilt, waarvan gij niet weet of het goed of kwaad is, vraag dan u zelve dit: »Maak ik iets of iemand beter? Wie maak ik gelukkig?”—En zoo gij niets beter maakt of niemand gelukkig, doe het dan niet, want dan is het kwaad.”
Melatie sloeg de oogen neer en zag twee kippen vechten om een muis.
»Jufje!” riep zij zenuwachtig, »red die arme muis!”
Maar de muis was verdwenen en de kippen stapten voort, kalm en tevreden evenals de mooie officier, die dapperheid en heldenmoed met een doodenregister staafde. Men kon het ze aanzien, die fiere kippen, dat ze een nuttig werk verricht hadden, een gevaarlijken vijand verslagen en de aarde van een ondier verlost hadden. Wat zou er van de wereld geworden zijn, als die kippen er niet geweest waren?
»Arm muisje!” riep Mela. »’t Was zoo vlug en zoo vroolijk daareven! Hu! Foei! leelijke, stoute kippen! Ik hoop dat je ’t eerst geslacht zult worden!”
Zóo eet de een den ander op, en toch vinden allen dat opeten verkeerd, als ’t een ander is die eet.…
Lina gevoelde grooten lust tot lachen, maar hield zich goed voor haar leerling en plukte een hand vol gras voor een geitje, om een andere wending aan het gesprek te geven dat wat al te scabreux begon te worden. Melatie volgde haar voorbeeld en kwam met haar schortje vol gras aanloopen om jufje te helpen. [41]
1 Indië, twintig jaar geleden.↑
[]
VIJFDE HOOFDSTUK
EEN BRIEF VAN HUIS
Inhoudsopgave
Mejufvrouw L. Van Wageningen. Adres:
den WelEd. Heer Oristorio, enz., enz.
Liefste Lina!
Wel mijn kind, wat waren wij gelukkig toen wij heden morgen de tijding ontvingen van uw goede aankomst in Oost-Indië! Richard is den ganschen dag zóo wild geweest van vreugde dat er geen huis met hem te houden was, Ella Salvita was te opgewonden om te ontbijten, zelfs om mij suiker in mijn thee te geven, nu ik beken je ronduit dat ik het niet bemerkt had vóor dat zij zelve het zag, en mij lachend verweet dat ik even ongeduldig en zenuwachtig was als zij! Je oude poes begreep niets van de consternatie, maar Bijoux scheen je ganschen brief met ons te lezen, en deelde in de vreugde alsof hij tot de familie behoorde. Mietje alleen kwam vrij nuchter uit den hoek met haar: »Och! heetje! Is de juffer nou in dat verre land! Wel, wel, ’t is wat te zeggen!” En dan beweren de geleerden dat Mietje meer ziel heeft dan Bijoux. ’t Is mogelijk, maar ik geloof het niet. En indien het zóo is, welnu dan acht ik er den hond des te hooger om, daar hij beter gebruik van de zijne maakt dan zij van de hare.
En nu heb ik je wat nieuws mee te deelen, namelijk dat ik je wijzen raad gevolgd en Ella ten huwelijk gevraagd heb. Zij was in deze omstandigheid weer eenvoudig [42]groot, zooals zij in alle anderen geweest is.—»Neen,” was haar eerste woord. »Ik ben de vrouw niet die geluk in een familie brengen kan.”—»Wie kan die vrouw zijn, indien gij haar niet zijt?” vroeg ik haar. »Waar is verstand en ziel en wil vereenigd als in u? Waar liefde tot een hoogeren graad van volmaaktheid opgevoerd dan in de zelfverloochenende grootheid die de grondtrek van uw karakter uitmaakt.”
Zij zag mij aan, met haar groote dankbare oogen en schudde weemoedig het hoofd, terwijl zij zacht en ferm zeide: »Neen, ritmeester, gij hebt kinderen, voor wie gij den heiligen moedernaam zuiver en onbevlekt bewaren moet.…. Een actrice vernedert de kinderen die haar »moeder” noemen, verlaagt hem die onder zijn naam de minachting tracht te verbergen, die aan den hare verbonden is.… Spreek nooit meer van een huwelijk. Laat mij bij u blijven en gelukkig zijn en bekommer u niet verder over een leven dat, God geve het, niet lang meer duren zal.”
Zij glimlachte, en verliet de kamer met een kalmte die ieder ander dan mij, had doen denken dat zij ongevoelig was.
Ik oogde haar na toen zij den gang doorging, den trap op, in hare kamer.… en toen alles stil was, volgde ik haar.
Ik vond haar op de sofa, met het gelaat in de handen, bitter schreiende. Ik had de deur zóo zacht geopend dat zij mij niet had hooren inkomen en dat ik naast haar zat eer zij het wist. »Ella,” sprak ik nauw hoorbaar. »Kom, [43]wisch die tranen weg en laat ons openhartig samen spreken.” Zij zag mij een oogenblik ontsteld aan, liet toen het hoofd op mijn schouder zinken en snikte zenuwachtig zonder een woord te kunnen uiten. Toen zij eindelijk tot bedaren was gekomen en haar hoofd half lachend op had gericht met de woorden: »Laat ons nu over iets anders spreken,” gaf ik haar uw brief van de Kaap de Goede Hoop, en liet ik haar zelve lezen wat gij omtrent een huwelijk tusschen haar en mij geschreven hadt.
Toen zij gelezen had, gaf zij mij met bevende hand den brief terug.
»Verlangt gij liefde, ritmeester?” vroeg zij aarzelend.
»Neen. Ik verlang van u niet meer dan een jonge vrouw kan geven aan een man van mijn leeftijd: achting, welwillendheid, vriendschap.—” Zij zeide niets, opende een schrijfportefeuille, kreeg er een paar oude brieven uit en overhandigde mij die met de woorden: »Hier is mijn liefde.—De vrouw aan wie deze brieven gericht waren is dood, haar zuster zond ze mij terug, toen zij gestorven was, en als de weemoedige herinnering aan lang vervlogen gouden droomen, heb ik ze bewaard, niet denkende dat zij mij ooit te pas zouden komen.—Lees ze en verscheur ze dan—mijn verleden is dáar.—Later zullen wij over de toekomst spreken.”
