Czytaj książkę: «Stervensuur»
Stervensuur
Mark Billingham
Stervensuur
Originalets titel: The dying hours
Copyright © Mark Billingham, 2013
Copyright © Jentas A/S, 2021
Layout: Jentas A/S
ISBN 978-87-428-5018-3
—
Voor Katie. Ik ben ongelooflijk trots op je.
—
Wraak is een vorm van genade...
− Tim Lott, Under the Same Stars
Proloog
Hoeveel bloed?
Toen hij eindelijk de juiste website had gevonden, toen hij zich eenmaal door het zoetsappige gezever heen had geworsteld over dat het leven de moeite waard was en dat je professionele hulp moest zoeken, toen hij eenmaal een site had gevonden die hem echt vertelde wat hij wilde weten, was dat de enige vraag die ze niet hadden beantwoord. Alle andere info was er: hoe en waar je moest snijden, dat het badwater hielp de lichaamstemperatuur te verhogen waardoor de aderen opzwollen of zoiets. Ervoor zorgde dat het bleef stromen...
Het was irritant, want toen hij eenmaal had besloten wat hij ging doen, wilde hij ook graag alles tot in de puntjes regelen. Alle informatie paraat hebben. Dus hoeveel bloed moest het lichaam nu verliezen voor... het einde? Liters, vermoedelijk. Het lijkt erop dat het al behoorlijk wat is kwijtgeraakt. Hij ziet de bruinrode wolken wervelen in het water, ziet ze zinken en ronddraaien tot er geen plekje meer over is dat niet rood is. Tot hij het mes op de bodem van het bad niet meer kan zien.
Verbijsterend gewoon, hoeveel bloed er vrijkomt.
Hij denkt er nog een paar minuten over na en komt dan tot de slotsom dat het uiteindelijk niet veel uitmaakt. Hij mag dan misschien niet precies weten hoeveel bloed het lichaam moet verliezen, hoeveel pints of liter of hoe dat tegenwoordig ook heet, maar er is één duidelijk antwoord, en dat staat als een paal boven water.
Genoeg.
Het is ook niet pijnlijk, tenminste niet na die eerste sneden, die beslist wel zeer hebben gedaan. Hij had gelezen dat het een tamelijk vredige manier van heengaan was, zeker vergeleken bij andere, die toch al niet in aanmerking kwamen. Dit was volmaakt. Het gaf een hoop troep, maar het was volmaakt.
Er is nog een andere vraag waarmee hij zo nu en dan heeft geworsteld sinds zijn besluit vaststond, en voor zover hij weet is er geen website die hem hiermee ook maar een steek verder kan helpen.
Wat komt er hierna?
Hij is nooit in de verste verte gelovig geweest, heeft nooit iets opgehad met vrome fanatici, maar nu vraagt hij het zich onwillekeurig af. Op dit moment, nu hij hier zit. Godsamme, is het peil van het badwater echt gestegen? Is er echt zoveel bloed?
Dus... het hierna, het wat er hierna ook mag komen, het hiernamaals...
Niets, waarschijnlijk. Dat heeft hij altijd gedacht, gewoon duisternis, net als wanneer je slaapt en nergens over droomt. Eigenlijk zo gek nog niet, denkt hij, gezien de ellende die de meeste mensen hun hele leven te verstouwen krijgen, maar toch zou het mooi zijn als er iets meer te beleven was dan dat. Geen wolken en harpen, koren en al die onzin, maar... nou ja, vredigheid of zoiets.
Ja, vredigheid zou wel mooi zijn. Rust.
Hij kijkt op als de man in het bad, degene die eigenlijk leeg ligt te bloeden, weer begint te jammeren.
‘Stil. Ik heb het je toch gezegd?’
De man in het bad beweegt, zijn bleke lijf maakt een piepend geluid over de bodem van het bad. Hij begint om zich heen te maaien, te gillen en te blèren, blaast snottebellen en spuit bloed over de tegels, en er klotsen golven helderrood water over de rand op de badmat.
De man die vanaf de toiletpot naar hem kijkt, gaat iets verzitten en verplaatst zijn voeten om het water te ontwijken. ‘Rustig maar,’ zegt hij. Hij legt zijn tijdschrift voorzichtig opzij en buigt zich naar de gestalte in het bad toe. ‘Doe maar rustig aan, ouwe jongen, en neem nog een flinke slok van die whisky.’ Hij knikt naar de met bloed besmeurde fles aan het voeteneind van het bad. ‘Dat helpt, heb ik gelezen. Neem nog een slok, doe je ogen dicht en laat je wegglijden, hm?’ Hij reikt naar zijn tijdschrift.
‘Het is bijna voorbij, dat beloof ik...’
I
De brug over
1
Tom Thorne boog zich voorover en pakte het glazen flesje voorzichtig van het nachtkastje. Het was al open, de witte dop lag naast de injectienaald, een paar druppels melkachtige vloeistof vormden een plasje onder de punt van de naald. Hij pakte het flesje op en rook eraan. De vage geur kwam hem niet bekend voor; iets wat op pleisters of desinfecteermiddel leek. Hij hield het voor het gezicht van de vrouw die achter hem stond.
‘Wat denk jij?’
Hij had het afgelopen halfuur goed rondgekeken in het huis. In de badkamer had hij een heleboel medicijnen aangetroffen, maar dat was niet zo verwonderlijk gezien de leeftijd van de betrokkenen. Er leek niets overhoopgehaald te zijn en er waren geen sporen van braak, afgezien van de kapotte ruit in de achterdeur. En dat kwam door de vrouw die nu aandachtig aan het flesje rook, een jonge agente, Nina Woodley. Haar collega en zij waren als eersten ter plaatse geweest nadat de oproep was binnengekomen.
‘Het is insuline,’ zei Woodley ten slotte. ‘Mijn broer heeft suikerziekte, vandaar...’
Thorne zette het flesje terug. Hij trok de dunne latex handschoenen uit en propte ze terug in de zak van zijn politievest.
‘Het punt is,’ zei Woodley, ‘dat je het normaal gesproken alleen op recept krijgt.’
‘En?’
‘Er zit geen etiket op het flesje.’
Ze keken allebei om toen de deur van de slaapkamer openging en een van de agenten die buiten stond geposteerd zijn hoofd naar binnen stak. Voordat de agent iets kon zeggen drong de dienstdoende arts zich langs hem heen; jong, rode wangen, een rugbytype. Hij onderzocht de lijken slechts enkele minuten, terwijl Thorne vanuit een hoek van de kamer toekeek. Beneden timmerde Woodley een plaat mdf voor de kapotte ruit en zette een andere agent thee voor iedereen.
‘Goed,’ zei de arts. Hij deed zijn tas dicht en keek op zijn horloge om het precieze tijdstip voor de overlijdensverklaring vast te stellen. ‘Dood geconstateerd.’ Hij klonk veel opgewekter dan gepast was om kwart voor vier ’s nachts op een druilerige oktoberdag.
Thorne knikte, nu de formaliteiten waren afgerond.
‘Mooi rechttoe-rechtaan-geval voor je.’
‘Hoe lang?’ vroeg Thorne.
De dokter keek nog even snel naar de lijken, alsof een laatste blik misschien nog verschil zou kunnen maken. ‘Minstens vierentwintig uur, waarschijnlijk iets langer.’
‘Dat klopt dan wel,’ zei Thorne. De noodoproep was even na één uur ’s nachts binnengekomen. Een van de kinderen – een man die nu in Edinburgh woonde – maakte zich zorgen omdat hij zijn ouders al sinds de late namiddag van de vorige dag niet had kunnen bereiken. Ze namen allebei hun mobieltje vaak niet op, had hij de meldkamer verteld, maar er was geen reden waarom ze de vaste telefoon niet zouden opnemen.
Bij het doorzoeken van het huis, een uur geleden, had Thorne beide mobiele telefoons naast elkaar in de woonkamer aangetroffen, elk met een stuk of vijf gemiste oproepen.
‘Aangenomen dat ze om een uur of negen, tien zijn gaan slapen,’ zei de dokter, ‘zijn ze vrij snel daarna overleden, vermoed ik. Het hangt er natuurlijk van af wat ze hebben gedaan, hoe lang ze hebben gewacht voordat ze... begrijp je, maar insuline is een goede manier om het te doen. De juiste dosering, dan is het in ongeveer een uur voorbij.’
‘Juist.’
‘Bijzonder populair onder artsen, trouwens. Als methode om er een eind aan te maken, bedoel ik. Vooropgesteld dat je die neiging zou hebben.’
Thorne knikte, en bedacht dat smerissen een grotere kans liepen ‘die neiging te hebben’ dan vrijwel alle anderen die hij kende. Hij vroeg zich af hoe de meesten van hen het zouden aanpakken.
Hoe híj het zou aanpakken.
De deur ging weer open en Woodley verscheen. ‘De recherche is er.’
‘Daar gaan we,’ zei Thorne. ‘Nou kunnen we lachen.’
‘Dan laat ik het verder aan jou over,’ zei de arts.
Thorne zei: ‘Goed, bedankt,’ en zag hoe de dokter zijn jasje van de hoek van het bed pakte en de kamer uit liep zonder de moeite te nemen om de deur achter zich dicht te doen. Pillen, hoogstwaarschijnlijk, was Thornes conclusie, maar hij dacht dat als de nood hoog genoeg was, hij ook nog wel op andere ideeën zou kunnen komen.
Alleen jammer dat de snelste methoden ook de meeste rotzooi gaven.
Hij draaide zich om en keek naar de lichamen op het bed.
Ze zien er moe uit, dacht Thorne. Alsof ze er genoeg van hadden. Flinterdunne huid op het gezicht van de vrouw. De man: spinnenwebben van gebarsten adertjes op zijn wangen...
Hij hoorde de stemmen al vanuit de gang beneden; een verveeld, nasaal nep-Cockneyaccent: ‘Hierboven, toch?’ Zware voetstappen op de trap voordat de man in de deuropening verscheen en daar bleef staan terwijl hij de kamer vluchtig opnam.
Inspecteur Paul Binns werkte op bureau Lewisham, net als Thorne, maar de recherche zat op een andere verdieping, zodat ze elkaars pad maar een paar keer hadden gekruist in de drie maanden dat Thorne er nu werkte. Binns was een paar jaar jonger dan Thorne, ergens halverwege de veertig, en hij had heel wat minder gewicht mee te torsen. Het weinige haar op zijn hoofd had hij afgeschoren en met zijn grijze pak en een stropdas waarmee je mensen op kleurenblindheid zou kunnen testen deed hij een weinig geslaagde poging om niet op een karikatuur van een doodgraver te lijken. Hij gaf Thorne een knikje en liep naar het bed alsof hij rondneusde op de meubelafdeling van een warenhuis.
‘Goed,’ zei hij na een minuut. ‘Wat doe ik hier?’
Voordat Thorne kon antwoorden, kwam er een melding binnen van een van de surveillanceauto’s van zijn team. Een feestje in de wijk Kidbourne dreigde uit de hand te lopen, en er werd geopperd dat het misschien goed zou zijn als Thorne erheen ging. Hij zei dat hij nog bezig was, gaf twee auto’s opdracht naar Kidbourne te gaan en zette toen het geluid van zijn portofoon zachter. ‘Ik heb een van mijn agenten gevraagd je te bellen,’ zei hij.
‘Ja, hoe ik hier terechtgekomen ben weet ik wel.’ Het knikje vanuit de deuropening had al duidelijk gemaakt dat de rechercheur geen tijd aan beleefdheden wenste te verspillen. Hij wees naar de lijken en trok zijn manchetten naar beneden. ‘Uitgemaakte zaak, toch?’
Precies wat de arts had gezegd.
Thorne ging aan het voeteneind van het bed naast Binns staan. ‘Er klopt iets niet.’
Binns sloeg zijn armen over elkaar en onderdrukte ternauwernood een zucht. ‘Nou vooruit, laat maar horen dan.’
‘De vrouw heeft haar gebit uitgedaan,’ zei Thorne.
‘Wát?’
‘Een kunstgebit. Bovenkaak. Het ligt in een plastic doosje in de badkamer, waar ze het waarschijnlijk elke avond opbergt.’
‘En?’
‘Je doet je gebit uit als je naar bed gaat. Wanneer je gaat slapen, begrijp je? Dat doe je op een gewone avond. Maar toch niet als je van plan bent... dit te doen? Dat doe je niet als jij en je man van plan zijn een overdosis insuline te nemen en in elkaars armen in slaap te vallen. Niet als je weet dat je nooit meer opstaat.’
Binns staarde hem aan.
‘Zo had ze niet gevonden willen worden,’ zei Thorne.
‘Je hebt haar zeker gekend?’ Binns schudde zijn hoofd, snoof en knipte met zijn vingers. ‘En verder?’
Thorne ademde diep in en lette erop dat zijn stem vriendelijk en kalm bleef klinken. ‘Waar hadden ze de insuline vandaan? Er zit geen etiket op het flesje, het is dus niet voorgeschreven. In de rest van het huis is niets te vinden wat erop wijst dat een van beiden diabeet was.’
‘Ze kunnen het overal gekocht hebben.’
‘Dat geldt ook voor derden.’
‘Ik vind het nog niet erg spannend klinken.’
‘Waar komt het vandaan?’
‘Weet ik veel?’ zei Binns. ‘Internet? Ik heb beneden een computer zien staan.’
‘Dat denk ik niet.’
‘Kom op, op internet kun je alles vinden, als je maar goed zoekt.’
‘Misschien.’
‘Als je jezelf van kant wilt maken, vind je wel een methode, zo is het toch?’
Thorne zei niets.
‘Dus dat is het?’ vroeg Binns. ‘Het kunstgebit en de insuline? Meen je dat nou?’
Thorne staarde weer omlaag naar de lichamen van John en Margaret Cooper, respectievelijk vijfenzeventig en drieënzeventig jaar oud. Het dekbed was hoog opgetrokken, maar het was duidelijk dat Margaret Coopers arm om de borst van haar man was geslagen en dat haar gezicht tegen zijn schouder gedrukt lag. Lepeltje-lepeltje, dacht hij. In sommige van die oude liedjes waar zijn moeder vroeger naar luisterde lagen stelletjes ‘lepeltje-lepeltje’ en koerden ze lieve woordjes tegen elkaar, dezelfde liedjes die dit echtpaar in hun tienerjaren misschien op de radio gehoord had. De mond van de oude vrouw hing een beetje open. De wangen waren ingevallen. De bovenlip viel naar binnen op de plaats waar het gebit anders zou hebben gezeten. De lippen van haar man weken van elkaar en lieten vergeelde tanden zien, en nog net een klein randje van een grijzige tong. Zijn ogen waren stijf dichtgeknepen.
Ze waren dicht tegen elkaar aan gestorven, maar Thorne vond dat ze er niet bepaald vredig uitzagen.
‘Anders nog iets?’ vroeg Binns. ‘Ik heb nog papierwerk af te handelen.’
Er was nóg iets. Thorne wist dat er nog iets was.
Zijn oog was erop gevallen in die eerste paar seconden dat hij de kamer voor het eerst betrad: een stukje visuele informatie dat niet logisch was, maar dat zijn hersens tot nu toe niet volledig hadden verwerkt. Een vorm of een schaduw, iets wat niet klopte. Het wilde hem maar niet te binnen schieten, als een liedje dat hij herkende, maar niet kon plaatsen.
Zo onopvallend mogelijk keek hij nog eens rond.
De kast: dicht. De gordijnen: dichtgetrokken. Cosmetica en andere spulletjes op de kaptafel: haarborstel, portemonnee, vochtige doekjes. Een paar munten in een porseleinen kommetje. Een peignoir over een stoel, herenkleding netjes opgevouwen op een andere. Schoenen en pantoffels eronder. Een balpen, een boek en een brillenkoker op het nachtkastje van de vrouw, een puzzelboekje op de vloer naast het bed, een grote zwarte handtas hing aan het voeteneind. Het flesje en de injectiespuit aan de kant van de man. Een halfleeg glas water. Een tube zalf, een potje tijgerbalsem...
Wat paste er niet in het plaatje?
‘Ze hebben geen briefje achtergelaten,’ zei Thorne.
Binns draaide zich om en leunde tegen het bed. ‘Je weet dat dat niks zegt,’ zei hij.
Dat wist Thorne heel goed, maar het was alles wat hij kon verzinnen zolang hij niet had weten te ontdekken wat hem werkelijk dwarszat. Zijn vriend Phil Hendricks had hem veel over zelfmoord verteld in de laatste zaak waaraan ze hadden samengewerkt... de laatste zaak waaraan Thorne als rechercheur had gewerkt. De patholoog had toen net een seminar over dat onderwerp gevolgd en Thorne met veel genoegen tekst en uitleg gegeven. Feit was dat in het merendeel van de gevallen mensen die zelfmoord pleegden geen briefje achterlieten. Een van de vele mythen.
‘Ik weet trouwens wel waar je mee bezig bent,’ zei Binns.
‘O, ja?’ Thorne negeerde een salvo van gekwetter uit zijn portofoon. Melding van vermoedelijke inbraak in Brockley. Het geweld op het feestje in Kidbourne escaleerde. ‘Ik ben een en al oor.’
Binns glimlachte. ‘Ja, ik bedoel, gezien waar je vroeger zat en waar je nu zit is het volkomen begrijpelijk dat je je kapot verveelt. Logisch dat je iets gewoons als dit wilt opblazen tot iets... iets anders.’ Terloops keek hij op zijn mobieltje, dat hij al die tijd in zijn hand had gehouden. ‘Ik begrijp het, jongen. Ik voel met je mee, echt.’
Je wrijft het me in, dacht Thorne.
‘God weet wat ík in jouw plaats zou doen.’
‘Je zou je wezenloos ergeren aan bijdehante rechercheurs die denken dat ze alles weten.’
‘Echt?’ Binns deed alsof hij geschokt was. ‘Welk type was jíj dan vroeger?’
Thorne vouwde zijn hand om de spijl van het ouderwetse metalen ledikant en kneep. ‘Ik wil dat het evaluatieteam Moordzaken hier een kijkje komt nemen,’ zei hij.
De taak van het evaluatieteam Moordzaken was het onderzoeken van een mogelijke plaats delict en het veiligstellen van essentieel bewijsmateriaal voordat een zaak werd overgedragen. Het was uitsluitend aan het team om te bepalen of er sprake was van een onnatuurlijke dood. Onder verdachte omstandigheden.
‘Nou, je weet toch wel hoe dat werkt?’ Binns liep de kamer door en leunde tegen een muur naast de ouderwetse kaptafel. ‘Ander systeem, tegenwoordig. Jouw club werkt anders dan mijn club, bedoel ik. Anders dan in jouw tijd in elk geval, zou ik denken.’
‘Dat heb je dan goed gedacht,’ zei Thorne.
Jouw tijd. Vijfentwintig jaar geleden, toen Thorne bij de uniformdienst kwam te werken en elke dag ‘’s konings wapenrok’ naar zijn werk had gedragen.
