Czytaj książkę: «Eline Vere: Een Haagsche roman»

Czcionka:

Louis Couperus

Eline Vere: Een Haagsche roman


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066084073

Inhoudsopgave

Hoofdstuk I.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

Hoofdstuk II.

I.

II.

III.

Hoofdstuk III.

I.

II.

III.

IV.

V.

Hoofdstuk IV.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII.

IX.

X.

XI.

XII.

Hoofdstuk V.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

Hoofdstuk VI.

I.

II.

III.

IV.

„De Fransche Opera.”

Hoofdstuk VII.

I.

II.

Hoofdstuk VIII.

I.

II.

III.

IV.

V.

Hoofdstuk IX.

I.

II.

Hoofdstuk X.

I.

II.

III.

IV.

Hoofdstuk XI.

I.

II.

Hoofdstuk XII.

I.

II.

III.

IV.

V.

Hoofdstuk XIII.

I.

II.

III.

Hoofdstuk XIV.

I.

II.

Hoofdstuk XV.

I.

II.

III.

IV .

V.

VI.

VII.

VIII.

Hoofdstuk XVI.

I.

II.

III.

IV.

Hoofdstuk XVII.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

Hoofdstuk XVIII.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

Hoofdstuk XIX.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

Hoofdstuk XX.

I.

II.

III.

Hoofdstuk XXI.

I.

II.

Hoofdstuk XXII.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

Hoofdstuk XXIII.

I.

II.

Hoofdstuk XXIV.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI .

VII.

VIII.

IX.

Hoofdstuk XXV .

I.

II.

Hoofdstuk XXVI.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII.

IX.

X.

Hoofdstuk XXVII.

I.

II.

III.

Hoofdstuk XXVIII.

I.

II.

III.

IV.

Hoofdstuk XXIX.

I.

II .

Hoofdstuk XXX.

I.

II.

III.

Hoofdstuk XXXI.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII.

Hoofdstuk XXXII.

I.

II.

Hoofdstuk XXXIII.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII.

IX .

X .

XI .

XII .

XIII .

Hoofdstuk XXXIV.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII.

IX.

X.

XI.

Hoofdstuk XXXV .

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

Hoofdstuk XXXVI .

I.

II.

Holland-Bibliotheek.

Hoofdstuk I.

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

Men verdrong zich in de, tot kleedkamer ingerichte, eetzaal. Voor een psyché stond Frédérique Van Erlevoort, met loshangende haren, zeer bleek onder een dunne laag poudre-de-riz, de wenkbrauwen als door een enkele penseelstreek zwarter getint.

—Haast je dan toch, Paul! We komen niet klaar! zeide ze, een weinig ongeduldig, met een blik op de pendule.

Voor haar knielde Paul Van Raat, en zijn vingers plooiden een langen, ijlen sluier, van goud en karmozijn, als een draperie om haar middel. De stof wolkte op het roze fond van haar onderkleed; haar hals en armen waren, sneeuwwit van de veloutine, vrijgelaten en flonkerden in den glans van, door elkander gestrengelde, snoeren en ketenen.

—O, wat een tocht! Hoû toch de deur dicht, Dien! gilde Paul een oude meid na, die bevracht met eenige japonnen, de kamer verliet. Door de open gelaten deur zag men gasten, gerokte heeren en licht gekleede dames; zij begaven zich langs de aralia’s en palmen van den corridor naar de groote suite; zij glimlachten om de oude meid en wierpen een steelschen blik naar binnen.

Allen schaterden om die verrassing, dien blik achter de coulisses; alleen Frédérique bleef ernstig, in het bewustzijn, dat zij de waardigheid eener antieke vorstin had op te houden.

—Haast je toch, Paul! sprak zij, bijna smeekend. Het is al over half negen!

—Ja, ja, Freddy, wees maar niet bang, je bent al klaar! antwoordde hij, en handig schikte hij eenige juweelen tusschen de gazige plooien harer draperie.

—Klaar? vroegen Marie en Lili Verstraeten, uit de kamer komende, waar de estrade was opgeslagen: een geheimzinnige verhevenheid, als uitgewischt in een halfduister.

—Klaar! antwoordde Paul. En nu, alsjeblieft kalmte! vervolgde hij, terwijl hij zijn stem verhief en gebiedend in het rond zag.

De vermaning was noodig. De drie jongens, de vijf meiden, die als kameniers dienst deden, liepen in het, met allerlei accessoires opgevulde, vertrek elkaâr in den weg, lachende, gillende, de grootste wanorde veroorzakend. Te vergeefs poogde Lili een gouden bordpapieren lier uit de handen te redden van den twaalfjarigen zoon des huizes, terwijl de beide bengels van neven op het punt waren tegen een groot wit kruis aan te klimmen, dat, in een hoek der kamer geplaatst, onder hun aanvallen reeds wankelde,

—Weg van dat kruis, Jan en Karel! Geef die lier op, andere Jan! brulde Paul. Zorg daar toch een beetje voor, Marie, en nu…. Bet en Dien hier, Bet met de lamp; Dien bij de deur; de anderen weg! Er is geen plaats meer; kijken in den tuin aan het raam van de groote zaal; daar zie je alles prachtig, uit de verte…. Kom, Freddy, voorzichtig, hier is je sleep….

—Je vergeet mijn kroon….

—Die zal ik je opzetten, als je gepozeerd bent. Kom, allons.

De drie verbannen meiden haastten zich weg te komen, de jongens hurkten neêr in een hoek der tooneelkamer, waar zij niet door het publiek gezien konden worden, en Paul hielp Freddy de estrade beklimmen.

II.

Inhoudsopgave

Marie, nog even als Lili niet gedrapeerd, sprak door het gesloten raam, met den vuurwerker, die in den besneeuwden tuin, in een dikken duffel, wachtte om het Bengaalsch licht af te steken. Een groote reflector was door het venster als een bleeke, lichtlooze zon zichtbaar.

—Eerst wit, dan groen, dan rood! riep Marie, terwijl de vuurwerker knikte.

De kamer was donker, slechts verlicht door de lamp, die Bet vasthield, terwijl Dien bij de porte-brisée der, nu verlaten, kleedkamer stond.

—Voorzichtig, Freddy, voorzichtig! sprak Paul.

Frédérique liet zich zeer behoedzaam in de kussens van het rustbed neêr; Paul schikte haar draperieën, haar kettingen, heur haren, haar diadeem, en strooide hier en daar een bloem.

—Is het zoo goed? vroeg zij met bevende stem, eene, van te voren bestudeerde poze aannemende.

—Je bent om te stelen, prachtig; nu Marie, Lili hier!

Lili wierp zich op den grond, Marie vlijde zich tegen de bank, met het hoofd aan Frédérique’s voeten. Vlug drapeerde Paul beide meisje in kleurige châles, sluiers, strengelde snoeren om haar armen, in heur haren.

—Marie en Lili, wanhopig kijken! meer wringen je armen, Lili! In wanhoop, meer in wanhoop! Freddy, jij meer smachten, je oogen omhoog, in je mond iets treurigs.

—Zoo?

Marie schaterde.

—Ja, zoo! Zoo is het beter; stil nu, Marie, alles klaar?

—Klaar! sprak Marie.

Paul schikte nog iets, een plooi, een bloem, in wantrouwen, of alles gereed zoû zijn.

—Kom, nu maar beginnen! sprak Lili, die zeer ongemakkelijk lag.

—Bet, breng de lamp weg; Dien, de deur dicht, en dan beiden hier, elk aan een kant van de porte-brisée!

Dit gebeurde, en zij bevonden zich allen met kloppende harten in het pikdonker, terwijl Paul aan het venster tikte, om zich daarna bij de jongens in den hoek te voegen.

Langzaam en weifelend ontvlamde het Bengaalsche licht tegen den reflector aan, de porte-brisée schoof statig open, een helle witte gloed verheerlijkte het tableau.

III.

Inhoudsopgave

Glimlachend en beleefd, terwijl de gesprekken eensklaps in een murmelend gegons overgingen, drongen zich de gasten in de groote suite en de serre een weinig naar voren, verblind door een zee van kleuren en licht. Heeren weken uit voor een paar lachende meisjes; op den achtergrond der zaal klommen jongelieden op stoelen, om beter te zien.

—„La mort de Cléopâtre!” las Betsy Van Raat aan mevrouw Van Erlevoort voor, die haar het programma had gereikt.

—Prachtig, magnifique! hoorde men van alle zijden.

In den witten gloed van het licht scheen het oude Egypte herschapen te zijn. Tusschen weelderige draperieën zag men iets als een oaze doorschemeren, een blauwe lucht, een paar pyramiden, een palmengroep. Op haar door sfinxen getorste rustbank lag Kleopatra, overgolfd door een vloed van lokken, den dood reeds nabij, terwijl zich een adder om heur arm kronkelde. Twee slavinnen wrongen zich in wanhoop aan haar voeten. De bonte droom eener oriëntalische pracht van enkele seconden, de poëzie der oudheid voor korte wijlen herlevend, onder de blikken eener moderne soirée.

—Dat is Freddy! sprak Betsy; beeldig, o beeldig! en zij wees mevrouw Van Erlevoort, wie al die weelde een weinig voor oogen schemerde, de stervende vorstin aan. Nu echter herkende de moeder haar eigene dochter in het bevallige, onbewegelijke beeld, ginds voor haar.

—En dat is Marie, en die andere, o, dat is Lili, onherkenbaar! Wat een prachtige costumes, wat een moeite! Ziet u, die draperie van Lili, dat violet met zilver, heb ik hun nog geleend.

—Hoe doen ze het! murmelde de oude dame.

De witte gloed van het licht weifelde, de deuren schoven dicht.

—Prachtig, tante, prachtig! riep Betsy tot mevrouw Verstraeten, de gastvrouw, die haar voorbij ging.

Tweemalen herhaalde zich de droom, eerst in zeegroenen glans, daarna in vuurrooden gloed. Onbewegelijk lag Freddy met den adder, en alleen Lili sidderde in haar gewrongen poze. Paul zag met een stralend gezicht uit zijn hoek toe; alles was goed.

—Wat ligt die Freddy stil! En alles zoo rijk en toch niet overladen! Iets als een schilderij van Makart! sprak Betsy, haar veeren waaier ontplooiend.

—De freule uw dochter is al heel gauw levensmoê, mevrouw! lispelde de jonge De Woude Van Bergh, zich tot mevrouw Van Erlevoort, de mama van Freddy, buigende.

IV.

Inhoudsopgave

Na de derde herhaling van den droom ging mevrouw Verstraeten in de kleedkamer. Zij vond er Frédérique en Lili, schaterend bezig zich van haren Egyptischen dos te ontdoen, zoekende naar de tallooze spelden, tusschen elke vouw. Paul en Marie, op hooge trappen, bijgelicht door twee der meiden, rukten Kleopatra’s boudoir uiteen. Dien beijverde zich neêrgeworpen draperieën en afgegleden kettingen op te rapen. De drie jongens rolden op een matras over elkaâr.

—Was het mooi, mama? vroeg Lili.

—Was het mooi, mevrouw? riep Frédérique tegelijkertijd.

—Prachtig mooi! Ze hadden het nog eens willen zien.

—Nog eens! Ik ben nu al half dood! riep Lili, en zij liet zich kwijnend, met geloken oogen, in een fauteuil neêr, terwijl ze er een grooten bundel van afgooide. Dien werd wanhopig: zóo zou zij nooit aan een eind komen.

—Lili, rust dan toch! riep Paul, boven op zijn trap, haar uit de andere kamer toe; je krijgt nu zoo een vermoeiende poze. Tante, zegt u toch aan Lili, dat ze moet rusten! en hij wierp eenige bonte tapijten van de koorden af, waarover zij geplooid hingen. Dien ging aan het opvouwen.

—Dien, witte lakens en witte tulle! riep Marie. Dien hoorde verkeerd en bracht verkeerd aan.

Ieder sprak, ieder beval en vroeg; de grootste wanorde begon te ontstaan. Paul roerde zich in wanhoop, zonder begrepen te worden, op de hoogste trede van de trap.

—Ik kan niet meer! sprak hij, neêrhurkend en woedend. Ik moet ook alles alleen doen!

Mevrouw Verstraeten was, na Pauls verzoek aan Lili herhaald te hebben, vertrokken om den knechts te zeggen, dat de jonge artisten niet vergeten mochten worden. De eersten kwamen dus weldra binnen, met groote bladen vol glazen wijn en limonade, gebak en sandwiches. De wanorde steeg ten top. De drie jongens lieten zich bedienen op hun matras, waarover een der Jannen een stroom orgeade goot. Toen stortte Marie op hen in een woede van woorden toe, en zij trok met Dien de matras onder hen weg, naar de andere kamer.

—Frédérique, help dan toch eens aan den achtergrond! riep Paul, steeds gehurkt, en met eene verwijtende stem. Hij had het reeds opgegeven meester te blijven over de drie jongens, die nu echter door oude Dien buitelend en gillend uit de kamer werden verdreven. Het werd een weinig rustiger, ieder was echter bezig, behalve Lili.

—Wat een rommel! sprak zij binnensmonds; en zij borstelde zittend heure haren uit, golvend en aschblond, om daarna van een grooten kwast een sneeuw van poeder op haar armen te doen vallen.

Dien kwam terug, ademloos, en het hoofd schuddende met een goedigen glimlach.

—Dien, witte lakens en tulle, gauw! riepen Freddy, Marie en Paul tegelijkertijd. Paul was van zijn trap afgeklommen, had het groote witte kruis, waaronder hij bijkans bezweek, op de estrade geplaatst en vlijde de matras en tal van kussens aan het voetstuk.

—Dien, witte lakens en tulle, alle tulle en gaas, dat er is! En Dien bracht het aan, met de andere meiden, wit, alles wit.

V.

Inhoudsopgave

Mevrouw Verstraeten was naast haar nicht, Betsy van Raat, gaan zitten. Zij was gehuwd met den ouderen broêr van Paul.

—Jammer, dat Eline niet is gekomen; ik had op haar gerekend, om de lange pauzes met wat muziek aan te vullen. Ze zingt zoo lief.

—Ze was waarlijk niet wel, tante. U begrijpt, hoe ’t haar spijt, ooms verjaardag niet te kunnen meêvieren.

—Wat heeft ze?

—Ach, ik weet niet, ze was zenuwachtig, geloof ik.

—Ze moet heusch niet zoo toegeven aan die buien. Met een beetje energie kom je die nervoziteit wel te boven.

—U weet het, tante, het is de ziekte van het jongere geslacht! zeide Betsy, met iets als een treurigen glimlach.

Mevrouw Verstraeten zuchtte, en schudde toestemmend het hoofd.

—A-propos, hernam zij. De meisjes zullen morgenavond zeker te moê zijn om naar de opera te gaan. Zoû je misschien onze loge willen hebben?

Betsy bedacht zich even.

—Ik heb morgen een dinertje, tante, maar toch wil ik de loge heel gaarne hebben. Alleen de Ferelijns en Emilie en Georges komen, maar de Ferelijns wilden vroeg weggaan, omdat de kleine Dora weêr niet wel is geweest, en dan zoû ik met Emilie en Georges een acte kunnen gaan hooren.

—Nu, dat is dan afgesproken. Ik zal je de kaartjes sturen! sprak mevrouw Verstraeten, en stond op.

Ook Betsy stond op. Georges De Woude Van Bergh wilde haar juist aanspreken, maar zij deed, alsof zij hem niet zag. Zij vond hem van avond onverdragelijk; reeds tweemaal had hij haar aangesproken en beide malen hetzelfde gezegd, iets over de tableaux. Gedecideerd, hij had geen conversatie. Morgenavond zoû zij hem ook al moeten genieten. Tantes loge was een uitkomst…. Haar man stond in de serre met een groep heeren, den heer Verstraeten, den heer Hovel, Otto en Etienne Van Erlevoort, die druk redeneerden, en hij luisterde toe, met zijn groot dik lichaam de bladeren eener palm verdrukkend, een ietwat dommen lach op zijn goedig gelaat. Ook hij ergerde haar; zij vond hem archi-vervelend, en een rok stond hem zoo slecht, niets chic! In zijn duffel zag hij er ten minste flink uit!

En zij vond gelegenheid even tot hem te zeggen:

—Spreek toch eens iemand aan, Henk. Je staat al den heelen tijd in dien hoek. Circuleer eens een beetje; je ziet er zoo uit, net of je je verveelt…. Je das zit scheef.

Hij stotterde iets en tastte aan zijn hals. Zij echter keerde zich om en was weldra te midden van een luidruchtig troepje, dat zich om freule De Woude geschaard had. Zelfs de melancholieke mevrouw Van Rijssel, Freddy’s zuster, had zich er bij gevoegd. Emilie De Woude was ongehuwd en droeg haar acht-en-dertig jaren met een benijdenswaardigen levenslust; haar aangenaam, opgewekt gelaat maakte een allerinnemendsten indruk. Zij geleek op haar veel jongeren broêr Georges, maar had iets joviaals, dat zeer afstak tegen zijn gemaniereerde stijfheid.

Uitgelaten vroolijk had Emilie een kleinen kring, toegelokt door de komische voordracht harer anecdoten, om zich verzameld. Zij was juist bezig te verhalen, hoe ze verleden op de bevroren sneeuw gevallen was voor de voeten van een heer, die haar onbeweeglijk had staan aankijken, inplaats van haar op te beuren.

—Verbeeld je, mijn mof links, mijn hoed rechts, ik in het midden, en daar stond hij, met open mond, naar me te kijken….

VI.

Inhoudsopgave

Er klonk een belletje; Emilie staakte haar verhaal en vloog uit haar auditorium weg, om naar voren te komen. Men verdrong zich voor de, zich opschuivende, porte-brisée.

—Ik kan niets zien! sprak Emilie, zich op haar teenen verheffend.

—Komt u hier op mijn stoel, freule! riep, achter haar een jong meisje, dat, in een crême toiletje, boven de anderen uitstak.

—Je bent een dot, Toos, heerlijk! Ik kom. Mag ik even passeeren, mevrouw Van der Stoor; uw dochter redt me uit den nood.

Mevrouw Van der Stoor, een dame, die onder pseudoniem gedichten schreef, week bits glimlachend uit. Zij was een weinig gefroisseerd door Emilie’s sans-gêne, zijzelve deed geen poging om beter te zien.

Emilie en Cateau Van der Stoor stonden weldra samen op een stoel, elkander om het middel vasthoudend.

—O, wat mooi! riep Emilie, en zij werd stil van wat zij zag. Uit de baren eener schuimende zee van gaas verrees een ruw, als uit wit marmer gehouwen kruis, waaraan een slanke witte vrouw zich in doodsgevaar vastklampte, terwijl haar voeten door een tulle golf werden oversproeid. En haar vingeren wrongen zich krampachtig vast aan de Rots der Eeuwen.

—Het is Lili! hoorde men hier en daar.

—Wat is die Lili elegant! fluisterde Emilie tot Cateau. Maar hoe zoû ze daar zoo hangen! Hoe houd ze het uit!