Ik was gereed de brieven terstond te verscheuren en zeide haar dat ik haar verleden als het mijne aannam, zonder onderzoek en zonder twijfel; maar zij smeekte mij zoo dringend aan haar verzoek te voldoen, dat ik gehoorzaamde en haar niet weerzag vóor etenstijd. [44]
Wanneer gij deze letteren ontvangt, zal Ella mijne vrouw zijn, en dan mijn kind zult gij een moeder hebben, op wie gij trotsch kunt wezen.….….
[]
ZESDE HOOFDSTUK
LOUISE VAN AMERONGEN
Inhoudsopgave
Het was in het midden van den goeden moesson. De zon wierp hare stralen loodrecht op de huizen, waarvan de daken gloeiden en de witgekalkte muren verblindend schitterden, terwijl de jalousieën zorgvuldig gesloten waren en niemand zich meer in de galerijen bevond. Ook de straten waren bijna geheel verlaten, slechts nu en dan deed zich nog het rateltje van den Klontong1 hooren, of het gekraak van het bamboezen juk van den koeli2 die, gebogen onder zijn zwaren last, zijn weg vervolgen moest, terwijl alles rust en uitputting ademde. Zelfs de vrouwen in de warongs3 sliepen bij hare nassie4 of kwee-kwee,5 en de wisselaarsters op de hoeken der straten hadden slechts eenige duiten vóor [45]zich liggen om des te rustiger onder den half gescheurden pajong6 op de kleine gevlochten tikar7 te kunnen voortdommelen, gedurende de weinige uren dat de groote warmte alles, tot zelfs het geld, bijna vergeten deed.
’t Is nog te vroeg, maar wacht even, en wij zullen met de ondergaande zon in deze schijnbaar uitgestorven stad het lachend Samarang herkennen. Dan zullen wij alle huizen geopend zien, alle wegen bezocht vinden, dan.… maar wacht nog even, het is nauwlijks drie uur geslagen en de europeesche bevolking is nog grootendeels in rust.
In den tuin, vóor een smaakvolle villa aan den Bodjongschen weg loopt een jonge slavin, in haar kort wit baadjoe en rood geruiten sarong, die met een gouden band om het middel wordt vastgehouden, onophoudelijk van het eene bloembed naar het andere. Zij knipt de schoonste knoppen af, plukt de geurigste rozen, maar schudt nog steeds ontevreden het hoofd, alsof zij hetgeen zij zocht, niet vinden kon. Eindelijk keert zij schoorvoetend naar huis terug.
»Wat zal Nonna8 boos zijn. Geen enkele witte roos van daag!” denkt zij bij zichzelve en nauw hoorbaar sluipt zij een groote kamer binnen, waar zij de bloemen in een blauw glazen kommetje op een smaakvolle toilettafel plaatst.
»Hoe laat Alima?” roept een zachte stem uit het [46]groote ledikant, waarvan de dunne neteldoeksche gordijnen langzaam door een fijn wit handje op zijde worden geschoven.
»Bij vieren, Nonna.”
»Bij vieren! gauw de thee! Mijn hemel! Hoe kom ik nog klaar! Gooi de jalousieën open! Roep Rosa! Kap mij! Raap mijn boek op! Geef mijn kousen! Laat zien de bloemen! Gauw! Gauw! Ik heb haast! Rosa! Rosa!”
Alima raapte dood bedaard, eerst het boek op, dat hare jeugdige meesteres in haar drift uit bed had laten vallen, schoof toen een grooten rotangstoel voor den toiletspiegel en opende eindelijk de jalousieën, om daarna achtereenvolgens alle verdere bevelen ten uitvoer te brengen, terwijl Louise van Amerongen met haar boek op den grooten stoel neerviel en Eugène Sue’s »Orgueil” half liggend vervolgde, zooals zij die een uur te voren half slapend begonnen was.
Toch was Louise niet lui, noch heerschzuchtig, noch wispelturig, maar zij was verwend. Zij was de eenige dochter van een schatrijken koopman, de oogappel, de afgod, de geheele toekomst harer ouders, die haar lief hadden en bedierven met een verblindheid welke alle perken te buiten ging. Tusschenbeide had het mevrouw Van Amerongen wel eens gehinderd dat hare dochter zoo langzaam in hare bewegingen, zoo kortaf in hare antwoorden, wezen kon; maar mevrouw Van Amerongen was een Europeesche vrouw, terwijl haar dochter geboren en opgevoed was in Indië, waar onverschilligheid en opvliegendheid elkander steeds de eerste plaats in het hart der meeste vrouwen [47]betwisten; zij begreep dus dat zij hier met een kwaal te worstelen had, waarvan haar kind niet dan met de grootste moeite te genezen zou zijn. Buitendien was Louise rijk en bevallig genoeg dat men haar zulke kleine gebreken vergeven kon. Heeft niet ieder mensch het een of ander in gewoonte of manieren dat wel anders wezen mocht? En verder werd er niet aan de verbetering van de oogappel gedacht.
Louise was nauwelijks vijftien jaar oud, maar zij was groot voor haar leeftijd en geheel ontwikkeld; daarbij was zij schoon met haar fluweel zwarte oogen, haar golvend haar en hare schitterend witte tanden, haar slanke leest en haar kleine welgevormde handen en voeten. Ook was er iets vreemds, iets aantrekkelijks in hare bevallige ronde bewegingen, in haar statigen langzamen gang, terwijl haar fiere houding, gevoegd bij haar zachte welluidende stem, aan haar geheele persoon iets boeiends en meesleepends gaven.
En het hart?—Het hart was goed en sloeg voor al wat groot en edel is. Ook het hoofd was goed, maar ’t was niet goed bestuurd geworden, en hierdoor werd dáar waar het scherpe oordeel van het kind tekort schoot, helaas! maar al te dikwijls de koude rede van den »gedésillusionneerden” mensch geloofd.
Alima kwam eindelijk terug met een kopje koude thee en een paar schoteltjes kwee-kwee. Rosa, een meisje van een jaar of dertien, volgde haar, plaatste zich zwijgend tegen den muur en wachtte.