Hagelwit overhemd met de twee glimmende sterren van de inspecteursrang op de epauletten.
Zwarte clip-on stropdas.
Klotehelm...
‘Het is aan mij om te beslissen,’ zei Binns, ‘of ik het evaluatieteam laat komen.’
‘Ik weet hoe het werkt,’ zei Thorne.
Maar Binns vertelde het hem evengoed. ‘Alleen een inspecteur van de recherche kan het evaluatieteam inschakelen.’
‘Begrepen,’ zei Thorne. ‘Doe het dan maar.’ Binns had gelijk: de procedure was enigszins veranderd vergeleken bij een jaar of twintig geleden, toen het protocol nog wat flexibeler was. Toen de hiërarchie nog niet zo nauwgezet in acht werd genomen. Misschien had iedereen zich toen wat minder ingedekt, maar het werkte wel een stuk sneller.
‘Daar zie ik eerlijk gezegd geen aanleiding toe.’
‘O nee?’ vroeg Thorne.
‘Dat verhaal van het gebit is bijna lachwekkend en ik denk niet dat het iemand ook maar ene moer kan schelen waar die insuline vandaan komt.’ Binns liet zijn blik door de kamer dwalen en haalde zijn schouders op. ‘Als ik Moordzaken hier laat aantreden zullen ze hetzelfde zeggen, waar of niet? En dan staan we allebei voor paal, snap je?’
‘Toch heb ik liever dat je dat telefoontje pleegt,’ zei Thorne.
Binns schudde zijn hoofd. ‘Gaat niet gebeuren.’
‘Juist,’ zei Thorne. Hij voelde het bloed naar zijn hoofd stijgen. ‘Omdat jij zit waar je zit en ik zit waar ik zit. Lul...’
Binns werd ook rood, een klein beetje maar, maar verder speelde hij overtuigend dat hij ongevoelig was voor een belediging die hij duidelijk al vaker had moeten slikken. ‘Je mag vinden wat je wilt, vriend, maar ik ga andermans tijd niet verspillen omdat jij moorden ziet waar ze niet zijn.’ Hij liep naar de deur en draaide zich toen om. ‘Misschien had je wat meer tijd moeten nemen na wat er is gebeurd. Misschien had je wel helemaal je biezen moeten pakken. Wat een kapitale uitglijer was dat.’
Daar kon Thorne niets tegen inbrengen, dus deed hij niet eens een poging.
‘Neem het dan maar op met de jongens van Moordzaken, als je per se wilt,’ zei Binns met een gebaar naar het bed. ‘We hebben toch een afdeling Moordzaken in Lewisham? En ook nog eens een grote.’
Net zo’n team als waar Thorne vroeger deel van uitmaakte. ‘Ja, misschien doe ik dat wel.’
‘Ik bedoel, je moet het zelf weten, als je jezelf nog meer voor paal wilt zetten.’
Thorne was zich plotseling sterker bewust dan gewoonlijk van de ‘proactieve’ instrumenten die hij aan zijn politievest had hangen.
Handboeien, gummiknuppel, traangas...
‘Dan ga ik maar eens,’ zei Binns, terwijl hij zijn manchetten voor de laatste keer schikte. ‘Ik laat het aan jou over om dit af te wikkelen.’ De rechercheur draaide zich om en keek nog een keer op zijn BlackBerry toen hij de slaapkamer uit liep.
Thorne nam een halve minuut de tijd om zijn ademhaling weer tot rust te laten komen en bulderde toen dat Woodley moest komen. Hij zei haar contact op te nemen met de Schotse politie om de zoon van het echtpaar Cooper in Edinburgh het nieuws van hun overlijden te brengen. Hij droeg haar op uit te zoeken of het overleden stel nog meer kinderen had, en zo ja, om ervoor te zorgen dat ook zij gewaarschuwd werden, waar ze ook zaten. Hij zei haar dat ze moest blijven tot de dienstdoende lijkschouwer er was.
‘Maar doe je best om niets in deze kamer aan te raken,’ zei hij. ‘Voorlopig.’
Woodley trok een wenkbrauw op. ‘Komt in orde, chef.’
Thorne wierp nog een laatste blik op de kamer, pakte zijn regenjas en cap en haastte zich toen naar beneden, naar de auto. Met zwaailicht en sirene was het maar een paar minuten rijden naar Kidbourne, en als de gemoederen daar nog verhit waren, had hij echt zin om tussenbeide te komen. Alle kans dat hij daarbij klappen zou oplopen, maar een rottiger gevoel dan hij nu al had zou hij daar niet van kunnen krijgen.
2
Het liep die ochtend al tegen achten toen Thorne terugkwam in de flat in Tulse Hill en zoals meestal, wanneer hij haar tenminste niet helemaal misliep, stond Helen net op het punt om de deur uit te gaan toen hij binnenkwam. Ze stond in de keuken, die uitkwam in een L-kamer met een bank, een leunstoel, een stereo-installatie en een tv; de vloer zoals gewoonlijk bezaaid met speelgoed en kinderboeken. Ze knoopte de jas van haar zoontje dicht en haalde een nog niet opgegeten stuk geroosterd brood uit haar mond. ‘Jezus, gaat het wel?’
Thorne gooide zijn regenjas over een keukenstoel, rukte de clip-on stropdas af en knoopte zijn overhemd open. Hij betastte de bult onder zijn rechteroog met zijn vinger en trok een gezicht. ‘Ik overleef het wel.’
‘Heb je die heetgebakerde brigadier weer lopen treiteren? Ik zei toch dat ze je een keer een hijs zou geven?’
Thorne glimlachte en liep de keuken door om de waterkoker aan te zetten. ‘Een of andere idioot had zin in een feestje en vond het een goed idee om het adres op Facebook te zetten. Dus probeerden driehonderd mensen een flat in Kidbourne binnen te komen.’
‘Dolle boel.’
‘Dat was het zeker toen we er een stel honden op afstuurden.’ Thorne reikte omhoog om een mok te pakken. ‘Daarmee kregen we de tent sneller leeg dan met een nummer van Phil Collins.’
Helen lachte en beet gulzig in haar geroosterde boterham.
‘We hebben er een stel opgepakt voor verstoring van de openbare orde.’ Hij voelde weer aan zijn gezicht, onder het inschenken van het kokende water. ‘En daarnaast die gast die dit heeft gedaan.’
‘Mooi.’ Helen kauwde. ‘Nog ander nieuws?’
Thorne haalde zijn schouders op. ‘Een paar inbraken.’ Hij kneep het theezakje uit tegen de zijkant van de mok en dacht terug aan de rapporten die hij aan het eind van de dienst had afgetekend. ‘Een steekpartij met drie betrokkenen rond sluitingstijd in de White Lion. Twee gastjes die de KFC met honkbalknuppels kort en klein probeerden te slaan, blijkbaar omdat ze bonen hadden gekregen in plaats van de koolsla die ze hadden besteld...’
‘Niet onredelijk,’ zei Helen, terwijl ze de gang in liep.
‘Een buschauffeur is aangevallen met een machete omdat hij tegen een vrouw had gezegd dat ze niet in zijn bus mocht pissen –’
‘Wat, had die vrouw een machete bij zich?’ Helen verscheen weer in de deuropening, met één arm in de mouw van een lange donsjas.
‘Kennelijk,’ zei Thorne. ‘Een splinternieuwe Volvo is op High Road recht tegen een pui geknald toen iemand hem probeerde te jatten. Het normale quotum zatlappen, de gebruikelijke huiselijke ruzies. O ja, en nog wat neuken in het openbaar op het parkeerterrein achter de Comet.’
‘Nou, een verzetje na zo’n lange nacht kan toch geen kwaad?’
Hij liet het gebruikte theezakje in de vuilnisbak vallen. ‘Ik heb alleen maar toegekeken, echt waar!’
‘Een eitje, dus, je dienst?’
Thorne draaide zich om. Hij had beide handen om de mok gevouwen en keek toe terwijl Helen controleerde of alles wat ze voor haar werk nodig had in haar tas zat en vervolgens de tas met Alfies spullen over de handgrepen van de buggy hing. ‘Er waren ook nog een paar lijken,’ zei hij. ‘Een ouder echtpaar, dood in bed.’
Helen keek op. ‘Een echtpaar? Wat, hadden ze zelfmoord gepleegd?’
Alfie dribbelde naar de kastjes naast Thorne en begon er eentje open en dicht te doen, genietend van het lawaai.
‘Waarschijnlijk,’ zei Thorne.
‘Waarschijnlijk?’
Thorne kon haar gezichtsuitdrukking niet goed duiden. Bezorgdheid? Argwaan? Ze kenden elkaar nog niet goed genoeg. ‘Niks aan de hand,’ zei hij.
‘Weet je het zeker?’
‘Ik had er een aanvaring over met een rechercheur, dat is alles.’
‘Dat is anders niks voor jou.’
Thorne glimlachte. Hij wist maar al te goed wanneer ze sarcastisch was. ‘Die klootzak wilde de noodzakelijke toestemming niet geven.’ Hij nam een slok thee om de smaak van het woord weg te spoelen. De herinnering aan zijn woordenwisseling met Binns.
‘Hé, ik moet nu echt weg...’ Helen kwam aanlopen om haar zoontje mee te nemen. Ze tilde hem op, plantte hem in de buggy en begon de riempjes vast te maken.
‘Zal ik hem anders wegbrengen?’ vroeg Thorne. Hij liep op hen af, nam het wollen mutsje uit Helens handen en zette het op het hoofd van het jochie. Een paar keer, toen Helen heel laat was, had Thorne haar zoontje van anderhalf naar de oppas gebracht. Hij genoot van de tijd die hij met Alfie doorbracht, maar door zijn roosters was dat bitter weinig. En de moeder van het jochie zag hij trouwens ook bitter weinig.
Ze leefden langs elkaar heen, vooral als Thorne nachtdienst had.
‘Hoeft niet,’ zei Helen. Ze gaf hem een zoen en zette het mutsje wat rechter op Alfies hoofd. ‘Ga jij nou maar slapen.’
‘Ik doe het graag.’
‘Naan,’ riep Alfie.
Helen zei: ‘Als we bij Janine zijn,’ en ze duwde haar zoon in de buggy naar de voordeur. ‘Ik bel je wel...’
‘Werk ze,’ zei Thorne.
Een paar tellen later verscheen ze opnieuw, bezig haar jas dicht te knopen, terwijl Alfie vanuit de gang om een tweede ontbijt bleef vragen. ‘We kunnen er later over praten als je wilt,’ zei ze. ‘Oké?’
‘Er valt nergens over te praten,’ zei Thorne. Hij draaide zich om en veegde de kring weg die zijn mok op het werkblad had achtergelaten en zette de melk terug in de ijskast, om iets te doen te hebben tot hij de voordeur hoorde dichtslaan.
Hij zette zijn mok op de keukentafel. Hij bladerde een paar minuten door de Evening Standard van de vorige dag en liep toen naar de tv in de hoek, zette die aan en keek naar het nieuws zonder dat ook maar iets ervan tot hem doordrong.
Het was nu drie maanden geleden dat Helen Weeks en hij min of meer waren gaan samenwonen. ‘Min of meer’, omdat ze er nooit formeel iets over hadden afgesproken, maar met de gedachte dat zolang hij op bureau Lewisham werkte, het veel handiger voor Thorne was om in Tulse Hill te blijven dan helemaal vanuit zijn eigen flat in Kentish Town te moeten reizen. Ze hadden het er een paar keer over gehad Thornes appartement te verhuren, maar Thorne aarzelde, ondanks het feit dat het extra geld goed van pas zou komen. Hij stond er niet om te springen dat er vreemden in zijn huis zouden wonen en had helemaal geen trek in de juridische rompslomp rond het huisbaas zijn, maar als hij echt eerlijk was, had het meer te maken met de hoop dat hij sneller dan verwacht weer naar Noord-Londen zou worden overgeplaatst.
De waarheid was dat Thorne altijd een Noord-Londenaar zou blijven en dat alles ten zuiden van de rivier niet vertrouwd voelde. Zonder structuur of ziel, grauw. De lucht die er net wat moeilijker in te ademen leek. Makelaars en quasi-artistieke types in Zuidoost-Londen die ontzettend hun best deden om ‘rauw’ en ‘ongepolijst’ als pluspunten op te voeren. De welgestelden in de groenere wijken die het hadden over de herten in Richmond Park en zeiden dat je er kon tennissen en rugbyen, maar ondertussen allemaal afgunstig naar Camden, Islington en Hackney aan de andere kant van de rivier keken. Het hopeloze openbaar vervoer en de beroerde voetbalclubs...
Thorne wist heel goed dat een heleboel inwoners van Zuid-Londen met hetzelfde afgrijzen naar Noord-Londen keken, maar dat kon hem niet schelen. Noord-Londen was de stad die hij kende, waar hij van hield.
Maar dat had hij Helen allemaal niet verteld.
Nog steeds stak hij de rivier over zo vaak hij kon. Hij ging terug om Phil Hendricks te treffen in de Grafton Arms of de Bengal Lancer, en zo nu en dan sprak hij af met Dave Holland, een rechercheur van het team Moordzaken in Becke House in Colindale. Thornes oude team...
‘Hoe bevalt het nou?’ had Holland hem de laatste keer gevraagd. Maar toen hij de uitdrukking op Thornes gezicht zag, had hij weer aandachtig naar zijn bierglas getuurd in het besef dat hij geen stommere vraag had kunnen stellen.
Er waren nu drie maanden verstreken sinds de zaak die Thorne en Helen had samengebracht, de zaak waardoor hij tot de uniformdienst was gedegradeerd.
‘Strikt gesproken natuurlijk geen degradatie,’ had de commissaris tegen hem gezegd. ‘Je bent tenslotte nog gewoon inspecteur.’ De man had nauwelijks kunnen verbergen hoe blij hij was dat hij Thorne eindelijk kwijt was, na al die eerdere mislukte pogingen. ‘Wie weet, misschien voelt het achteraf wel als een heel goede stap.’
Genaaid, zó voelde het voor Thorne. Hoewel hij vermoedde dat hij er nog genadig van afgekomen was, in aanmerking genomen wat hij had geflikt. Hij wist dat wat hij had gedaan – wat hij had móéten doen – om ervoor te zorgen dat een jonge moeder de gijzeling in een tijdschriftenwinkeltje zou overleven nooit gepikt zou worden door zijn bazen. Maar uiteindelijk – zoals hij zichzelf vaak voorhield als hij dat hagelwitte overhemd met de epauletten aantrok en zijn cap rechtzette – had hij rechercheur Helen Weeks weten te redden en was hij tot hun beider verbazing bij haar in bed beland.
‘Alweer een?’ had Hendricks gevraagd toen Thorne hem over haar had verteld. ‘Omdat het met de vorige zo goed uitpakte?’
Thornes vorige vriendin zat ook bij de politie. Ze waren een paar maanden voordat hij Helen had ontmoet, uit elkaar gegaan.
‘Je zou eens moeten kappen met vrouwen. Op de herenliefde overstappen.’
‘Ik dacht het niet.’
‘Je weet toch dat het een kwestie van tijd is.’
‘Eigenlijk is het niet eens de seks die me tegenhoudt,’ had Thorne gezegd. ‘Het is meer dat ik dan ook van schoothondjes en musicals moet houden.’ Thorne kon dit soort grappen ongestraft maken omdat Hendricks de minst stereotiepe homo was die je je kon voorstellen. Zwaar getatoeëerd, met een hoop piercings en in staat iemands arm te breken als die de naam Judy Garland ook maar in de mond durfde te nemen.
‘Ik geef het drie maanden,’ zei Hendricks. ‘Hooguit.’
Thorne pakte zijn thee en liep ermee door de gang naar de kleine badkamer. Hij zette de mok op de stortbak van de wc om te kunnen pissen.
Rechercheur Helen Weeks.
Thorne trok door en zei tegen zichzelf dat het idioot van hem was om ook maar te denken dat Helen dat soort spelletjes zou spelen. Nooit ofte nimmer. Hij pakte een doosje pijnstillers uit het kastje met de spiegel boven de wasbak en sloeg het deurtje hard dicht.
‘Eikel,’ zei hij.
Hij staarde naar het gezicht dat hem aankeek. Doffer, doder dan het de laatste keer was geweest. Haar dat nog steeds aan één kant grijzer was dan aan de andere, maar nu wel overal overduidelijk grijs. Het kleine rechte litteken op zijn kin waar tegenwoordig nog een kin onder zat.
Thornes mobiel ging in de keuken, en hij liep snel terug om op te nemen. Helen klonk buiten adem. Ze had Alfie net afgeleverd en was op weg naar het bureau, zei ze.
‘Dus dan praten we wel wanneer ik thuis ben. Over gisteravond.’
‘Ik zei je al: met mij is niets aan de hand.’
‘Zo zag je er anders niet uit.’
‘Ik ben gewoon moe. En ik heb medelijden met mezelf.’
‘Hou daar dan mee op,’ zei Helen. ‘Ga nou in godsnaam naar bed...’
Hij liep langzaam naar de slaapkamer, die nog naar slaap en mangobodycrème rook. Helen had niet de moeite genomen om de gordijnen open te doen. Hij ging op de rand van het bed zitten en begon zich uit te kleden, popelend om onder een dekbed te kruipen waarvan hij wist dat het nog warm was.
Een van de weinige voordelen van roosters die niet op elkaar aansloten.
Aangenomen dat Helen thuis zou komen voordat hij weer de deur uit moest, nam hij zich voor die kwestie rond de Coopers te bagatelliseren. Hij maakte zichzelf wijs dat dat was omdat hij Helen niet met die shit wilde opzadelen. Omdat haar eigen baan al veeleisend genoeg was. Omdat hij er nu toch niets aan zou kunnen doen en omdat hij zich vrijwel zeker belachelijk aanstelde.
Hij nam drie pijnstillers in met de laatste slok thee.
En níét omdat hij bang was dat ze het met Paul Binns eens zou zijn.
3
Hij eet meestal in eetcafés. Altijd ontbijt en lunch, en ’s avonds misschien een maaltijd van de Indiër of de Chinees. Hij bekommert zich allang niet meer om zijn gewicht of de toestand van zijn slagaders en hij heeft veel te lang maaltijden gegeten die door iemand anders zijn bereid om nu nog zelf te gaan koken.
Niet dat hij ooit veel klaarmaakte in de keuken.
Of waar dan ook, als we het daar toch over hebben.
Hij legt zijn mes en vork neer. Hij hoort het haar al zeggen...
Hij gooit het stukgelezen exemplaar van The Sun opzij dat op de tafel lag toen hij binnenkwam; hij gebaart naar het tienermeisje achter de toonbank – wat zou ze zijn, Russisch? – en maakt haar duidelijk dat hij nog een beker thee wil.
‘Een pond vijftig,’ zegt ze.