—Ze ligt heelemaal in kussens, maar het is toch erg vermoeiend, zeide Toos. Je ziet natuurlijk niets van die kussens, freule.

—Natuurlijk niet! Het is heel mooi, ik heb nooit zoo iets poëtisch gezien…. Zeg eens, Toos, ik dacht dat je meê zoû doen?

—Ja freule, maar alleen in het laatste tableau met Etienne Van Erlevoort. Nu moet ik langzamerhand weg, om mij te gaan verkleeden.

Zij wipte van haar stoel. Het licht weifelde, de deuren schoven dicht. Een licht applaus klapte als op ongelijke handslagen door de zaal. Maar weldra herhaalde zich het witte vizioen van schuimend gaas, en een engel boog zich met roerenden blik over den breeden arm van het kruis, om de bezwekene, die nu met geloken oog daartegen lag, op te heffen.

Het applaus weêrklonk krachtiger.

—Marie kan zich natuurlijk weêr niet ernstig houden! sprak Emilie, haar hoofd schuddend. Ze schatert het straks uit.

Werkelijk trilde er iets zeer ongepast spotachtigs om het fijne mondje van den engel, terwijl zijn roerende blik eenigszins komiek werd onder een paar zenuwachtig opgetrokken wenkbrauwen.

VII.

Inhoudsopgave

Hoewel men het den artisten aanzag, dat zij moê waren, daar niemand zich onbewegelijk hield, werd het laatste tableau met tal van toejuichingen ontvangen. Viermaal, vijfmaal moest het herhaald worden. Het was eene allegorische voorstelling der Vijf Zinnen, voorgesteld door de vier jonge meisjes, rijk gedrapeerd in zware stoffen,—goud- en zilverlaken, brokaat en hermelijn—en door Etienne, den jongsten broêr van Frédérique, die in een minstreelgewaad het Gehoor voorstelde.

Het was nu gedaan.

Met de lange pauzes, die de artisten zich veroorloofd hadden, was het twee uren geworden, en de heer en mevrouw Verstraeten ontvingen de dankbetuigingen der gasten, die afscheid namen.

—Blijft u nog soupeeren, met Cateau? zeide mevrouw Verstraeten zachtjes tot mevrouw Van der Stoor. Heel familiaar.

Mevrouw Van der Stoor vond echter, dat het te laat zoû worden; zij wilde alleen nog op haar dochter wachten.

De artisten hadden zich zoo spoedig mogelijk verkleed en traden de zaal binnen, waar zij nog van de laatste gasten eenige complimenten over spel en smaak opvingen. Emilie had zich bij dien zegevierenden intocht aan de piano gezet, en ontbeukte er de akkoorden eener fanfare aan. Zij bleef als intieme huisvriendin met Van Raat en Betsy soupeeren.

—Morgen kom je toch, niet waar, Toos; morgenmiddag, om twee uur, komt de fotograaf! riep Marie.

Het was dan Donderdag, maar Cateau zou niet naar school gaan, om uit te slapen, en om twee uur zou zij komen.

Afgetobd vielen de artisten neêr in de gemakkelijke stoelen der ruime serre, waar een koud souper verscheen, een kalkoen, slâ, een taart, champagne.

—Wat was het mooist? Wat was het mooist? riepen zij allen.

En een ieders opinie werd gewikt en gewogen, bestreden en toegejuicht, onder een algemeen gerammel van borden, gekletter van vorken en lepels, geklink van glazen, vol en spoedig leêg.

Hoofdstuk II.

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

Om halfdrie keerden de Van Raats van het souper terug naar het Nassauplein. Hun huis was stil, de knecht en de meiden waren naar bed. Terwijl Henk zijn sleutel in den zak stak, en den bout dwars voor de huisdeur lichtte, stelde Betsy zich onwillekeurig haar slapenden jongen voor, roze, met gesloten vuistjes, in zijn wit bedje. Zij nam de bougie, van den pijler der trap, en ging naar boven; hij met zijn couranten de eetkamer in. Het gas brandde er, schemerflauw, een verkleinde waaiervlam.

Zoo ook in haar kleedkamer. Zij draaide de kraan open waardoor zich het licht snel uitbreidde, en trok haar bonten rotonde van de schouders. In den kleinen haard wrong zich stuiptrekkend een vurige tong, als van een heraldischen leeuw. Er zweefde door het vertrek iets als de lauwheid van een warm bad, vermengd met den zoeten geur van Violettes de Parme. Even zag zij in de aangrenzende donkere kamer naar het witte bed van haar kind om, begon zich toen, zuchtende, te ontkleeden en liet de kanten japon, als een wolk van zwart, haar heupen afglijden. De deur werd geopend, en Eline kwam, een weinig bleek, binnen, in een wit flanellen peignoir, met los hangend haar.

—Zoo Elly, nog niet naar bed?

—Neen; ik…. heb wat zitten lezen. Heb je je geamuzeerd?

—O zeker, het was alleraardigst. Ik wou alleen, dat Henk niet zoo ondragelijk vervelend was. Hij zegt geen stom woord, en zit met zijn bête gezicht aan zijn horlogeketting te morrelen, tot ze gaan whisten, in de pauzen.

Eenigszins driftig zette Betsy den eenen voet achter den anderen, en schopte een schoentje uit, van goudleêr, met kralen.

Eline rekte zich, kwijnend.

—Heb je gezegd aan mevrouw Verstraeten, dat ik ongesteld was?

—Ja, maar zusje, je weet, als ik ’s avonds thuis kom, verlang ik naar mijn bed. Morgen de rest, vindt je niet?

Eline wist, dat haar zuster, ’s avonds thuiskomende, of zij zich geamuzeerd had of niet, immer in een licht korzelige stemming was, een ergernis, veroorzaakt door den lust zich zoo spoedig mogelijk te ontkleeden.

Toch had Eline even den aandrang met een bits woord te antwoorden, maar gevoelde oogenblikkelijk daarop er zich te loom en ontzenuwd voor. Zij roerde zacht met de lippen Betsy’s wang aan, en liet haar hoofd, geheel onwillekeurig, op den schouder harer zuster neêr, in een onbedwingbaar verlangen naar teederheid.

—Ben je heusch ziek, hè, of….?

—Neen. Alleen een beetje…. een beetje lui…. Adieu.

—Slaap lekker.

Eline ging, loom en bevallig in haar witten peignoir. Betsy raapte den kanten japon op, en ontkleedde zich verder.

II.

Inhoudsopgave

In de gang kreeg Eline het onbewuste gevoel van buiten de deur gezet te zijn, dat haar, zeer vaag, onaangenaam aandeed. Den geheelen avond, toegevende aan een gril van loomheid en verveling, had zij alleen gezeten, en langdurige eenzaamheid deed haar spoedig melancholiek worden, en naar een schertsend woord en het bijzijn van anderen verlangen. Besluiteloos bleef zij een oogenblik in het donker staan, en ging, in hare behoefte naar eenige aanspraak, tastende de trap af, de eetkamer binnen.

Henk had zijn rok op de bank neêrgegooid, en stond zich, in vest en hemdsmouwen, zijn traditioneelen grog klaar te maken. Heete wasem wolkte het glas uit, terwijl hij den ketel weêr op de vuurstoof plaatste.

—Zoo meisje! groette hij met zijn joviale stem, en innemende goedmoedigheid speelde in zijn soezige, blauwgrijze oogen en om zijn zwaar en blond beknevelden mond. Heb je je niet erg verveeld, zoo geheel verlaten?

—Wel een beetje. Misschien jij nog meer? vroeg zij, hem behaagziek toelachend.

—Ik? Wel neen. Integendeel, de tableaux waren heel aardig. Wijd zijne beenen uit-een zettende, slurpte hij behagelijk aan zijn gloeienden grog.

—Is de peuter stil geweest?

—Ja. Hij is niet wakker geworden. Blijf je nog op?

—Even de couranten inzien. Maar waarom ben jij nog niet naar kooi?

—Ach…. zoo maar….

Zij rekte zich weer kwijnend voor den spiegel, en wond zich, met opgeheven armen, het loshangende haar tot eene glanzend bruine wrong. Zij gevoelde eene behoefte hem veel en vertrouwelijk te verhalen, zocht naar iets, maar vond in hare leêge, verdroomde gedachte geen enkel onderwerp, geen enkele grief. Zij was gaarne in tranen losgebarsten, in de overmaat eener, niet al te scherp vlijmende, smart, alleen om zijne zachte, zware stem haar te hooren troosten. Maar zij vond niets en bleef zich kwijnend rekken.

—Is er wat, hé? Hè meisje? Kom vertel eens, is er wat?

Starend schudde zij het hoofd van neen, Neen er was niets.

—Nou, maar je kan het mij gerust vertellen, hoor!

—Ach…. ik heb een beetje het land.

—Waarover?

Zij kreunde even in eene behaagzieke pruilerij.

—Ach…. ik weet niet. Ik ben wat zenuwachtig, al den heelen dag.

Hij lachte, met zijn zachten, vollen, diepen lach.

—Jij met je zenuwen! Kom, zusje, wordt nu weêr vroolijk, hé? Je bent zoo een gezellige meid, als je wat vroolijk bent, je moet je niet aan die buien overgeven….

Hij gevoelde, dat zijne welsprekendheid niet toereikende was om haar dit verder te betuigen, en dus besloot hij, schertsend:

—Wil je een grogje, zus?

—Dank je…. Ja, een slok uit je glas.

Zij wendde zich tot hem, en lachende onder zijn blonde knevels, hief hij het wasemende glas aan hare lippen. Toen zag hij door de half gesloten oogleden een traan glinsteren, dien zij tegenhield. En eensklaps, als besloten, zette hij zijn glas neêr, en vatte haar de handen.

—Kom, meisje, vertel eens, daar is wat, er is wat gebeurd met Betsy, of…. kom, anders ben je zoo vertrouwelijk met me.

En hij blikte haar verwijtend toe met zijn soezigen, dommen blik, als van een goedigen New-Foundlander.

III.

Inhoudsopgave

Toen, toen barstte zij los, en, door snikken onderbroken, stroomden de klachten voort, schijnbaar zonder aanleidende oorzaak, verteederd als zij was geworden door zijne stem en zijn oog. Het was eene onhoudbare behoefte zich te uiten. Wat had zij aan haar leven, voor wie was zij eenigszins van nut! De handen in elkaâr gewrongen, liep zij het vertrek op en neêr, immer klagende, klagende. Het zou haar niets kunnen schelen binnen een uur te sterven; alles was haar het zelfde; alleen dat doellooze, nuttelooze bestaan, zonder iets waaraan zij zich met hare geheele ziel kon wijden, werd haar te zwaar.

Henk sprak tegen, eenigszins verlegen met de scène, die toch niets anders was dan eene bekende, een periodiek terugkomende scène. Hij praatte over Betsy en Ben, hun jongen, over hemzelven; hij had het op de lippen haar te spreken van een eigen huishouden, dat de toekomst haar zou toebeschikken, maar iets als eene kiesche aarzeling hield hem hiervan terug. Zij, op deze tegenwerpingen, schudde het hoofd, een boudeerend kind gelijk, dat het verlangde niet krijgt en het aangebodene weigert, en woest wierp zij op eens haar hoofd tegen zijn schouder en snikte daar, een arm om zijn dikken nek geslingerd. Zoo klaagde zij voort met lossamenhangende zinnen, in haar nervoziteit geprikkeld door een avond eenzaam gemijmer in een overwarme kamer, steeds terugkomende op haar doelloos leven, dat zij voortsleepte als een vervelenden last, en er klonk iets in hare stem als verweet zij dit alles aan hem, aan Henk, aan haar zwager. Hij, zeer verlegen, ontroerd door de geurige warmte dier omhelzing, die hij toch niet al te teeder mocht beantwoorden, verbrak dien hobbelenden stroom van gebroken zinnen alleen met een paar banale troostwoorden.

Langzaam, langzaam aan, op den vollen, zachten toon zijner zware stem, liet zij hare melancholie wegwiegelen, als eene wemeling van rozenbladeren op een vliet.

Eindelijk zweeg zij, loosde een zucht, maar bleef met haar hoofd op zijn schouder rusten. Nu zij bedaarder werd, vond hij het gepast, zich wat boos te maken over haar onverstand…. Wat een lariflang was dat toch! Wat een onzin! Wat drommels, wond ze zich toch altijd zoo op….

—Neen, Henk, waarlijk….! begon ze, en hief haar vochtigen blik tot hem.

—Meisje, je zeurt met je doelloos leven, en al dat moois meer. Waar haal je toch die dingen vandaan? We houden immers allemaal van je….

En, bij de herinnering zijner onuitgesproken gedachte van zoo even, ging hij voort:

—Een jonge meid…. en dan praten van een doelloos…. Zus, je bent dol!

Toen, als gekitteld door zijne gedachte, en bovenal meenende, dat de filozofie genoeg geduurd had, schudde hij haar op eens met schertsende woestheid bij heur armen, en kneep haar in den treurenden mond. Lachend stribbelde zij tegen; de uitbarsting had in haar iets als een verbroken evenwicht hersteld. Toen beiden eenige oogenblikken daarna samen de trap opgingen, moest zij een schatergil onderdrukken, daar hij haar plotseling tilde en droeg, terwijl zij, bevreesd, dat hij zoude struikelen, half smeekte, half beval:

—Kom Henk, laat los, hoor! Wees nu niet zoo dwaas, Henk, laat los, Henk!

Hoofdstuk III.

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

Eline Vere was de jongste der beide zusters, donkerder van haar en oogen, slanker, minder rijk van vormen. Haar schaduwvolle, zwartbruine blik, bij de geämberde bleekheid van haar tint en het kwijnende van sommige heurer gebaren, gaven haar iets van een loome odàliske, die droomde. Die schoonheid verzorgde zij zeer, als een dierbaar juweel, dat men laat fonkelen en flonkeren, en deze aanhoudende zorg deed haar als verlieven op wat zij bevalligs aan zich vond. Minuten lang kon zij zich spiegelen, glimlachend met de fijne punt van den roziggenagelden vinger de lijn van wenkbrauw en wimper streelend, zich de oogleden een weinig amandelvormig vertrekkende, of heure bruine haren woest om zich heen warrelende, in de houding eener schalke zingara. Haar toilet verstrekte haar eene onophoudbare moeite, een voortdurende, zeer ernstige overpeinzing, waarbij zich lichte kleuren met sierlijke vormen harmonieerden tusschen het emailachtige tintelen van satijn en het in warme schakeeringen wisselen van peluche, omwolkt door eene apotheoze van tulle en gaas, mousseline en kant. De lichte druppel, trillende onder de facetten van den brillant aan haar ringvinger, wekte, met den verwelkenden geur van een sachet, eene aangename gewaarwording van fijne weelde, iets zeer vrouwelijks en weeks in haar op.

II.

Inhoudsopgave

Eenigszins droomerig en romantisch van natuur dacht zij zich soms, in loome buien, met zekeren wellust, hare kinderjaren terug, en stapelde zij allerlei kleine heugenissen uit dien tijd op elkaâr, als dierbare reliquieën. Dan verfrischte en verfraaide zij, willens en wetens, die verflauwde heugenissen met idealistisch-teêre tint. Van tijd tot tijd zich ze weder voor den geest roepend, vergat zij wat historisch, wat fantastisch er aan was, en kon, met stellige zekerheid, de eene of andere nietige epizode van vroeger dagen, aldus gepoëtizeerd, verhalen. Betsy, met practischen waarheidszin, dong aanstonds, of zij er zeker van was of niet, op alles, wat slechts naar verheerlijking zweemde, af, en Eline, in eene behagelijke melancholie, onderscheidde meestal, na zulke terechtwijzingen, zoowel de eerste kiem, als de latere fantastische bloem harer voorstelling.

Zij herinnerde zich haar vader, een schilder, een fijn-artistieken geest, zonder kracht tot scheppen, zeer jeugdig gehuwd met een oudere, hem overheerschende vrouw, zich gedrukt gevoelende onder die heerschzucht, terwijl zijn fijn-bezenuwd gestel, gelijk een edel snaarspeeltuig, getrild had onder haar te ruwe beroering, zooals dat van Eline nu somtijds trilde onder die der zuster. Zij herinnerde zich dien vader, met zijn tint als vergeeld ivoor en zijne bloedelooze doorschijnende vingers, lusteloos en loom neêrliggende, zich in de geestkracht zijns denkens plannen van groote werken scheppend, en die van zich werpend na een eerste penseelstreek. Zij was eenigszins zijne kleine vertrouweling geweest en zijn krachteloos genie had in haar oogen de vlucht genomen van dat eens poëtischen, madonna-malenden Rafaëls, met dwepende oogen en lange lokken. Hare moeder had haar steeds een stille vrees ingeboezemd, en de herinnering der illuzie-verdrijvende nietigheden des dagelijkschen levens, die zich aan deze moeder meer verbond dan aan dien vader, maakte het Eline onmogelijk haar in gedachte te idealizeeren.

Zij herinnerde zich, na den dood haars vaders, jong gestorven in de ontevredenheid van een mislukt leven, na dien harer moeder, plotseling door eene immer dreigende hartkwaal getroffen, hare jeugd onder de hoede eener verweduwde tante en zachte voogdes. Ouderwetsch, mager en recht, met treurige, regelmatige trekken, als de ruïne eener schoone vrouw, herinnerde zij zich die voor een groote spiegelruit vier glinsterende breinaalden, in regelmatig, beverig menuet, met twee dorre handen, te hebben zien bewegen. Zij leefde daar in die groote kamer, in eene zachtkens ontzenuwende en weeke welvaart, in iets geurigs en fluweelachtigs, het mollige Deventersch onder de voeten, een vlammend blokkenvuur in den haard, en een, met fantastische ooievaren en scharlaken pioenrozen bekleurd, geel zijden Japansch tochtscherm voor de deur.

De beide zusters, daar aan elkanders zijde ontwikkeld, onder de lessen eener zelfde opvoeding, in eene zelfde omgeving, hadden twee aan elkaâr evenwijdige gemoedslevens in zich laten ontkiemen, wier zijden echter bij het rijpen der jeugd naar de eischen van twee verschillende temperamenten afweken. In Eline, die, van een loom en lymfatisch gestel, behoefte gevoelde aan teederen steun en zachtkoesterende warmte, en wier zenuwen, fijn als de vezelen eener bloem, zelfs in hare weeke, als met fluweel gecapitonneerde omgeving dikwijls nog door den minsten tegenstand te ruw werden beroerd en te hevig geprikkeld, ontwikkelde zich uit angst eene terughoudendheid, die haar gemoed vulde met duizenden kleine grieven van heimelijk verdriet. Overvol geworden stortte zich dit dan uit met een enkele bruisende golf. In Betsy’s volbloediger leven ontkiemde, bevorderd door Eline’s behoefte aan steun, een streven naar overheersching, waardoor zij haar psychisch bestaan bijna geheel in het wezen der, als was zoo ontvankelijke, zuster kon dringen, welke hierbij, na een eersten schok, toch rust en voldoening vond. Maar noch Eline’s vrees haar fijn bezenuwd gestel te zullen wonden, noch Betsy’s heerschzuchtig egoïsme hadden ooit tot eene tragische crisis aanleiding gegeven, daar beider scherpe omtrekken, in de zachtblauwe atmosfeer harer omgeving, zich afstompten en wegdoezelden in een effen grijze tint.