»Waarop wacht gij?” vroeg Louise. [48]
»Ik ben bij nonna Van den Berg geweest, nonna.”
»En?”
»Nonna Van den Berg zal tegen half zes te paard hier zijn.”
»Goed.”
»Toewan ketjil9 laat vragen of hij de nonnas vergezellen mag?”
»Hm—m,” toestemmend geluid.
»Moet ik antwoord zenden, nonna?”
»Neen, kap mij.”
Rosa maakte een zestal breede vlechten van het weelderige, zwarte haar en schikte ze in sierlijke lussen om het fraaie kopje harer meesteres.
»Alima, krijg mijn amazone uit de kast, en al wat ik verder noodig heb, leg alles op bed bij elkaar.”
De slavin liep eenige keeren de kamer op en neer, haalde hier het rijkleed, daar den hoed, ginds de handschoenen en plaatste zich, toen alles gereed lag, naast Rosa, achter den stoel harer meesteres om op nieuwe bevelen te wachten.
Louise echter was geheel in l’Orgueil verdiept, en hoorde of zag niets van hetgeen er om haar henen voor viel.
De pendule sloeg weer éen, daar werd zij wakker.
»Ja! Allah! half vijf!”
L’Orgueil ging op den grond, de koekjes moesten
[49]weg, de thee stortte over het blad, alles ging het onderste boven om nonna spoedig in de kleeren te helpen… Eindelijk was zij gereed, en met een lichten blos van het reppen, trad zij in haar sierlijk rijkleed den hoogen stoep af, onderaan welken Henri van den Berg, de broeder harer vriendin, gereed stond om haar bij het te paard stijgen behulpzaam te zijn.
»Waar blijft Marie?” vroeg zij lachend.
»Zij zal volgen met papa en met Willem Nieland, dien wij juist tegen kwamen toen wij het hek uit reden.” En hij zag haar aan alsof hij voor haar antwoord vreesde.
»Wij zullen hen te gemoet gaan,” sprak het meisje spotachtig. Henri boog zwijgend en reikte haar de hand tot opstijgen.
Wat was de jonge lachende Louise schoon, toen hare donkere oogen van hoop en leven schitterden en hare slanke buigzame gestalte zoo sierlijk uitkwam op den fieren Arabischen Isabel die, trotsch op zijn schoonen last, het edel hoofd nog hooger ophief en in vollen galop het hek uitvloog.
Louise’s ouders oogden haar na en konden den glimlach niet bedwingen, die zoo duidelijk zeide hoe zij hun eenig kind bewonderden en liefhadden, met al den trots hunner ziel.
»Henri verraadt zich toch gedurig,” sprak mijnheer Van Amerongen.
»Louise houdt zich goed,” antwoordde mevrouw.
»Zij zal het niet opmerken.”
»O, haar ontgaat niets!” [50]
»Henri is een beste, brave jongen, maar toch voor Louise…”
»O, Louise kan wel betere partijen doen.”
»Dat geloof ik!”
»Louise ik begrijp u niet!” sprak Henri.
»Dat verlang ik ook niet.”
»Maar… Kom, antwoord mij eens wat duidelijker… Zeg mij, bid ik u…”
»Éens Henri, maar éens vooral, hoor! Ik houd niet van herhalen, dat weet gij. Gij wilt weten of ik u lief heb, niet waar?”
»Ja,” antwoordde hij nauw hoorbaar.
»Welnu, ik heb er velen lief als u.”
»En acht gij mij?” vroeg hij verder.
»Meer dan alle anderen te zamen.”
»En toch…”
»Uw vrouw, nooit, dat weet gij.”
»Maar Louise!”
»Geen woord meer.”
»Maar welke toekomst droomt gij u dan? Wat verlangt gij…”
»Ik denk aan geen toekomst en ik verlang niets. Niets dan vrij te blijven en mijn rechten op mij zelve te behouden.”
»Altijd?”
Louise wendde lachend het hoofd van hem af.
»Zijn die rechten op u zelve u zoo dierbaar, dat gij ze levenslang zoudt wenschen te behouden?” [51]
»Oude jonge juffrouw!” riep het meisje als verschrikt, en zij lachte zóo hartelijk dat Henri onwillekeurig met haar mede deed. »Neen, neen, dat nooit!”
»Wat dan?”
»Niets.”
»Louise, Louise, waar…”
»Ik ben jong en gelukkig Henri, waarom…”
»Gij hebt gelijk. Gij zijt jong en gelukkig! Geniet! Geniet zoo lang het u mogelijk zal zijn; blijf vroolijk en onbezorgd voortleven in de weelde en in de liefde die u omringen en droom u een toekomst zóo schoon en zóo heerlijk als uw fantastische verbeelding ze u slechts voor kan spiegelen.”
»En in de werkelijkheid?”
»Zult gij mogelijk een beter man gelukkig kunnen maken, een edeler mensch uw liefde kunnen schenken dan ik ben.”
»Neen, dat nooit!”
Die woorden waren haar ontvallen, want nauwlijks had zij ze gesproken of een hoog rood steeg haar tot aan het voorhoofd, en, zich snel voorover buigende, liet zij haar paard den vrijen teugel en rende zij voort tot dat zij mijnheer Van den Berg met Marie en Willem Nieland ontmoette. [52]
1 Chineesche marschkramer.↑
2 Lastdrager.↑
3 Een klein dak van bladeren op vier bamboezen stijltjes.↑
4 Gekookte rijst; ongekookte noemt men bras, en in de halmen heet zij paddie.↑
5 Snoeperijen, gebak.↑
6 Groote en-cas van bladeren of geolied papier.↑
7 Matje.↑
8 Juffrouw.↑
9 Jonge mijnheer.↑
[]
ZEVENDE HOOFDSTUK
EEN BAL
Inhoudsopgave
In de dagen der verpachting telde Samarang de meeste feesten. De resident, de kolonel, nog een paar hooggeplaatste personen en eenige rijke partikulieren waren er op gesteld de vreemde residenten beleefdheden te bewijzen en hadden dus reeds van te voren met elkander overlegd, over welke dagen ieder van hen te beschikken zou hebben.