‘Een beetje sterker deze keer,’ zegt hij.
Het is absoluut duur, drie keer per dag buiten de deur eten, onbeschoft veel duurder dan vroeger, maar hij zwemt in het geld, dus daar maakt hij zich geen zorgen over. Het is goed om de deur uit te gaan nu hij de kans heeft, en trouwens, het laatste dat hij wil is de mensen die hem onderdak verlenen nog meer tot last te zijn door van hen te verlangen dat ze hem ook nog te eten geven. Een bed voor een paar nachten is al veel gevraagd.
Niet dat ze dat niet graag doen. Wat er verder ook is gebeurd, hij heeft altijd op zijn vrienden kunnen rekenen. Of op de mensen die zich misschien niet als zijn vriend beschouwen, maar die hem wel een paar wederdiensten verschuldigd zijn. Op dat soort dingen staat geen uiterste houdbaarheidsdatum, en hij hoeft ze niet te vertellen dat ze moeten zwijgen over het feit dat ze een logé in huis hebben.
‘Blijf zolang als je wilt,’ zeggen de meesten. De goeie ouwe tijd, dat soort gelul. En ze kijken erbij alsof ze het menen, maar het kan hem niets schelen dat dat eigenlijk niet zo is. Om voor de hand liggende redenen wil hij nergens langer dan een dag of twee blijven, en hij moet heel wat heen en weer rennen als hij alles goed wil doen.
Als hij de lijst wil afwerken.
Gek eigenlijk, denkt hij, hoe mensen lijken rond te zwalken en naar alle windstreken uitwaaieren. Families en vrienden. Ze gaan vermoedelijk daarheen waar werk is, of ze ontvluchten de achterlijke prijzen. En in sommige gevallen worden ze waarschijnlijk verdreven.
In zijn beleving is Londen wel tien verschillende steden.
Het meisje brengt hem zijn thee en zet de mok zonder een woord neer. De ouwe vent in de keuken roept haar iets toe in het Russisch of Pools of wat het ook is, en ze roept terug, terwijl ze de vuile borden van een belendend tafeltje afruimt. De thee is nog steeds niet sterk genoeg, maar hij heeft geen zin om er iets van te zeggen.
Een les die hij heeft geleerd. Mensen herinneren zich druktemakers.
Hij staart naar de resten van zijn belachelijk grote full English breakfast (12,99 pond, of gratis als je het helemaal op krijgt). Hij strijkt met een vingertop door de helderrode veeg ketchup en denkt terug aan de man in het bad. Vreemd, denkt hij, dat hij altijd weer bij hem uitkomt, maar dat is waarschijnlijk omdat hij het bij hem echt heeft zien gebeuren. Hoe het leven wegvloeit.
Sindsdien heeft hij steeds maar nagedacht over die vraag – de GROTE vraag – en hoe raar het was dat terwijl hij zat toe te kijken, hij alleen maar aan de hemelpoort en engelen en de hele poppenkast daaromheen moest denken. Volslagen idioot eigenlijk omdat er, gezien de omstandigheden... in aanmerking genomen wat er allemaal was gebeurd... eerder gedachten aan die andere plek bij hem hadden moeten opkomen. De oven vol vlammen of iets dergelijks.
Allemaal kletskoek, dat weet hij... maar toch is het gek dat toen hij nadacht over de vraag wat er daarna zou kunnen komen, toen hij zich afvroeg óf er eigenlijk wel iets was, het woord ‘hemel’ überhaupt bij hem opkwam! Hij is niet gek. Hij weet dat hij nooit ‘goed’ is geweest. Verre van. Zelfs zijn naasten en dierbaren – toen hij die nog had – zouden dat nooit hebben beweerd.
Hij staat op en draait zich om om het meisje achter de bar te laten weten dat hij klaar is. Hij pakt zijn jasje en reikt naar zijn portemonnee.
Hij staart door het beslagen raam naar het verkeer dat in een waas voorbijrijdt en denkt: oké, maar dat je er niet in gelooft, hoeft nog niet te betekenen dat je de mogelijkheid moet uitsluiten. Stel dat je het bij het verkeerde eind hebt en dat er een ruimer toelatingsbeleid is dan je had gedacht? Vergeven en vergeten, zoiets. Als dat het geval is, zijn al die gedachten misschien toch zo gek nog niet. Want misschien hoopt hij diep in zijn hart dat als de tijd daar is, hij... de dans misschien ontspringt.
Hij haalt een biljet van twintig pond uit zijn portemonnee.
Hij denkt aan de lijst die in diezelfde zak zit, en komt tot de conclusie dat het een onmogelijke opgave zal worden om de dans te ontspringen.
Hij zwaait met het geld naar het meisje, laat haar zien dat hij het op de tafel neerlegt en zegt haar dat het zo goed is.
Ze mompelt iets wat niet klinkt als een bedankje.
Kalmpjes pakt hij zijn mok, nog halfvol met slappe thee, en laat hem vallen. De andere klanten kijken op bij het lawaai van de mok die in scherven uiteenspat, en hij loopt naar de deur met de gedachte dat als hemel en hel bestaan, en als er dingen zouden zijn die bepalen of je naar boven of naar beneden gaat, beleefdheid er daar verdomme één van zou zijn.
4
Er hadden zich die avond zo’n dertig politiemensen in de briefing room verzameld voor de parade van tien uur. De gesprekken vielen al snel stil toen de leidinggevenden binnenkwamen en hun plaatsen innamen. Het begin van de laatste nachtdienst gevolgd door vier vrije dagen, en voor Thorne konden die niet snel genoeg beginnen.
Maar de vrijdagavonden waren meestal het ergst.
De agenten zaten op plastic stoelen met een uitklapbaar schrijfblad en hielden hun notitieboekjes in de aanslag. De brigadiers zaten allemaal aan de andere kant van het vertrek, op de brigadier van instructie na, die in een hoek achter de computer zat en de PowerPoint-presentatie bediende die op een groot scherm vooraan in de ruimte was te zien. Ken ‘Poes-poes’ Pearson; kalend, slechte huid, en meedogenlozer dan hij eruitzag. Die bijnaam had hij een paar maanden eerder gekregen toen hij met een surveillanceauto een kat had overreden. Hij was plichtsgetrouw teruggereden om na te gaan of het beest dood was, en toen hij zag dat het arme beest in de berm nog lag te ademen, had hij het met zijn gummiknuppel uit zijn lijden verlost. Helaas bleek de kat die Pearson had overreden wel degelijk dood te zijn en was dit een andere kat, die gewoon onschuldig in de zon had liggen slapen.
Iedereen had een bijnaam behalve Thorne, voor zover hij wist, maar deze was het populairst.
Pearson kreeg een knikje van Thorne ten teken dat hij met de briefing kon beginnen, en binnen een paar seconden verschenen er beelden van een stuk of tien individuen op het scherm. Zoals gebruikelijk begon het gemiauw op het moment dat Pearson zijn mond opendeed.
‘Heel grappig,’ zei hij.
‘De enige keer dat hij twee poesjes op één dag heeft gescoord,’ riep iemand.
Thorne liet het gelach wat betijen voordat hij zijn hand opstak om iedereen stil te krijgen.
‘Goed,’ zei Pearson. ‘Zijn jullie klaar?’
De brigadier nam de gegevens door van de diverse individuen naar wie de patrouilles moesten uitkijken. Geboortedata en kentekens werden opgelezen, samen met een aantal adressen waar onlangs huiselijke ruzies hadden plaatsgehad of drugshandel werd vermoed.
Sommige agenten noteerden de gegevens terwijl anderen afwezig poppetjes zaten te tekenen. Een paar staarden alleen maar naar de foto’s.
Toen Pearson klaar was met zijn verhaal was het Thornes beurt, maar hij had er weinig aan toe te voegen. Hij drukte zijn team op het hart om vooral alert te zijn in het stadscentrum en het grootste winkelgebied. Hij wist dat ze op vrijdagavond toch al extra waakzaam zouden zijn – wanneer het in de pubs drukker was dan gewoonlijk en er soms een heel weekloon doorheen werd gejaagd – maar hij was door zijn collega van de avonddienst gewaarschuwd dat er een conflict smeulde tussen een Tamil-bende die in de buurt actief was en een van de plaatselijke bendes rond de wijk Kidbourne. Thorne had een lid van deze bende, de VDVN-gang, aangeklaagd wegens geweldpleging nadat hij de vorige avond een klap in zijn gezicht had gekregen.
Als zo’n bende zijn nering in een wat betere buurt had gedreven, waar ze capuchonjacks van John Lewis droegen en de dealers hun autostereo afstemden op Radio 4, hadden de initialen misschien voor iets anders kunnen staan, maar in Lewisham stonden ze voor Vertel De Varkens Niks.
‘Dat is het wel zo’n beetje,’ zei Thorne. ‘Laten we hopen dat het een R------ nacht wordt.’
Niet ‘rustig’. Niemand gebruikte dat woord, om het lot niet te tarten. Het was een oud bijgeloof, en je populariteit bij de politie kon een behoorlijke deuk oplopen als je ertegen zondigde.
Tot slot knikte Thorne naar brigadier Christine Treasure, die om stilte vroeg voor het oplezen van de koppels voor de dienst en de toegewezen pauzes. Ze wierp Thorne een blik toe. ‘Zin om met mij mee te rijden in de Rokkenlokker?’ Er klonk gekreun en ook hier en daar gefluit van de andere agenten. Er stond maar één auto op de binnenplaats die enigszins aantrekkelijk was: een BMW, de snelle districtsauto die voor achtervolgingen werd gebruikt. Naar alle waarschijnlijkheid zouden Treasure en Thorne in een aftandse Ford Focus belanden, maar door haar zelfvertrouwen en haar seksuele geaardheid was Treasure er rotsvast van overtuigd dat elke auto waarin zij reed een Rokkenlokker was.
Thorne liep na de briefing op Treasure af. ‘Geef me een halfuurtje, oké? Ik moet hier nog een paar dingen afhandelen.’
—
Thorne trok de deur van zijn kamer dicht en pakte zijn mobiele telefoon.
Vrijdagavond halfelf; hij was niet bang dat hij Phil Hendricks uit bed zou bellen. Als het goed was, was de avond van zijn vriend nog niet eens begonnen. Eerst een paar pubs af, en dan naar een club, een plek om te drinken, te dansen en te versieren. Om een paar uur verlost te zijn van de doden, door het leven te vieren op de beste manier die hij kende. Op zoek naar de volgende sekspartner, wiens verovering hij zou memoreren met een nieuwe tatoeage. Heimelijk hopend – wist Thorne – dat elke tatoeage de laatste zou zijn.
Er klonk behoorlijk wat achtergrondlawaai toen Hendricks opnam. Luide stemmen, een nummer dat Thorne herkende. Boven de herrie uit liet Hendricks Thorne weten dat hij in de Duke of Wellington in Hackney zat, en dat hij later naar West End zou gaan. ‘Leuke pub, dit,’ zei hij, ‘maar de muziek is vreselijk. Waarom denkt iedereen dat alle homo’s van Lady fucking Gaga houden?’
Thorne liet zijn commentaar achterwege. Muzikaal gezien was het ook niet echt zijn smaak, maar in bed zou hij haar niet willen inruilen voor Waylon Jennings.
‘Ik moet je om een gunst vragen,’ zei hij.
Hendricks vroeg Thorne even te wachten terwijl hij een rustige plek opzocht. Een paar seconden lang werd de muziek nog luider en Thorne hoorde Hendricks iemand vragen nog een biertje voor hem te bestellen. Bier om in de stemming te komen, daarna een paar shotjes in de Heaven of de G-A-Y, en misschien nog een paar andere middelen waar Thorne liever niets van wist.
‘Goed,’ zei Hendricks uiteindelijk. ‘Vertel op...’
‘Zoals ik al zei: een gunst.’
‘Kom op, voor de draad ermee. M’n ballen vriezen er bijna af hier buiten.’
‘Sectie op een bejaard echtpaar,’ zei Thorne. ‘Ziekenhuis Lewisham, denk ik. Waarschijnlijk vandaag uitgevoerd, misschien morgen als ze een achterstand hebben. Zou fijn zijn als je de rapporten even voor me zou willen inzien en me de grote lijnen zou kunnen vertellen.’
‘Is het een moordzaak?’
‘Wil je me helpen of niet?’
‘Ik wil niet lullig doen, maar kun je daar zelf niet naar kijken?’ vroeg Hendricks. ‘Ik bedoel, ze hebben je politiepas toch nog niet afgepakt?’
‘Kwestie van tijd,’ zei Thorne. Hij kon het sectierapport van John en Margaret Cooper makkelijk opvragen, maar hij wist dat als dat verzoek van een inspecteur buiten Moordzaken kwam, vooral van degene die de zaak al had afgetekend als zelfmoord, het weleens een punt van discussie zou kunnen worden. En Thorne ging niet graag over de tong; hoe minder discussie over hem of deze zaak, hoe beter. ‘Luister, ik vráág het je.’
Hendricks zuchtte theatraal en zei: ‘Nou, goed dan. Ik zal kijken wat ik kan doen.’
Thorne gaf hem de namen. Wenste hem nog een mooie avond.
‘Je staat bij me in het krijt, jongen,’ zei Hendricks. ‘En er stond nog wat open, ook.’
Er werd op de deur geklopt en Christine Treasure kwam binnenlopen zonder op toestemming te wachten. Thorne keek toe hoe ze zich in de stoel tegenover hem liet vallen, haar cap op het bureau gooide en achteloos rondsnuffelde naar iets om te lezen. Ze keek op en knikte, alsof ze Thorne toestemming gaf om zijn gesprek af te maken.
Thorne knikte terug en mimede een sarcastisch ‘Dank je’.
‘Hé, bedankt, man,’ zei Thorne. Zijn stem klonk wat gedempter dan voordat de brigadier was komen binnenzeilen. ‘Geef me een seintje zodra je kans hebt gezien om de... je-weet-wel te bekijken.’ Hij keek op en zag dat Treasure geen aandacht leek te schenken aan wat hij zei. ‘De papieren.’
Nadat Thorne het gesprek had beëindigd stond hij op en liep naar het smoezelige mini-ijskastje in de hoek. Hij haalde er een pak melk uit, rook eraan en keek of er genoeg water in de waterkoker zat. ‘Wil je ook?’
Treasure schudde haar hoofd. ‘Alles goed met je?’
Met de waterkoker in de hand draaide Thorne zich om en keek haar aan. Treasure was de ‘heetgebakerde brigadier’ over wie Helen het die ochtend had gehad. Thorne wist dat die notoire woede-uitbarstingen doorgaans alleen gericht waren op degenen die ze verdienden en hij vermoedde dat Treasure onder al dat getier eigenlijk veel gevoeliger was dan ze wilde prijsgeven. Ze wist haar ‘gevoelige’ kant uitstekend te verhullen met taalgebruik dat Malcolm Tucker zou doen blozen, een ongegeneerd enthousiasme voor scheten laten, en door zich te gedragen, zoals Hendricks dat zou noemen, als een ‘echte pot’. Ze nam nooit een blad voor de mond en liet iedereen – inclusief collega’s – weten met wie ze het bed wel zou willen delen en wat ze met hen zou doen als ze de kans kreeg. Hoewel hij in zijn hart een beetje bang voor haar was, mocht Thorne haar wel als mens. Met haar zevenentwintig jaar was ze een heel wat betere smeris dan vele anderen die hij kende met dertig jaar ervaring, en ondanks het feit dat het in de surveillanceauto na een paar uur soms wat... ranzig werd, was ze altijd zijn eerste keus als surveillancepartner.
‘Ja hoor, met mij is het goed,’ zei hij. ‘Hoezo?’
Treasures geblondeerde haar was aan de zijkanten heel kort geknipt. Ze haalde haar vingers door de langere laag aan de bovenkant en trok het haar omhoog in pieken. ‘Hoorde dat je gisteravond een aanvaring met een rechercheur had.’
‘Godsamme,’ zei Thorne zachtjes. Woodley of een van de anderen had het doorgeluld. Niet dat hij het hun kwalijk nam. Hij had al verwacht dat het in de kleedkamer zou rondgonzen. Hij zette de waterkoker neer en deed hem aan. ‘Gewoon het gebruikelijke machtsvertoon.’
‘Zo zitten ze nou eenmaal in elkaar,’ zei Treasure. ‘Dat zou jij beter moeten weten dan wie ook.’
‘Waarom?’
‘Kom op, wil je beweren dat jij anders was toen je nog een van hen was?’
‘Ja, inderdaad,’ zei Thorne. Het was de vraag die hij zich sinds zijn overplaatsing herhaaldelijk had gesteld. Nu de glimmend gepoetste laars aan een andere voet zat. Hij probeerde zijn antwoord zo overtuigend mogelijk te laten klinken. ‘Zeker weten.’
Treasure haalde haar schouders op. Of ze hem nu geloofde of niet, het maakte haar kennelijk niet veel uit hoe het zat. ‘Wen er maar vast aan, want het zal nog wel vaker gebeuren. Vaak.’
Thorne draaide zich weer om naar de ijskast en pakte een lepeltje, dat bruin zag van de aanslag.
‘Maar zeg nou zelf, is dit niet beter?’
‘Béter?’ Thorne schepte oploskoffie in zijn mok. Hij bleef naast de waterkoker staan, die zachtjes begon te grommen.
‘Was je vroeger echt gelukkiger?’ vroeg Treasure. ‘Toen je urenlang naar beelden van beveiligingscamera’s moest turen? Met die rukkers van de mobiele-telefoonmaatschappijen moest praten? Ik bedoel, dat doen de meeste rechercheurs toch de hele dag?’ Ze pakte haar cap en liet die om haar vinger draaien. ‘Wij krijgen elke tien minuten iets anders op ons bord. Wij hebben afwisseling. God weet wat we vanavond weer meemaken, kan van alles zijn, en dat maakt het allemaal zo spannend. Ik raak op weg naar m’n werk helemaal opgewonden, weet je dat? Echt waar, dan kan ik verdomme bijna niet wachten. Het lijkt wel wat op het gevoel wanneer je weet dat je gaat klaarkomen.’
Thorne schonk heet water in zijn mok, draaide zich om en keek haar aan.
‘Zou je echt liever in burger rondlopen? Begraven worden onder de paperassen en gedwarsboomd worden door het OM?’
‘Zo gaat het heus niet altijd,’ zei Thorne.
Een hele stoet moordenaars en hun slachtoffers wegknipperen.
Een meisje in coma, een man die op een brug af rent, een broer en zus die lachend iets uit een tas halen.
De gezichten die hij nog steeds af en toe ziet als hij wakker wordt.
‘Wil je de klootzak kunnen uithangen zoals die gast gisteravond?’ Thorne zweeg en de blik op zijn gezicht maakte duidelijk dat hij helemaal geen trek had om erover te praten, dus haalde Treasure haar schouders op en sneed ze een ander onderwerp aan. Ze wees naar haar oog, en toen naar dat van hem. ‘Dat ziet er goed uit.’