III.

Inhoudsopgave

Later, na eenige bals, waar Eline zich op hare witte satijnen voetjes, in iets bezwijmelends van geur en licht, glijdend had laten medevoeren door een zachten dwang van haar cavaliers, en zich door slepende driekwartsmaten, als door teugen champagne had laten bedwelmen, later was zij tweemalen ten huwelijk gevraagd geworden, en had zij beide malen bedankt. Van die aanzoeken behield zij de herinnering als van twee gemakkelijke triumfen, die toch een kalmen glimlach van eigenwaarde verwekten, en de heugenis der eersten vermocht zelfs somwijlen haar een lichten zucht te ontlokken. Toen had zij Henri Van Raat ontmoet, en sedert verbaasde zij zich vaak, hoe die goede lobbes, zooals zij hem noemde, die toch zoo weinig op den held harer droomen geleek, zooveel sympathie in haar verwekte, dat zij dikwijls, plotseling, naar zijn bijzijn verlangen kon. Die harer droomen had iets van het geïdealizeerde beeld haars vaders, van Ouida’s romanhelden, en niets van Van Raat, met zijne, in de volbloedigheid van een te sanguinisch gestel, wegsoezende luiheid, zijn zachte, domme, grijsblauwe oogen, zijn trage spraak en dikken lach. En toch was er iets in zijn stem, in zijn blik, dat haar aantrok, in zijne vertrouwelijke gemoedelijke wijze van zijn, dat haar van steun sprak, zoodat zij soms het vage verlangen gevoelde, haar hoofd als moede op zijn schouder te leggen. En ook hij gevoelde, met zekeren hoogmoed, dat hij iets in haar leven was geworden.

Die hoogmoed verdween echter aanstonds, zoodra Betsy hem nader kwam. Bij Eline’s zuster gevoelde hij zulk een zedelijke minderheid, dat hij meermalen haar radde en luchtige scherts met nog tragere spraak en nog dikker lach dan gewoonlijk beantwoordde. Zij vond er een verfijnd genot, vol wreedheid, in, hem dan uit te lokken tot gezegden, die zij, met een weinig valsch vernuft, als zeer weinig complimenteus wist te doen voorkomen, om ze hem daarna, met een tintelende ondeugendheid, voor de voeten te werpen. Hij verontschuldigde zich, zoekende naar zijn zinnen, somwijlen nog niet goed vattende, wat zijne onbeleefdheid geweest was, of zich verwarrende in armzalige wendingen, ten einde haar van zijne goede meening te overtuigen. Dan schaterlachte zij luid, en die volle, gezonde lach, klaterend in spottend gevoel van meerderheid, hitste hem nog meer aan dan de teedere, als naar steun tastende bekoring van Eline’s wezen. Deze was de bekoring eener weenende, zoet lonkende sirene, die, met een kwijnenden kreet van verlangen, haar loome armen uit het blauw der baren beurt, en weêr door die baren machteloos wordt meêgevoerd; gene, die eener thyrsos zwaaiende Bacchante, welke met strengelende wijngaardranken hem zocht te omstrikken, of hem driest, in dartelen, prikkelenden overmoed, haar vollen beker in het gelaat wierp.

IV.

Inhoudsopgave

En zoo was het iets geweest, waarvan hij zich nooit zuiver rekenschap had kunnen geven, hoe hij op een avond, in de groene koelte eener flauw verlichte serre, Betsy eensklaps verzocht had zijn vrouw te worden, geheel op eens, met een paar doorslaande zinnen. Hij had alleen dien avond gevoeld dat hij niets anders vermocht als gemagnetizeerd door iets bevelends in Betsy’s wezen, dat hem tot die verklaring dwong. Zij, kalm, zonder aarzeling, had aangenomen, er voor zorgende, dat de, in haar gemoed bruisende, blijdschap over het vooruitzicht nu meesteresse in een eigen omgeving te zullen worden, zich onder die kalmte schuil hield. Zij verlangde naar een andere atmosfeer, dan de deftige mufheid der groote kamer met de gladde spiegelruiten, het oude Deventersch, den vlammenden haard, en de ooievaren en pioenrozen op het Japansche scherm.

Maar Henk had, toen Eline hem, eenvoudig en vriendelijk, geluk gewenscht had, een verbaasdheid en ontevredenheid gevoeld over zijn eigen daad, die hem geen woorden deden vinden bij de zusterlijke betuigingen van het jonge meisje.

En Eline, zonder er bewust van te wezen, ruw door al dit onverwachte aangegrepen, school, uit plotselingen angst voor Betsy, in hare melancholische terughoudendheid weg, terwijl zij sedert, zich toch hare meerdere zwakheid bewust, het overheerschende streven der zuster met een zeer prikkelbaren hoogmoed poogde te bestrijden, in die overheersching niet meer de rust en voldoening van eertijds weêrvindend.

V.

Inhoudsopgave

Henk en Betsy waren een jaar gehuwd, toen tante stierf. Betsy was bevallen van een zoon. Hij, op aandrang van zijn vrouw, had in dien tijd naar eene betrekking, eene bezigheid gezocht, daar hij Betsy met zijne kalme, goedmoedige luiheid soms verveelde, als een trouwe hond, dien men steeds aan zijne voeten vindt liggen, en die, bij ongeluk, dikwijls getrapt wordt. Ook hijzelve koesterde een onduidelijk denkbeeld, dat een jonge kerel, trots zijn fortuin, toch iets moest uitvoeren. Intusschen, gevonden had hij niets en zijn ijver was ook zeer verminderd, sedert Betsy zelve niet meer op zijn zoeken aandrong. Heel lastig maakte hij het haar immers niet, daar hij des morgens, bijna iederen dag, in den fyzieken aandrang van zijn groot lichaam naar eenige ontspanning der spieren, paard reed, nagerend door zijn twee grijze Ulmerdoggen; des middags, door zijn vrouw geprest, visites met haar maakte, of, ontslagen van dezen plicht, de sociëteit bezocht, terwijl zij des avonds samen veel uitgingen, naar soirées en comedies, waar Henk door zijn fladderend vrouwtje werd medegesleept als iets lastigs, maar iets geheel onmisbaars. Hij schikte zich in dit hem te woelige leven; hij gevoelde geen kracht zijn wil tegenover dien van Betsy te stellen, en vond het rustiger zich aan te kleeden en zijne vrouw te volgen, dan den huiselijken vrede te verstoren door een strijd van tweeërlei verlangens. En hij genoot van den zeer enkelen avond, dien zij thuis, alleen, doorbrachten, en die hem, in zijne aangeboren neiging naar gezelligheid, vulde met een lauwen wellust; die hem, op het einde, verliefder deed worden, dan wanneer hij zijne vrouw, buiten zijn bereik, op een soirée had zien tintelen van scherts en vroolijkheid. Dan werd hij wrevelig, en zeide, in eene boudeerende stilte, geen woord bij het huiswaarts keeren. Zij echter, op dien enkelen avond, verveelde zich gruwelijk, werd slaperig in den suizenden gloed van het gas, en ergerde zich, met een boek op de canapé liggende, aan haar man, die de illustraties van het leesgezelschap bezag, of minuten lang op zijn kopje thee zat te blazen. In zulk een oogenblik gevoelde zij een onweêrstaanbaren aandrang van wreedheid hem aan te sporen, toch in ’s hemelsnaam naar eene bezigheid om te zien, waarop hij, ietwat verbaasd, zóo uit zijn wellust geschud te worden, met dikke, lijmerige zinnen antwoordde. Zij echter was innerlijk zeer gelukkig; zij vond het heerlijk zooveel aan haar toilet te kunnen bekostigen, als zij maar verkoos, zonder tot op een cent nauwkeurige berekeningen, als tante haar had laten doen, te behoeven te maken; en zij overdacht somwijlen bij het einde der week met een zaligen glimlach, dat zij geen dag des avonds waren thuis gebleven.

Eline intusschen had in een melancholische eenzaamheid dat jaar bij tante Vere doorgebracht, droomerig starende door de groote spiegelruiten of op de Japansche ooievaren en pioenrozen, een enkele maal door Betsy meêgevoerd in haar zwier van vermaken. Zij had veel gelezen, vooral bekoord door Ouida’s weelderige, van kleurengloed en Italiaansch zonlicht flonkerende, fantasmagorie eens geïdealizeerden levens, hel en bont als een schitterende caleidoscoop. Zij las de Tauchnitz-editions, tot de deeltjes, uitgeput door den greep harer vingeren, los uit zichzelve vielen, met krullende bladen, aan een enkelen draad. Ook bij tantes ziekbed, waar zij, met een gevoel van romantische voldoening, waakte, en zich een slapeloozen nacht afsloofde met duizend kleine zorgen, las zij ze, en las zij ze weêr. In de atmosfeer der ziekekamer, doorgeurd met een geëtherizeerden medicijnreuk, kregen de deugden en begaafdheden der edele helden, de smettelooze schoonheden der hellebooze en hemelreine heldinnen eene onwederstaanbare bekoring van lokkende onwaarheid; en Eline voelde zich vaak door een hartstochtelijk verlangen aangegrepen, om te logeeren in een dier oude Engelsche kasteelen, waar graven en hertoginnen elkaâr met eene hoffelijke etiquette zoo elegant beminden, en elkander rendez-vous gaven in den maneschijn van een eeuwenoud park, als in een electrisch lichteffect, tusschen het vaag blauwgroene geboomte van tooneelcoulisses.

Tante stierf, en Henk en Betsy verzochten Eline haar intrek in hun huis te nemen. Maar zij weigerde eerst uit eene vreemde treurigheid, waarin zij als versmolt bij de gedachte aan de verhouding tusschen haar zwager en hare zuster. Toch kwam zij deze melancholie met eene buitengewone inspanning van wilskracht te boven, als met een forschen zwaai van vleugels. Zij had zich immers altijd verbaasd over de geheimzinnige aantrekkingskracht, welke haar naar Henk verlangen deed; nu hij de man harer zuster geworden was, rees er eensklaps zulk eene, door alle wetten van fatsoen en gewoonte gebouwde, hindernis tusschen hen op, dat zij zich zonder gevaar aan zusterlijke sympathie kon overgeven, en ze vond zich dus zeer kinderachtig, uit herinnering aan vervlogen, nooit begrepen gevoelens, te weigeren van hun aanbod gebruik te maken. Daarbij kwam dat haar toeziende voogd, oom Daniël Vere, wonende te Brussel, ongehuwd en te jeugdig was om het jonge meisje huisvesting te kunnen aanbieden.

Zoo zette Eline dus haar bezwaren op zij, en schertsend de voorwaarde bedingende, dat zij eene kleinigheid, maandelijks, zou mogen bijdragen in het huishouden, nam zij haar intrek bij heur zwager. Henk had deze bijdrage geweigerd, ofschoon Betsy hare schouders had opgehaald, met de verklaring, dat zij, in Eline’s plaats, ook zoo zou willen doen, om zich vrij en onafhankelijk te gevoelen. Uit haar ouderlijk erfdeel trok Eline een jaarlijksch inkomen van ƒ2000; zij behield deze som dus geheel en al en wist zich met grooten, door tantes zuinigheid aangeleerden, takt hiervan even elegant te kleeden als Betsy, die slechts te putten had uit een vollen buidel.

En er waren drie jaren, eentonig, met de zelfde winter- en zomervermaken voorbijgegaan.

Hoofdstuk IV.

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

Toen Eline den morgen na heure uitbarsting van verdriet beneden kwam, om te ontbijten, was Henk reeds de deur uit, op weg naar den stal, waar zijne paarden en tevens zijne beide, door Betsy niet in huis gedulde, Ulmerdoggen verzorgd werden. Zij vond alleen den kleinen Ben, die, eentonig neuriënd, met zijn korte breede vingertjes vet van boter, aan een boterham zat te plukken. Betsy hoorde ze zeer bedrijvig rondloopen en ernstige beraadslagingen houden met Grete, een vinnige keukenmeid. Dien middag kwamen Frans en Jeanne Ferelijn en freule De Woude Van Bergh, met haar broêr, dineeren.

Eline zag er frisch en helder uit, in eene eenvoudige matinée: een rok van drie groote volants en een effen corsage, beide van een donkergrijze, wollige stof, die glad over het corset spande, het midden omsnoerd en omstrikt met een grijs zijden lint als ceinture; aan haar hals een klein flikkerend gouden pijltje. Zij droeg geen ringen, geen braceletten: zij had iets zeer gewild eenvoudigs en jonkvrouwelijk stijfs. Op het voorhoofd en in den nek kroezelden wat fijne lokjes als uitgerafelde zijde.

Vriendelijk, terwijl zij hem bij de deur reeds toelachte, knikte zij den jongen toe, en achter hem gekomen, pakte zij zijn dik hoofdje tusschen beide handen, om er, wat bevreesd voor zijn boterige vingertjes en lipjes, een flinken zoen op te drukken.

Toen ging zij zitten, met een tevreden gevoel over hare verzorgde bevalligheid, in haar hersteld gemoedsevenwicht aangenaam gestemd door de lauwe warmte van de kachel, terwijl de sneeuw neêrviel in een donzige stilte. Onbewust glimlachend, wreef zij zich haar blanke, witte handen en bezag haar rozige, witgepunte nagels, om daarna behagelijk naar buiten te zien, waar eene fruitvrouw, in tweeën gebogen, mager als een riet, hoekig, in een vuile grijze shawl een kar, met besneeuwde sinas-appels voortduwde. Behagelijk ook, met iets egoïstisch verheugds, dat de zaak haar niet zou deeren, hoorde zij, zich een broodje snijdend, naar een twist tusschen Betsy en de vinnige meid, luide bevelende betuigingen en korte brutale tegenwerpingen, die tegelijkertijd opklonken tusschen het gerammel van ijzeren pannen, of het porceleinen geklater van een driftig neêrgeplaatsten stapel borden.

Betsy kwam binnen, met een ontevreden uitdrukking in haar, onder zware wenkbrauwen tintelende, oogen, haar korte, vleezige lippen nijdig samengetrokken. Zij droeg een stapeltje kristallen dessertschaaltjes, die zij nu zelve wilde wasschen, daar Grete, de keukenmeid, er een gebroken had. Voorzichtig, trots hare verbittering, zette zij het stapeltje neêr, vulde een spoelkom met lauw water, zocht naar een kwast.

—Die drommelsche meid….! Verbeeld je, een van mijn fijne schaaltjes. Dat gaat ze waarachtig met kokend water wasschen. Het is ook altijd zoo, als je die lomperts wat toevertrouwt.

Hard, met een ruwen nadruk klonken haar woorden. Wrevelig duwde zij Ben, die haar in den weg stond, opzij.

Eline, zeer bereidvaardig in haar aangenaam humeur, wilde aanstonds helpen, wat Betsy, gestreeld, gaarne aannam. Zij beweerde nog veel te doen te hebben, maar liet zich intusschen op de bank neêrvallen en zag toe, hoe Eline voorzichtig de schaaltjes éen voor éen afkwastte en in de plooien van een theedoek droogde, met kleine, bevallige gebaren, zonder hare vingers te bevochtigen of een droppel te storten. En zij gevoelde het verschil tusschen hare eigene bruisende bewegelijkheid, ontsproten uit haar rijke gezondheid, en Eline’s elegance, gemengeld met iets als eene vrees zich te zullen vermoeien of te bezoedelen.

—A-propos, gisteren bij de Verstraetens hoorde ik, dat ze van avond niet naar de opera gingen, om uit te rusten van de tableaux; tante vroeg, of ik de loge wilde hebben. Heb je lust te gaan?

—Naar de opera? En je gasten?

—Jeanne Ferelijn wilde vroeg weg, omdat haar kind weêr koû heeft gevat, en ik woû Emilie en haar broêr vragen, of ze meêwillen. Henk kan thuis blijven. Je weet, het is een loge van vier.

—Het is mij wel. Heel goed.

Tevreden over zichzelve zette Eline het laatste schaaltje, doorglanzend met fijn geslepen punten, neêr, en de spoelkom weg toen er in de keuken een twist uitbarstte, doorkletterd met de zilveren ritseling van een neêrgesmeten bundel lepels en vorken. Grete was met Mina, de werkmeid, aan den gang. Betsy repte zich en weldra volgden ruwe bevelen en brutale tegenwerpingen elkaâr op, als in een snellen dialoog.

Ben was intusschen, eenigszins soezig, met een open mond, op de plek blijven staan, waar zijn moeder hem heengeduwd had, vol van een stille vrees voor al dat rumoer daarbuiten.

—Kom Ben, ga je meê naar tantes kamer? vroeg Eline en glimlachend strekte zij haar hand naar hem uit. Hij kwam nader en beiden gingen de trap op.

Op de eerste verdieping bewoonde Eline twee kamers, gescheiden door een portière: een slaapkamer en een ruim boudoir. Met een verfijnde zuinigheid en takt had zij deze vertrekken een aanzien van weelde weten te geven, waarover iets als een artistiek waas lag. Het was er bont en vol, terwijl een gewilde wanorde hier en daar natuurlijke stillevens vormde. Haar piano stond schuin in een hoek. Een lage divan, overdekt met een Perzische stof, was overlommerd door een volbladige aralia. Een kleine schrijftafel was overladen met tallooze kleine voorwerpen van weelde. Beelden, platen, veêren, palmen vulden alle hoeken. De roze marmeren schoorsteen was bekroond met een Venetiaansch spiegeltje, door roode koorden en kwasten als opgebeurd. Een Amor en Psyche, naar Canova, in biscuit, vormde daar een groep van een, zich overgevende, ontsluierde jonkvrouw en een minzieken gevleugelden god.

Toen Eline met Ben binnenkwam, streelde de rossige gloed van den haard heur aanstonds de wangen. Zij wierp het kind eenige verscheurde, uit hun banden hangende, prachtwerken toe, om het bezig te houden; en het nestelde zich op den divan, onder de aralia. Eline trad even haar slaapkamer binnen, waarvan de ramen nog eenige smeltende ijsbloemen vertoonden, fijn geëtst, als in kristal.

Als een apotheoze van tulle en kant stond daar een toilette-duchesse, grillig omgeven met de satijnen cornets van oude balbouquetten, en overladen met flacons en coupes van porcelaine-de-Sèvres en kristal. Tusschen al dit wit en roze schitterde de spiegel als gepolijst metaal. Het ledikant verschool zich achter roode draperieën; een breede psyché, dwars in een hoek, ving in zijn glas een groote watering van licht op.

Even zag Eline rond, of de meid alles naar behooren had geschikt; toen, huiverend in de kilte van het juist geluchte vertrek, ging zij opnieuw haar zitkamer in en sloot de deur. Het was er zeer behagelijk in die iet of wat orientalische weelde, terwijl van buiten de sneeuw een schelwitte weêrkaatsing naar binnen schoot.

II.