Wat al vreugde voor de jonge meisjes, die weder haar balkleederen in gereedheid konden brengen en menigen vroolijken avond in het vooruitzicht hadden. Maar welk een vreugde voor Louise van Amerongen vooral, die weder zou schitteren en uitblinken boven allen en reeds vooraf verzekerd kon wezen van nieuwe en onafgebroken triomfen!
Wat was zij schoon toen zij ’t open rijtuig uitsprong en het helder licht der dammers haar vriendelijk gelaat bescheen! Toen het vol orkest haar met de groote trom aan ’t hoofd, begroette, en zij lachend haar net geganteerde hand aan Albert van den Hove reikte, om op zijn arm geleund de lange galerijen van het residentiegebouw te doorloopen, eerst haar opwachting bij de gastvrouw te maken en vervolgens haar plaats in te nemen aan het lagere einde der zaal, waar zij terstond door een aantal heeren omringd werd, die elkander verdrongen voor een [53]dans, een lach, een blik van de »Roos van Samarang”.
Wat was zij schoon toen ze eindelijk drong door den dichten drom van aanbidders die haar den weg versperde, en licht en vlug de wals begon, welke zij volhield, van den eenen danser naar den anderen overgaande, tot dat de muziek verstomd was en het laatste paar van vermoeidheid uitgeput tot staan was gekomen.
Hoe velen hadden haar opgemerkt, hoe velen hadden haar nageoogd en door hoe velen was zij weder bewonderd of benijd geworden?
Zij wist het niet; maar het kon haar ook niet schelen. Zij die gewoon was opgemerkt te worden, zag niet meer dat zij nageoogd, bewonderd en benijd werd. Het wufte kind van het oogenblik bleef koud voor de lofuitingen der wereld, terwijl haar hart schier hoorbaar klopte en haar oogen schitterden van geluk bij het denken aan een tweede wals!
Lach maar kind! De ware wijsheid is geluk. De wereld biedt tranen genoeg en zorgen in overvloed aan den rijpen leeftijd; lach gij maar voort zoolang gij lachen kunt. De vroolijkheid is het schoonste sieraad der jeugd. Geniet zoolang gij slechts kunt, dans voort, en volg de inspraak van uw hart, zoolang die uit kinderlijken eenvoud en oprechtheid voortspruit; wees wispelturig zelfs, als gij wilt… de wispelturigheid op uw jaren is geen gebrek, wanneer zij met goedhartigheid gepaard gaat.
»Neen, ik blijf zitten,” zei ze.
»Maar Louise, gij die nooit wilt blijven zitten!”
»Al zou het dan ook enkel voor de variatie wezen.” [54]
»Een quadrille is toch niet vermoeiend, die kunt gij even goed mee doen als…”
»Vermoeiend! En wie spreekt daarvan? Ik ben nooit vermoeid!”
»Nu, kom dan mede?”
»Neen.”
»Maar Louise!”
»Neen.”
»Gij zijt al zeer kort af, van avond.”
»Ik ben ook heel boos op u.”
»Op mij?”
»Ja.”
»Maar waarom dan? Wat heb ik u gedaan?”
»Mij? O! mij niets. Mij kunt gij niets doen! Maar mijn vriendin hebt gij beleedigd en dat vergeef ik u niet licht.”
»O ho! Uw vriendin? Die zwarte Mathilde, met wie ik niet dansen wil omdat zij te klein en te mager en te leelijk is.… Nu, dit kunt gij mij toch niet kwalijk nemen, hé?”
»Hoor eens Willem, zij mag zoo leelijk zijn als gij wilt, dat kan ze niet helpen, het arme schaap, maar ze is goed en dat is genoeg.”
»Maar dat is niet genoeg voor mij, om voor mijn plezier met haar te dansen.”
»Dat behoeft ook niet, dans maar, en ik zal u niet vragen of gij het voor uw plezier gedaan hebt.”
»Neen,” riep Willem, op zijn beurt kort af en naar de leelijke Mathilde omziende, ten einde een lach te verbergen. [55]
»Wilt gij niet?”
»Neen.”
»Goed.”
Willem bleef nog eenige oogenblikken zwijgend staan wachten, terwijl Louise met haar waaier speelde.
»De dans begint.”
»Goed.”
»Bedenkt gij u niet?”
»Neen.”
»Dan blijf ik hier bij u zitten.”
»Hm.”
»Gij zult toch wel met mij willen spreken, hoop ik?”
»Neen.”
»Ook niet, wanneer ik met Mathilde gedanst zal hebben?”
»O! dan wil ik alles!”
»Dan krijg ik een dans?”
»Drie, als gij wilt!”
»Goed, maar ik zal ook niet behoeven te vragen of gij ze »voor uw plezier” zult doen.”
Een gulle, ongedwongen lach was Louises eenig antwoord.
»Wie is zij, die ik daar zoo spotachtig zie lachen, schoon oud en jong in de quadrille staat en zij alleen is blijven zitten?”
»Waar?.… Het is de Roos van Samarang, geloof ik! Juist zij is het! Welke tinka (caprice) is dat nu weer?”
»Tinka?—Zou men haar gevraagd hebben, denkt gij?” [56]
»Haar gevraagd? Wel, wel resident, nu toont gij dat gij vreemdeling zijt! Kent gij Louise van Amerongen nog niet?”
»Is zij Louise van Amerongen? De kleine coquette die alle luitenants het hoofd op hol brengt?—Een aardig kopje! Ik zou mij waarachtig weleens aan haar willen laten voorstellen.”
»Nu, kom maar mede.”
»Ja, maar is het niet wat gek, hè? een resident… Dàt zal haar geheel ongenaakbaar maken.”
»Ta, ta, ta, wat al gebluf! Kom maar mee, van dien kant hebt gij niets te vreezen.”
»Juffrouw Van Amerongen, mag ik de eer hebben u resident Stevens van Langendijk voor te stellen!”
Louise boog even, bood de heeren een stoel aan, en zweeg, den resident vragend aanziende, om hem te kennen te geven dat hij aan het woord was.—Dit is een gewoonte, vrij algemeen op Java, waar een dame bijna nooit het eerst het woord tot een heer zal richten.
»Wat hebt gij daar een lief toiletje aan, juffrouw Van Amerongen.”
Louise, met een beleefd lachje: »vindt u?”