Thorne zei: ‘Ja, niet slecht,’ en hij raakte met zijn vinger even de bloeduitstorting onder zijn oog aan die afgelopen nacht was opgezwollen en paars was geworden. Een vrijwel volmaakte halve maan.
‘Ziet er eigenlijk wel sexy uit.’
‘Je bent toch niet bekeerd, Christine?’
‘Dat zou je wel willen,’ zei Treasure. Ze sprong op en zette haar cap op. ‘Kom op, dan gaan we.’
Thorne hield zijn mok omhoog. ‘Even wachten –’
‘Laat toch staan,’ zei ze. ‘We stoppen wel bij de BP, dan halen we daar fatsoenlijke koffie.’ Het benzinestation was een vaste halte voor de nachtploeg, omdat agenten daar gratis Wild Bean-koffie kregen. Een minieme winstdaling voor British Petroleum in ruil voor de regelmatige aanwezigheid van geüniformeerde agenten op het terrein.
‘Oké, goed.’ Thorne zette zijn mok neer en pakte zijn cap en regenjas. Het gekwetter op de politieradio begon net interessant te worden. Een groep jonge Tamils was bezig zich te verzamelen bij de St. Saviour’s-kerk. ‘Zweer je dat je vandaag geen spruitjes hebt gegeten?’
‘U loopt geen enkel risico, meneer,’ zei Treasure. Ze wachtte bij de deur op Thorne, en toen hij langs haar liep legde ze haar hand op zijn arm. ‘Die zelfmoord gisteravond. Die idioot met zijn wedstrijdje “wie heeft de grootste?” Je moet het echt loslaten.’
5
Zoals gewoonlijk was er aan het eind van de dienst nog een halfuur papierwerk te doen. Thorne moest het overdrachtsformulier invullen en er een paar regels aan toevoegen voordat hij kon overgaan tot het aftekenen van de verslagen van de ernstiger incidenten. Gelukkig waren het er minder dan verwacht. Een steekpartij voor een club, een beroving van een avondwinkel onder bedreiging van een mes, een vechtpartij in The Jolly Farmers binnen een groepje niet al te jolly steigerbouwers, die bij wijze van voorzorg maar vast een paar steigerpalen mee de kroeg in hadden genomen. Vanwege de massale aanwezigheid van de politie in het centrum hadden de Tamils en de VDVN-jongens zich beperkt tot wat gescheld en agressieve blikken over en weer. Er hing meer in de lucht, maar goddank was er verder niets gebeurd tijdens Thornes laatste nachtdienst.
Zodra hij klaar was, trok Thorne zijn uniform uit en propte de spullen die hij mee naar huis wilde nemen in een plastic tas. Hij haalde zijn leren jack uit zijn kluisje en trok het aan. Op de binnenplaats wisselde hij nog enkele woorden met een paar mensen van zijn team terwijl hij de tas in de kofferbak van zijn auto gooide. Ze keken allemaal uit naar de vier vrije dagen die voor hen lagen.
Thorne nam afscheid van hen, maar hij ging nog niet meteen naar huis.
Hij ging weer naar binnen, liep zijn kamer voorbij, en rechtdoor tot hij bij het trappenhuis achter de receptiebalie van het bureau uitkwam. Hij hing zijn pasje om zijn nek en liep toen twee trappen op naar de tweede verdieping. Hij passeerde de kantoren van de recherche, de verhoorkamers en de ruimten van de technische recherche, en kwam uiteindelijk uit bij de toegangsdeur tot de brug.
Bureau Lewisham, dat het grootste politiebureau van Europa scheen te zijn, bestond uit twee afzonderlijke gebouwen van vier verdiepingen die door een tien meter lange, overdekte glazen voetgangersbrug werden verbonden. In het blok waar Thorne werkte waren de centrale afdelingen ondergebracht: de recherche, de uniformdienst, de bereden politie en de hondenbrigade. Het andere gebouw bood onderdak aan de meer gespecialiseerde teams: vuurwapens, SOCA – het bureau Zware en Georganiseerde Misdaad – en het team Moordzaken, het grootste van Zuidoost-Londen.
In de drie maanden dat Thorne als inspecteur bij de uniformdienst had gewerkt, was hij de brug nooit overgestoken.
Hij aarzelde even en liep toen de brug over naar de overkant. Hij hield zijn blik omlaag gericht terwijl mensen hem tegemoetkwamen en passeerden, kwaad op zichzelf omdat hij zenuwachtig was, alsof hij weer op school zat en met lood in de schoenen naar de kamer van de directeur liep. Aan de overkant aangekomen voelde hij zich al wat beter, toen hem weer te binnen schoot dat Treasure het de Kuttenkoppenpromenade had genoemd.
Er hing een andere lucht in dit gebouw. Of misschien lag het gewoon aan de afwezigheid van de typische geuren waaraan hij de afgelopen maanden gewend was geraakt, in de kleedkamer en het arrestantenlokaal. Hier lag tapijt in plaats van geverfd beton of afbrokkelende vloertegels en overal waar hij keek zag hij glanzend, licht hout. Hier was ruimte.
Thorne duwde tegen de deur van de meldkamer van Moordzaken, maar die ging niet open. Hij deed een stap naar achteren en zag het bedieningspaneeltje op de deur: tien glimmende nummertoetsen. Hij verstrakte en vloekte binnensmonds. In zijn eigen gebouw kon hij overal naar binnen door zijn pasje door een gleuf te halen, maar het was duidelijk dat de toegang tot de gewijde afdeling Moordzaken was voorbehouden aan de paar bevoorrechten die de code kenden.
Maar bevoorrecht betekende niet altijd slim. Thorne toetste 1-2-3-4 in en duwde opnieuw. Deze keer vloekte hij zo hard dat twee vrouwen die verderop in de gang stonden te kletsen, omkeken.
Hij klopte op de deur.
Door het raampje in de deur zag hij dat de man die op slechts een meter afstand achter zijn bureau zat, opkeek, een paar seconden wezenloos naar hem staarde en zich toen weer omdraaide naar zijn computer. Een vrouw die aan het bureau ernaast zat te telefoneren gunde hem niet meer dan een blik.
Hij klopte opnieuw, een stuk harder deze keer, en bracht zijn gezicht naar het raampje, zodat iedereen die de moeite nam om op te kijken zijn gelaatsuitdrukking goed kon zien. Uiteindelijk hees de man achter de computer moeizaam zijn dikke kont uit zijn stoel. Hij beende naar de deur alsof hij woedend was dat er geen butler was die dat voor hem deed.
‘Ik wil de hoofdinspecteur spreken,’ zei Thorne. Hij hield zijn pasje omhoog, vlak voor zijn gezicht.
De politieman bestudeerde het pasje veel langer dan nodig was en zei: ‘Waar gaat het om?’
Viel er misschien een zelfgenoegzaam glimlachje te bespeuren?
‘Hoe heet je?’ vroeg Thorne.
De politieman noemde zijn naam, en hoewel Thorne die al bijna weer vergeten was op het moment dat hij hem hoorde, had hij daarmee de informatie die hij nodig had. Hij wist nu welke rang de man had. Thorne wachtte even en deed toen langzaam een stap naar voren, tot zijn gezicht niet meer dan vijftien centimeter van dat van de brigadier verwijderd was. Hij glimlachte en fluisterde: ‘Waar gaat het om... menéér.’
‘Pardon?’
‘Je hebt het goed gehoord,’ zei Thorne. ‘Moet je horen, ik ben niet onder de indruk van je poenerige pak, want ook al draag ik dat zelf niet meer, ik heb wel een mooi wit overhemd met twee sterren op m’n schouders. En voor zover ik weet, staat een inspecteur nog steeds een treetje hoger op de ladder dan een brigadier. Je gaat me toch niet vertellen dat dat sinds mijn tijd ook is veranderd.’
‘Nee,’ zei de brigadier beduusd.
Thorne wachtte af.
‘Nee, meneer.’
De man was duidelijk niet geïntimideerd, het woordje kwam er volkomen toonloos uit, en er klonk niet meer respect in door dan hij voor een pooier of een pedofiel zou hebben gehad. Thorne herkende die toon. Die had hij zelf vaak genoeg gebezigd als hij een uitbrander kreeg van een gewichtige commissaris of wanneer hij uit alle macht probeerde een al te voorzichtige hoofdinspecteur te overtuigen. Maar van zo’n eikel als deze pikte hij het niet. Niet nu, niet omdat die eikel toevallig de rechercheur was en Thorne degene die een uniform in zijn kluisje had hangen.
De diender.
‘Nou, ik ben blij dat dat nu duidelijk is, brigadier,’ zei Thorne. ‘Dat klaart de lucht een beetje. Ga nu als de sodemieter je baas halen.’
Het was nog geen acht uur ’s morgens, maar het was al behoorlijk druk. Vijftien, twintig politiemensen die snel van het ene bureau naar het andere liepen, met collega’s overlegden, achter een monitor zaten of telefoneerden. Thorne keek en luisterde; de geluiden en de concentratie die eruit sprak waren pijnlijk vertrouwd voor hem. Hij draaide zich om en bekeek het whiteboard dat een hele muur besloeg: de foto’s van verdachten, getuigen en slachtoffers. De belangrijke namen en data in viltstift neergekrabbeld, afgesloten zaken in rood, open zaken in groen. Thorne had heel wat jaren doorgebracht in ruimten als deze, zich aan dezelfde soort energie gelaafd, erop geleefd. Terwijl hij daar stond en hij al die energie om zich heen hoorde zoemen en knetteren, kreeg hij plotseling een droge mond en raakte hij gedesoriënteerd. Hij was een tikje duizelig.
Hij voelde zich een geheelonthouder met een glas bier in zijn hand.
Na een paar minuten verscheen er aan de andere kant van de ruimte een man die hem wenkte. Hij begroette Thorne bij naam en stelde zich voor als hoofdinspecteur Neil Hackett. Thorne liep achter hem aan een opgeruimd kantoor in, ging zitten in de stoel die hem werd aangeboden en wierp een blik door het raam op Lewisham High Street. Het uitzicht op de hoofdinspecteur aan de andere kant van het bureau was niet veel fraaier. Hackett was minstens één meter negentig, maar zijn lengte kon niet verhullen dat hij te zwaar was, en toen hij zijn jasje losknoopte, dreigden de knopen door zijn dikke pens van zijn dure overhemd af te springen.
‘Laat me raden, Tom.’ Hackett zuchtte terwijl hij ging zitten, en de stoel maakte een soortgelijk geluid. ‘Dit heeft te maken met je dubbele zelfmoord van donderdagavond.’
Thorne had een paar seconden nodig. ‘Klopt,’ zei hij. Het was duidelijk dat de tamtam nog luider had geklonken, of misschien nog uitbundiger was bespeeld dan hij had vermoed. Nu wist hij zeker dat hij er goed aan had gedaan Phil Hendricks te vragen het sectierapport van het echtpaar Cooper in te zien.
Hackett glimlachte, alsof Thornes gedachten een zeer voorspelbaar open boek waren en hij zo vriendelijk was hem uit te leggen hoe het zat. ‘Paul Binns is een maat van me.’
‘Dat is mooi voor u.’
‘Hij is een goeie rechercheur.’
‘Ik heb nooit beweerd dat hij dat niet was.’
‘Goed zo. Trouwens, Paul is niet een van mijn mensen, dus het heeft geen zin om huilerig bij mij je beklag te komen doen.’
‘Niemand komt hier huilerig zijn beklag doen.’
‘Des te beter,’ zei Hackett.
‘Ik denk alleen dat het goed is als iemand er nog eens naar kijkt,’ zei Thorne. ‘Dat is alles.’
‘Iemand zoals ik?’
‘Dat kan toch geen kwaad?’
Hackett leunde achterover en streek zijn zandkleurige haar plat, dat vanaf de V-vormige haarinplant achterovergekamd was. Ondanks zijn bolle gezicht was zijn hoofd klein in verhouding tot zijn lijf. ‘Misschien heb ik iets over het hoofd gezien, maar je hebt hier toch al voor getekend?’
‘Ik had weinig keus,’ zei Thorne.
‘Maar het zit je niet lekker.’
Thorne zweeg even, omdat hij zijn woorden zorgvuldig wilde kiezen. ‘Ik had niet de indruk dat het serieus werd genomen.’ Dat ík serieus werd genomen.
‘Dat ging dan over dat flesje insuline zonder etiket,’ zei Hackett. ‘En over het feit dat die vrouw haar gebit uit had gedaan.’
‘Inderdaad, meneer,’ zei Thorne. Dat, en nog iets anders. Een detail in het tafereel dat niet klopte maar halsstarrig weigerde los te komen uit het slib in Thornes brein en boven te komen drijven. Tja, ik weet dat het wat... mager is.’
‘Mager? Het is verdomme anorectisch.’ Hackett schudde zijn hoofd. ‘Je weet toch dat die oude man huisarts in ruste was? Ik bedoel, daarmee is het insulinemysterie opgelost.’
‘Nee,’ zei Thorne. ‘Dat wist ik niet.’
Hackett boog zich voorover. ‘Hoor eens, als ik daar had gestaan, had ik precies hetzelfde gedaan als inspecteur Binns, en ik zou me lang niet zo schappelijk hebben opgesteld. Het is nou niet bepaald zo dat we op dit moment niet genoeg échte moorden op ons bord hebben.’
‘Ik had er geen goed gevoel over,’ zei Thorne.
Hackett lachte. ‘Jezus, heb je het nou over je “intuïtie”?’
‘Nee, meneer –’
‘Ik heb van alles over je gehoord, jongen, maar ik heb nog niemand horen zeggen dat je zo’n idioot was die op zijn gevoel afging.’
‘Ben ik ook niet,’ zei Thorne. Kort en bondig. De waarheid.
Hoe zit het dan?’ Hackett lachte niet meer. Zijn gezicht verstrakte en plotseling leek hij in de stemming om ruzie te maken. ‘Wat wil dat dan precies zeggen, inspecteur, “een goed gevoel”? Een goed gevoel zoals die stunt die je een paar maanden geleden hebt uitgehaald? Had je daar een goed gevoel bij, toen je een burger dwong een gewapende gijzelingssituatie in te gaan?’
Thorne voelde het bloed snel naar zijn hoofd stijgen. De zaak met Helen. Toen alles in elkaar was gestort.
‘Ja, ik weet er alles van,’ zei Hackett. ‘Ik weet dat je de zaak vreselijk uit de klauwen hebt laten lopen en dat je het bij een paar andere gelegenheden ook niet zo nauw hebt genomen met de regels, en dat je daarom uit het team Moordzaken bent gelazerd. Daarom zit je nu beneden aan de andere kant van die brug en daar heb je godsgruwelijk de pest over in.’ Hij boog zich naar hem toe. ‘Zeg het maar als ik het mis heb.’
‘Ik heb híér godsgruwelijk de pest over in,’ zei Thorne.
Hackett glimlachte. ‘Ik weet dat je er de pest over in hebt, dat zou ik ook hebben. Dus ik denk dat je twee opties hebt.’
‘En ik denk dat u me gaat vertellen welke dat zijn.’
De hoofdinspecteur priemde met zijn dikke roze vinger in Thornes richting. ‘Jíj bent degene die mijn tijd in beslag neemt, weet je nog? Dus hou je bijdehante mond en luister. Je kunt je biezen pakken. Makkelijk zat... smeer ’m en begin een pub, zoek een hobby, verzin maar wat. Of je kunt op je tanden bijten en je werk doen. De keus is aan jou. En als je besluit te blijven, kun je allereerst bedenken dat als iemand zich van kant maakt, dat niet echt moord is, oké? Hou op met rechercheurtje spelen.’
Thorne stond op en zei: ‘Bedankt voor uw tijd.’
Toen hij door de meldkamer naar buiten liep, beantwoordde hij de starende blik van de man die de deur voor hem had opengedaan, maar Thorne keek als eerste weg.
Halverwege de voetgangersbrug bleef hij staan. Hij legde zijn handen tegen het glas, en daarna zijn hoofd.
Twee opties.
6
‘Hij zeek me totaal af,’ zei Thorne. Hij sloeg met vlakke hand tegen de ijskast en draaide zich om naar Helen, die Alfie aan de keukentafel zijn middageten gaf. Toen ze naar hem opkeek, herkende hij de uitdrukking op haar gezicht. ‘Oké, erger nog.’
‘Wat had je dan verwacht?’
‘God zal het weten.’
‘Nee, serieus.’
‘Ik weet het,’ zei Thorne. ‘Het was stom van me.’ Hij sleepte zich naar de tafel en liet zich op de stoel tegenover haar vallen. Aan tafel spuugde Alfie meer uit dan hij at en smeerde hij tevreden een oranje brij uit over het plastic blad van zijn kinderstoel. ‘Echt... stom.’
‘Ja, nou ja, achteraf is het makkelijk praten, hè?’ Helen boog zich opzij om de oranje brij – wortel? Zoete aardappel? – weer in Alfies mond te lepelen. ‘Dus het is niet nodig jezelf voor je kop te slaan.’
‘Ja, ik weet het,’ zei Thorne en hij dacht: sinds wanneer moet dat ‘nodig’ zijn? Natuurlijk, achteraf gezien had hij de zaak wat beter moeten overdenken voordat hij op hoge poten die brug over liep om iemand als Hackett de les te lezen. Niet dat het veel zou hebben uitgemaakt als hij er eerst over had nagedacht. Want vanaf het moment dat Christine Treasure tegen hem had gezegd dat hij het los moest laten, had Thorne geweten dat hij dat niet kon.
‘Kom, we gaan jou eens even opknappen.’
Thorne had naar het tafelblad zitten staren en keek op, maar toen zag hij dat Helen het tegen haar zoontje had. Hij reikte haar een halve meter keukenpapier aan van de rol op tafel en keek toe hoe ze Alfies gezicht schoonmaakte en de rommel van zijn kinderstoel veegde. Thorne maakte aanstalten om op te staan.
‘Blijf maar zitten,’ zei ze. ‘Ik doe het wel.’
Thorne knikte dankbaar en ging weer zitten. Hij was pas tegen negenen naar bed gegaan en had amper vier uur geslapen toen hij wakker werd en niet meer in slaap kon komen. Als een zombie was hij de keuken in gesloft, in pyjamabroek en een Hank Williams-T-shirt.
‘Maar één ding kun je je misschien wel afvragen,’ zei Helen. Ze zette de borden in de gootsteen en gooide het vieze slabbetje op het aanrecht.
‘Wat?’
‘Nou... om daar nou naartoe te gaan en onrust te stoken –’
‘Ik heb geen onrust gestookt.’
‘Dan niet.’ Ze glimlachte. ‘Hoe je het ook wilt noemen.’ Ze liep terug naar de tafel en tilde Alfie uit de kinderstoel. ‘Was het echt omdat je vond dat er laatst iets dubieus was aan die zelfmoord? Of was je gewoon kwaad omdat je niet serieus genomen werd?’