Inhoudsopgave

Eline voelde haar keel vol melodie. Zij zocht dus, in een aandrang zich te uiten, tusschen haar muziek, en koos de wals van Mireille. Zij zong ze met variaties van zichzelve, met lange points-d’orgue, fijn uitgesponnen als zwellende glazen draden met jubelende trillers, als die van den leeuwerik in haar lied. Zij vergat de sneeuw en de koude daarbuiten. Toen kreeg zij een gewetenswroeging bij de gedachte, dat zij in geen drie dagen gestudeerd had, en zij zong gamma’s, fileerde haar hooge tonen of zocht de smelting van een moeilijken overgang te volmaken. En het metaal van haar stem klonk glansrijk op, een weinig koud maar helder, vol kristal en parelen.

Ben, hoewel gewend aan dit gejubel, dat het geheele huis doortrilde, bleef toch met open mond luisteren, zonder zijne illustraties verder om te bladeren en opschrikkende bij de doordringende schelheid van een hooge si of do.

Eline begreep nu zelve niet, waarom zij den vorigen dag zoo treurig was geweest. Hoe was die bui van melancholie toch komen aandrijven, zonder eene bepaalde aan te duiden oorzaak; hoe weggezweefd, eveneens zonder een alles overstroomende vreugde? Nu voelde zij zich opgewekt, vroolijk, gezond; het speet haar gisteren niet de tableaux te hebben gezien, waarvan zij gaarne door Betsy meer had hooren vertellen, en zij vreesde zeer, dat de heer en mevrouw Verstraeten haar ongesteldheid niet ernstig zouden hebben opgenomen. Die goede, gezellige meneer Verstraeten, altijd vol vroolijkheid en gekheid, en die lieve mevrouw! En zij dacht, steeds voor haar piano, nu een roulade, dan een paar voorslagen studeerende, aan andere lieve menschen, die zij kende. Ze vond goede eigenschappen in al haar kennissen: in de Ferelijns, Emilie De Woude, de oude mevrouw Van Raat, mevrouw Van Erlevoort, ook in mevrouw Van der Stoor. Cateau was een poetje. En zij betrapte zich op het idée, wel eens met dien komedietroep te willen meêdoen: ze vond dat Frédérique, Marie, Lili, Paul en Etienne een uitstekende levensopvatting hadden, altijd vroolijk samen, vol plannen van pretjes. Het was wel aardig zich te laten bewonderen, mooi gedrapeerd. En Paul had een lieve stem, ze vond het heerlijk duo’s met hem te zingen, en ze vergat, dat ze een paar dagen geleden aan haar zangmeester had gezegd, dat hij hoegenaamd geen klank in zijn orgaan had.

Ze was dus aangenaam gestemd en ze zong een tweede wals, die van Juliette uit Gounods opera. Ze dweepte met Gounod!

Het was half elf, toen er geklopt werd aan haar deur.

—Binnen! riep ze en liet, omziende, haar fijne vingers rusten op de toetsen.

Paul van Raat trad de kamer in.

—Bonjour Eline. Dag, kleine rakker.

—Zoo, Paul!

Zij stond op, eenigszins verbaasd hem te zien. Ben liep naar zijn oom toe en trok zich aan zijn beenen op.

—Wat kom je al vroeg. Ik dacht, dat je vanmiddag zou komen zingen. Maar daarom ben je niet minder welkom, hoor! Ga zitten, en vertel mij van de tableaux! riep Eline opgetogen…. toen, zich bedenkende, dat zij den dag te voren ongesteld was geweest, hernam ze kwijnend:

—Het speet me vreeselijk, dat ik gisteren zoo ziek en akelig was. Vreeselijke hoofdpijn….

—Ik kan het je niet aanzien.

—Heusch, Paul! Denk je, dat ik anders niet was gekomen om je talent te bewonderen? Kom, vertel me, vertel me alles! en zij trok hem meê naar de sofa, vanwaar zij de prachtwerken afwierp.

Paul had zich eindelijk bevrijd van Ben, die, aan zijn handen hangend, zich op de hielen liet wiegelen.

—Kom, laat los, Ben, dikke jongen! En is de hoofdpijn nu over?

—O ja, heelemaal. Ik ga vanmiddag meneer Verstraeten nog feliciteeren, en mijn excuses maken. Maar Paul, vertel me nu….

—Ik kwam je juist vertellen, dat ik van middag niet kom zingen, hoor Elly. Ik heb geen toon in mijn stem; gisteren heb ik zóó moeten brullen en brommen, dat ik er schor van ben. Maar we hebben veel succes gehad….

En hij begon honderd uit te vertellen over de tableaux. Het waren zijn idées en veel was zijn handenarbeid geweest, o.a. het kladderen van de achtergronden; maar ook de meisjes hadden een maand lang zwaar werk gehad met de costumes en duizenden kleinigheden. Dien middag zou Losch komen om fotografies te nemen van de laatste groep; zelfs al was hij dus op stem geweest, had hij niet kunnen komen zingen. En daarbij gevoelde hij zich zôo stijf; hij had gewerkt als een timmerman, maar de meisjes zouden zeker ook wel uitgeput zijn. Gepozeerd had hij niet; hij had het reeds zoo druk met de organizatie der voorstelling gehad.

Hij liet zich een weinig achterover vallen in de Perzische kussens der sofa, overlommerd door de aralia, en streek zich met de hand over het haar. Het trof Eline, hoe hij op Henk geleek, ofschoon hij tien jaar jonger, slanker en levendiger was, fijner besneden van gelaat en verstandiger van blik. Maar een enkel gebaar, een optrekken der wenkbrauwen, deed die gelijkenis soms treffend uitkomen, en al waren zijn lippen dunner onder zijn blond kneveltje, dan die van Henk, onder zijn dikken snor, toch lachte hij met den zelfden trek en de zelfde volle diepe zachtheid van zijn broêr.

III.

Inhoudsopgave

—Waarom neem je toch geen goede schilderles, Paul? vroeg Eline, als je toch talent hebt….

—Dat heb ik juist niet! lachte hij. Het zou de moeite niet loonen. Ik klodder zoo wat, precies zooals ik wat galm. Het is allemaal niets.

En hij zuchtte om zijn gemis aan energie om zijn onbeduidende talentjes tot iets hoogers te ontwikkelen.

—Je laat me denken aan papa, sprak zij, en er trok een waas van weemoed over haar woorden, toen het gepoëtizeerd beeld haars vaders voor haar blik verrees….—Hij had bepaald buitengewoon veel talent, maar zijn gezondheid was in den laatsten tijd te zwak, dan dat hij iets groots kon scheppen. Ik herinner mij, dat hij juist aan een kolossaal doek bezig was, een scène uit Dantes Paradiso, geloof ik, juist toen…. toen hij stierf. Arme papa! Maar jij, je bent nog jong en flink, ik begrijp niet hoe je niet verlangt om wat te doen, iets groots, iets bizonders.

—Je weet, dat ik bij Hovel werken ga; oom Verstraeten heeft het voor mij bedisseld.

Hovel was advocaat en procureur en daar Paul inderdaad nog al vroeg, na een afwisseling van hard blokken en lang luieren, in de rechten gepromoveerd was, had oom Verstraeten gemeend den jongen meester een dienst te doen, door hem zijn vriend aan te bevelen. Paul zou dus op Hovels kantoor werken, tot hij zichzelven als advocaat zou vestigen.

—Bij Hovel? Een heele beste man! Ik mag zijn vrouw heel gaarne. O, maar dat zal uitstekend zijn, Paul!

—We zullen hopen!

—Maar zie je, als ik een man was, zou ik maken, dat ik beroemd werd. Kom Ben, wees nu niet lastig, ga nu de mooie plaatjes kijken, hier op den grond! Zou je het niet heerlijk vinden beroemd te zijn? Zie je, als ik niet Eline Vere was dan werd ik actrice!

En zij galmde een roulade uit, die van haar lippen viel als een ris diamanten.

—Beroemd!—minachtend haalde hij de schouders op. Neen, dàt vind ik zoo een kinderachtig idée! Beroemd te zijn! Dat kan me niets schelen! Maar ik zou wel goed willen schilderen of… goed willen zingen, soit.

—Maar waarom neem je dan geen les, hetzij in schilderen, hetzij in de muziek? Wil ik mijn meester vragen?

—Dank je, laat dien brompot van een Roberts er maar buiten. En daarbij, waarlijk Eline, het is de moeite niet waard, ik zou toch niet kunnen volhouden in het een of ander. Ik heb vlagen, rages, weet je en dan meen ik alles te kunnen doen, dan zoek ik groote onderwerpen voor een schilderij…

—Zooals papa, glimlachte zij weemoedig.

—En dan ben ik vol ijver om van mijn stem te maken, wat er van te maken is, maar heel gauw branden die mooie plannen uit als afgestoken lucifers.

—Je moest je schamen.

—Ik ga mijn geniale aspiraties in proceszaken wegstoppen, weet je! antwoordde hij lachend opstaande. Maar nu moet ik gauw naar de Princessegracht, naar de Verstraetens. Je rekent dus niet op me, van middag. We moeten nu nog het een en ander gereed maken, vóor Losch komt. Adieu, dag Eline, dag Ben, dikke peuter.

—Bonjour, beterschap met je schorheid.

Paul ging en Eline zette zich weder aan haar piano. Een korte pooze mijmerde zij er over, hoe jammer het was, dat Paul zoo weinig energie toonde, en dit deed haar weêr aan Henk denken.

Maar ze gevoelde zich te opgeruimd om veel te peinzen en te filozofeeren, en zij zong, vol van een weelde, die zich klaterend moest uiten, tot het belletje van twaalf uur haar en Ben naar beneden riep.

IV.

Inhoudsopgave

Paul had zijn moeder gewaarschuwd, dat hij dien middag niet thuis zou komen koffie drinken, daar hij dit bij de Verstraetens dacht te zullen doen. Hij woonde met mevrouw Van Raat in de Laan van Meerdervoort samen. Zij, eene oudere zuster van mevrouw Verstraeten, was eene deftige dame met peinzende, lichtblauwe oogen, met eenigszins ouderwets opgemaakt, zilvergrijs haar, en met een waas van berusting en vermoeidheid over geheel haar wezen verspreid. Daar het loopen haar moeilijk begon te worden, zat zij meestal neêrgebogen in haar gemakkelijken stoel met hoogen rug, het matte grijze hoofd gezonken op de borst, en de blauwgeaderde handen in de schoot gevouwen. Zij leefde nog een stil, eentonig bestaan voort, na een kalm en tevreden, bijna wolkeloos leven aan de zijde van haar echtgenoot, op wiens portret zij vaak de doffe oogen sloeg, zooals het ginds, in generaals-uniform, goed geschilderd, vóor haar hing: een knap, fiksch, open gelaat, met een paar trouwe, verstandige oogen, en een innemenden trek om den vastgesloten mond. Het leven had haar weinig groote smarten aangebracht en zij was er, in de kleine poëzie van haar eenvoudig geloof, God dankbaar voor; maar toch, nu was ze moê, zeer moê, onherstelbaar getroffen door den dood van dien man, welken zij tot het laatst had aangehangen met een genegenheid, kalm als een rimpelloos meer, waartoe het bruisen harer jeugdige liefde vervloeid was. Toen was zij een weinig gaan tobben, meestal over duizenden nietigheden, dagelijks terugkeerende kleine beslommeringen met haar meiden en haar leveranciers, hetgeen zich in hare gedachte alles aaneenschakelde tot een keten van last. Zij gevoelde het, ze werd oud, en het leven kon haar weinig meer geven, en ze vermijmerde zich met een stil egoïsme in de vervlogen poëzie van haar weleer.

Zij had drie kinderen gehad; haar jongste, een meisje, was gestorven.

Van haar beide zonen beminde zij Henk het meest, die forsch en groot haar uiterlijk het meest aan zijn vader liet denken, terwijl zijn soezige goedmoedigheid, in haar oogen, meer naar de ronde, oprechte flinkheid van dezen zweemden, dan Pauls fijner bezenuwde wispelturigheid en vleugellooze genialiteit. Paul was haar steeds nu te onrustig, dan te nerveus geweest, zoowel vroeger, in zijn telkens afgebroken juridische studiën te Leiden—eindelijk, dank zij een weinig moreelen dwang van oom Verstraeten, met een promotie bekroond,—als nu, wanneer hij ’s avonds laat uit bleef, rages had van schilderen, tableaux-vivants en duetten of van luierend nietsdoen, waarin hij een geheelen middag over een sofa hing, met een boek, dat hem verveelde.

Vóor Henk gehuwd was, had hij, rustiger en huiselijker dan Paul, zich ook beter kunnen schikken in het huis zijner oude moeder; al was hij stil, zijn zwijgen had haar nooit geërgerd: het was als de gezellige stilzwijgendheid van een trouwen New-Foundlander, die met zijn slaperige oogen over haar waakte. Zij gevoelde zich zoo veilig bij haar Henk. Zij hield van geen eenzaamheid, waarin haar het verledene te rooskleurig bij het grijze heden voor den geest placht te trekken, en Paul zag zij zelden anders, dan in haast dineerende, daar hij een afspraak had, of zich vervelende op zijn eigen kamer. Uitgaan deed zij daarbij zelden, ongewend geworden aan de woelende drukte der straten, of de gonzende conversatie van vele menschen te zamen.

Henk was haar lieveling, en zij betreurde, door den nevel harer tobberigheid, waar het haar zoon aanging scherp en helder ziende, zijn huwelijk met Betsy Vere. Dat was nooit een vrouw geweest voor haar kind, en zij had hem ook niet van harte haar toestemming en moederlijken zegen kunnen geven, toen hij haar zijn voornemen had meegedeeld. Toch had zij den geliefden zoon niet in die keuze willen tegenstreven, bevreesd anders wellicht zelve tot zijn ongeluk mede te werken; zij had dus met een verloochening van gewone oprechtheid, een verloochening, die haar somwijlen zelve verbaasde, haar afgunst voor de indringster verborgen en deze ontvangen als een dochter. Intusschen, zij bleef een zwaar hoofd hebben in de toekomst van Henk: zij had mevrouw Vere een weinig gekend; driftig en heerschzuchtig was deze haar steeds een onaangename persoonlijkheid geweest en deze dochter deed haar veel aan die moeder denken. Ofschoon Henk, in haar oogen, een veel vaster en flinker karakter bezat dan Vere, dien zij zich slechts doodsbleek en met zware hoofdpijn kon voorstellen, terwijl zijn vrouw voor hem dacht en handelde, ofschoon Henk, naar zij meende, de ronde flinkheid van zijn vader had, en zich niet zou laten bedillen, gelukkig, gelukkig als zij met Van Raat was geweest, zou hij nooit met Betsy wezen. En zij zuchtte bij die gedachte met vochtig oog; heur moederlijke liefde deed haar, trots haar moederlijke blindheid, als door een onfeilbaar instinct iets van de waarheid gissen, en zij had gaarne heur vroeger geluk gegund aan haar zoon, om in zijn plaats te hebben geleden.

Met dwalende gedachten had zij nu gezien, hoe Leentje, de meid, in de andere kamer de ronde eettafel voor de lunch had gedekt, voor haar alleen, en met een matte berusting zette zij zich neêr, loodzwaar gedrukt onder een hatelijke verlatenheid. Morgen zou zijn als heden; het leven was haar een uitgebloeide zomer geworden en bleven herfst en winter ook stormenloos, zij brachten dorre melancholie en kille lethargie over. Waarom leefde zij nog….?

En ze gevoelde zich zoo moede onder het gewicht dier versuffende eenzaamheid, dat zij Leentje niet eenmaal de les las over haar ruwheid, ofschoon zij toch een porseleinen vleeschschaal in het oog kreeg, waarvan de rand bij het vatenwasschen zeer gekarteld was geworden.

V.

Inhoudsopgave

Vroeger dan zij placht uit te gaan, ging Eline dien middag naar de Verstraetens. Het was in de laatste dagen van November en een strenge winter was vroeg ingevallen. Het vroor; de sneeuw knarste, nog onbezoedeld en blauwig-blank, onder Eline’s lichten, regelmatigen tred, maar liever zocht haar voet de gladheid der schoongemaakte trottoirs. De fijn geschoeide handen in het kleine mofje verschuilend, soms van onder haar witte tulle voilette een kennis, vriendelijk glimlachend, toeknikkende, nam zij haar weg door de Javastraat naar de Princessegracht. Ze gevoelde zich nog zeer opgeruimd in haar elegant, met bruin bont omzoomd, wintertoilet en in haar aangename gemoedsstemming, zelfs niet verbroken door een kleinen twist met Betsy, welke haar verweten had, hoe zij Grete werk liet doen, dat Mina paste. Zulke kleine oneenigheden waren tegenwoordig geene zeldzaamheid, echter steeds tot groote ontstemming van Henk, wien niets zoo tegenstond als die lichte uitbarsting van huiselijk gekibbel.

Eline had zich echter Betsy’s opmerking weinig aangetrokken en deze met minder bitsheid dan gewoonlijk beantwoord; zij wilde zich niet door zulke nietigheden uit haar goed humeur laten brengen, het leven was er haar te lief voor….

En dankbaar, dat zij zich ingehouden had, sloeg zij de Javastraat om.

Bij de Verstraetens vond zij nog een ongewone wanorde. Dien gaf haar niet-thuis, maar Eline verbrak het consigne en drong door in de groote suite, waar zij mevrouw aantrof, die zich verontschuldigde over haar peignoir. Losch, de fotograaf, was, half bedekt onder het groene kleed van zijn toestel, bezig de reeds gepozeerde groep der Vijf Zinnen te beschouwen. De meisjes, Etienne en Paul, lachten Eline toe, en zij zeide, na mevrouw haar excuses gemaakt te hebben, hoe heerlijk zij het vond nog iets van de tableaux te kunnen zien. Maar het tafereel maakte in het kille, door den besneeuwden tuin weêrkaatste, daglicht, niet meer dien indruk van gloed en weelderig kleurgeflonker als den vorigen avond in een verheerlijking van Bengaalsch licht. De draperieën hingen slap en verkreukeld, het goudlaken van Frédérique had een vaal verlepte tint; haar hermelijn bleek molton te zijn, met zwarte wol opgewerkt. Etienne’s blonde pruik was een weinig uit de krul. Tevergeefs maande Losch aan een weinig vriendelijk te kijken: Lili, als de Reuk, lag half te sluimeren in haar kussen.

—Ik geloof, dat er niet veel van komen zal, zeide Marie, terwijl Losch aan haar draperie schikte; maar Toosje Van der Stoor had er wel idée op, en bleef liggen, onbeweeglijk, met een onuitstaanbare kramp in haar middel, door heur moeielijke poze.

Eline was, om de gepozeerde artisten niet af te leiden, naar de serre gegaan en zette zich neêr bij den heer Verstraeten, dien zij nog met zijn verjaardag feliciteerde. Hij legde zijn boek uit de handen en zijn bril af, terwijl hij met zijn tintelende, bruine oogen vol welgevallen het elegante meisje beschouwde.