»O ja, en dat beelderige coiffuurtje! Zoodra gij de zaal binnen kwaamt, hebt gij mij getroffen.”
»Ja?”
De resident kuchte eens.
»Ik heb zooveel over u hooren spreken,” begon hij weder, »dat ik mijnheer Vrede terstond verzocht heb mij aan u te presenteeren, maar gij zijt den ganschen avond [57]zóo geëntoureerd geweest, dat wij geen gelegenheid vinden konden om tot u door te dringen.”
»Hm!” met een lachje.
Hij kuchte weder.
»Verduiveld, hoe bête!” dacht hij bij zichzelven, zonder te letten op de groote nonsense die hij zelf met zooveel emphase voordroeg.
»Woont gij reeds lang in dat prachtige huis aan den Bodjongschen weg, juffrouw Van Amerongen?”
»Sedert drie jaar pas.”
»Gij gaat zeer veel uit, niet waar?”
»Ja, er wordt hier nog al eens gedanst.”
»En gij houdt niet van dansen, hè?”
»Ik? O, dol!”
»En gij zijt nu blijven zitten?”
»Dezen keer—ja.”
»Bij preferen… bij verkiezing natuurlijk, want…”
»Ja, resident.”
Zóo spraken zij nog eenige minuten, tot dat de quadrille geëindigd was. Toen werd Louise weder van alle kanten door bewonderaars omringd, terwijl de resident met zijn vriend naar zijn speeltafeltje terugkeerde en, recht voldaan over zich zelven, een lange redevoering hield over de domheid, nietigheid en kleingeestigheid der vrouwen: »Zij zijn toch allen gelijk, of men er éen ziet of honderd, er zit nooit iets bij.”
En wat antwoordde Louise, toen haar cavalier haar half lachend, half verwijtend vroeg, »hoe de ongehuwde resident haar bevallen was?” [58]
»Och, goed!”
»Dat meent gij niet.”
»Waarom?”
»Omdat gij het zóo niet zeggen zoudt, indien gij het meendet.”
»Maar wat wilt gij dan dat ik antwoorden zal, wanneer gij mij naar iemand vraagt dien ik zoo even voor het eerst gezien heb?”
»Wel zeg mij hoe gij hem vindt, aangenaam of onaangenaam, aardig of niet, verstandig of…”
»O neen, over zijn verstand althans kan ik niet oordeelen!”
»En waarom niet?”
»Omdat men een heer eenige malen met andere heeren ongestoord moet hebben hooren spreken, om te weten of er wat bij zit of niet; met ons dames zijn alle heeren dom.”
»O! dat zal ik mijn vriend terug vertellen!”
»De resident is uw vriend?”
»Ja juffrouw.”
»Goed.”
»Ik mag dus?”
»Och! waarom niet; het kan mij niet schelen.”
En zij danste weder voort, en sprak en lachte en was gelukkig als te voren, zonder verder aan den resident te denken.
Nu kent gij Louise van Amerongen, wier schoonheid aller oogen boeide, wier coquetterie aller tongen in beweging bracht. Coquetterie! ’t Arme kind wist niet eens [59]wat dat uitheemsche woord beteekende! Dat behoefde ook niet. Zij was jong en schoon en rijk, en daarbij was zij vrij in hare bewegingen en ongedwongen in haar gesprekken: wat is er meer noodig om een vrouw coquette te noemen?
Louise, het vroolijke, zorgelooze kind, kende haren bijnaam en lachte er om, terwijl zij onschuldig met de harten harer aanbidders speelde en hare nijdige vriendinnen over haar wangunst bespotte.
O, vrouwen! zoo gij wist hoe gij uzelve benadeelt door al dat noodeloos geschimp, door dat geringschatten van al wat uw sfeer te boven gaat! Zoo gij wist hoe bespottelijk gij uw eigen nietigheid tentoonstelt, door de meerderheid van anderen onzinnig te ontkennen, gij zoudt zwijgen, geloof ik, al ware het ook slechts uit eigenbelang… Maar neen, gij zoudt niets, zoolang gij uw arme ziel niet gereinigd hadt van de duizende, kleine, lage hartstochten die in onkunde hun oorsprong hebben en als égoïsme, haat en afgunst het leven verpesten van uzelve zoowel, als van de onschuldige wezens die het ongeluk hebben van door u opgemerkt te worden. [60]
[]
ACHTSTE HOOFDSTUK
HET BEZOEK VAN DEN RESIDENT
Inhoudsopgave
Den dag na het bal was Louise weder alleen in haar kamer. Ditmaal sliep zij niet; zij lag in een dun wit morgengewaad op een rustbank uitgestrekt en speelde met de donkere lokken die langs haar schouders golfden en in dikke krullen tot op den vloer neder hingen. Hare oogen staarden gedachteloos en haar lippen waren stijf op elkander geperst, terwijl haar boek nog ongeopend naast haar lag. Plotseling sprong zij uit hare half droomende, half wakende houding op, een koortsachtige flikkering schitterde in haar somber oog en een diepe zucht ontsnapte den geprangden boezem.
Toen wierp zij zich weder in de kussens en wachtte kalm en geduldig tot dat Alima met de thee kwam om haar, als naar gewoonte, te wekken en te helpen kleeden.
»Is het zoo goed, nonna?” vroeg de jonge slavin, toen het weelderige haar gevlochten en opgemaakt was. »Vindt nonna de bloemen frisch genoeg?”
»Bloemen! O neen, geen bloemen vandaag!”
Alima wierp de met zooveel zorg geschikte rozen ter zijde.
»Is het nu naar uw zin, nonna?”
»Hm—m.”
En zonder zelfs een blik in den spiegel te werpen, stond Louise op en liet zij Alima ongestoord haar toilet voltooien [61]alsof het haar niet schelen kon hoe zij er uit zou zien.
Voor dien avond had resident Stevens van Langendijk belet laten vragen bij mijnheer en mevrouw Van Amerongen, en Louise, die deze eer verbazend vervelend vond, had een rijtuig laten inspannen om Marie van den Berg te halen, met wie zij den ganschen avond half fluisterend zat te praten om den resident niet in zijn gesprekken te stooren, die nu, met opzet, in het geheel niet dom of onbeduidend waren.