Thorne schudde zijn hoofd.
‘Tom?’
Hij had Helen zo ongeveer verteld wat Hackett tegen hem had gezegd. Zijn preek over keuzes maken, het leedvermaak dat had doorgeklonken in zijn sarcastische commentaar op wat er drie maanden geleden in de tijdschriftenwinkel was gebeurd. Hacketts laatste wijze woorden had hij niet eens vermeld.
Het zinnetje dat meer pijn had gedaan dan alle andere.
Hou maar op met rechercheurtje spelen.
‘Moet je horen, dat zou volkomen begrijpelijk zijn.’
‘Begrijpelijk of niet,’ zei Thorne, ‘dat speelt helemaal niet.’
‘Weet je dat zeker?’
‘Ja.’ Hij keek haar aan. ‘Dat weet ik zeker.’
‘Sap,’ zei Alfie. ‘Sap.’
Thorne keek toe hoe Helen Alfie neerzette en naar de ijskast liep. ‘Denk jij dan diep in je hart van wel?’ vroeg hij.
‘Ik zeg alleen dat je jezelf die vraag moet stellen, dat is alles.’ Ze pakte iets uit de ijskast, met haar rug naar hem toe. ‘Hoor eens, ik zeg niet dat ik je dat verwijt.’
Thorne schoof zijn stoel abrupt naar achteren. ‘Nou, dat is fijn.’ Hij stond op. ‘En ja, ik vind nog steeds dat er iets helemaal niet pluis is met die zelfmoord, oké?’
Helen draaide zich om en schudde het kleine pakje sap in haar hand. Ze glimlachte nog wel, maar plotseling klonk er wat minder warmte door in haar stem. ‘Misschien moet je maar weer naar bed gaan. Ik breng Alfie naar de peuterspeelzaal, dus van hem zul je geen last hebben. Met een beetje geluk ben je in een betere bui als je wakker wordt.’
Thorne was al op weg.
Hij wachtte tot hij Helen naar buiten hoorde gaan, ging rechtop zitten en legde een kussen achter zijn hoofd. Voordat hij van het bureau was vertrokken, had hij alle nummers genoteerd die hij misschien nodig zou hebben. Nu vouwde hij het stukje papier open waarop hij alles had neergekrabbeld, zette zijn opengeslagen laptop naast zich op het bed en pakte zijn telefoon.
Dit was zonder meer het gezelligste kantoor waar Thorne ooit had gewerkt.
Gesteld dat de dood van John en Margaret Cooper niet de zelfmoord was waarvoor die werd aangezien – en het detail dat Thorne op het idee had gebracht dat dat niet zo was, wilde hem nog steeds niet te binnen schieten – was het vrijwel zeker dat hun twee kinderen geen serieuze verdachten waren. Beiden waren in de vijftig en hadden zelf kinderen. De zoon, Andrew, was in Edinburgh geweest op het moment dat zijn ouders overleden, en zijn zus, Paula, woonde in Leicester. Ze verbleven nu allebei in een hotel in Londen om de begrafenis te regelen, en toen Thorne Andrew Cooper belde op zijn mobiele nummer, kreeg hij hen om de beurt te spreken.
Hij bracht zijn condoleances over en verzekerde hun dat hun ouders volgens de patholoog geen pijn hadden geleden. Dat het vrij snel voorbij was geweest. Ze vertelden hem allebei hoe ontdaan ze waren. Overrompeld, zeiden ze beiden. Hun ouders waren relatief gezond geweest en leken tevreden en gelukkig te zijn, en niemand in de familie had iets als dit verwacht.
‘Dit was wel het laatste...’
Hoe meer Thorne te horen kreeg, des te zekerder hij werd en des te minder bezwaard hij zich voelde over zijn eigen doortraptheid, over het feit dat hij hen niet uit louter belangeloze motieven had gebeld.
‘U zult vast wel een heleboel aan uw hoofd hebben,’ zei hij tegen Paula. ‘Maar hebt u al iedereen kunnen spreken die op de hoogte gesteld moet worden? Ik bedoel, het is misschien het laatste waar u aan wilt denken, maar aangenomen dat er een testament is... Ik vroeg me af of u de notaris van uw ouders al hebt gesproken.’
Dat was inderdaad het laatste waar ze aan hadden gedacht, zei ze, en toen Thorne aanbood het voor hen te doen, zei ze dat dat echt niet hoefde. Ze zei dat ze niet wist dat de politie dit soort dingen deed voor families die dierbaren hadden verloren. ‘En trouwens, het is niet ingewikkeld. Andrew en ik zijn de enige nabestaanden, en het gaat niet om een fortuin of zo.’
Thorne voelde slechts een klein beetje wroeging toen ze hem bedankte voor zijn telefoontje.
‘We hebben gewoon geen idee waaróm ze het hebben gedaan,’ zei ze nog eens voordat ze ophing.
Paula had zich afgevraagd waarom haar ouders zich van het leven zouden hebben willen beroven, maar liggend op bed, starend naar het patroon van barsten in het plafond van de slaapkamer, kon Thorne evenmin verzinnen waarom iemand hen zou willen vermoorden en het op zelfmoord zou willen laten lijken.
Het ging in elk geval niet om geld. Het was ook geen uit de hand gelopen inbraak en het was niet haastig gedaan, of in een vlaag van woede.
De slaapkamer was netjes geweest.
Er was niets overhoopgehaald.
Dus wat klopte er dan niet aan het plaatje?
Als laatste – altijd als laatste – was er nog de mogelijkheid dat er gewoon geen duidelijk motief wás; in ieder geval niets wat leek op wat Thorne al eerder had meegemaakt. Misschien waren Margaret en John Cooper wel gestorven om een reden die puur te maken had met de persoon die hen had vermoord. Als dat het geval was – en Thorne hoopte vurig van niet – dan kwam er een andere mogelijkheid in beeld, die nog veel verontrustender was.
Dat degene die hen had vermoord dat alleen had gedaan omdat hij er plezier aan beleefde.
Thorne zocht een ander nummer op en toetste het in.
‘Met Tom,’ zei hij toen er werd opgenomen. Toen de vrouw aan de andere kant van de lijn niet onmiddellijk reageerde, voegde hij eraan toe: ‘Thorne,’ en vroeg vervolgens: ‘Heb je het druk?’
Elly Kennedy werkte als civiele inlichtingenanalist in het Peel Centre in Colindale, en had een kamer in dezelfde gang als waar Thorne vroeger de zijne had. Ze hadden een tijdje met elkaar geflirt, en op een feestje hadden ze in een dronken bui een keer staan vrijen. Thorne had haar al meer dan een jaar niet gesproken.
Ze lachte. ‘Ach, ik had kunnen weten dat je niet voor de gezelligheid belde.’
‘Ben je alleen?’
‘Je bedoelt of iemand me kan horen? Nee, ga door, de kust is veilig...’
Thorne vertelde haar wat hij haar wilde laten uitzoeken en noemde een paar haastig bedachte criteria.
‘Verdomme, je bent ook niet bepaald bescheiden, hè?’
‘Ik weet het, en het spijt me dat ik je hiermee moet lastigvallen, maar ik kon niemand bedenken bij wie ik beter terechtkon.’ Dat klopte, maar alleen omdat ze via haar werk toegang had tot een groot aantal databases, zowel van de politie als civiele. Hoe dan ook, Thorne hoopte haar met zijn schaamteloze vleierij over de streep te trekken.
‘Je hebt geluk,’ zei ze. ‘Ik heb even pauze, dus ik zóú vrij snel het een en ander voor je kunnen uitzoeken.’
‘Dat zou geweldig zijn.’
‘Maar pas als ik deze KitKat opheb, natuurlijk.’
‘Bedankt, Elly,’ zei Thorne.
‘Hoe gaat het trouwens met je?’
Thorne vermoedde dat ze eigenlijk wilde weten of hij momenteel een relatie had, maar hij dacht dat een eerlijk antwoord zijn zaak geen goed zou doen. ‘Gaat goed, hoor,’ zei hij. ‘Z’n gangetje.’
‘Word je niet helemaal gek, daar bij de uniformdienst?’
‘’t Is te doen,’ loog hij.
‘Nou, als ik iets kan vinden, kun je me als dank misschien op een drankje trakteren.’
Thorne beloofde dat hij dat zou doen en vroeg Elly zijn privé-e-mailadres te noteren. De betekenis van het feit dat Thorne niet wilde dat ze zijn politiemail gebruikte, ontging haar niet.
‘Maak er maar een etentje van,’ zei ze.
7
Thorne deed zijn ogen open, en secondelang wist hij niet waar hij was. Wat voor politieman hij was. Even later zou hij zich behoorlijk schuldig voelen over zijn gevoel van teleurstelling omdat hij niet in zijn eigen bed lag. Maar aan die paar kostbare ogenblikken voor de koude douche van de herinnering – wat hem was overkomen, wat hij was kwijtgeraakt – zou hij zich vastklampen tot het allemaal voorbij was.
Het was zaterdagmiddag, bijna vijf uur, en achter het slaapkamerraam begon het al te schemeren. Hij kwam overeind en knipte het bedlampje aan. Hij hoorde geen geluid in het appartement, dus pakte hij zijn telefoon en belde Helen.
‘Ik ben even koffie gaan drinken met een paar andere moeders,’ zei ze.
‘O, goed.’
‘Heb je nog kunnen slapen?’
‘Ja... ik ben net wakker.’ Hij wist niet of Helen weg was gebleven om hem wat rust te gunnen of om zijn rothumeur te ontvluchten. Hoe dan ook, hij besefte dat hij zich waarschijnlijk zou moeten verontschuldigen.
‘Ik blijf niet lang weg,’ zei ze. ‘Alfie is moe.’ Thorne hoorde het jochie op de achtergrond dreinen. ‘Nou, ik moet ophangen...’
Toen hij zijn mobiel op het bed gooide, zag Thorne de laptop op de andere helft staan. Hij stond op, trok een ochtendjas aan en nam de computer mee naar de keuken, want hij herinnerde zich opeens dat hij wakker was geworden van het geluid van een binnenkomende e-mail.
Hij zette thee voor zichzelf en ging aan het werk.
Hij had Elly Kennedy gevraagd te zoeken naar zaken in de agglomeratie Londen van de afgelopen drie maanden. Een redelijke periode, dacht hij. Hij had gezegd dat ze zich moest concentreren op zelfmoordslachtoffers van zeventig jaar en ouder, en in de eerste plaats echtparen. Hoewel ze er geen had gevonden die beantwoordden aan de blauwdruk van de zaak-Cooper, had ze wel genoeg bronnen weten te vinden met informatie over een tiental gevallen waarvan ze dacht dat Thorne erin geïnteresseerd zou kunnen zijn. Hij was op zoek naar relevante gegevens in politie- en sectierapporten, mogelijke afschriften van gerechtelijke onderzoeken en, heel belangrijk, uitspraken van familieleden. Ze had de bestanden redelijk snel opgestuurd en het werd al gauw duidelijk dat ze niet genoeg tijd had gehad alle zaken die buiten het bestek vielen te schiften.
Het kostte hem bijna vijf minuten om de bijlagen te downloaden.
Thorne nam al het materiaal dat Elly hem had gestuurd nauwgezet door, maar liet gevallen waar duidelijk sprake was van ernstige ziekte of depressie buiten beschouwing. Ook liet hij de zaken links liggen waarin het slachtoffer onlangs een dierbare had verloren of een teruggetrokken bestaan had geleid. Hij wist dat er altijd wel gevallen waren waarin familie, vrienden en hulpverleners gewoon niet genoeg aandacht hadden geschonken aan zelfmoordindicatoren, maar hij geloofde nog steeds dat de volslagen onverwachte en onverklaarbare zelfdodingen alsnog zouden opvallen.
Na meer dan een uur hield hij er twee over.
Een man van eenenzeventig uit Hounslow had twee weken geleden in bad zijn polsen doorgesneden. Een week daarvoor was een vrouw van zeventig uit Hendon midden in de nacht haar huis uit gegaan en het Brentmeer in gelopen.
In beide gevallen leken de overledenen vóór hun dood gelukkig en gezond te zijn geweest, en het commentaar van hun familieleden leek veel op wat Thorne van Andrew Cooper en zijn zus had gehoord.
Zoiets zou hij nooit hebben gedaan.
Ze had nota bene net een vakantie geboekt.
We begrijpen er niets van...
Thorne nam alle documentatie nog een keer door, en niets wees erop dat de treurende zoons en dochters een verkeerd beeld hadden gehad.
Tegen de tijd dat Thorne zijn onlangs aangeschafte leesbril in de brillenkoker had opgeborgen was het al over zessen. Hij zette de tv aan voor de voetbaluitslagen en zag tot zijn tevredenheid dat de Spurs in eigen huis Sunderland hadden afgedroogd. En wat nog beter was, Arsenal had met moeite gelijkgespeeld. Het was al meer dan een uur geleden dat hij Helen had gesproken, en omdat ze nog niet terug waren, ging hij er maar van uit dat Alfie weer was opgekikkerd. Thorne had schreeuwende honger en vroeg zich af of ze zin zou hebben in een afhaalmaaltijd wanneer ze thuiskwam. Hij zat haar net te sms’en toen zijn telefoon ging.
‘Heb je alles binnengekregen?’ vroeg Elly Kennedy.
Thorne zei dat hij net alles had doorgenomen en bedankte haar nogmaals.
‘Zeg, luister eens, met in het achterhoofd datgene waar je naar op zoek bent, dacht ik dat je misschien geïnteresseerd zou zijn in een raar geval dat eerder op de dag is binnengekomen. Ik heb het net pas gezien, dus –’
‘Wat?’
‘Wacht even.’
Thorne hoorde het klikken van het toetsenbord toen ze het juiste scherm opriep.
‘Man van drieënzeventig. Vermoedelijke zelfmoord door een overdosis en een zelfmoordzak... netjes en doeltreffend... en er is een team van Moordzaken ter plekke. Dan zit er vast een luchtje aan, hè?’
Thorne krabde aan zijn nek; een vreemde, maar vertrouwde tinteling. ‘Waar?’
‘Stanmore,’ zei Elly. ‘Mensen van je ouwe team, denk ik.’
Thorne schreef het adres op en haastte zich naar de slaapkamer om zich aan te kleden. Terwijl hij zich in dezelfde kleren wurmde waarin hij die ochtend was thuisgekomen, formuleerde hij de perfecte openingszin voor hoofdinspecteur Neil Hackett wanneer hij hem zou bellen.
‘Het ziet ernaar uit dat ik nog even wacht met het openen van die pub,’ of ‘Zin om rechercheurtje met me te komen spelen?’
Misschien ook niet, maar hij zou wel iets bedenken.
Hackett was hem voor. Thorne keek hoe de man zich uit een BMW wurmde die heel wat nieuwer was dan die van hemzelf. De hoofdinspecteur had op bureau Lewisham gezeten toen Thorne hem belde, zodat hij niet veel eerder dan Thorne in Stanmore kon zijn aangekomen. Toch leek het Thorne verstandig om zich te verontschuldigen.
‘File,’ zei hij.
Hackett bromde wat en stak zijn handen in de zakken van zijn lange zwarte overjas; de voorgeschreven outfit voor de modebewuste Londense hoofdinspecteur, maar zo’n grote maat had Thorne nog nooit gezien. ‘Ik weet nog steeds niet wat ik hier doe,’ zei hij. Hij gaf Thorne niet de kans te antwoorden, maar knikte in plaats daarvan langs de twee politieauto’s heen naar de geüniformeerde politiemensen die voor het huis stonden. ‘Wat daar ook aan de hand mag zijn, voor ons is het in elk geval aan de verkeerde kant van de rivier.’ Daar was de eerste zweem van een kille glimlach. ‘Je ouwe stek.’
‘Ik ben er niet van overtuigd dat wat het echtpaar Cooper is overkomen een eenmalig verhaal is,’ zei Thorne.
‘O nee?’
‘Ik denk dat er nog minstens twee andere gevallen zijn.’
‘Nog twee zelfmoorden die niet echt zelfmoord zijn?’
‘Twee zaken waar op z’n minst nog een keer goed naar gekeken moet worden.’
‘En dat allemaal op basis van...?’ vroeg Hackett. ‘Niet iets wat zelfs een imbeciel als bewijs zou aanmerken, zoveel weet ik nog wel.’ Hij knipte met zijn vingers. ‘O ja, natuurlijk... sorry, was ik even vergeten... we moeten vooral geld en mankracht besteden en ieders tijd verspillen omdat jij er “geen goed gevoel” bij hebt.’ Hij draaide zijn gezicht uit de wind. ‘Daar wens ik je dan veel geluk mee.’
Thorne keek naar het huis. De agenten die voor de deur op wacht stonden verveelden zich te pletter. Hij wees. ‘Hier heb ík toch niks mee te maken?’
‘En voor zover ik weet heb ik er ook geen reet mee te maken.’
‘Hoor eens, iemand daarbinnen vond het de moeite waard om de recherche in te schakelen, waar of niet? Dus dan zit er echt wel een luchtje aan.’ Thorne had de grootste moeite om overtuigend te klinken en tegelijkertijd kalm te blijven. ‘Als het géén zelfmoord is, hebt u er van alles mee te maken, want dan is er grote kans dat er een verband is met onze zaak van een paar avonden terug.’
‘Jouw zaak,’ zei Hackett. ‘Zaak van de uniformdienst.’
‘Niet als ik gelijk heb.’
Hackett knikte, weer die zweem van een glimlach. ‘En als dat het geval blijkt te zijn, inspecteur, dan zal ik u natuurlijk zeer erkentelijk zijn dat u me hebt gebeld.’
Thorne staarde hem aan en wachtte tot de glimlach overging in een zelfgenoegzame grijns, of op een ander teken dat Hackett hem in de zeik nam. Hij zag er geen.
De hoofdinspecteur knikte naar het huis en zei: ‘Vooruit dan maar.’ Hij liep dwars door het tuintje naar de openstaande voordeur zonder de agenten een blik waardig te keuren en bleef op de drempel staan. Hij liet Thorne voorgaan.
Thorne mompelde een bedankje.
Binnen stonden nog meer geüniformeerde agenten. Thorne liet zijn pasje zien en werd naar boven gedirigeerd. Op de trap rook hij een geur die hij herkende, iets zoets wat leek op de geur die hij in het huis van de Coopers had geroken. Hij was niet de enige geweest. Na terugkeer op het politiebureau had iemand die avond gezegd: ‘Katten, denk ik. Ouwe mensen hebben toch altijd een hele zwik katten?’ Iemand anders had moeten lachen en gereageerd met: ‘Godallemachtig, zeg het maar niet tegen Poes-poes. Straks stapt-ie nog met z’n knuppel het eerste het beste bejaardenhuis binnen.’