—Weet u wel, sprak ze, terwijl zij het, met bont omzoomde, manteltje loshaakte; weet u wel, dat ik eigenlijk jaloersch ben van dat troepje daar ginds. Je ziet ze maar altoos samen, altijd vroolijk, vol van allerlei plannen en pretjes…. Ik voel me heusch oud bij ze….

—Verbeeld je! antwoordde mevrouw lachend, terwijl zij in haar peignoir achter een stoel bleef staan; je bent even oud als Marie, drie-en-twintig, niet waar?

—Ja mevrouwtje, maar ik ben niet zoo bedorven geweest als Marie en Lili worden, en ik geloof, dat ik het me toch zoo goed zou hebben laten welgevallen! Ach, u weet, vroeger bij ons, toen ik nog een kind was…. papa was meestal ziek en dat maakte ons natuurlijk stil, en later bij tante Vere…. tante was een allerliefste vrouw, maar veel ouder dan papa en vroolijk was zij niet….

—Je mag geen kwaad spreken van tante Vere, Eline! zeide de heer Verstraeten; ze was nog een oude vlam van me….

—O, en u mag niet met haar spotten; ik hield dol veel van haar, ze was ook een tweede moeder voor ons, en toen ze, na die lange ziekte, stierf, voelde ik mij verschrikkelijk verlaten, als alleen op de wereld…. Ziet u, dat alles heeft me nu juist geen erg vroolijke jeugd gegeven! en ze glimlachte met een weemoedig trekje, terwijl haar oogen, bij de gedachte aan wat zij gemist had, vochtig werden. Terwijl, als je Paul en Etienne en de meisjes ziet, dat is altijd een gelach en een vroolijkheid…. heusch om er jaloersch van te worden. Die Toos is ook een lief kind.

Men hoorde de artisten van de estrade springen. Losch was klaar. Paul en Etienne kwamen met Freddy, Marie en Cateau in kostuum de serre binnen, terwijl Lili naar bed ging, afgewonden door de drukte der twee laatste dagen.

—Dag juffrouw Vere, sprak Cateau en reikte Eline haar hand. Eline gevoelde plotseling een onbeschrijflijke, onberedeneerde sympathie voor dat kind, zoo eenvoudig en onbewust-innemend, en ze moest haar aandoening, terwijl ze opstond om heen te gaan, verbergen door Cateau met een brusk gebaar, al spelende, te omhelzen.

—Dag schat! zeide ze dwepend. Kom mevrouwtje, ik ga u verlaten, u zal nog veel te doen hebben, nu de drukte is afgeloopen. Alleen…. heb ik Betsy beloofd u de kaartjes te vragen voor de opera…. Zou ik ze mogen meênemen, als u ze bij de hand heeft?

VI.

Inhoudsopgave

Het was nog vroeg, even over halfdrie, en het kwam Eline in de gedachte, hoe zij in vele dagen de oude mevrouw van Raat niet had opgezocht, ofschoon zij wist, dat deze veel van haar hield en gaarne des middags iemand ontving, om een praatje te kunnen maken. Henk ging zijn moeder trouw iederen morgen bezoeken, nadat hij gereden had en de twee, door zijn vrouw verbannen, Ulmerdoggen renden ongestraft de trappen van het huis zijner moeder op. Betsy zag deze zelden: Betsy zag wel in, dat mevrouw Van Raat haar weinig genegen was. Eline had haar hart weten te winnen, door een zekere, allerinnemendste wijze, waarop zij met oude dames omging, iets in haar toon van spreken, in haar kleine attenties, iets als een geur van eerbied, die der oude vrouw weldeed.

Eline ging weêr terug door de Javastraat naar de Laan van Meerdervoort, en vond mevrouw Van Raat alleen, in haar hoogen stoel, de handen gevouwen in den schoot. En zij scheen het jonge meisje een beeld van zóo groote, onuitgesproken treurigheid toe; er zweefde over de rijke, versleten meubels zulk een waas van vervlogen gezelligheid; er hing in den corridor, in het vertrek zulk een atmosfeer van weemoed; er lag over de plooien der donkergroene ripsen gordijnen zulk een nevel van melancholie, dat zij zich bij haar binnentreden beklemd om het hart voelde, als was het leven de moeite niet waard. Waarom waarom….?

Toen deed zij zich geweld aan. Zij verzamelde die gedachten, waarin zij des morgens zoo opgeruimd was geweest, zij glimlachte en nam in haar toon dien vagen eerbied, met iets van liefde en medelijden, aan, en zij sprak opgewekt over Paul, over het diner van dien middag en de opera…. en zij beloofde mevrouw Van Raat eenige boeken te sturen, lieve, lichte lectuur, waarin men de wereld door roze glaasjes bekeek.

Het deed haar pijn zoo te ratelen, terwijl zij gaarne met de oude vrouw had willen schreien, in een sympathie van weedom, maar zij hield zich goed, en durfde zelfs een ernstiger onderwerp aan te vatten; zij keurde het, steeds met haar lieven, eerbiedigen toon af, dat mevrouwtje zooeven, toen zij binnen was gekomen, vochtige oogen had gehad en dit nu niet wilde erkennen; zij was niet nieuwsgierig, maar zij zou haar zoo gaarne willen troosten, zoo ze kon; had mevrouwtje haar niet wel eens meer als confidente beschouwd..?

Zij doelde op klachten over Betsy, op andere, kleinere beslommeringen, maar raakte ze niet verder aan.

En de oude vrouw schudde, reeds getroost en met een lachje, het hoofd; waarlijk zij had niets, zij gevoelde zich alleen maar wat verlaten; ach, het was, geloofde zij, dat ze zich verveelde; ze stelde in weinig meer belang, maar dat was haar eigen schuld, niet waar? Andere oude menschen lazen geregeld de courant, hielden zich op de hoogte, zij niet; maar Eline was toch een lieve meid; waarom geleek Betsy niet een beetje op haar, hé?

En ze begon, levendiger, te verhalen, over haar jeugd, over haar lieven man; daar hing zijn portret….

Het was over vieren, toen Eline zich haastte weg te komen; het begon donker te worden en het dooide en de duisterende wolken schenen op haar te zullen vallen en haar te doen stikken…. Die oude vrouw was gelukkig geweest, zeer gelukkig…. verbeeldde zij zich dat, of was het waarheid? En zij, Eline, was nu reeds niet gelukkig; o, hoe zou ze zich gevoelen, wanneer ze ook oud was, en leelijk en verschrompeld! Dan zou ze zelfs geen herinneringen hebben, om zich te troosten, dat het geluk bestond, voor haar bestaan had, dan zou alles droeviggrijs zijn, grijs als die lucht! O God, waarom te leven, zoo niet gelukkig?

—Waarom, waarom? fluisterde ze en ze haastte zich, daar ze zich verkleeden moest vóor het diner.

VII.

Inhoudsopgave

Het zou een eenvoudig, huiselijk dinertje zijn. Om halfzes kwamen de Ferelijns en kort na hen Emilie met Georges. Betsy ontving ze in den salon en vroeg Jeanne naar het kindje.

—Ze is nu veel kalmer, mijn kleine meid, ze heeft tenminste geen koorts meer, maar toch, geheel beter is ze niet. Dokter Reijer was nog al tevreden. Ik vind het heel lief, dat je ons gevraagd hebt: ik heb waarlijk behoefte eens uit al die soesah te zijn, maar door mijzelve kom ik er niet toe. Alleen, je ziet, ik heb vertrouwd op je gezegde, dat het heel intiem zou zijn en er mij dus niet voor gekleed.

Zij keek een weinig ongerust van haar eigen eenvoudige, zwarte japon naar Betsy’s grijs satijnen toilet.

—Er komt werkelijk niemand meer dan, hier, Emilie en haar broêr, dien ik een beleefdheid wilde doen. Maar je hadt mij gezegd vroeg naar huis te willen gaan, en wij gaan dan later even naar de opera, in de loge van oom Verstraeten. Maak je dus niet ongerust, je hebt groot gelijk gehad, zoo te komen.

Henk kwam binnen, in zijn huisjasje, met zijn joviaal, vriendelijk gezicht en dit stelde Jeanne nog meer gerust dan Betsy’s verklaring. Emilie, ruischende van de gitten, en levendig als altijd, kende zij goed, en alleen Georges maakte op haar, in de onberispelijkheid van zijn frac en zijn gardenia, een indruk van gegeneerdheid.

Frans Ferelijn was, als Oost-Indisch ambtenaar, met verlof voor herstel van gezondheid in Holland gekomen en zijn vrouw was een oude schoolkennis van Eline en Betsy.

Jeanne scheen een eenvoudig vrouwtje, zeer stil en gebukt onder haar huiselijk verdriet. Zwak, mager en van een bloedarmoedige bleekheid, met een paar zachte bruine oogen, was haar de moederlijke zorg voor drie ziekelijke kinderen bij bekrompen geldmiddelen te zwaar en zij had een onbedwingbaar heimwee naar Indië, waar zij geboren was, waar zij het eenzame leven in de binnenlanden lief had. Zij leed van de koude en telde de maanden, die zij nog in Holland zou moeten doorbrengen. Aan Emilie verhaalde zij, hoe zij bij Temanggoeng in de Kadoe gewoond hadden,—Frans was controleur 1e klasse,—temidden eener menagerie van Cochinchina-kippen, eenden, duiven, een Hollandsche koe, die zooveel liter melk gaf per dag, twee geiten en een kakatoe,—als Adam en Eva in het Paradijs, merkte Emilie op;—hoe zij des morgens haar Perzische rozen en haar mooie crotons verzorgde en in den groentetuin zelve haar groenten voor dien middag uitzocht, en hoe haar kinderen in Holland aanstonds waren begonnen te sukkelen en te hoesten. Het is waar, ze zagen wel bleek in Indië, maar ze behoefde daar toch niet te vreezen voor elk tochtje, voor elke deur die open stond. En zij betreurde zeer haar baboe, Saripa, die zij uit economie had moeten achterlaten. Nu was zij in dienst bij andere menschen op Samarang, maar zij had beloofd, dadelijk weêr tot haar te komen, zoodra zij in Indië terug waren, en Jeanne zou haar uit Holland eenige mooie katoentjes voor kabaia’s medebrengen.

Emilie luisterde vriendelijk toe, en maakte haar goed aan het praten; zij wist, hoe die herinneringen uit Indië Jeanne vermochten te wekken uit haar gewone stilte. Betsy vond haar ongeschikt in een groot gezelschap, en vroeg haar dus slechts alleen, met haar man, soms met een paar goede kennissen. Eigenlijk vond zij haar vervelend en onbeduidend, meestal slecht gekleed en zeurig, maar toch meende zij, dat deze opinie niet uitsloot haar een enkele maal intiem te vragen, Jeanne uit medelijden, Emilie voor de vroolijkheid en Georges, om zijn kaartje met een invitatie te reciproceeren.

Terwijl Frans Ferelijn met Henk over zijn aanstaande promotie tot assistent-rezident sprak, en Georges, na een paar frazen aan de gastvrouw, luisterde, hoe Jeanne verhaalde van Frans’ rijpaard, dat eens tot in hun middengalerij was komen aanzetten om zijn pisang te halen, lag Betsy met het hoofd op den rug harer causeuse en vond dat Eline op zich wachten liet. Zij had gaarne wat vroeg willen eten, om niet al te laat in de opera te komen, en ze hoopte maar, dat de Ferelijns niet indiscreet zouden zijn en langer blijven, dan zij zich eerst hadden voorgenomen. Amuzant waren ze toch zelden, dacht ze, en stond op, heimelijk ongeduldig, verschikte de pauwenveêren in een Makartbouquet, eenige kleinigheden op een peluche tafeltje, of schoof met heur voet het tijgervel voor den vlammenden haard terecht, kribbig op Eline.

Eindelijk ging de deur open en Eline trad binnen. En het trof Jeanne, hoe mooi, vooral hoe elegant zij was in haar roze toilet van zijden rips, zeer eenvoudig en zeer rijk, met enkele kleine strikjes, die als vlinders wegscholen op haar, en-coeur opengesneden, corsage en heur korte mouwtjes in den elleboog; strikjes, die zich luchtig schenen neêrgezet te hebben op haar schouders en aan haar middel. In haar lichtbruine haren, opgekamd in den vorm van een antieken helm, stak een roze veêren touffe met aigrette; roze schoentjes schoeiden haar voet, loom en licht als die eener fee; een enkel parelsnoer schakelde zijn matwitte kralen om haar hals. In de hand droeg zij haar lange handschoenen, haar roze veêren waaier en haar binocle van parelmoer.

Ferelijn en De Woude stonden op en zij drukte hun de hand en kuste Emilie en Jeanne even op het voorhoofd, meêwarig naar de kleine Dora vragend. Zij zag, hoe allen, zelfs Henk en Betsy haar opnamen, van het hoofd tot de voeten, als getroffen door den rijken eenvoud van haar toilet, en zij glimlachte, toen Jeanne haar van dokter Reijers goede hoop sprak, het tobbende vrouwtje in den triumf en den glans harer schitterende bevalligheid toe.

VIII.

Inhoudsopgave

Aan tafel schertste Eline onophoudelijk met De Woude, haar buurman. Betsy zat tusschen haar beide mannelijke gasten, Emilie tusschen Henk en Frans, Jeanne tusschen Eline en Henk. In de eenigszins somber en antiek gemeubileerde eetkamer glinsterde de tafel van damast, zilver en kristal onder den gloed van het gas, terwijl het flikkerde langs karaffen en glazen, waarin donkerrood of bleekgeel, de wijn scheen te sidderen. Uit de bloemen van een zilveren korf verhief een ananas heur kroon van stekelig loof.

De Woude was met Eline begonnen te praten over de soirée bij de Verstraetens en hij schilderde haar, hoe waarlijk vorstelijk freule Van Erlevoort als Kleopatra en het Gezicht was geweest. Onder Emilie, Frans en Betsy ontstond een druk gesprek over Indië, waarin zich Jeanne eerst bijwijlen mengde, maar ze zat te ver, en werd afgeleid door het gekakel van De Woude en het schelle lachje van Eline, die met elkaêr zaten te flirten. Zwijgend lepelde Henk zijn soep en at zijn vischpastei, een enkele maal Jeanne en Emilie met een paar woordjes bedienend of inschenkend. En Jeanne werd al stiller en stiller, zoowel uit malaise als uit vermoeidheid over haar druk gekout met Emilie, na een dag vol zorg. Zij gevoelde zich weinig thuis naast het coquetteerend paartje: Eline, en grande toilette, De Woude, in zijn rok, die beide als een groepje vormden uit een galadiner, terwijl zij er in haar zwart japonnetje povertjes bij afstak. Toch was zij blijde, dat zij naast Henk zat en gevoelde zij in die nabuurschap iets als de vage sympathie van haar misplaatstheid voor de zijne.

En zij kon niet nalaten zich te vergelijken bij Eline en Betsy; zij tobbende met haar drie kinderen en haar klein verlofs-traktementje, Eline en Betsy onbekrompen steeds verkeerende in een zwier van vermaak en wereldschheid. Waar was de vroegere, gezellige vriendschap, die haar samenbond, toen zij, nog ondeugende kinderen, met haar tasschen naar school slenterden, Eline den capuchon van haar regenmantel vol kersen had gestopt, en zij haar ondeugd en moedwil tegen de schooljuffrouwen botvierden onder het commando van Betsy? Zij gevoelde zich als verkoeld van de jonge vrouw, welke haar nu zelfs begon af te stuiten door dit laatdunkend nonchalante in haar wijze van spreken, door dien toon van overwicht tegenover haar man, verkoeld van dat jonge meisje, dat haar wuft en ijdel toescheen in haar gesprek vol schitterende nietigheid met dien fat. Vooral Eline begreep zij niet; zij vond iets ongewoons, iets raadselachtigs in geheel haar wezen, dat steeds met zichzelve in contrast was. Haar gelach om niets vermoeide haar en zij verwonderde zich uit een fijn instinct er over, hoe iemand, die, naar men zeide, zoo heerlijk zong, zoo onaangenaam en onnatuurlijk lachte. O, dat ze toch een oogenblik stil ware….! En zij wenschte zich terug in hun nauw bovenhuis, bij haar kleine Dora; hoe had ze die invitatie dan ook aangenomen! Het is waar, Frans was er op gesteld geweest, dat zij, nu de dokter het gevaar geweken zag, eenige verstrooiing zou zoeken, maar dit, dit gaf haar geen verstrooiing: dit maakte haar zenuwachtig, zelfs verlegen.

En zij bedankte Henk voor de zwezeriken met asperges, die hij haar aanprees.

—Heb ik goed gehoord, freule, is meneer De Woude een broêr van u? vroeg Frans zacht aan Emilie. Zoowel haar als Georges ontmoette hij voor den eersten keer, en zoowel hunne gelijkenis als hun contrast trof hem.

—Zeker, fluisterde Emilie. Een eigen broêr. En ik ben trotsch op hem. Hij is een echte gommeux, maar een beste jongen. Hij werkt op Buitenlandsche Zaken, hij is élève-consul…. Pas op, als u misschien iets slechts van hem denkt! lachte zij fluisterend, en dreigde met haren vinger, als ried zij Ferelijns gedachte.

—Ik heb nog nauwelijks meer dan een paar woorden met meneer De Woude gewisseld, en zal dus wel oppassen, nu al een opinie over hem te hebben! sprak hij een weinig verschrikt over Emilie’s brusquerie.

—Dat is u geraden; de meeste menschen krijgen een geheel anderen indruk van Georges, als zij hem eenigen tijd kennen, dan als zij hem voor het eerst in gezelschap zien…. U ziet, ik spring als een trouwe zuster voor mijn broêr in de bres…. Schenk u me nog maar eens in.

—En zelfs zonder dat hij wordt aangevallen! hervatte Ferelijn glimlachend, en voldeed aan Emilie’s verzoek.—Maar toch zooveel merk ik al dat hij een bedorven kindje van de dames is, niet alleen van zijn zuster, ook van mevrouw Van Raat en juffrouw Vere….

Betsy had zich in het gesprek van Eline en Georges gemengd, aangetrokken door de levendigheid van den laatste, die van den hak op den tak sprong, tal van onderwerpen even aanroerde: een conversatie, zonder bepaald fond, zonder eigenlijke geestigheid, maar licht als schuim en zeepbellen en flikkerend als vuurwerk. Zulk een gesprek was haar element; een ernstig discours, al werd het met verve gevoerd, was haar te zwaar, maar dit getintel van kleine vonkjes en schuimspatjes, dat was als het geparel van den wijn in het kristal der kelken, behaagde haar uitermate. Zij vond Georges veel amuzanter dan gisteren bij de Verstraetens, waar hij tweemaal beweerd had, dat het roode licht meer flatteerde dan het groene. Nu viel hij niet in herhalingen, maar ratelde door, terwijl zijn stijfheid met een paar fijne plooitjes kreukte, terwijl hij haar schertsend brutaal in de rede viel, of zijn opinie opdrong, terwijl hij zijn frazen vlug en onnauwkeurig afspon met een Fransche levendigheid.