»Zij is verduiveld mooi!” dacht de resident bij zichzelven, terwijl hij zich uitsloofde om de aandacht van het jonge meisje op de een of andere wijze tot zich te trekken. »Zij zou wel goed voldoen in het groote residentiehuis—aan het hoofd van de tafel—naast den Gouverneur-Generaal bij voorbeeld—als mijn vrouw: Louise Stevens van Langendijk—dat klinkt nog zoo slecht niet. En een meisje met fortuin… Enfin, daar kunnen wij altijd nog wel toe komen.—Eén woord en ik heb haar!”
»Wat is hij leelijk!” waren bijna op hetzelfde oogenblik Louise’s gedachten. »Zoo’n rood gezicht—en zulke grasgroene oogen, met zulk lichtgeel haar! Net boeloe jagong!—Ik kan mij best begrijpen dat hij niet getrouwd is.—Wie zou ook zoo’n man willen hebben!”
Eindelijk sloeg het elf uur en ging de resident naar huis. Ieder kreeg een handje, Louise alleen werd met een stijve buiging afgescheept.
»Niet beleefd!” fluisterde zij Marie lachend in het oor, [62]terwijl zij het hoofd van hem afwendde en zich, zonder verder over hem te spreken, ter ruste begaf, tevreden over hare opzettelijke onverschilligheid en hoogst voldaan over de halve onbeleefdheid van den resident.
Vreemd vrouwelijk instinkt! Louise was gelukkig over den weinig gunstigen indruk dien zij op den resident scheen gemaakt te hebben, en toch beving haar een soort van huivering wanneer zij aan die koude, stijve buiging dacht.
En waarom?
Zij wist het niet. Zij kon zich geen rekenschap geven van het vreemd gevoel waarmede zij te worstelen had, telkens wanneer zij zijn naam slechts hoorde. Toch had zij eigenlijk niets tegen den resident, en kon zij geen enkele reden vinden om hem minder genegen te wezen dan iederen anderen vreemdeling, met wien de omstandigheden haar in kennis brachten.
»Ik ben bang voor dien man!” dacht zij bij zichzelve, en hoewel zij zich moeite gaf hem te vergeten of haar kinderachtigen afkeer van hem te overwinnen, toch was haar laatste gedachte telkens weder:
»Ik ben bang voor hem!” [63]
[]
NEGENDE HOOFDSTUK
DE HUWELIJKSAANVRAAG
Inhoudsopgave
»Is nonna Louise t’huis?” vroeg Marie van den Berg, den volgenden morgen reeds om half negen uit haar palankijn1 stappende.
»De nonna is in hare kamer, nonna.”
»Goed. Gij kunt heengaan, Drono. Mijnheer Van Amerongen zal mij van avond wel naar huis laten brengen.”
Drono reed weg en Marie begaf zich naar Louise’s kamer, waar zij haar vriendin met loshangend haar, op een matje op den vloer vond zitten, bezig met een kleinen zwarten aap in de kleeren harer pop te steken.
»Wat doe je daar?” vroeg zij lachend. »Ja, kassian! Arm Keesje! Wacht, ik zal je helpen, hier, hier is een speld.”
»Dank je. Och, Marie, je neemt niet kwalijk dat ik niet opsta.…”
»Ik kom bij je zitten. Wel mijn goed best Keesje! Hoe gaat het? Wat ziet hij er uit, het stumpertje. Hier is zijn kleedje. Gedécolleteerd nog al! En wat een mager, zwart, ruig halsje, zal daar uitkomen!”
»En die zevenmijls handjes en voetjes!”
»O! Wat is Keesje nu mooi! Ja, kassian! Wat houdt [64]hij zich stil! Wat is hij deftig! Wat loopt hij trotsch! Net de vrouw van Pieter Papelaya! hè?”
»Ja, ja, precies Kakamia Papelaya! maar toch zóo leelijk niet!”
En Kees kreeg op elke wang een zoen en een pisang2 tot belooning.
De meisjes hadden dolle pret, en nauwlijks was de pisang op, of zij grepen Keesje ieder bij een poot en begonnen een wandeling door de achtergalerij.
»Wij moesten eigenlijk een wagentje hebben,” begon Marie, »dan konden wij den tuin met hem rondrijden.”
»Een wagentje? Ja—wacht—wilt gij hem even vasthouden dan zal ik den ouden mandewagen gaan zoeken, die moet hier of daar in de bijgebouwen staan, geloof ik. De kinderen van den koetsier hebben er laatst mee gespeeld.—Ha! daar zie ik Rosa! Rosa, haal den mandewagen!”
»De mandewagen Nonna? Daar zijn de voorwielen af.”
»Dat is niets, haal hem maar.”
Een oogenblik later kwam Rosa met een ouden mandewagen aangeloopen, dien zij zeer voorzichtig aan den vóorkant ophield om hem niet verder te vernielen.
»Wel zóo gaat het goed!” riep Marie, verrukt over de twee achterwielen, die nog vastzaten en ronddraaiden. »Als gij ons nu een kussen kunt geven, dan zult gij Keesje eens deftig in zijn equipage zien zitten.”
Rosa bracht een gehaakt canapé-kussen uit Louise’s [65]kamer, Keesje werd er op gezet en zoo nam de toer een aanvang.—Kees liet zich de pret geduldig welgevallen, zoo lang hij bijna geen beweging gevoelde, maar toen de meisjes, dat langzaam loopen moede, het op een draven begonnen te zetten zonder aan het ontbreken van de voorwielen te denken, toen werd de arme Kees zoodanig heen en weer geschokt dat hij uit pure wanhoop den wagen uitsprong en wegvlood zoo goed en zoo kwaad als zijn wijde kousjes en zijn sleepjapon het hem veroorloofden.
»Kees is weg!” riep Louise, half uitgeput op den hoek van een schelpenpad staan blijvende.
De beide meisjes tuurden den tuin door en zagen eindelijk het schelmpje met groote moeite de stoep der achtergalerij opstrompelen.