Het waren geen katten. Thorne had heel lang een kat gehad en hij wist maar al te goed hoe kattenpis rook. Dit rook niet onaangenaam, naar oude meubels en zeep. Lavendel misschien.
Had zijn moeder dat niet gebruikt? Of rook hij Parma Violets-snoepjes...?
Thorne zag het lijk door de openstaande slaapkamerdeur, en toen hij naar binnen ging, stonden er twee rechercheurs bij het raam thee te drinken en te lachen. Een van hen draaide zich om, zag Thorne en zei: ‘Verrek!’ Thorne was zich ervan bewust dat Hackett de kamer was binnengekomen en achter hem tegen de muur leunde.
‘Hallo Dave,’ zei Thorne.
Thorne had bijna tien jaar nauw samengewerkt met brigadier Dave Holland. Hij had gezien hoe hij iedere dag een beetje meer van zijn glans was kwijtgeraakt en had hem van een nieuweling met dun piekhaar en grote ogen zien uitgroeien tot een politieman wiens houding tegenover de realiteit van het politiewerk even praktisch was als zijn kapsel.
Holland was natuurlijk verbaasd Thorne daar te zien en zei dat ook.
‘Het ligt ingewikkeld,’ zei Thorne. Hij stelde zich de glimlach voor die nu op het gezicht van de man achter hem verscheen. ‘Dit houdt mogelijk verband met een zaak in mijn district, dat is alles.’
Holland scheen niet de behoefte te voelen door te vragen en stelde Thorne voor aan de rechercheur met wie hij samenwerkte. De vrouw knikte ter begroeting.
‘Wat is het verhaal?’ vroeg Thorne. Hij deed een paar passen in de richting van het bed.
Holland kwam bij hem staan en knikte naar het lijk.
‘Heeft zich van kant gemaakt, chef...’ Hij zweeg, enigszins in verlegenheid gebracht door zijn verspreking, en Thorne zag dat hij een blik in Hacketts richting wierp. ‘Maar zoals je net zei... het ligt ingewikkeld.’
De oude man zat rechtop, met een lichtblauw kussen achter zijn rug. Zijn gezicht was niet helemaal goed te zien door de plastic zak over zijn hoofd: de ‘zelfmoordzak’ waarover Elly Kennedy het had gehad. Die was gedeeltelijk beslagen en plakte tegen één kant van zijn gezicht. Aan de binnenkant zaten spetters braaksel; de rest had zich onderin verzameld en lekte in dunne stroompjes uit de zak, die om de hals van de man was gebonden met iets wat leek op de ceintuur van een kamerjas.
Op het nachtkastje stond een geopend potje met pillen.
‘Wie heeft het gemeld?’ vroeg Thorne.
‘Zijn vrouw,’ zei Holland. Hij knikte naar achter, naar de deur. ‘Ze zit in de logeerkamer met rechercheur Kitson.’
‘Is Yvonne ook hier?’ Nog een naaste collega, tot een paar maanden geleden.
Holland knikte. ‘Zijn vrouw is het probleem.’
Net op dat moment hoorde Thorne een deur open- en dichtgaan en even later verscheen Yvonne Kitson in de deuropening. Ze bleef staan en nam het tafereel in zich op. ‘Tom? Ben je...’
Hackett zei zonder haar aan te kijken: ‘Het ligt ingewikkeld.’
‘Wat is het probleem met zijn vrouw?’ vroeg Thorne.
Duidelijk ietwat van de wijs gebracht door Thornes aanwezigheid kwam Kitson de kamer binnen en pakte de mok thee of koffie die ze op een kast had neergezet. ‘Nou, ze zegt niet dat ze hem erbij heeft geholpen, maar ze geeft toe dat ze erbij was toen het gebeurde. Dus niet echt hulp bij zelfdoding als zodanig, maar je weet het nooit, het OMzou het weleens anders kunnen zien. De officier zit boven op dit soort zaken, dus ik denk dat we haar maar gewoon moeten arresteren en zien wat ervan komt.’
‘Tijdverspilling,’ zei Holland.
Nu begreep Thorne waarom de recherche was ingeschakeld. Hij had het gevoel alsof hij net keihard over een steile boogbrug was gesjeesd.
‘Ik weet het,’ zei Kitson. ‘Maar we zijn hier omdat het moet.’ Ze vouwde beide handen om haar mok en staarde naar de oude man. ‘Maagkanker, blijkbaar. Ze zei dat ze het er al een hele tijd over hadden gehad. Dat hij haar heeft gesmeekt het te doen.’
‘The things we do for love,’ zei Hackett. ‘Geweldig nummer.’
Toen Thorne zich omdraaide en hij de uitdrukking op het gezicht van de andere man zag, drong het tot hem door dat Hackett precies had geweten wat hij kon verwachten; dat hij het huis al binnen was geweest voordat Thorne aankwam. Dat verklaarde waarom Holland en de anderen hem niet gegroet hadden, waarom Hackett zich afzijdig had gehouden en had toegekeken hoe Thorne werd neergezet als een kluns, en zo voelde hij zich ook.
Thorne kon zien hoeveel genoegen Hackett erin schepte.
‘Dan gaan we maar,’ zei Hackett. Hij keek Thorne aan en draaide zich om naar de deur. ‘Misschien wil je met me meelopen naar mijn auto...’
Thorne bleef een paar passen achter Hackett, die meer tijd nam om de trap af te lopen dan zelfs een vent van zijn omvang nodig had en even bleef staan om een paar grapjes uit te wisselen met de agenten voor de deur. Geen van beiden zei iets tot ze bijna bij Hacketts auto waren. Hij drukte op de afstandsbediening om de portieren te ontgrendelen en zei toen: ‘Tevreden?’
‘Hoor eens, ík heb Moordzaken niet gebeld,’ zei Thorne. ‘Ik ging alleen maar af op wat ik had gehoord, en het leek te kloppen. Het spijt me natuurlijk dat het anders blijkt te liggen.’
Hackett wuifde de verontschuldiging weg. ‘Je hoeft geen spijt te hebben, inspecteur. Ik kan me werkelijk niet herinneren wanneer ik voor het laatst zoveel lol heb gehad.’
Thorne knikte en zag wat een slecht gebit de man had toen hij glimlachte, en hij vroeg zich af waarmee hij hem het snelst op de knieën zou krijgen, een vuistslag of een trap in zijn kruis.
‘Maar er komt meer bij dit werk kijken dan alleen maar lol hebben.’ Hacketts glimlach verdween. ‘Dus zorg ervoor dat dit de laatste keer is dat ik ook maar over verdachte zelfmoorden hoor flúísteren, afgesproken? Hou jij je nou maar bezig met inbraken en het oppakken van dronkenlappen, en de volgende keer dat je over die loopbrug komt, kun je maar beter verdwaald zijn. Duidelijk?’
Thorne slikte en antwoordde bevestigend.
‘Geloof me, je moet het niet met mij aan de stok krijgen.’ Hackett opende het portier en liet zich in de auto zakken. ‘Ik mag dan wel een dikzak zijn, maar een lolbroek ben ik verdomme niet.’
8
Na een laat ontbijt ging Thorne de zondagskranten kopen en liepen ze naar Brockwell Park. Het was niet echt warm, maar het was een heldere dag en Alfie werd steeds enthousiaster naarmate ze dichter bij de speeltuin kwamen.
‘Ee-un,’ zei hij. ‘Ee-un...’
Het was druk bij de speeltuin en ze moesten een paar minuten wachten voordat Alfie aan de beurt was bij de schommel. Thorne stond naast Helen terwijl zij duwde.
‘Alles goed met je?’ vroeg ze.
Hij had Helen niet verteld over zijn uitstapje naar Stanmore van de avond ervoor, en toen hij eindelijk thuiskwam had hij gezegd dat hij iets was gaan drinken met een collega van het bureau. Spontane ingeving. Op weg naar huis was hij gestopt om een paar blikjes bier te kopen, die hij in de auto had opgedronken. Ze hadden geholpen met zijn adem en met het leugentje, maar hij had ze sowieso hard nodig gehad.
‘Nog een beetje moe,’ zei Thorne. Hij deed zijn best om opgewekt te kijken, maar betwijfelde of hij het er goed van afbracht. Hij wist dat hij nu eenmaal zo’n gezicht had, een standaard gezichtsuitdrukking, die maakte dat anderen vaak op hun hoede waren. Thorne kon zo tevreden zijn als een vlieg op een hoop stront, en dan nog vroegen mensen hem wat er loos was.
Ze zaten een poosje te kijken hoe Alfie steeds op een rijtje verhoogde plastic stapstenen klom en er dan vanaf sprong, waarbij hij telkens een kreet van opwinding slaakte. Toen hij een keer ongelukkig terechtkwam en viel, schoot Helen onmiddellijk op hem af. Thorne had niet zitten opletten, maar sprong op zodra hij Helen dat zag doen. Alfie krabbelde op met een betrokken gezichtje, alsof hij nog niet had besloten of hij zou lachen of huilen, en toen hij voor het eerste koos en weer op de stapstenen klauterde, gingen Thorne en Helen weer zitten. Ze haalden de kranten uit de plastic tas en Thorne ging op zoek naar een verslag van de wedstrijd van de Spurs.
‘Soms denk ik dat ik me te veel zorgen over hem maak,’ zei Helen. ‘Dat ik overbezorgd ben.’
‘Dat is toch logisch,’ zei Thorne.
Ze keek hem aan met een zweem van argwaan. ‘Hoezo?’
Hij legde de krant neer. ‘Nou, om te beginnen door je werk.’ Helen was rechercheur bij de Jeugd- en Zedenpolitie. Ze had Thorne verhalen verteld die vaak moeilijk aan te horen waren. ‘Je hebt gezien wat er gebeurt wanneer ouders geen bal om hun kinderen geven.’
Ze schudde haar hoofd. ‘Kinderen worden niet misbruikt alleen maar omdat hun ouders geen bal om hun kinderen geven.’
‘Je weet best wat ik bedoel.’
Helen staarde naar haar zoontje en zwaaide toen hij even haar kant op keek, waarna hij met onvaste pasjes weer verder waggelde. ‘Misschien komt het doordat ik met hem alleen ben. Nou ja, was...’ Ze aarzelde, enigszins opgelaten.
‘Dat snap ik.’
‘Ik bedoel, een behoorlijke tijd.’
Hoewel Helen en hij pas onlangs iets met elkaar hadden gekregen, na een gijzelingszaak waarbij zij betrokken was geraakt, had hij haar een jaar eerder al een keer kort ontmoet. Haar partner, Paul, was onder verdachte omstandigheden om het leven gekomen, en Helen, die destijds hoogzwanger was geweest, had toen de taak op zich genomen om uit te zoeken hoe het zat. Thorne wist dat het niet vaststond dat Paul Alfies vader was, dat Helen vóór Pauls dood een verhouding met een ander had gehad. Dankzij de afluisterapparatuur die tijdens de gijzeling door een technische ondersteunende eenheid was geplaatst, wisten een heleboel mensen ervan, maar Helen en hij hadden het er later nooit meer over gehad.
‘Louise heeft een miskraam gehad,’ zei Thorne. ‘Niet lang voordat we uit elkaar gingen.’
Helen pakte zijn hand.
Thorne had nooit veel over zijn vorige relatie verteld. Louise was gewoon ‘zijn ex’. ‘Waarschijnlijk is dat de eigenlijke reden dat we uit elkaar zijn gegaan, snap je, achteraf gezien.’
‘Dat is rot,’ zei Helen.
‘Ik trok het niet.’
‘Begrijpelijk.’
‘Ik denk dat het probleem was dat ik er niet genoeg op reageerde,’ zei Thorne. ‘Als zoiets gebeurt, heeft het geen zin dat je er allebei aan onderdoor gaat, dus was ik degene die gewoon doorging. Met m’n werk en zo. Ik denk dat het overkwam alsof het me niet veel deed. Ik wéét dat het zo overkwam.’ Hij keerde zich naar haar toe en zag dat Helen hem aanstaarde. ‘Maar dat was wél zo...’
Helen wilde net iets zeggen toen Thornes telefoon ging. Toen hij opnam en de stem aan de andere kant herkende, stond hij op en liep een eindje bij de bank vandaan.
‘Thorne? Ik wil even met je praten.’
Aan beide zijden van de rivier was te allen tijde een commissaris beschikbaar op afroep. Die was er om bijvoorbeeld een voorlopige hechtenis te verlengen van vierentwintig tot zesendertig uur, of om de telefoon van een verdachte te ‘pingen’. Wat Christine Treasure speciale operaties noemde. Maar ze waren er natuurlijk ook om mensen op de vingers te tikken als dat nodig werd geacht. Een van de weinige troost biedende pluspuntjes die zijn overplaatsing naar de uniformdienst hem had opgeleverd, was dat Thorne niet meer te maken had met die ene hoge pief die hij tijdens zijn jaren bij Moordzaken het liefst op zijn gezicht had geslagen. Deze aalgladde wezel, olympisch kampioen buiten schot blijven, die Thornes openlijke afkeer dubbel en dwars retourneerde. Tot Thornes afgrijzen had hij na een paar dagen op zijn nieuwe post ontdekt dat de dienstdoende commissaris aan de zuidkant van de rivier diezelfde wezel was.
De godvergeten Trevor Jesmond.
‘Ik heb begrepen dat je flink buiten je boekje bent gegaan,’ zei Jesmond. In zijn stem klonk die unieke mengeling van emoties door die Thorne maar al te goed kende. Weerzin vanwege Thornes wangedrag en tegelijkertijd een ongebreideld genoegen om de verantwoordelijke ongenadig te mogen straffen. ‘Sommige dingen veranderen ook nooit, hè?’
‘U hebt vast en zeker Neil Hackett gesproken,’ zei Thorne.
‘Dat doet er niet toe.’
‘Dat beschouw ik dan maar als een bevestiging.’
‘Het maakt niet uit met wie ik heb gesproken, want nu praat ik met jou.’
‘Ik dacht dat we mogelijk met een moord te maken hadden.’
‘Ja, dat weet ik.’
‘Dat het een patroon zou kunnen zijn.’
‘Nou, dat had je dan verkeerd gedacht, of niet soms?’
Thorne slikte. ‘Daar ziet het wel naar uit.’
‘Bovendien is het jouw taak niet,’ zei Jesmond. ‘Hoe graag je dat misschien ook zou willen.’
De man deed altijd alles volgens het boekje, zodat Thorne zich had afgevraagd wat Jesmond in vredesnaam gedaan kon hebben dat hij hier verzeild geraakt was. Was hij betrapt met de vrouw van de hoofdcommissaris? Met diens moeder? Zijn hond? Het lag meer voor de hand dat hij alleen maar overplaatsing had aangevraagd om Thorne het leven zuur te maken.
Want daar was hij buitengewoon goed in.
‘Dat begrijp ik,’ zei Thorne. Hij draaide zich om en zag dat Helen hem observeerde. Een paar minuten geleden had hij al niet dolgelukkig gekeken, en hij vroeg zich af wat er nu op zijn gezicht te lezen stond.
‘Goed. Je bent gewaarschuwd.’ Jesmond liet dat even doordringen en lachte toen gniffelend. Nagels over een schoolbord. ‘Het is weer net als vroeger.’
Thorne gromde iets onverstaanbaars.
‘Maak er geen gewoonte van, ja? Je beleeft misschien weinig plezier aan je huidige werk, maar geloof me, als brigadier zul je nog verdomd veel minder lol hebben.’
Nadat Jesmond had opgehangen, liep Thorne terug naar de bank en ging zitten. Hij pakte een krant, maar deed er niets mee.
‘Gaat het?’
Helen had duidelijk genoeg gehoord om de essentie van het gesprek te begrijpen. ‘Jesmond,’ zei Thorne.
‘Ah...’
‘Ja, ik ben op het matje geroepen.’ Thorne sloeg de krant open. ‘Hackett heeft er duidelijk een probleem mee dat ik die voetgangersbrug over ben gelopen, dus Moordzaken is nu absoluut verboden terrein.’
‘Gaat dit nog steeds over die dubbele zelfmoord?’
Thorne bladerde verder in de krant.
‘Je hebt nog niet verteld hoe het verder is gegaan tussen jou en Louise,’ zei ze. ‘Waar we het net over hadden.’
Thorne schudde zijn hoofd. ‘Ik denk dat het geschikte moment nu voorbij is, vind je ook niet?’
Ze zaten een paar minuten zwijgend naast elkaar. Helen las de krant terwijl Thorne naar de speeltuin staarde, waarbij elke gil en kreet dwars door hem heen gingen. Zijn telefoon ging weer, en hij nam alle tijd om het toestel uit zijn zak te halen, in de veronderstelling dat Jesmond nog niet klaar was met hem.
Het was een sms’je van Hendricks.
Klaar met rapport van de Coopers.
Een paar minuten later zei Thorne: ‘Ik denk dat ik straks iets ga drinken met Phil.’
‘Oké, goed.’
‘En daarna ga ik misschien naar mijn eigen flat.’
‘Logisch,’ zei Helen. ‘Dan hoef je niet te rijden.’
Thorne knikte. ‘Ik zou toch geen prettig gezelschap zijn.’
Helen keek op toen Alfie op hen af kwam rennen. Hij slingerde zich om Thornes been heen en veegde zijn loopneus af aan zijn jack.
‘Wat jij wilt,’ zei ze.
9
Voor deze moet hij naar het westen.
Hij vindt het reizen niet zo heel erg. Hij heeft altijd geweten dat hij van hot naar her zou moeten draven, en bovendien ziet hij zo nog eens wat van de stad. Hij heeft Londen gemist. Meer dan hij een aantal van zijn familieleden heeft gemist als het erop aankomt, maar dat was ook niet zo moeilijk. Wat er van hen over was had hij afgeschreven als een stelletje onbetrouwbare klootzakken, op het moment dat zij hem ook de rug toekeerden. Als zij zich niets van hem aantrokken, zou hij zich ook niet bepaald het vuur uit de sloffen lopen.
Je oogst wat je zaait, zo zag hij het.
Hij rijdt door Shepherd’s Bush naar de Westway; het is voor het eerst in ruim dertig jaar dat hij de wijk terugziet. Hij heeft hier in zijn jonge jaren heel wat tijd doorgebracht, toen er nog speedwaywedstrijden en hondenrennen werden gehouden in het White City Stadium en de BBC nog programma’s maakte in de Empire en Lime Grove studio’s, waar de allereerste uitzending van de Beatles was opgenomen. Hij denkt terug aan de knokpartijen in de Springbok of de Crown and Sceptre, de ruzies met de jongens van de Queens Park Rangers op wedstrijddagen, en hij herinnert zich uit een latere periode nog een heleboel serieuzere zaken die hier werden afgehandeld. Hier en in Chiswick. En ook in West End, natuurlijk. Niet dat alles toen beter was, hij verheerlijkt het niet, doet er niet sentimenteel over. Maar wel anders, dat staat vast.