Eline had een paar malen Jeanne willen medevoeren in dien cirkel van schitterende nietigheid, maar Jeanne had slechts even geglimlacht of geantwoord met een enkel woord en Emilie gaf het op haar te amuzeeren. Het gesprek werd algemeener; Eline voegde zich er bij met haar vrooliik sans-gêne en haar komische jovialiteit en Frans, te midden van dien tooverkring, kon niet nalaten nu en dan een vonk van luchtige geestigheid te laten flikkeren, al wierp hij vaak een bezorgden blik naar zijn stil vrouwtje.

IX.

Inhoudsopgave

Het was Jeanne alsof het diner nimmer zou eindigen. Ofschoon zij niet den minsten eetlust had, wilden zij niet meer weigeren en at van de getruffeerde poularde, van de gâteau Henri IV, van de ananas en het keurig dessert, haren wijn echter slechts even met de lippen aanrakend. Henk, naast haar, at veel en met smaak, en verwonderde zich, al kluivende, hoe zij steeds zulke kleine porties nam. Maar ook De Woude at ternauwernood, daar hij er zich in het vuur zijner levendigheid nauwlijks den tijd toe gunde. Emilie echter hield Henk goed gezelschap en dronk een stevig glas wijn.

Het was over achten, toen men opstond en de dames zich naar den salon begaven. Frans ging met Henk en De Woude een sigaar rooken, daar Jeanne verklaard had nog wel een half uurtje te willen blijven. Betsy had dit vriendelijk gevraagd; zij kon haar gasten toch niet op staanden voet laten vertrekken en het bleef vroeg genoeg voor de opera.

—Is Dora dikwijls ziek, Jeanne? vroeg Eline, terwijl zij zich, met het geruisch van haar roze rips, naast deze op een canapé neêrzette, en haar hand nam. Den laatsten keer, dat ik haar zag, mankeerde haar niets en toen vond ik haar al zoo bleekjes en fijntjes.

Jeanne trok zacht hare hand terug en gevoelde iets als een ergernis over die vraag na de conversatie aan tafel; zij antwoordde kortweg. Maar Eline liet niet af, als was ze bewust, nu in liefheid te moeten inhalen, wat zij eerst had verzuimd, en zij kon zóó iets gevoelvol-medelijdends in haar stem leggen, dat Jeanne er onwillekeurig door werd bewogen. Jeanne begon te klagen, hoe zij niet geloofde, dat dokter Reijer zorgvuldig genoeg haar meisje had onderzocht, en Eline, die zich op het zilveren blad, dat Gerard, de knecht, voorhield, haar mokka suikerde, hoorde vol belangstelling naar de moederlijke klacht. Emilie en Betsy waren in het aangrenzend boudoir gegaan, waar de eerste modeplaten wilde zien.

—Arme meid, wat heb je een moeite, en nauwlijks drie maanden pas in Holland. Je bent immers in September gekomen? vroeg Eline het doorzichtige Chineesche kopje op de peluche babbytafel zettend.

Jeanne zweeg, maar eensklaps richtte zij zich op, en op haar beurt Eline’s fijne, koele vingers vattende, zeide zij, in een verlangen naar teederheid:

—Zeg eens, Eline, je weet, ik heb het hart op de tong, ik ben altijd nog al oprecht geweest: mag ik je iets vragen?

—Natuurlijk, antwoordde Eline, een weinig verbaasd.

—Nu dan…. waarom zijn we niet met elkaâr, zooals we vroeger waren, toen je ouders nog leefden? Het is nu vier jaar geleden, dat ik trouwde en naar Indië ging, en nu we terug zijn gekomen, nu ik je weêr terug zie, is het, of alles tusschen ons veranderd is. Ik heb geen kennissen en bijna geen familie hier in Den Haag, en ik zou gaarne mijn vroegere kennissen blijven behouden.

—Maar Jeanne….

—O, ik weet het, je vindt me misschien dwaas, dat ik zoo spreek, maar ik voel me soms zoo gedrukt door al die soesah; ik zou zoo gaarne eens aan een goede vriendin mijn hart willen uitstorten…. wat ik natuurlijk niet aan mijn man doe….

—Maar waarom niet aan je man….?

—Ach, hij heeft al genoeg zorg van zijn eigen zaken; hij is ziek, niet waar, en hij wordt ongeduldig….

—Maar Jeanne, ik weet niet, wat er tusschen ons veranderd zou zijn.

—Misschien verbeeld ik het mij ook; vroeger waren we meer samen, nu leef je in geheel andere kringen, je gaat veel uit en ik…. we zijn zoo langzamerhand aan elkaâr vervreemd.

—Maar als men elkaâr in vier jaar niet gezien heeft….

—We hebben toch correspondentie gehouden.

—Wat zeggen een drie, vier brieven in een jaar! Spreekt het niet van zelf, dat men eenigszins andere ideeën krijgt, als men ouder wordt en in andere omstandigheden komt. Vroeger was ik ook in zorgen, eerst over mijn lieve papa, later over tante Vere, die ik in haar ziekte heb opgepast…

—Voel je je gelukkig hier, kan je met Betsy overweg?

—O, zeker, uitstekend, anders zou ik immers niet bij haar inwonen.

Eline vond het, uit haar aangeboren terughoudendheid, niet noodig, hierop meer te antwoorden.

—Zie je, je hebt je om niets te bekommeren, ging Jeanne voort; alles gaat en gebeurt zooals je zelf wilt, je leeft vrij en onafhankelijk, voor je genoegen…. bij mij is alles zoo geheel anders.

—Maar is dat nu een reden om ons vervreemd van elkaâr te noemen? Ten eerste vind ik vervreemd een onaangenaam woord; ten tweede is het, al duidt je het zachter uit, niet waar….

—Toch wel.

—Toch niet…. Ik verzeker je Jeannelief, kan ik je van dienst zijn in het een of ander, je zal me altijd bereid vinden. Geloof je dat?

—Zeker, en ik dank je voor je belofte… Maar Eline…

—Nu?

Jeanne had iets als een vraag op de lippen: hoe ben je? verhaal mij meer van je, laat mij je beter leeren kennen, zooals je nu bent! maar het gemaakt vriendelijk lachje om die fijne lippen, in die droomerige, amandelvormige oogen deed haar zwijgen. En zij gevoelde plotseling berouw over haar openhartigheid tegenover dit coquette meisje, dat haar veêren waaier in- en uitplooide; zij gevoelde als een onvoldaanheid over het nuttelooze gesprek, dat er uit gevloeid was. Waarom had zij zich door die opwelling laten medeslepen; zij pasten immers toch niet bij elkaâr….

—Nu? herhaalde Eline, en toch vreesde zij in haar terughoudendheid voor die vraag, die komen zou.

—Later, later, als we weêr eens alleen zijn! stotterde Jeanne en zij stond op, ontevreden, over zichzelve geërgerd, op het punt in tranen uit te barsten, na dat onaangename diner, na die vruchtelooze wisseling van gedachten. Betsy en Emilie traden juist uit het boudoir.

Jeanne meende dat het tijd was van heengaan. De drie heeren kwamen weldra binnen en Henk hielp Jeanne haar langen wintermantel aantrekken. Zichzelve tot vriendelijkheid dwingend nam zij afscheid en herhaalde Betsy, hoe lief zij haar intieme invitatie had gevonden, en opnieuw overviel haar een rilling van ontevredenheid, toen Eline haar op beide wangen kuste.

—Wat is die Jeanne toch gloeiend vervelend! zeide Betsy, nadat de Ferelijns weg waren. Zij heeft bijna geen mond opengedaan…. Waarover heb je het toch zooeven met haar gehad, Eline?

—Ik? Wel over Dora, en over haar man… niets bizonders.

—Arme meid! sprak Emilie medelijdend. Kom Georges, haal mijn sortie eens.

Mina bracht echter de sorties der dames binnen, terwijl De Woude zijn ulster ging aantrekken en Henk zich in zijn dikke handen wreef, aangenaam gestemd, dat hij van avond thuis zou kunnen blijven na een lekker diner. Het rijtuig stond reeds een half uur in de dooiende sneeuw te wachten, met Dirk den koetsier en Herman den palfrenier, onder hunne groote, bonten pélérines als verzonken, op den bok.

—Frans, dwing me nooit meer een invitatie bij de Van Raats aan te nemen! sprak Jeanne smeekend, terwijl zij, rillend aan haar mans arm, door de modder plaste, en de slippen van haar te wijden mantel, die telkens openwoei, met haar kleine, verkleumde hand bij elkaâr poogde te houden. Heusch, ik voel me niet meer thuis bij hen, bij Betsy en Eline.

Hij haalde even ongeduldig de schouders op en bleef zwijgen, en zij stapten met hunne natte schoenen door, in het flikkerend licht der lantaarns, die zich vervelend regelmatig herhaalden langs den weg, en die haar doffen glans afspiegelden in de plassen, beverig en flauw.

X.

Inhoudsopgave

De derde acte van Le Tribut de Zamora was juist begonnen, toen Betsy, Emilie, Eline en Georges hunne loge binnenkwamen. Deze komst gaf een afleiding, eene plotselinge, lichte beweging in de stilte van het luisterend en schouwend publiek; er ruischte een gekreuk van zijde en satijn; men zag naar hen op en om; kijkers richtten zich naar hen toe; in het publiek fluisterde men hier en daar, en vroeg men, wie zij waren.

Emilie en Eline zetten zich vóor neder; Betsy en Georges achter haar, en Eline zag een wijle, half glimlachend, in het rond, terwijl zij haren waaier en haren parelmoeren binocle neêrlegde. Toen begon zij langzaam hare sortie van wit peluche, met roze satijn gevoerd, los te strikken, en deed die als iets rozigs en sneeuwigs van haar schouders glijden, waarop De Woude ze over de leuning van haar fauteuil schikte. En zij genoot in den triumf harer bevalligheid, toen zij, als zonder er op acht te geven, zag, hoe men haar betuurde en bewonderde.

—Het is vanavond vol, we treffen het goed, fluisterde Emilie. Ik vind niets zoo vervelend als een leêge zaal.

—O, ik ook! zeide Betsy. Kijk daar zitten de Eekhofjes, Ange en Léonie, met haar mama. Gisteren waren zij ook bij de Verstraetens: de volgende week geven ze een soirée dansante! en zij groette de meisjes terug.

—Vanavond zingt de nieuwe baryton, die uit Brussel komt, Theo Fabrice, sprak De Woude tot Eline. U weet, dat er sinds de débuts twee zijn afgewezen, hij is eindelijk de derde.

—Wat duren die débuts vreeselijk lang dezen winter! merkte Eline achteloos en zich waaiende op.

—Met den fort-ténor hebben we het nog al dadelijk getroffen, maar ook hier, Fabrice schijnt heel goed te zijn, naar ik heb hooren zeggen. Kijk, daar komt hij.

Het koor van Ben-Saïds odalisken was geëindigd, en de Moorsche vorst zelve trad binnen, aan de hand Xaïma zijn paleis binnenvoerend. Eline lette echter weinig op, daar zij nog de zaal rondzag, nu en dan een kennis toelachte, en haar oogen niet weêr naar het tooneel richtte, dan toen Ben-Saïd en zijn slavin onder hun troonhemel gezeten waren en het ballet begon. Daarin schiep zij behagen en zij volgde de danseuses, die, als glijdend op de tippen der teenen, zich rijden onder de Moorsche arcades en zich groepeerden onder de opgeheven sluiers en waaiers van zilveren franje, omgoten door haar corsages van glanzig satijn, en schitterend van het klatergoud op de tulle harer wijd uitgeplooide rokjes.

—Een lief ballet! zeide Emilie, gapende achter heur waaier, en vlijde zich gemakkelijker in haar fauteuil, een weinig onder den indruk van het genoten diner.

Eline knikte en terwijl zij achter zich het gefluister van Betsy en Georges hoorde, bleef zij de kunstige evoluties volgen der eerste danseuse die onder de op en neêr gezwaaide sluiers en waaiers tusschen de anderen doorzweefde, steeds op de punten van heur satijnen, naar omlaag gekromde voeten, de armen omhoog, in heur kapsel een flikkerend aigrette van diamanten.

Uit den aard harer droomerig idealistische natuur, hield Eline dol veel van de opera, niet alleen om er zich in haar loome elegance te laten bewonderen, niet alleen om de muziek, en om eener beroemde chanteuse de voordracht van een of ander aria af te hooren, maar ook om de gespannen, zeer romantisch gekleurde intrigues, de eenigszins ruw geschilderde melodramatische peripetieën, vol haat en liefde en wraak, waarvan het conventioneele haar niet hinderde, en waarin zij zelfs geen waarheid zocht. Zij behoefde geen oogenblik te vergeten, dat zij acteurs en actrices, geen ridders en edelvrouwen voor zich zag, dat zij zich in een vollen, verlichten schouwburg bevond, ziende naar geschilderde coulissen en hoorend naar de tonenmassa’s van een zichtbaar orkest, en niet met held en heldin medeleefde in de tel quel opgerakelde poëzie van de een of andere mediaevistische periode; zij genoot desniettemin, zoo die acteurs niet te slecht zongen, niet burgerlijk acteerden en er gesoigneerd in hun kostumes uitzagen.

Betsy integendeel ging alleen naar de opera om te zien en zich te laten zien; zij zou Eline’s genot, zoo zij hiervan geweten had, kinderachtig hebben gevonden en er de schouders over hebben opgehaald, maar Eline genoot in stilte, omdat zij Betsy’s opinie vermoedde, en liet haar zuster dus denken, dat zij eigenlijk geen ander genoegen in den schouwburg smaakte dan, als zij, kennissen te zien en door dezen gezien te worden.

Zij betreurde het nu bij zichzelve zoo laat gekomen te zijn; ze zag Le Tribut de Zamora voor de eerste maal, en ze wist niet den inhoud der twee voorafgaande actes. Emilie was onder den indruk van haar vischpastei en haar getruffeerde poularde stil geworden en zat, als zij, aandachtig te zien.

Het ballet was geëindigd. Ben-Saïd en Xaïma traden van hun troon af, en hij zong na het recitatief:

„Je m’efforce en vain de te plaire!”

de romance:

„O, Xaïma, daigne m’entendre!

Mon âme est à toi sans retour!”

De stem van den nieuwen baryton was vol en zwaar, meer die van een basse-chantante, en hij voileerde haar in zijn lied als met een sluier van melancholie.

Maar in zijn weelderig, Moorsch kostuum leek hij groot en zwaar gebouwd; noch aan zijn houding, noch aan zijn mimiek vermocht hij eenigen zweem van verliefde onderdanigheid te schenken, en hij zag de chanteuse-légère, in haar zilverlaken en haar, met paarlen doorvlochten, blonde haren, meer aan met iets dreigends en geweldigs, dan met den deemoed van smeekenden hartstocht.

Eline voelde dit gemis in zijn actie, maar toch behaagde haar het contrast dier uitdrukking van gebiedenden trots in zijn houding, met die andere van deemoedigheid in zijn stem. Zij volgde den zang toon voor toon, en terwijl de actrice bij een plotseling fortissimo van Ben-Saïds koper orgaan scheen te sidderen van angst, vroeg Eline zichzelve af:

—Waarom zou ze toch zoo bang zijn?…. Wat is er gebeurd? Hij ziet er niet kwaad uit.

En zij zag, terwijl men, na de romance, in de handen klapte, de zaal rond, toen haar blik bij toeval op een groep heeren viel, die in de entrée der stalles zich op de trapjes geposteerd hadden. Zij bespeurde, hoe zij juist naar hun loge tuurden, en denkelijk over hen praatten, zoodat zij met haar gracieuze loomheid het hoofd weder een weinig wilde afwenden…. maar tegelijkertijd merkte zij éen onder hen op, die, hoed en stok in de hand, haar met iets hoffelijks en familiaars toelachte…. Zij keek hem even aan, met groote oogen, groette in haar verbazing niet dadelijk terug, maar wendde zich eensklaps om, legde heur hand op Betsy’s knie en fluisterde haar zuster toe:

—Zie eens, Betsy, zie eens wie daar staat!

—Waar, wie dan?

—Daar in de stalles…. Vincent…. zie je niet!

—Vincent! herhaalde Betsy, eveneens verbaasd; o ja, Vincent!!

Zij knikten beiden Vincent toe, die haar schertsenderwijze met zijn binocle begon te fixeeren, waarop Eline zich coquet achter haar waaier verborg.

—Wie, wie is dat, wie is Vincent? vroegen Emilie en Georges.

—Vincent Vere, een eigen neef! antwoordde Betsy. O, een dwaze jongen, meestal weet niemand waar hij uithangt; dan zie je hem in geen maanden en dan apparaisseert hij weêr. Ik wist volstrekt niet, dat hij in Den Haag was. Eline, doe toch zoo gek niet met dien waaier.

—Hij hoeft me niet te fixeeren! zeide Eline, en hield zich met een bevallige ronding van den arm den waaier voor het gelaat.

—Sedert wanneer heeft u uw neef gezien, mevrouw? vroeg Georges.

—O, zeker niet in anderhalf jaar. Ik geloof, dat hij, toen we hem het laatst spraken, naar Londen zou gaan, waar hij iets gevonden had, als reporter bij een courant, geloof ik, of iets dergelijks. Verbeeld je, ze zeggen, dat hij een tijdlang in het Vreemden-Legioen in Algiers is geweest, maar dat geloof ik nooit…. Hij heeft van alles gedaan, en bezit nooit een sou….

—Ja, nu herinner ik me hem, ik heb hem vroeger wel eens gezien, zeide Emilie gapend. Een raar individu.

—Ja, dat wel, maar hij weet, dat hij zich hier in Den Haag, waar hij familie heeft, een beetje moet inhouden, en dat doet hij: we tolereeren hem dus.

—Ach ja, merkte Emilie filozofisch op; je hebt meestal zoo een vuns lid in de familie.

Eline choqueerde zich lachend om haar studentikoze uitdrukking en plooide eindelijk langzaam de roze struisveeren van haar waaier in.

XI.

Inhoudsopgave

De derde acte verliep, zonder dat zij veel begreep van de scène met Manoël, maar uit het groote duo van Hermosa en Xaïma ving zij een draad op; de herkenning van moeder en dochter na het gebisseerde:

„Debout, enfants de l’Ibèrie!”

en het scherm viel onder een daverend applaus, dat de beide actrices driemaal voor het voetlicht, waar een paar bouqetten en een corbeille haar overhandigd werden, terugriep.

—Ach toe, meneer De Woude, vertel me eens, waar komt toch de intrigue eigenlijk op aan. Je n’y vois pas encore clair! vroeg Eline nu terwijl zij zich een weinig tot Georges wendde.

Betsy sloeg echter voor, een oogenblik in den foyer te gaan en zij stonden op en verlieten hunne loge. In den foyer, op de ottomane gezeten, verhaalde Georges het verloop van de handeling der opera, terwijl Eline met meer aandacht dan zij wilde laten blijken, luisterde. Zij wist nu, waarom Xaïma huiverde voor Ben-Saïd en zij had gaarne de loting der jonkvrouwen in de eerste, den verkoop van Xaïma als slavin in de tweede acte gezien.