»Daar is hij! Pak hem!” riepen beiden, en zij renden den tuin door, de stoep op, de achtergalerij in, de binnengalerij door, naar voren…
»Goeden morgen, dames!” klonk het op eens. Marie was reeds verdwenen, maar Louise die niets gezien had vóor het te laat was, stond onthutst en blozend tegenover den resident Stevens van Langendijk.
»Ik had niet durven hopen het genoegen te hebben van mejuffrouw Van Amerongen al zóo vroeg in den morgen te ontmoeten.”
De resident sprak zóo ernstig dat Louise het waagde haar groote zwarte oogen naar hem op te heffen.
»Het is toevallig,” sprak zij nauw hoorbaar; toen wierp zij een blik in den tuin vóor het huis. Daar sprong iets wits in een mangaboom rond, terwijl er zeer zacht in de [66]binnengalerij gehoest werd. Louise bloosde weder en sloeg de oogen neer terwijl zij zich boog om den resident een stoel aan te bieden, en een lach aan zijn stijven blik te onttrekken.
»Neem plaats, resident… zoo gij een oogenblik wilt wachten, zal ik papa.…”
»Gaarne, zeer gaarne, ik heb een dringend verzoek aan uw vader te doen.”
Louise verdween. Mijnheer Van Amerongen kwam zelf vóor om den resident te verzoeken hem naar zijn kamer te volgen.
»Mijnheer Van Amerongen,” dus begon de resident de deur achter zich dicht trekkende, »ik ben smoorlijk verliefd op uw dochter en, om geen onnoodige woorden te verspillen, zal ik je maar dadelijk vertellen dat gij mij hier ziet om u haar hand te vragen.”
»Resident!” riep mijnheer Van Amerongen verbaasd, »mijn dochter? Maar mijn dochter is nog…”
»Zoo jong, wilt gij zeggen. Wel mijn vriend, dat is geen gebrek! Ik houd niets van oude vrouwen, en als dit dus uw eenige zwarigheid is, verontrust u dan niet, ik beloof u, dat ik voor haar een echtgenoot en een vader tevens wezen zal.”
Mijnheer Van Amerongen kon geen antwoord vinden, hij stotterde iets van »onverwacht geluk” en »eer”, maar verder kwam hij niet.
»Het is zóo dus gedécideerd,” hernam de resident, op een toon die geen tegenspraak duldde. »Gij zult mijn voorspraak bij uw dochter wezen en ik zal over [67]een paar dagen terugkomen om uw antwoord te vernemen.”
»Goed resident… zeer goed,” stemde de vereerde vader toe, recht verheugd dat de resident zichzelven geantwoord had.
»Maar resident…” vroeg hij aarzelend toen mijnheer Stevens de kamer reeds bijna verlaten had, »twee dagen, ik geef u in bedenking… dat…”
»Ja, man! Ik weet wel dat men bij gelegenheden als deze, doorgaans bij acht of veertien dagen zweert, maar wij hebben vandaag Maandag en Vrijdag moet ik weer in mijn residentie zijn, wat kan ik daaraan doen?”
De resident lachte zeer vriendelijk, reikte mijnheer Van Amerongen de hand en stapte in zijn rijtuig.
»Tot Woensdag dus!”
»Tot Woensdag resident.”
Het rijtuig rolde weg. Koortsachtig vlug spoedde mijnheer Van Amerongen zich naar de kamer zijner vrouw.
»Nieuws! Groot nieuws Henriette,” riep hij, half buiten adem binnenstuivende. »Louise, onze Louise,——residentsvrouw!—Stevens van Langendijk, hier geweest!——Louise gevraagd!”
Hij stikte haast in de blijde boodschap. Henriette begreep maar half. »Wat bedoelt gij?” vroeg zij zacht, terwijl haar hart bonsde alsof het van elkaar zou springen.
»Louise!—Resident Stevens van Langendijk heeft Louise ten huwelijk gevraagd!”
Mevrouw antwoordde niets. Zij wierp zich in zijn [68]armen en zag hem, door haar tranen heen, zoo verheugd, zoo dankbaar aan, alsof het zijn schuld was dat een resident verliefd op hun dochter was geworden.
»Waar is Louise?”
»In den tuin, met Marie.”
Mijnheer Van Amerongen klapte in de handen, floot, riep Drono, Saït, Bonsoe, Siedin, en maakte zooveel lawaai dat de jongens uit alle hoeken van het huis gelijktijdig de kamer kwamen binnenstormen.
»Nonna Louise?”
Allen zwegen.
»Ik weet niet waar de nonna is,” antwoordde eindelijk de moedigste van allen.
»Zoek haar en zeg haar dat ik de nonna oogenblikkelijk wensch te spreken.”
De woordjes wij en ons worden op Java zelden gebezigd, doorgaans hoort men echtgenooten spreken van mijn huis, mijn wagen, mijn kind, alsof zij ieder afzonderlijke huizen, wagens en kinderen hadden.
Louise en Marie zaten onder een grooten boom achter in den tuin te spelen met het aangekleede Keesje, dat alle moeite deed om een doekoe machtig te worden, welke vrucht de meisjes aan een koord door het gras trokken.
Zij ontstelden niet weinig op het gezicht van den zwerm bedienden die in allerijl op haar af kwam.
»Wat moet gij?” vroeg Louise opspringende. »Is er een ongeluk gebeurd?—Spreek!” [69]
»Neen, niets nonna. Mijnheer wenscht de nonna oogenblikkelijk te spreken.”
»Is het anders niet,” riep zij lachend, en, haar zakdoek boven haar hoofd houdende bij wijze van parasol, liep zij zoo hard als zij kon naar binnen.
Mijnheer Van Amerongen ving haar in zijn armen op.
»Goed, lief, gelukkig kind!” riep hij met tranen in de oogen. Ook mevrouw omhelsde haar, drukte haar aan haar hart en riep: »Goede, lieve, beste Louise!”
En Louise, verstomd over dezen plotselingen aanval van ouderliefde, sloeg angstig haar oogen neder en was bang zonder zelve te weten waarvoor.
»Maar begrijpt gij het dan niet?” vroeg mijnheer Van Amerongen eindelijk, toen de eerste uitboezemingen van geluk voorbij waren.
»Ik begrijp niets—volstrekt niets,” antwoordde Louise half fluisterend.