Als hij sentimenteel was, zou hij die tas toch niet op de achterbank hebben staan? Dan zou hij nu niet over de A40 karren op weg naar de plek waar hij de inhoud gaat gebruiken.
Terwijl hij nadenkt over de manier waarop dit geval waarschijnlijk zal aflopen, kan hij zich niet eens meer herinneren waarom hij ervoor gekozen heeft om het op deze manier te doen, waarom hij elke keer iets anders wil. Het heeft waarschijnlijk alles te maken met het feit dat hij zoveel tijd heeft gehad om er op zijn gemak over na te denken. Hij heeft destijds een plan gemaakt en daar zou hij zich aan houden, zo simpel was het. Het ging er niet eens om dat hij van de ene methode meer genoot dan van de andere, want genieten was niet aan de orde, niet echt. Maar het zorgde er wel voor dat alles wat interessanter werd, dat het hele gebeuren wat sjeu kreeg. Afwisseling mocht het leven dan kleur geven, de dood werd er ook een stuk interessanter door.
Hij gaat op de linkerbaan rijden, hij heeft geen haast. Hij zingt dat Beatles-nummer over eenzame mensen en begrafenissen waar niemand naartoe gaat, en bedenkt dat de muziek toen in elk geval verdomd veel beter was.
Hij bedenkt dat afwisseling iets is wat hij lang niet heeft gehad.
10
‘Ik had je toch maar ingemaakt,’ zei Hendricks.
‘Natuurlijk.’
‘En ik kan er absoluut niet tegen als je zit te grienen als een meid.’
Thorne beklaagde zich over het feit dat ze in de Grafton Arms niet meer konden poolen. De zaal boven, waar ze heel wat avonden hadden gespeeld om rondjes bier, was nu een ‘multifunctionele feestruimte’ geworden. Salsalessen, verjaardagsfeesten en eens per maand een comedyavond, waar Hendricks Thorne een paar weken geleden per se mee naartoe had willen slepen. Thorne had de fout gemaakt om vooraan te gaan zitten en was genadeloos te grazen genomen door een bullebak van een stand-upcomedian. Hij wist nog steeds niet precies hoe die erachter was gekomen dat hij een smeris was – hoewel hij er wat onder durfde te verwedden dat Hendricks de schuldige was – maar het gesar had de hele avond geduurd en de man had geen gelegenheid voorbij laten gaan om goedkoop te scoren bij het publiek met de vraag: ‘Ruik ik varkens?’ als hij het podium op kwam.
Na het optreden had Thorne de grapjas aangesproken aan de bar en hem een compliment gemaakt. De man had zijn schouders opgehaald en gezegd: ‘Was niet persoonlijk bedoeld, hoor.’ Thorne zei wat hij dacht dat hij hoorde te zeggen: dat hij niet begreep hoe iemand voor al die mensen kon staan, de moeilijkste baan ter wereld. De stand-upcomedian had grijnzend gezegd: ‘Makkelijk verdiend, jongen. Honderdtwintig pond, zó in het handje.’
‘Ik hoop voor jou dat je dat opgeeft,’ had Thorne geantwoord. Toen de mond van de komiek openviel, had Thorne zich naar hem toe gebogen en ‘Knor knor!’ gezegd voordat hij wegslenterde.
‘Goed, dus we doen bij jou thuis een afhaalcurry?’ vroeg Hendricks. Hij zette een flesje Tsjechische pils aan zijn mond en klokte er een derde van naar binnen.
Thorne nam een slok Guinness. ‘Klinkt goed,’ zei hij. ‘Deze keer kun je tenminste naar huis lopen, in plaats van tussen de lakens op mijn slaapbank te liggen stinken.’
‘We kijken wel in welke toestand ik ben, goed?’
Hendricks was onlangs verhuisd naar een flat in Camden, op krap tien minuten lopen van die van Thorne in Kentish Town. De pub lag op een steenworp afstand van Thornes appartement, en hij had de auto eerst bij zijn huis geparkeerd en was daarna te voet teruggegaan naar de pub waar hij met Hendricks had afgesproken.
‘Ben je al helemaal ingericht?’
‘Alles zit nog in dozen, jongen.’
‘Nou, je kunt nog altijd terug,’ zei Thorne. ‘Geef nou maar toe dat je veel te veel hebt betaald voor die golfplaten keet, want dat is het in wezen.’
Hendricks had een futuristisch uitziend, met aluminium bekleed appartement aan de oever van Regent’s Canal gekocht. De appartementen – het werk van dezelfde architect die verantwoordelijk was voor het ontwerp van de Sainsbury’s-supermarkt er recht tegenover – waren zeer in trek, maar Thorne vond het net ultramoderne toiletten, en dat zei hij ook.
‘Het bevalt me wel,’ zei Hendricks. ‘Bovendien is die supermarkt verdomd handig en ligt het gunstig voor als ik mezelf ooit wil verzuipen in het kanaal.’ Hij hief zijn flesje bier. ‘En nu we het er toch over hebben...’
‘Ja,’ zei Thorne. ‘Begin er maar over. Dan hebben we dat maar achter de rug.’
‘Wacht even, ik dacht dat je daarom zo nodig wilde afspreken.’
Dat was ook zo. Thorne had zich de hele dag vastgeklampt aan de strohalm dat Hendricks misschien iets had ontdekt wat kon verklaren waarom hij zo’n slecht gevoel had over de zelfmoord van het echtpaar Cooper. Hij had gehoopt dat de lijken zelf de oplossing zouden bieden. Maar in de auto op weg naar zijn flat begon hij het een steeds bespottelijker gedachte te vinden dat een contra-expertise van de sectierapporten hem mogelijk in het gelijk zou stellen of de godsgruwelijke hoeveelheden shit die hij de afgelopen dagen te verduren had gehad zou rechtvaardigen. Meer dan kinderachtig. Tegen de tijd dat hij de auto voor zijn appartement parkeerde had hij zich erbij neergelegd dat hij daar alleen maar was omdat hij een overweldigende behoefte voelde om zijn vriend te zien. Hij had behoefte aan medeleven en zin om lazarus te worden.
Nu, twintig minuten en anderhalf biertje later, zei hij: ‘Laat maar horen.’
‘Doorsnee insulineoverdosis,’ zei Hendricks. ‘Kat in ’t bakkie.’
‘Zelfmoord, dus?’
‘Ik heb niet kunnen ontdekken dat er iets anders aan de hand zou zijn.’
Thorne knikte en nam een slok.
‘Ik bedoel, de man had een beginnende leverziekte en de vrouw had een paar slagaders die er niet al te best uitzagen, maar dat heb je nu eenmaal op die leeftijd. Nou ja, daar zul je zelf ook snel genoeg achter komen.’
Thorne zette zijn glas neer. ‘En als iemand hun die injecties nu eens heeft gegeven?’
‘Niets wijst op een worsteling,’ zei Hendricks. ‘Geen weefsel onder de nagels.’
Thorne mompelde iets onverstaanbaars. Zoveel was op de plaats van het misdrijf al duidelijk geweest. ‘Er is nóg iets.’
‘Wat?’
‘Verdomd als ik het weet,’ zei Thorne. Hij staarde naar de tafel. ‘Ik word er gek van.’
‘Dit? Of het hele gedoe? Ik bedoel met de uniformdienst.’
‘Ik weet het niet. Allebei, denk ik.’
Hendricks leunde met een zucht achterover. ‘Nou, vooruit, voor de draad ermee.’
Thorne deed zijn verhaal. De ogenschijnlijke zelfmoord van een ouder echtpaar waarvoor geen reden leek te zijn en de overeenkomst met op z’n minst twee andere gevallen. De knagende twijfel die een obsessie was geworden. Zijn confrontatie met Neil Hackett en de manier waarop zijn theorie de vorige avond in dat huis in Stanmore op losse schroeven was komen te staan. Waardoor hij zich een overenthousiast groentje had gevoeld.
‘Jezus...’
‘“Jezus, dat is een interessante theorie”, of “Jezus, wat een stomme eikel ben je”?’
‘Definieer “interessant” eens,’ zei Hendricks.
‘De Coopers hadden geen reden om zelfmoord te plegen,’ zei Thorne. ‘Geen enkele reden. En er was iets mis in die slaapkamer.’
‘Ja, maar bekijk het eens vanuit hun standpunt, van Hackett en zijn club. Je geeft ze nou ook niet bepaald veel om opgewonden van te raken, of wel soms?’
Thorne bukte en trok een stapeltje papieren uit zijn tas. Hij legde met een klap een dossier op tafel en schoof het naar Hendricks toe. ‘Ook al geen enkele reden,’ zei hij. ‘Brian Gibbs had geen enkele reden om in bad zijn polsen door te snijden.’ Nog een dossier. ‘Fiona Daniels had geen enkele reden om zich in het Brentmeer te verdrinken. Godsamme, lees de verklaringen van de familieleden dan.’
Hendricks verschoof zijn glas terwijl de papieren zich voor hem opstapelden.
‘Lezen, Phil.’
Hendricks pakte een dossier en bladerde het door. ‘Goed, maar wat wil dat “geen enkele reden” van jou eigenlijk zeggen? Vaak heb je geen idee waarom mensen iets doen. Dat weet jij beter dan wie ook.’
Thorne schudde zijn hoofd, maar hij wist dat zijn vriend gelijk had. Hoe vaak had hij echt geweten wat er in het hoofd van een moordenaar omging? Als een of andere vriendelijke begrotingsdeskundige zijn vrouw en kinderen had afgeslacht, stonden er altijd vrienden en buren in de rij om te vertellen wat een ‘volmaakt’ gezin het was geweest. Dat dit wel het laatste was wat ze hadden verwacht. En lag dat bij dierbaren anders? Had Thorne ooit geweten wat er echt in zijn ouders omging? Hij was in elk geval flink op z’n bek gegaan toen hij Louise probeerde te begrijpen, en zij zou waarschijnlijk hetzelfde over zichzelf zeggen.
‘Sorry, jongen, maar het is niet genoeg,’ zei Hendricks. ‘Het zegt geen ene moer als je vindt dat ze “niet het type” waren om zich van kant te maken.’
‘Oké, maar je kunt niks inbrengen tegen de feiten en de cijfers.’ Thorne haalde nog meer papieren uit zijn tas. ‘Ik heb ernaar gekeken en de cijfers kloppen gewoon niet. Er zijn maar vierhonderd-nog-wat zelfmoordenaars per jaar in Londen, en het merendeel daarvan is een stuk jonger dan de mensen over wie we het hier hebben. Mee eens?’
Hendricks mimede een ‘misschien’ door zijn schouders op te halen.
‘En als je kijkt naar de mensen van boven de vijfenzeventig, heb je het eerder over tweehonderd gevallen, lándelijk gezien. En bij vrouwen is dat minder dan de helft daarvan.’ Hij priemde met zijn vinger naar de dossiers op tafel. ‘En hier hebben we goddorie al twee vrouwen!’
Hendricks dacht erover na. ‘Sorry, maar ik denk niet dat die cijfers zo indrukwekkend zijn als je denkt.’
‘Hè?’
‘Hoor eens, ik weet hier het een en ander van, hoor.’
‘Kom op, Phil.’
Hendricks stak zijn handen omhoog. ‘Goed, laten we nou eens soepel zijn en dit een “cluster” noemen. Dat denk ik geen seconde, maar zelfs als het wel zo was, is er soms gewoon geen verklaring voor dit soort dingen. Weet je nog, een paar jaar geleden? Twintig mensen, allemaal onder de vijfentwintig, hadden zelfmoord gepleegd, allemaal in hetzelfde stadje in Zuid-Wales. Dát was nog eens een cluster, maar niemand is er tot op heden achter gekomen waarom dat toen is gebeurd.’ Hij schoof de dossiers bij elkaar en maakte er een nette stapel van. ‘Er is niks... verdachts aan. Of hieraan.’ Hij gaf de dossiers terug. ‘Er is geen boeman, jongen.’
Thorne nam de papieren aan en propte ze terug in zijn tas. Hij pakte zijn glas en leunde achterover.
Hendricks grinnikte. ‘Maar je zou jezelf eens moeten zien.’
‘Wat nou?’ vroeg Thorne.
‘Met je “theorieën” en je “feitenonderzoek”. Je lijkt nu meer een rechercheur dan toen je er echt een was.’ Hij pakte zijn flesje bier en wilde het leegschenken. ‘Fucking inspecteur Morse! Luister je nu soms ook naar opera en los je kruiswoordpuzzels op en zo?’
Thorne keek hem aan, knipperde langzaam met zijn ogen en slikte toen snel.
‘Trouwens, opera zou een hele verbetering zijn vergeleken bij die suffe cowboymuziek van je. “I’m So Lonesome I Could Cry”.’ Hendricks zag Thornes gelaatsuitdrukking. ‘Wat is er?’
‘Wat je daarnet zei.’
‘Wat, over opera?’
‘Nee...’ Thorne was al bezig zijn telefoon te pakken.
Hendricks schudde zijn hoofd. ‘Ik volg het niet meer, jongen.’
‘Drink je glas leeg,’ zei Thorne.
‘Is het niet wat vroeg om te gaan eten?’
Thorne negeerde hem. Hij zocht in de lijst van recent gebelde nummers. Naar het nummer van een rouwende zoon.
11
Op zo’n honderd meter van zijn voordeur kwam Alan Herbert – die zo snel mogelijk liep om te voorkomen dat zijn avondeten koud werd – tot de conclusie dat wanneer het loopje naar de fish and chips-kraam het hoogtepunt van je dag was, de zaken er niet best voor stonden.
Zondag was en bleef natuurlijk... nou ja, zondag, maar dan nog.
De dag was niet echt volgens plan verlopen. Hij was om te beginnen niet van plan geweest het grootste deel van de middag te verslapen. Hij was wakker geworden met een stijve nek en kwijl op zijn trui, en had tot zijn verbazing gezien dat het buiten al donker was. Hij was ook niet van plan geweest het grootste deel van de dag onderuitgezakt voor de tv te hangen, de zondagskrant te spellen en zich met de weinige energie die hij kon opbrengen eens in het uur uit zijn stoel te hijsen en water voor thee op te zetten.
En zich vol te gieten met het ene biertje na het andere.
Eigenlijk had hij hen nu moeten nawuiven. ‘Hou je haaks’ en ‘Tot gauw’, en de kinderen zwaaiend uit het achterraampje van de Hyundai. Hij zou nu eigenlijk de overblijfselen van de lunch moeten afruimen, en als avondeten misschien een sandwich met kip.
Zijn zoon had hem in alle vroegte gebeld met de mededeling dat ze uiteindelijk toch niet konden komen. Zijn jongste had iets opgelopen, zei hij. Hij vond het echt jammer, want ze hadden enorm uitgekeken naar het bezoek. Er was altijd wel een kind dat ziek werd. Bijna even vaak als zijn schoondochter haar plannen voor het weekend op de valreep moest omgooien vanwege haar werk of een probleem met de auto.
Altijd wel wat.
Achter de ramen van de meeste huiskamers brandde licht toen hij voorbijliep. Gordijnen waren dichtgetrokken, jaloezieën neergelaten. Hij liep door en vroeg zich af hoeveel mensen achter die ramen hun zondag bewusteloos, kwijlend en theedrinkend hadden doorgebracht.
Om de tijd te doden.
Het zou natuurlijk helpen als hij niet zo idioot vroeg opstond. Dan zou hij minder uren hoeven doorkomen. Hij had het altijd absurd gevonden dat oude mensen zo vroeg opstonden, terwijl het een feit was dat de meesten van hen geen flikker te doen hadden. Toch sleepte ook hij zich meestal voor zevenen uit bed, en kleedde zich klaarwakker in het donker aan zodat hij helemaal in de startblokken stond voor een dag nietsdoen.
Een overhemd en een stropdas, godbetert.
Dat kwam waarschijnlijk doordat hij zijn hele leven wel een of ander uniform had gedragen, dacht hij, maar dan nog...
‘Je moet eens bij iemand langsgaan,’ had zijn zoon een paar maanden geleden tegen hem gezegd.
‘Een dokter, bedoel je?’
‘Nou... of oude vrienden. Je moet eens wat vaker de deur uit.’
‘Daar heb ik geen zin in.’
Er zijn dagen dat ik me er niet eens toe kan zetten het licht aan te doen, en die tochtjes naar de keuken voelen als een stormbaan...
Hij was naar de dokter gegaan.
‘Het is niet ongebruikelijk dat u depressief bent,’ had de huisarts tegen hem gezegd. ‘Gezien uw leeftijd en omstandigheden.’
‘Depressief? Allebei m’n knieën zijn versleten en ik ben stokdoof. Ik ben goddomme een wandelend lijk!’
Zoals altijd kun je er maar beter wat humor tegenaan gooien.
De scharnieren piepten toen hij zijn tuinhekje openduwde, en hij bedacht dat er in de garage nog ergens olie moest staan. Het was lang geleden dat hij zich daar binnen had gewaagd. Hij liep haastig het pad op en bleef alleen even staan om een fastfoodverpakking opzij te schoppen die een of andere zatlap in het voorbijgaan in zijn tuin had gegooid. Door de geur van de schelvis en de friet kreeg hij nog meer trek; het pakketje voelde warm aan onder zijn arm. Voordat hij de deur uitging had hij de azijn alvast uit het keukenkastje gehaald en een paar boterhammen gesmeerd.
Hij had net de sleutel in het slot omgedraaid toen hij achter zich een stem hoorde.
‘Hé, ouwe jongen.’
Hij draaide zich om en zag een oude man over het pad op hem af komen. Een pet en een lange donkere jas. Het gezicht had iets bekends, voor zover hij dat in het donker kon zien, maar Herbert kon het niet thuisbrengen.
‘Sorry,’ zei hij. ‘Ken ik...?’
‘Ja, ’t is wel een poosje geleden, jongen. Dat kun je wel zeggen.’ De man was sneller gaan lopen en was nu nog maar een meter van hem vandaan.
‘Jezus,’ zei Herbert, en hij liet zijn eten vallen toen de naam hem te binnen schoot, nét te laat.
12
Andrew Cooper stond in de deuropening van het huis van zijn ouders en monsterde de bezoekers enkele seconden voordat hij ze vroeg binnen te komen. Hij was klein en gedrongen, met de bouw van een rugbyspeler, en hij had een volle bos vrijwel volledig grijs haar en blauwe, ietwat waterige ogen achter zijn bril. Misschien leek hij op zijn vader, maar dat kon Thorne niet opmaken uit wat hij van John Cooper had gezien.
De zoon zag er afgepeigerd uit.
‘Bedankt dat we even mochten langskomen,’ zei Thorne. ‘Ik weet dat het laat is.’
‘Ik kan wel een pauze gebruiken,’ zei Cooper. ‘Ik heb de hele dag rotzooi in dozen en vuilniszakken gestopt.’ Hij knikte vaagweg om zich heen. ‘Paula is in het hotel. Ze kon dit niet aan, dus...’