Eensklaps merkten zij Vincent op, die de trappen van den foyer af en naar hen toekwam, eenvoudig en vrijmoedig, als had hij zijn nichten nog pas den dag te voren gezien.

—Zoo Vincent, ben je weêr uit de lucht komen vallen? riep Eline.

—Dag Eline! Dag Betsy! Gecharmeerd je weêr eens te zien. Freule Van Berg en Woude, zoo ik me goed herinner?

Hij drukte haar beiden de hand.

—Zoo ongeveer. Ik bewonder uw geheugen, ik was u vergeten, antwoordde Emilie.

—Meneer De Woude Van Bergh, meneer Vere, prezenteerde Betsy.

—Zeer aangenaam. En hoe gaat het, goed?

—Totnogtoe een weinig verbaasd! lachte Eline. Je komt zeker om morgen weêr te vertrekken, naar Petersburg of Constantinopel, niet?

Hij zag haar glimlachend aan met zijn fletse blauwe oogen, als van verkleurd porselein achter hun lorgnet. Zijn gelaat had schoone, regelmatige trekken, bijna te schoon voor een man, met den fijnen rechten neus, den kleinen mond, waarom vaak iets spotzieks of minachtends speelde, overdonst door het dunne, blonde snorretje; maar een ongezonde, geelbleeke tint, en een vermoeide uitdrukking vaagde de grootste bevalligheid ervan weg. Zeer slank en fijn gebouwd, was hij in een donker, half gekleed kostuum, en opvallend waren zijn smalle voeten en zijn slanke hand, met dunne, witte vingers, een hand als van een artist, waarvan de fijnheid Eline steeds aan die haars vaders deed denken.

Hij zette zich bij hen neder, en vertelde, op Eline’s vraag, met een matte stem, hoe hij juist in Den Haag was gekomen, voor bezigheden. Het laatste was hij geweest te Malaga, in een wijnzaak; vóór dien tijd in een assurantiemaatschappij te Brussel; daarvóór, in een rijk oogenblik, als compagnon in een tapijtenfabriek te Smyrna, die failliet was gegaan. Niets vlotte; nu verveelde hem dat gereis en getrek; hij had genoeg blijk van energie gegeven, maar het noodlot was hem tegen; alles waarin hij zich moeide scheen hem ongeluk aan te brengen; wellicht zou hij echter bij een kinaonderneming op Java een betrekking kunnen krijgen, maar hij moest eerst juiste inlichtingen inwinnen. Morgen in den ochtend hoopte hij bij Van Raat te komen, dien hij spreken moest. Betsy vroeg daarop, of hij dan kwam koffiedrinken, daar Van Raat ’s morgens nooit thuis was, wel ’s middags. Hij nam dit gaarne aan en praatte vervolgens over de opera.

—Fabrice, o, dat is de baryton, niet waar? Ja, een mooie stem maar een leelijke, dikke baas.

—Vindt u? Neen, ik vindt, dat hij op het tooneel nogal een goed figuur maakt! meende Emilie.

—Kom, freule, dat meent u niet….

Emilie bleef bij haar opinie en Eline lachte om hun verschil van meening. Het belletje waarschuwde echter, dat de vierde acte begon en Vincent nam afscheid, ofschoon Georges hem beleefd zijn plaats in de loge wilde afstaan.

—O, dank u, zeer verplicht; ik wil u niet van uw plaats berooven, ik sta in de stalles heel goed. Dus dan tot morgen, nietwaar? Adieu Betsy, Eline…. au plaisir freule…. zeer aangenaam geweest, meneer De Woude.

Hij boog, drukte Georges de hand en verwijderde zich langzaam, lichtjes met zijn dunnen rotting zwaaiend.

—Het is een vreemde jongen! zeide Eline en schudde het hoofd.

—Ik ben altijd bang, dat hij ons nog eens compromitteeren zal! fluisterde Betsy Emilie in het oor; maar, zooals ik zeide, totnogtoe heeft hij zich nogal fatsoenlijk gedragen. En daarbij, ik ben lief tegen hem, om hem te vriend te houden; ik heb een soort vrees voor hem, men kan nooit weten….

—Ik kan niet zeggen, dat hij een charme van me is! sprak Emilie en zij stonden op, om zich naar hun plaatsen te begeven.

—Kom, Emmy, dat zeg je nu maar, omdat hij Fabrice niet mooi vond! plaagde Georges.

Emilie haalde de schouders op en zij gingen door den couloir.

—O, er is dus geen vijfde acte! Ik dacht, dat er vijf actes waren! zeide Eline, bijna teleurgesteld, tot De Woude, die haar het slot der opera verhaalde, snel, met een enkel woord.

XII.

Inhoudsopgave

In de vierde acte, in de door maanlicht beschenen tuinen van Ben-Saïd, hoorde Eline vol belangstelling naar Manoëls cavatine, zijn duet met Xaïma en hun beider trio met Hermosa, maar haar aandacht steeg, toen de Moorsche vorst in de poort van zijn paleis verscheen, den krijgslieden beval Manoël weg te voeren, en Xaïma, na zijn, tevergeefs smeekende klacht, in plotseling woedenden hartstocht voortsleepte…. Het einde der opera: Ben-Saïd vermoord door de moeder, die haar dochter redden wil, greep haar meer aan, dan zij zou hebben willen bekennen. In zijn scènes met de beide vrouwen speelde de nieuwe baryton met een vuur en een kracht, die het melodrama als een gloed van romantische waarheid bijzette, en toen hij getroffen op de trappen van het paviljoen neêrzeeg, hief Eline haar binocle op, om zijn donker gekleurd gelaat met den zwarten baard en de geloken oogen even te beschouwen….

Het scherm viel, maar de vier acteurs werden teruggeroepen en Eline zag hem weder, buigende met een koelen, onverschilligen trek, die afstak bij de glimlachjes van den tenor, de forte-chanteuse en de chanteuse-légère.

Het publiek rees op, de deuren der loges openden zich…

Georges hielp zijn dames met haar sorties en zij gingen den couloir door, de trappen af, om achter de glazen deuren te wachten, tot hun rijtuig werd aangediend, door den afroeper met de hand aan den mond:

—Van Raa….aat!….

—Ik geloof toch niet, dat de Tribut een van Gounods beste opera’s is, is het niet, Eline? vroeg Emilie in het rijtuig. Niet te vergelijken met Faust of Romeo et Juliette.

—Ik geloof het ook niet, antwoordde Eline voorzichtig, om haar bewogen gemoedsstemming niet te doen blijken: maar men kan zoo moeilijk over muziek oordeelen, wanneer men die voor het eerst hoort. Een paar lieve melodieën hebben mij wel gefrappeerd. En daarbij, we hebben maar de helft gezien.

—Voor een paar actes te gaan, vind ik wel aardig, maar eene geheele opera te moeten hooren, verveelt me, dat wil ik wel bekennen, zeide Betsy gapend.

En Georges neuriede:

„Debout, enfants de l’Ibérie!”

De De Woudes werden eerst thuisgebracht op het Noordeinde en Betsy en Eline reden vervolgens, mollig gedoken in het gebrocheerd satijn van den landauer, naar het Nassauplein terug. Zij spraken nog even over Vincent en toen zwegen zij beiden, en Eline dacht in een dwalende mijmering aan de wals van Mireille, aan haar twist met Betsy over Grete, aan de groep der Vijf Zinnen, aan Mevrouw Van Raat en De Woude, aan heur roze japon en Ben Saïd.

Hoofdstuk V.

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

Er was ongeveer een week verloopen na de tableaux-vivants, toen Lili Verstraeten zich des middags in den kleinen salon neêrzette, daar waar ze waren vertoond geworden. Het vertrek had sinds lang weêr zijn gewoon aanzien hernomen, en in het open haardje vlamde een vroolijk vuur. Buiten was het koud; er woei een gure wind, en het dreigde te zullen regenen. Marie was met Frédérique van Erlevoort commissies gaan doen, maar Lili had verkozen thuis te blijven en vlijde zich nu behagelijk in een ouderwetschen, ruimen fauteuil, bedekt met oud tapisseriewerk, een gezelligen stoel, die haar lief was. Zij had Victor Hugo’s Notre Dame de Paris medegenomen, maar zij wilde zich niet dwingen tot lezen, zoo zij er nog geen genoegen in nam, en zij liet haar boek, in rood leêr gebonden, verguld op sneê, dus ongeopend in haar schoot liggen. Hoe heerlijk niets te doen dan een beetje te droomen, en hoe dom van Marie en Freddy, uit te gaan in dat vreeselijke weêr! Haar kon het niet schelen, het weêr; buiten mocht het waaien en stortregenen, binnen was het heerlijk; de wolken temperden het licht, de laag gedrapeerde meubelgordijnen lieten het slechts zeer bescheiden doorglijden…. Dien had zij weggestuurd, toen die ze wilde wegtrekken naar terzijde. Papa zat te lezen in de serre, daar, waar het meeste licht viel; ze kon juist zijn lieven, grijzen kop zien, en zij bespiedde, hoe gauw hij de blaadjes omsloeg; hij las werkelijk niet zooals zij, die haar boek had medegenomen om zich een houding te geven. Zij verveelde zich nooit, al deed zij niets; integendeel, zij genoot dan van haar dwalende gedachten: rozeblâren, als voortgeblazen door een lichte koelte; zeepbellen, broos en kleurig, die zij behagelijk zag omhoog stijgen, en de rozeblâren woeien weg, de zeepbellen spatteden uiteen, maar ze verlangde haar rozeblad geen klimop te zijn, dat zich in haren geest vastrankte, en haar zeepbel geen ballon captif! Mama was nog boven, steeds zeer bedrijvig; ach, zij kon mama toch geen werk uit de handen nemen; die wilde toch alles zelve doen, al deed Marie ook zoo een beetje het huishouden. Ze hoopte, dat er geen visite zou komen; heerlijk, heerlijk alleen te rêvasseeren! Hoe aardig, zoo een vlam te zien krullen om een verkoold houtblok; de haard was net een hel, in miniatuur, de turven waren rotsen, en daartusschen groeven zich afgronden, louter vuur en gloed, iets van Dante! De vervloekten dwaalden rond over de rotsen en zagen met ontzetting in den vlammengloed, brrr…. En glimlachend tegen haar eigen fantazie wendde zij de oogen af, een weinig verblind door het staren in die hel…. Nog geen week geleden, hadden zij, ginds op die plek, gepozeerd voor hun opgetogen kennissen! Wat zag er toen alles geheel anders uit! Nu waren de achtergronden, de lieren, het kruis, al de rommeldebommel geborgen op den zolder. Dien had de kostumes netjes opgevouwen in koffers bewaard. Het was toch een gezellige tijd geweest, ook de beraadslagingen met Paul en Etienne over de onderwerpen en de kostumes; de repetities, waar Paul iedere poze moest voordoen! Wat hadden zij dikwijls geschaterd, wat een moeite zich ook getroost voor enkele minuten….

Papa las maar ijverig door, en zij telde; eens na vijf-en-twintig, toen na dertig tellen sloeg hij het blaadje om; wat repte hij zich! Hè, wat kletterde de regen, en wat stroomde de goot! Freddy en Marie waren voor haar pleizier uit…. heerlijk zich veilig te voelen, als een poesje, voor die nattigheid…. En haar voeten nestelden zich in de wol van de zwarte schapenvacht voor den haard; haar blond hoofd drukte zich dieper in het tapisseriewerk van den ouden stoel.

Freddy ging dien avond naar een bal. Hoe was het mogelijk, dat zij er tegen kon, bijna iederen avond uit te gaan! O, zij, Lili, hield er ook dol van, een prettig bal, een amuzant soiréetje, maar ze bleef ook heel gaarne thuis: ze las of ze werkte of ze…. deed niets, maar verveling kende ze niet, en haar leventje…. het was net een kalm beekje, ze was zoo geheel en al tevreden bij haar engelen van ouders; ze wenschte maar dat het altijd zoo zou blijven; het kon haar niets schelen een oude jongejuffrouw te worden…. Quasimodo, Esmeralda, Phoebus de Châteaupers; ach, had ze maar liever Longfellow medegebracht; ze had niets geen verlangen naar de Cour des Miracles, maar wel naar Evangeline en The Golden Legend:

My life is little,

Only a cup of water,

But pure and limpid….

Wat werd ze poëtisch gestemd! Ze lachte in zichzelve om zichzelve en keek naar buiten in den tuin, waar de druipende, dorre takken als in wanhoop geschud werden door den wind.

Daar werd gebeld en…. zij hoorde stappen en gelach in de gang, en een aanhoudend geveeg van voeten op de mat. Freddy en Marie kwamen thuis, maar zij gingen denkelijk naar boven; neen…. zij traden binnen, steeds lachend, ontdaan van hunne druipnatte regenmantels en beslikte overschoenen, en met zich een geur van wind en vochtigheid in de warmte der kamer voerend.

—Heb je ooit! riep Marie uit; de freule zit bij het vuurtje zich te warmen. Wel zeker, waarom niet!

—Wil de freule ook een kussentje in het rugje? spotte Freddy.

—Lach maar toe! murmelde Lili glimlachend en nestelde zich dieper in den stoel; ik zit hier heerlijk en heb geen koude, natte voeten. Bagger maar alleen in de vuiligheid, hoor!….

Freddy ging den heer Verstraeten even groeten, en Marie beweerde een hartversterking noodig te hebben, en zou thee zetten.

Daarop zetten de meisjes zich bij elkander neder en Lili wilde ook gaarne een kopje, heur afternoon-tea, al had ze niet gebaggerd in de vuiligheid.

—Wat is het hier donker, Lili, hoe heb je hier kunnen zitten lezen! Het is om je oogen te bederven! riep Marie.

—Ik heb ook niet gelezen, antwoordde Lili, genietende in haar dolce-far-niente.

—De freule heeft zitten peinzen! spotte Freddy weêr.

—Heerlijk! sprak Lili, glimlachend haar oogen luikend. Zoo totaal niets te doen…. alleen te rêvasseeren.

En zij schaterden het alle drie uit over de bekentenis van die schaamtelooze luiheid, toen mevrouw Verstraeten beneden kwam, zoekende naar het sleutelmandje, dat Marie verzuimd had in haar kamer te brengen, en zij vond ze, alle drie lachende over heur kopje, de sleutelmand naast de banketschaal.

Frédérique vertelde daarop, dat zij gauw weg moest; zij was dien avond gevraagd op de soirée-dansante bij de Eekhofs, en zij moest nog het een en ander voor haar toilet nazien, en mevrouw vond Lili veel verstandiger dan Freddy en Marie, die commissies gingen doen in hondenweêr.

II.

Inhoudsopgave

Er werd weder gebeld.

Het was Paul, die nog meer dan de meisjes dien geur van wind en vocht medebracht, en die weêr naar buiten werd gestuurd, om beter zijn voeten af te vegen.

—Wat een weêr! zuchtte hij en deed zich eindelijk na al die pourparlers neêrvallen in een fauteuil.

Mevrouw liet de jongelui alleen en zette zich in de serre bij heur man, maar deze, hoorende dat Paul er was, begaf zich naar de achterkamer.

—Dag oom.

—Zoo, dag Paul, hoe gaat het…. Ook goed met mama?

—O, het schikt nog al, oom, mama is heel wel; zooeven zat ze druk te lezen in een boek, dat Eline haar gestuurd had….

—En hoe is het er meê, heb je al een visite bij Hovel gemaakt?

—Neen oom, nog niet!

—Maar doe dat dan. Laat er niet al te veel gras over groeien, Hovel verlangt kennis met je te maken….

—Paul, je hebt nu al vier dagen geleden gezegd, dat je naar Hovel zou gaan! riep Marie uit. Hoe is het mogelijk, dat je daar zoo lang over moet denken. Het is, of het een reis is!

—Ik was van plan er morgen heen te gaan.

—Ga dan ook morgen, om halfzeven; na den eten vindt je hem altijd thuis en is hij te spreken. Ik zou dat nu zoo maar vaststellen! zeide oom Verstraeten, en er glom iets ontevredens in zijn anders zoo vroolijke, donkerbruine oogen, toen hij naar de serre terugging, gauwer dan hij anders zou gedaan hebben.

—Paultje, Paultje! zeide Frédérique, haar hoofd schuddend: hoe kan je zoo lui zijn, nog luier dan Lili.

—Ach, het is immers morgen tijds genoeg, bromde Paul terug, en dronk zijn kopje uit.

—Ja maar lui ben je! voer Marie hem tegen, onbevreesd voor een booze bui. En om er oprecht over te spreken, we vinden dat allesbehalve goed….

—Wel zeker, ga me nu maar eens de les lezen, oude grootmama.

—Oude grootmama, of geen oude grootmama, ik zeg je precies mijn opinie…. En zie je, ik vind het jammer, dat je zoo bent, want je zou veel meer kunnen presteeren, als je wat meer energie hadt. Let op mijn woorden, als je je niet een beetje betert, wordt je net als Henk…. een uitstekend goede, beste, brave jongen, maar een doeniet. Je weet, ik dweep volstrekt niet met Betsy, maar ik kan me begrijpen, dat je broêrtje haar soms gruwelijk moet vervelen, met zoo een heelen dag niets doen.

—Zeg nu niets van Henk; Henk is een goede, beste vent! riep Frédérique.

—En daarbij, voer Marie voort; je hebt meer capaciteiten dan Henk; daarom vind ik die luiheid en dat gebrek aan energie dubbel onuitstaanbaar in je….

—Ach, Marie, zeide Lili opstaande; zit nu niet zoo uit te varen tegen Paul…. poor boy! Ga jij morgen naar Hovel, hoor! fluisterde zij hem in; dan is alles weêr in orde….

Hij lachte haar toe, en beloofde zich te zullen beteren onder het voogdijschap van haar drieën.

—Het schijnt, of ik onder curateele van mijn nichtjes en van freule Van Erlevoort sta! zeide hij vroolijk. Mag het kleine jongetje nu nog een kopje thee?

III.

Inhoudsopgave

De stortregen had opgehouden, maar de wind schudde nog steeds de druppelende takken.

Het was over halfvijf, toen er opnieuw gebeld werd.

—Over halfvijf! riep Frédérique uit. Ik moet weg, ik had al lang weg moeten gaan, om strikken op mijn japon te zetten…. O, ik zal adorable zijn van avond, geheel en flot de tulle! Waar zijn mijn pakjes, Marie?

—Er is gebeld, zou daar visite zijn? vroeg Lili. Frédérique wachtte even, daar zij in de vestibule haren regenmantel moest aantrekken, en Dien kwam binnen om te vragen, of er belet was voor meneer De Woude Van Bergh.

—Ik denk van niet, Dien, vraag maar even in de serre.

—O, die onuitstaanbare jongen! riep Lili. Dat pedante être!

—Ach, hij is zoo kwaad niet, meende Paul; en volstrekt niet pedant.

—Nu maar, ik maak de deur dicht, ik wensch hem niet te zien! hervatte zij en zij wilde de porte-brisée dichtschuiven, toen Dien terugging met de boodschap, of meneer zoo goed zou willen zijn binnen te komen.