»En gij zelve hebt hem ontvangen, zoo even.…”
»Wie? Wie heb ik ontvangen?”
»Maar den resident!”
»O! den resident! Ja, dien ben ik toevallig tegen het lijf geloopen toen ik den aap nazat,” antwoordde het meisje meer gerustgesteld.
»Toevallig?—En wat heeft hij u al zoo verteld, klein ding?—Ja, dal zult gij ons niet zeggen, hè? Hij houdt maar wat veel van u die resident.…”
»De resident?” herhaalde Louise, weder geheel tot haar vorige verbazing terugkeerende. »Ik heb haast niet met hem gesproken—ik heb hem een stoel aangeboden—[70]dat is al—toen ben ik u gaan roepen. Ik was niet gekleed—ik schaamde mij dood, om met loshangend haar.…”
»Kom, kom, allemaal gekheid, als gij zijn vrouw zult zijn, zal hij u nog wel eens meer met loshangend haar zien.…”
»Ik!” riep Louise, geheel buiten zichzelven van verwondering.
»Ja, gij! gij, mijne Louise, gij mevrouw Stevens van Langendijk! Gij, de vrouw van den resident van A. Gij de eerste dame van de plaats, zoo jong als gij zijt. De rijkste, de schoonste, de eerste van allen! Hadt gij u ooit een dergelijk geluk durven droomen?”
Louise antwoordde niet.
Mevrouw Van Amerongen vatte haar zacht bij de hand en trok haar naast zich op een bank.
»Wat hebt ge Louise?” vroeg zij vriendelijk.
»Ik wil de vrouw van den resident niet worden!” riep het meisje met een koortsgloed op de wangen en een flikkering van toorn in de oogen. »Ik ben bang voor dien man!” vervolgde zij zachter, zich weenend in de armen harer moeder werpende.
Een diepe stilte volgde.
Mijnheer Van Amerongen gaf zijn vrouw een wenk, dien deze met een toestemmend hoofdknikje beantwoordde en daarop verliet hij de kamer.
»Kom Louise,” hernam mevrouw, zoodra zij zich met haar dochter alleen bevond, »kom kind, gedraag u nu eens als een verstandig meisje en droog die tranen af. [71]Zeg mij nu kalm wat u op het hart ligt, uw vader is weg en voor mij behoeft gij toch geen geheimen te hebben. Gij weet wel dat uw ouders niets dan uw geluk verlangen, en wanneer gij een gegronde reden hebt om den resident uw hand te weigeren, dan zullen wij u immers ook niet dwingen tot een huwelijk dat u ongelukkig zou maken.”
»O ongelukkig maakt het mij zeker… en hem er bij!” riep Louise hartstochtelijk, terwijl zij van de bank op en naar het venster vloog. Haar moeder volgde haar.
»Hebt gij iets tegen den resident?” vroeg zij zacht.
»Heeft mijn vader u ten huwelijk gevraagd, evenals de resident mij?”
»Hoe meent gij dat, mijn kind?”
»Ha, ik zie het al! Gij zoudt hem bedankt hebben, zoo hij zich buiten uw voorkennis tot uw ouders had gewend,… u als koopwaar had behandeld. Als een paard verkocht—weggegeven als een hond, zonder…”
»Louise, Louise, bedaar toch mijn kind.—Gij moet niet vergeten dat uw ouders eenvoudige burgerlieden waren, terwijl de resident een man van de wereld is, en dat men in de groote wereld de toestemming der ouders hebben moet, eer men een meisje met zijn liefde bekend mag maken.”
Louise zag haar moeder zwijgend aan.
»Hebt gij anders niets tegen den resident?”
»Ik weet niet wat ik tegen hem heb,” antwoordde het meisje somber, »maar ik weet wel dat ik zijn vrouw niet worden wil.” [72]
»Wil ik u zeggen wat gij tegen hem hebt, Louise? Gij zijt verwend, gij zijt bedorven door al die loszinnige jonge heertjes, die u steeds met hun complimenten en hofmakerijen vervolgen en u van liefde en huwelijken spreken, alsof gij geen ouders in de wereld hadt.…”
Louise glimlachte, maar weerstond den blik harer moeder, en antwoordde kalm: »En wat hebben zij er bij gewonnen, denkt gij? Niets, dan dat ik mij door hen op mijn wenken laat bedienen,—verder sla ik geen acht op hen.”
Mevrouw Van Amerongen was heimelijk recht gelukkig over de bekentenis harer dochter. Toch riep zij: »Foei Louise! En omdat gij zooveel mannen aangetroffen hebt, die laag genoeg waren om zich als uw knechts te laten gebruiken, daarom weigert gij de hand van den eerste, den eenigen man die zijn eigenwaarde gevoelt en de uwe eerbiedigt; die u niet alleen lief heeft, maar ook genoeg acht, om zich jegens u geheel te gedragen zooals de man zich in de groote wereld jegens een vrouw van aanzien gedragen moet?”
Louise bloosde licht. »Mogelijk heb ik den resident niet goed beoordeeld,” zeide zij; »maar ook, al was hij de beste, de volmaaktste man op aarde, dan nog zou ik bang voor hem wezen, dan nog zou ik zeggen dat ik nooit zijn vrouw wil worden!”
»Wat zijt gij toch nog kinderachtig!”
»Veel te kinderachtig voor een residentsvrouw,” antwoordde Louise, die gevoelde dat zij veld begon te winnen.
»Nu, ga maar weder spelen, ik zal aan uw vader zeggen, [73]dat hij nog wat geduld met u hebben moet, dat gij nog wat wachten wilt. Bedenk u intusschen goed: als gij mijn raad op wildet volgen, zoudt gij den resident zoo spoedig mogelijk aannemen, en niet het geluk van geheel uw leven verwerpen in een vlaag van opgewondenheid en drift, waarover gij later berouw zult hebben.”
Louise ging schoorvoetend heen.
»Laat Marie van het voorgevallene niets weten,” riep mevrouw haar na, »en bedenk u goed!”
1 Een langwerpig, vierkant rijtuig, aan alle kanten van glazen raampjes en jalousiën voorzien.↑
2 Banana, vrucht.↑
Darmowy fragment się skończył.