‘Dat is begrijpelijk.’
‘Dus ben ik de pineut,’ zei Cooper.
Thorne en Hendricks liepen achter hem aan de woonkamer in. De meubels waren tegen de muur geschoven, en het midden van de kamer werd nu in beslag genomen door de dozen en vuilniszakken waarover Cooper het had gehad. Thorne zag hem naar Hendricks staren en stelde hen aan elkaar voor.
‘Dokter Hendricks staat me bij,’ zei Thorne.
‘Ik ben patholoog,’ zei Hendricks, omdat hij even niet wist wat hij anders moest zeggen.
Cooper zei: ‘U bent toch niet degene die...?’
‘Nee,’ zei Thorne.
‘Nee,’ herhaalde Hendricks, en hij schudde zijn hoofd. ‘Ik ben alleen geraadpleegd.’
Ze stonden daar ietwat ongemakkelijk met z’n drieën de kamer rond te kijken. Thorne en Hendricks hadden de kauwgom die ze onderweg hadden gekocht nog in hun mond. Het ontging Thorne niet dat hij precies het tegenovergestelde deed van gisteravond, toen hij juist wél had gewild dat zijn adem naar bier zou ruiken.
Thorne knikte naar de piano die aan de andere kant van de kamer tegen de muur stond. ‘Wie van hen speelde piano?’
‘Allebei een beetje,’ zei Cooper. Hij ging op de armleuning van een oude leren bank zitten. Er zaten zweetplekken onder zijn oksels en bij de hals van zijn wijde grijze T-shirt. ‘Ze zijn het blijven doen. Van die oude nummers, weet u wel?’
Thorne knikte, en herinnerde zich wat hij een paar avonden geleden in de slaapkamer boven had gedacht.
Lepeltje-lepeltje, lieve woordjes, lief en leed.
‘En, waar hielden ze van? Cole Porter, dat soort dingen?’
Cooper lachte. ‘Nee, eerder Gene Vincent en Eddie Cochran,’ zei hij. ‘Pa was een vetkuif.’
‘O, oké,’ zei Thorne. Je vergat soms makkelijk dat mensen die behoorlijk oud leken – zelfs in zijn ogen – ooit in hun jeugd net zo rebels waren geweest als degenen die na hen kwamen. Dat broeken met ritsen en kettingen en hanenkammen niet schokkender waren dan broeken met smalle pijpen en vetkuiven. Hij probeerde zich de oude man in die uitmonstering voor te stellen, tot in de puntjes gekleed in een rock-’n-rollcolbertje en puntschoenen, maar hij slaagde er niet in het beeld op te roepen.
De vergeelde tanden, een randje van een grijzige tong...
Cooper stond op. ‘U had het over de slaapkamer?’
Ze liepen achter hem aan naar boven en bleven achter hem staan wachten toen hij even aarzelde op de drempel en toen naar binnen stapte. Hier stonden nog meer dozen en vuilniszakken. De kaptafel en de vensterbank, waarop Thorne een verzameling familiefoto’s had zien staan, waren nu leeg. Het bed was afgehaald.
‘U hebt toch niets weggegooid?’ vroeg Thorne.
Cooper draaide zich om en keek hem aan. ‘Nee.’
‘Nee, natuurlijk niet. Ik bedoelde niet...’
‘Ik heb er gewoon nog geen gelegenheid toe gehad,’ zei Cooper. ‘Dat is alles. Maar als ik hier klaar ben, zullen we nog wel wat ritjes naar de kringloopwinkel moeten maken. Ik bedoel, er zijn natuurlijk een heleboel spullen waar veel herinneringen aan kleven, maar Paula en ik zijn het erover eens dat het geen zin heeft om kleren en dat soort dingen te bewaren. De snuisterijen, weet u wel?’
Thorne knikte en dacht aan zijn vader. Dat hij indertijd niet had hoeven kiezen wat hij zorgvuldig in bruin papier wilde inpakken en wat hij in zakken wilde doen voor het goede doel. Dat er na de brand amper iets over was geweest.
‘Alles ligt nog hier binnen,’ zei Cooper. ‘Dus ga uw gang.’
‘Bedankt,’ zei Thorne. ‘Het zal niet lang duren.’
‘Maar ik moet zeggen dat het me nog steeds niet helemaal duidelijk is waar dit om gaat.’
Thorne wisselde een blik met Hendricks. ‘Nou, het is nog steeds mogelijk dat er een gerechtelijk onderzoek komt, en in dat geval wil ik me precies kunnen herinneren wat er zich die avond in deze kamer bevond.’ Cooper dacht hier even over na en haalde zijn schouders op. ‘Gewoon voor de zekerheid,’ zei Thorne. Nu de zaak was afgedaan als zelfmoord en de doodsoorzaak met zekerheid was vastgesteld, was het buitengewoon onwaarschijnlijk dat er een gerechtelijk onderzoek zou komen, maar Thornes uitleg klonk kennelijk aannemelijk. Als Andrew Cooper advocaat was geweest, of medewerker van een onderzoeksrechter, had Thorne pech gehad.
Thorne vond het vervelend dat hij moest liegen, maar zijn leugen vormde in elk geval een betere verklaring voor zijn aanwezigheid dan de werkelijke reden, en niet alleen vanwege het leed dat die wellicht had veroorzaakt.
‘Stel dat we het vinden?’ had Hendricks hem in de auto gevraagd. ‘Wat hebben we er dan in godsnaam aan?’
‘Al sla je me dood,’ had Thorne geantwoord, waarop Hendricks begon te kreunen.
Cooper had wel gezegd dat ze hun gang konden gaan, maar hij bleef in de deuropening staan kijken terwijl Thorne en Hendricks met hun zoektocht begonnen.
Ze hadden maar een paar minuten nodig.
Ze begonnen met de vuilniszakken, omdat die eerder de indruk wekten dat ze voor de kringloopwinkel bestemd waren dan de dozen, en Thorne vermoedde dat wat hij zocht niet tussen de spullen met gevoelswaarde zou zitten. De inhoud van elk van de zwarte zakken was snel genoeg vast te stellen, en in de derde zak die hij doorspitte vond Hendricks al wat ze zochten.
‘Hebbes,’ zei hij, en hij gaf het aan Thorne.
‘Wat?’ vroeg Cooper vanuit de deuropening.
Het boekje met kruiswoordpuzzels. De beduimelde pocket die Thorne aan Margaret Coopers kant van het bed op de grond had zien liggen. Op de grond onder het nachtkastje waarop een boek en bril keurig netjes waren neergelegd.
Wat klopte er niet aan het beeld?
‘Waarom lag het op de grond?’ had Thorne op weg naar het huis van de Coopers gevraagd.
‘Weet ik veel,’ had Hendricks geantwoord. ‘Omdat ze het had laten vallen?’
‘Maar wanneer dan? Het is niet zo als je insuline injecteert dat je dan een seconde later de geest geeft en dat het boek dat je aan het lezen was uit je handen valt. En wat nog meer zegt: ik denk niet dat je nog even een kruiswoordpuzzel gaat oplossen als jij en je man van plan zijn jezelf van kant te maken. Zoiets doe je omdat je dat elke avond voor het slapengaan doet. Dat is haar gewoonte, snap je? Net als haar gebit uitdoen in de badkamer. Dat doet ze op een gewone avond.’
‘Misschien lag het boekje er nog van de vorige avond.’
‘Uitgesloten.’ Thorne had heftig zijn hoofd geschud. ‘Alles aan haar kant van het bed zag er keurig uit. Ordelijk. Alleen dat boek lag op de grond, omdat ze het misschien exprés heeft laten vallen...’
Op zijn knieën gezeten sloeg Thorne het boekje open en bladerde door tientallen opgeloste kruiswoordraadsels. Hij stopte bij de eerste onopgeloste, waarvan hij vermoedde dat Margaret Cooper ermee bezig was geweest op de avond dat zij en haar man waren gestorven.
De woorden waren niet te missen.
De blauwe balpen was diep in het papier gedrukt, de letters waren iets dikker dan de andere in het raster.
In acht vakjes onderaan.
HELP ONS
13
Er zit nog een ritme in ook, zoals in het geluid van... hoe noem je dat, een specht of zoiets. Tok-tok-tok.
Het geluid van het pistool tegen de tanden van de oude man.
Daarvóór trilde hij ook al behoorlijk – misschien had hij zoals veel oude mensen de bibber in zijn handen – dus het is niet zo vreemd dat het ratelt als een idioot nu hij de loop in zijn mond heeft gestoken.
Herbert haalt de loop uit zijn mond. Hij snakt naar adem. Hij kwijlt en hapt naar lucht alsof hij dat pistool verdomme straks niet eens meer nodig zal hebben en hij zegt: ‘Alstublieft...’
Hij zit in een stoel, waarschijnlijk dezelfde als waarin hij tv-kijkt, die nu is afgestemd op zo’n kabelzender waarop eindeloos herhalingen vertoond worden. Een aflevering van The Sweeney, wat goed beschouwd nogal komisch is. De tv staat lekker hard.
‘Kom op nou. Je weet wat je te doen staat.’
‘Ik kan het niet,’ snottert Herbert.
Er zijn natuurlijk twéé pistolen in het spel: het ene heeft hij in de beverige hand van de oude man gedrukt en het andere houdt hij op diens hoofd gericht. Maanden geleden, toen hij dit allemaal uitdacht, besefte hij dat hij in dit geval nog een extra prikkel nodig zou hebben. Iets wat Herbert ervan zou weerhouden het pistool gewoon om te draaien en op hem te richten. Een dreiging die nog groter was dan de dood.
‘Moet ik het je nog een keer laten zien?’
‘Nee,’ zegt Herbert.
‘Eén keertje nog? Misschien vat je dan wat moed.’
‘Nee!’ De oude man schudt zijn hoofd, en het valt moeilijk te zeggen of het tranen of zweetdruppels zijn die op de boord van zijn overhemd spetteren.
‘Goed. Prima. Hou dan je kop en schiet op.’ Hij doet een stap naar achteren, met het pistool nog steeds op de man gericht, net ver genoeg om geen viezigheid over zich heen te krijgen, hoewel hij vrij zeker weet welke kant die op zal gaan. Hij gebaart met een vinger. ‘Je moet hem ook schuin omhooghouden.’
Herbert duwt het pistool weer in zijn mond. Duwt het voorbij de lippen die zich niet willen openen, de tanden die maar niet ophouden met klapperen. Hij kokhalst en trekt de loop een paar centimeter terug.
‘Smaakt misschien een beetje naar... smeer, zeker?’
Angst is alles wat hij op het laatst bij de anderen heeft gezien. Doodsangst die maakte dat ze in hun broek pisten, maar dit is een kranige ouwe gast, dat moest hij hem nageven. Pure haat in zijn ogen, in die laatste seconden voordat ze zich sluiten en zijn vinger zich om de trekker spant.
Klaar is Kees.
Niet zoveel kabaal als hij had verwacht, niet meer dan een rotje dat afgaat, maar de rotzooi had hij goed ingeschat. Hij stopt zijn pistool terug in de tas en doet een stap dichterbij om alles goed te bekijken.
Er zit spul tegen de muur gekleefd, net stukjes gehakt en eierschaal, waardoor de muur een zekere... textuur krijgt. Zoals... hoe heet dat ook alweer? Veloursbehang.
Zoals je in Indiase restaurants vaak ziet.
II
Gewoon je werk doen
14
‘Alles goed?’
Helen keek op en zag rechercheur Gill Bellinger met papieren in de hand tegen haar bureau geleund staan; ze kwam gewoon even langs. Helen knikte en glimlachte, maar Bellinger leek geen haast te hebben. Ze was uit op meer dan een glimlach en een knikje.
‘Ja, goed hoor,’ zei Helen.
Het gebeurde misschien niet dagelijks, maar Helen kreeg het zeker eens in de paar dagen te horen. Ze hoorde het bij de koffieautomaat, in de kantine, tijdens geforceerde en onnodige ‘bijpraatsessies’ met de hoofdinspecteur. Ze hoorde het van goede vrienden en verre collega’s, van ondersteunend personeel dat ze nauwelijks kende. Dezelfde vraag, of een variatie erop.
‘Alles kits, Helen?’
‘Hoe gaat-ie?’
‘Hoe was je dag?’
Het deed er niet toe waar, wanneer of door wie het werd gevraagd, ze wist heel goed wat ze bedoelden.
Gaat het wel goed met je?
En ze wist wat ze eigenlijk wilden vragen.
Weet je zeker dat je niet wat te snel weer aan het werk bent gegaan? Had je niet wat langer met die therapie door moeten gaan?
Ze deed haar best om de vragen even luchtig te beantwoorden als ze werden gesteld, maar dat viel niet mee, omdat ze de bezorgdheid zat begon te worden. Tegenwoordig kon ze zelfs van de flauwste grappen of de vriendelijkste vragen uit haar slof schieten. Dat was stom, omdat het alleen maar bevestigde wat sommigen van hen al meenden te weten. Ze was in het gunstigste geval gespannen, en in het ongunstigste labiel, en dat was allesbehalve ideaal als je met misbruikte kinderen moest werken.
Dus hield ze zichzelf voor dat ze dingen zag die er niet waren en probeerde ze haar boosheid onder controle te houden.
‘Prima,’ zei ze opnieuw.
Bellinger legde haar papieren op Helens bureau. Ze boog zich wat dichter naar haar toe en ging zachter praten. ‘En hoe is het nu met Tom?’
Gill Bellinger was een van de teamleden die Helen het meest vertrouwde, iemand die altijd klaarstond om wat te gaan drinken als dat nodig was, en een goede vriendin die had gedaan wat ze kon om Helens familie op de hoogte te houden tijdens de gijzelingszaak drie maanden geleden. Ze was ook de enige aan wie Helen had verteld dat ze iets met Thorne had; ze had haar mond voorbijgepraat tijdens een van die broodnodige borreluurtjes. Thorne en zij hadden besloten dat het voorlopig niet verstandig zou zijn om hun relatie wereldkundig te maken; ze begrepen maar al te goed dat de omstandigheden waaronder ze elkaar hadden leren kennen – dat eerste tedere moment, een erewacht van gewapende politiemensen en Thorne die onder het bloed van iemand anders zat – heel wat tongen zouden losmaken.
‘Prima,’ zei Helen.
‘Dus hij kan het allemaal goed aan?’
Helen keek haar vriendin aan. Ze dacht: Wat nou? Bedoel je dat hij het beter aankan dan ik? Dat hij het aankan met míj? Toen zag ze Bellingers gelaatsuitdrukking en begreep ze dat ze doelde op Thornes overplaatsing naar de uniformdienst. Ze dwong zichzelf rustig te blijven.
‘Ja, ik denk het wel.’
‘Beter dan wij het zouden doen, wedden?’ zei Bellinger lachend. ‘Mijn god, stel je voor!’ Ze streek haar fraai gesneden grijze jasje glad en deed alsof ze huiverde. ‘Weer terug in die vreselijke zwarte rokken en ouwewijvenpanty’s. Of erger nog, die broeken!’
Helen knikte naar haar beeldscherm. ‘Sorry Gill, ik zit tot over m’n oren in het werk.’
‘Geeft niks.’ Bellinger raapte haar papierwerk bij elkaar en deed een stap naar achteren. ‘We praten later wel bij...’
Helen stak glimlachend een hand op en vroeg zich af hoe ze haar vriendin de rest van de dag het beste zou kunnen ontlopen.
‘Tussen de middag misschien,’ zei Bellinger.
Helen richtte zich weer op het document op haar scherm. Een verklaring van de buurvrouw van een kind van twee dat alleen thuis was aangetroffen met meerdere botbreuken. Een vrouw die beweerde dat ze zich al maanden ‘zorgen maakte over dat arme kind’, maar kennelijk ook weer niet zoveel zorgen dat ze de telefoon had gepakt om iemand in te seinen.
Thorne deed het lang niet slecht, besloot Helen. In elk geval heel wat beter dan zij het in zijn plaats zou hebben gedaan, dat had Gill Bellinger in elk geval goed gezien. Maar de ene dag had hij het natuurlijk wat zwaarder dan de andere. Hij was vaak... zwijgzaam. Er waren momenten waarop ze elkaar maar het best konden ontwijken, en dan kon ze niet wachten tot hij opsodemieterde naar Kentish Town om in z’n eentje chagrijnig te zitten wezen. Tom Thorne was nu eenmaal nooit het eeuwige zonnestraaltje geweest, en ze had genoeg over hem gehoord om te weten dat hij al ver voordat hij uit het team Moordzaken was gezet een humeurig stuk vreten was geweest. En dat zat haar niet al te veel dwars, want ze wist dat voor haar hetzelfde gold. Een politieman of -vrouw die niet wist wat een pesthumeur was, deed zijn werk niet goed. Het was alleen de vraag hoe je ermee omging, daar draaide het om. Bij wie of wat je steun zocht.
Die muziek van hem, dát was wel een probleem, de dooie honden en de verloren liefdes, maar uiteindelijk vormde dat maar een kleine bron van ergernis.
Helen probeerde zich te concentreren. De buurvrouw van het mishandelde kind die wilde weten waarom het zo lang had geduurd voor de politie iets had ondernomen. ‘We konden die arme stakker allemaal horen huilen,’ had ze gezegd.
De afgelopen dagen was de sfeer tussen hen zonder meer gespannen geweest, sinds die vrijdagavonddienst. Thorne had zich iets in zijn kop gehaald over die zelfmoorden en had er de pest over in dat hij zo stevig op z’n nummer was gezet, en het was duidelijk dat hij wel wat meer steun van haar had verwacht. Ze hadden elkaar niet meer gesproken sinds gistermiddag, toen hij was vertrokken naar zijn afspraak met Phil Hendricks. Ze keek op haar horloge. Waarschijnlijk lag hij zijn roes nog uit te slapen; het was de laatste vrije dag voordat hij weer aan het werk moest.
Wat meer steun...
Helen keek op en zag dat Gill Bellinger haar vanaf de andere kant van het kantoor gadesloeg. Ze richtte zich weer op haar scherm en bedacht dat als Thorne zich destijds niet ook iets in zijn kop had gehaald, ze hier misschien niet zou hebben gezeten.
En dat hij dan nog steeds het werk zou hebben gedaan dat hem lief was.
Ze zou hem tussen de middag bellen, besloot ze. Eens horen wat hij van plan was. Ze kon haar zus vragen of ze Alfie een paar uurtjes kon hebben en Thorne voorstellen om even langs te komen in Kentish Town, dan konden ze gaan eten in dat Indiase restaurant waar hij altijd over zemelde.
Een jonge rechercheur hield halt bij haar bureau op de terugweg van het herentoilet. Ze keek naar hem op en glimlachte.
‘Alles goed, Helen?’ vroeg hij.
Darmowy fragment się skończył.