—Kom Lili, wees nu niet zoo dwaas, kom nu meê! drong Marie aan.

—Dank je, ga maar alleen; sprak zij en schoof de beide deuren dicht, juist toen De Woude in den salon binnentrad, waar hij door Marie ontvangen en in de serre geleid werd.

Paul en Frédérique lachten, en namen afscheid van Lili; zij gingen alle drie door de eetkamer naar de vestibule.

—Adieu, groet oom en tante van mij, en zeg oom dat ik bepaald naar Hovel zal gaan, morgen na den eten! zeide Paul.

—Doe ook mijn complimenten, en zeg, dat ik waarlijk weg moest! sprak Freddy.

—Goed, adieu, amuzeer je van avond, en flot de tulle! Brr, wat is het hier koud in de gang!

Paul en Freddy gingen, en Lili keerde terug door de eetkamer. Georges De Woude?…. O, hij kwam zijn digestie-visite maken voor de soirée! Neen, zij kon hem volstrekt niet uitstaan. Zoo geaffecteerd en altijd zoo stijfjes! Hoe was het mogelijk, dat Paul nog iets in hem vond; zij vond Paul duizendmaal beter en flinker. Wat kon Marie Paul de les lezen! Hij was toch een goede jongen; en dat hij wat lui was uitgevallen…. ach, hij had immers geld, en kon best nu nog wat plezier maken; later zou hij wel een betrekking zoeken, daar was zij zeker van…. Zij zou het papa zeggen; Paul had bepaald gezegd morgen naar Hovel te zullen gaan, en hij hield altijd woord.

Zij zette zich opnieuw in den ouden fauteuil en pookte het vuur op, en wierp er kolen en turven in en een enkel blok hout. Zij verwarmde even haar koud geworden vingers, en wreef zich de handjes, koel als wit satijn. Door de gesloten deur hoorde zij het geruisch der stemmen in de serre; meestal onderscheidde zij de fijne stem van Georges…. hij scheen heele verhalen te doen! Zij moest toch eens even zien…. en zij stond op en schoof een der deuren een weinig en voorzichtig ter zijde. Zoo kon ze juist in de serre turen, langs de breede bladen der palmen; papa en mama zag zij niet, maar zij zag Marie juist in het gelaat en Georges op den rug…. Hoe grappig, als Marie haar nu juist in het oog kreeg, maar zij scheen een en al aandacht te zijn voor de historietjes van dat fatje. Lili kon net zijn glanzend boordje bewonderen en de pandjes van zijn jas…. keurig! Daar…. daar, daar keek Marie op…. nu bespeurde die haar juist door de breede reet heen; adieu, bonjour, zij wuifde met haar hand Marie toe, zij boog, zij trok gezichten en Marie werkte zenuwachtig met haar wenkbrauwen en haar lippen, om het niet uit te proesten van het lachen!

IV.

Inhoudsopgave

Terwijl het donker werd, haastte Frédérique zich naar huis, naar het Voorhout. Zij repte zich, toen Willem de knecht haar had opengedaan, als een wervelwind de ruime vestibule door, de breede wenteltrap op. Bijkans struikelde ze over Lientje en Nico, twee der kinderen van mevrouw Van Rijssel, haar oudste zuster, die, sedert zij van haar man gescheiden was, met haar viertal bij mevrouw Van Erlevoort was komen inwonen.

—Juf, pas toch op, de kinderen zullen heusch vallen! sprak Frédérique hijgend tot de dikke juffrouw Frantzen, die zij op het portaal der eerste verdieping tegenkwam, in wanhoop zoekende naar de ondeugende bengels. Ze ravotten op de trap, daar, Lientje en Nico!

—Weet u ook waar Ernestine en Johan zijn? vroeg juffrouw Frantzen radeloos.

—Wel neen, ik kom zoo juist thuis! antwoordde Frédérique verontwaardigd en zij repte zich verder, vloog haar kamer in, wierp haar regenmantel uit en opende met zenuwachtige vingers een der drie, vier pakjes, die zij in haar zak en in haar mof had meêgebracht.

—Ik zal nooit klaar komen! murmelde zij angstig en zij sloeg de groene, damasten gordijnen van haar ledikant op, waar heur baltoilet, als een ijle wolk van lichtblauwe tulle, in een wazige teederheid lag uitgespreid.

Dien morgen was Frédérique’s toilet van de naaister gekomen, maar zij had er een paar strikken bij willen voegen, en zij durfde er ternauwernood aan raken, uit vrees het ragfijne weefsel te zullen verwarren.

—O, ik word wanhopig! sprak ze weêr; toen, met een invallende gedachte, vloog zij op eens de kamer uit, en riep op het portaal:

—Tilly, Tilly, Mathilde!

Een der deuren werd geopend; haar zuster, mevrouw Van Rijssel, trad verschrikt te voorschijn.

—Maar, Freddy, wat is er; is er brand, dat je zoo gilt?

—Neen, dan zou ik niet precies jouw hulp verlangen? Maar toe, help me eens, ik ben wanhopig, ik kom nooit klaar.

—Waarmeê?

—Met mijn baltoilet. Je weet, ik woû hier en daar nog een strik zetten. Ik vind het zoo kaal op zij, en ik heb lint gekocht.

Mevrouw Van Rijssel wilde antwoorden, toen de deur van mevrouw Van Erlevoorts kamer openging, en de oude dame vroeg, wat er toch aan de hand was. Tegelijkertijd weerklonk er een schel gegil en gelach van kinderstemmen op de tweede verdieping, men hoorde luid getrippel van levendige stappen en een meisje van zeven buitelde de trappen af, achtervolgd door een jongen van zes.

—Mama, mama! schreeuwde het kind, terwijl zij de laatste trappen afsprong.

—Maar Tine, Johan, is dat een leven maken! Wat voeren jullie nu weêr uit? vroeg mevrouw Van Rijssel zeer streng.

—Jo plaagt me altijd, Jo, wil me kietelen en hij weet, dat ik er niet tegen kan! hijgde het meisje, en ze verschool zich in de rokken harer grootmama, terwijl Frédérique Johan in hare armen omstrengelde.

—Ik heb je al meer gezegd, dat ik al dat geren en geschreeuw in huis niet hebben wil! hervatte mevrouw Van Rijssel ontevreden. Bedenkt toch, grootmama wordt langzamerhand oud en kan niet meer tegen dat lawaai.

—Ach! sprak mevrouw Van Erlevoort goedig; ze speelden maar een beetje, nietwaar Tien?

—Pas op, hoor, anders zal ik je kietelen! riep Frédérique en kietelde Johan onder zijne kleine armen, zoodat hij spartelend en kraaiend op den grond viel.

—Mais comme vous les gâtez, toutes les deux; ne les choyez donc pas, quand je suis fâchée. Je perdrai tout mon pouvoir, si vous continuez ainsi! riep Mevrouw Van Rijssel wanhopig, en keek over de trap, want beneden gaven Madeline en Nikolaas dikke juffrouw Frantzen den grootsten last en wilden niet met haar mede naar boven.

—Lientje, Nico! riep mevrouw van Rijssel met haar strenge stem.

—Ach, Mathilde, toe, laat de kinderen nu, en kijk eens even naar mijn japon! smeekte Frédérique.

—Ik kan er geen orde meer onder houden, gedecideerd niet! zuchtte Mathilde.

—Haast je, Freddy, we eten vandaag wat vroeger…. over een half uurtje, als het kan! zeide mevrouw Van Erlevoort.

Men hoorde de huisdeur opendraaien; het waren Otto en Etienne Van Erlevoort, die samen thuiskwamen en hun vroolijke stemmen vermengden zich met het gegil der kinderen, de vergeefsche aanmaningen van juffrouw Frantzen en het geblaf van Hector, Otto’s zwarten hond.

—Kom nu, Mathilde, zie nu eens even naar mijn japon! vleide Freddy met haar liefste stem.

Mathilde gaf haar moederlijke plichten in dat brouhaha op en liet zich door Frédérique medetroonen.

—Gedecideerd, ik verlies al mijn macht….

—Komt kinderen, vecht nu niet meer, weest nu zoet! sprak mevrouw Van Erlevoort tot Ernestine en Johan; gaat nu meê met oma naar beneden, het is hier om te bevriezen….

V.

Inhoudsopgave

Mevrouw Van Erlevoort was steeds aan drukte gewend geweest en zij had er zich steeds wel bij bevonden. Als moeder van zeven kinderen had zij nooit anders dan gelach, gekibbel of gewoel om zich heen gezien en zou zij niet begrepen hebben, hoe een talrijk huisgezin, in een andere atmosfeer, rustiger en vrediger dan de hare, zou hebben kunnen bestaan. Haar huis was dan ook van den beginne af vervuld geweest met het schelle gejubel, de luidruchtige twisten en het onophoudelijk door elkaâr gedraaf harer kinderen, en toen deze opgroeiden, met al den levenslust en de dartele woeligheid hunner bruisende jeugd; daarna was, eenige jaren na het verscheiden van haar echtgenoot, mr. Théodore Otto Baron Van Erlevoort ter Horze, lid der Tweede Kamer van de Staten-Generaal, een tijd van ongekende kalmte ingetreden, toen vier harer kinderen de een na de ander huwden en haar woning verlieten. Théodore, de oudste, het eerst, die nu hunne goederen in Gelderland beheerde, en te midden van zijn jonge vrouw en hun talrijk kroost op het Huis ter Horze zoowel in heereboer als in jeugdigen patriarch scheen herschapen te zijn; daarna de derde dochter, Mathilde, wier kort huwelijk zeer ongelukkig was geweest; vervolgens de twee oudste meisjes, Cathérine en Suzanne, de eene gehuwd met een Engelsch bankier, mr. Percy Howard, en nu te Londen gevestigd; de andere met jhr. Arnold Van Stralenburg, griffier bij de Arrondissements-rechtbank te Zwolle.

Zoo was mevrouw Van Erlevoort overgebleven met haar twee zoons, Otto, adjunct-kommies bij Binnenlandsche Zaken, Etienne, te Leiden studeerend in de rechten, en haar jongste, Frédérique, en zonder de nieuwe bekoring en frissche emoties van haar grootmoederschap, zou zij te midden dezer betrekkelijke kalmte zeker melancholiek zijn geworden, gewend als zij was aan het gedribbel of gehuppel van voeten op de trap en het gelach en gezang van heldere stemmen in haar ruime vestibule.

Eenige jaren na haar huwelijk keerde Mathilde met vier kinderen bij mevrouw Van Erlevoort terug; na de scheiding van haar man, waren deze haar toegewezen geworden. Van Rijssel leefde sedert in het buitenland, en men hoorde weinig meer van hem.

Mevrouw Van Erlevoort beklaagde hare dochter, welke heur lot van verwaarloosde en miskende echtgenoote zoo lang met waardigheid had kunnen torsen, en zij nam ze vol liefde tot zich, in het diepste haars harten overgelukkig, door het nieuwe, ontluikende leven, dat de vier kleinkinderen in haar woning medebrachten. Zij bedierf hen allen, zooals zij nimmer haar eigen kinderen had bedorven, kon bij hunne grootste guitenstreken met den besten wil der wereld niet boos worden en bracht Mathilde daardoor soms tot radeloosheid en wanhoop. Deze wist niet wat er van hen worden zou bij zooveel toegevendheid; zij smeekte mevrouw Van Erlevoort haar toch niet te wederstreven in gerechtvaardigde strengheid en verdiende strafuitdeelingen; mevrouw Van Erlevoort beloofde, maar vergat haar belofte bij de eerste gelegenheid de beste, terwijl Frédérique, zelve bedorven, Mathilde wel bij haar klachten steeds gelijk gaf, maar ook weinig het hare bijbracht tot eenige billijk strenge pedagogie. Alleen bij Otto kon Mathilde nog op eenigen vasten steun rekenen en de vier bengels hadden ook alleen respect voor oom Ot. Hij paarde aan de goedhartigheid zijner moeder het gezonde verstand en de degelijkheid van zijn vader, en scheen in zijn beraden kalmte eenigszins ouder dan hij was, maar er lag zulk een innemend waas van hartelijkheid over zijn flinke trekken, er sprak zoo iets vertrouwelijks en sympathieks uit zijn donkere, lichtvolle oogen, dat zijn ernst en zijn degelijkheid eerder aantrokken, dan voor zijn acht-en-twintig jaren te somber en te straf schenen. Etienne was daarentegen een en al vroolijkheid, onbedachtzaamheid en lichtzinnigheid, en de lieveling van zijn moeder, wie de glans en zonnegloed van zijn karakter de ziel scheen te koesteren. Frédérique was dol op haar beide broêrs, maar noemde Otto dikwijls papaatje en stoeide met Etienne bijna als Lientje met Nico en Tine met Johan.

VI.

Inhoudsopgave

Mevrouw Van Erlevoort had dien middag wat vroeger willen eten,—om halfzes,—daar zij nog haar kleine siësta wilde nemen, voor zij zich zou moeten kleeden. Zij zou dien avond, behalve met Freddy, ook met haar beide zoons naar het bal bij de Eekhofs gaan, terwijl mevrouw Van Rijssel thuis bleef, als een stille, melancholieke jonge vrouw, wier glimlach uitgewischt scheen op haar wasbleek gelaat en die nog slechts leefde voor haar kinderen. Het woelige viertal at steeds apart met juffrouw Frantzen, op Mathilde’s uitdrukkelijk verzoek, daar mevrouw Van Erlevoort niets liever had gewild, dan de geheele bende met de dikke juffrouw aan tafel te zien, onbevreesd haar fijn damast met de saus overstroomd, eenige glazen gebroken, of kleine vingertjes in de compôte aan het grabbelen te zien. Zoo had Mathilde er dan ook niets aan kunnen doen, dat de kinderen, die vroeger aten en sneller gedaan hadden, soms een voor een als kleine bandieten, binnenslopen, tot wanhoop van juffrouw Frantzen, wier rond gezicht dan met verschrikte oogen in de halfgeopende deur verscheen. Dit was een paar malen door mevrouw Van Erlevoort goedig geduld en weldra een regel geworden, waarin Mathilde zuchtend berustte. Etienne en Frédérique maakten het kleine goed woeliger dan ooit. Otto schertste meê en Mathilde haalde met een glimlach de schouders op; het ging, zooals het ging….

—Dank je Otto, ik wil niets meer eten, zeide Frédérique aan tafel; ik kan nooit eten, als ik naar een bal ga, dat weet je wel.

—Nog altijd? vroeg Otto. Ik dacht alleen, dat een jong meisje niet at bij haar allereerste entrée in de wereld. Ben je nog altijd zoo nerveus? Arme meid!

—Freddy, wat heb je nu aan je toilet gedaan? Ik hoop toch niets bedorven? vroeg mevrouw Van Erlevoort angstig.

—Neen, moes, ik heb op Mathilde’s raad maar alles gelaten als het was…. O, je zal me zien vanavond: vervolgde zij tot Otto; ik zal zoo etherisch zijn in mijn blauwe tulle…. zoo om weg te blazen, weet je. Daar heb je de Filistijnen ….

Deze betiteling sloeg op de vier Van Rijsseltjes, die binnenstormden. Nico met een oorverscheurende trompet in zijn mond. Zij kwamen ieder hun sinas-appel met wijn en suiker binnen eten; mevrouw Van Erlevoort nam Nico naast zich, bereidde zorgvuldig zijn dessert en de blonde guit was weldra bezig, met van sap druipende lipjes, de gesneden stukjes af te zuigen, nu en dan toeterend op zijn trompet.

Ernestine, Johan en Etienne pikten van ééne schaal om het gauwst, en hunne vorken verwarden zich in elkander, onder een luid gelach, terwijl Freddy aan Otto opsomde, wie er alzoo kwamen dien avond, bij de Eekhofs.

—Nu, dan heb je de Hijdrechtjes, Eline Vere, de Van Larens, Françoise Oudendijk…. Vindt je Françoise niet mooier dan Marguerite Van Laren? Zeg eens Otto, aan wie van beiden ga je je cour maken? O, Nico! Mijn trommelvlies! Nico!

Troe, troe, troe, klonk de bazuin.

—Nico, je maakt me dol met dat geschetter. Leg dat ding neêr en eet nu netjes. Kijk, je doet alles op je buisje druipen! bestrafte Mathilde.

—Ach, hij maakt maar wat muziek, niet waar, kleine dot, sprak mevrouw Van Erlevoort en sloeg haar arm om den jongen, die zijne grootmama zeer oneerbiedig juist in haar oor bazuinde, met de krassende valschheid van een draaiorgel.

VII.

Inhoudsopgave

Na den eten stoeiden Freddy en Etienne met de kinderen, terwijl mevrouw Van Erlevoort zich in haar boudoir ging afzonderen en Otto, naast Mathilde, die borduurde, zijn sigaar rookte. Rika, de meid, nam de tafel af, zeer gehinderd door Nico, en duizend angsten uitstaande voor een blad, waarop zij vuile glazen en borden had geplaatst. Eindelijk sloeg het acht uur en juffrouw Frantzen kwam om de kinderen te halen.

—Ciel de mon âme! riep Frédérique, op de canapé half gesmoord door Ernestine, Johan en Lientje, en zij bevrijdde zich van de armen en beenen die haar als polypen omvingen. Ik moet naar boven; Mathilde kom je me helpen?

—Goed, antwoordde Mathilde en stond op. En jullie kinderen, gauw naar bed!

—Neen, ik wil niet, ik wil eerst tante Freddy mooi zien! riep Ernestine met een zeurig stemmetje. En ik wil tante ook helpen.

—Tante kan je hulp wel missen en mooi is ze altijd! antwoordde Mathilde. Kom, gaat nu allen meê met juffrouw Frantzen, allons, als zoete kinderen.

Freddy vloog weg, en daar mevrouw Van Erlevoort sluimerde, kon Mathilde haar macht laten gelden en het viertal werd naar boven gejaagd met een aanmaning op elke treê, daar Nico hinkend weder de trap af wilde gaan en Lientje op het portaal met Hector op den grond bleef sollen.

—Ik kom dadelijk, Freddy! riep Mathilde; zoodra de kinderen boven zijn! en Freddy gilde van uit haar kamer, dat ze zich hield aanbevolen.

Ze was reeds bezig met het golvende haar uit te borstelen, den lokkenvloed van Kleopatra…. Mathilde zou haar kappen: die kon het zoo keurig doen. En ze schikte alles en ze zag alles na, haar waaier, heur handschoenen, haar zakdoek, heur lichtblauwe, satijnen schoentjes…. Een blos van zenuwachtigheid tintte de matheid van haar melkwit teint, terwijl zij zich in den grooten spiegel bezag en glimlachte, tot er een kuiltje zich groef in elke wang. Het zou wel gaan, dacht ze.

Na een half uur kwam Mathilde terug met Martha, de linnenmeid, die ook als kamenier dienst deed en Frédérique ging zitten, vlak voor den spiegel, in haar onderlijfje en haar blauwe schoentjes.

—Net zoo eenvoudig en snoezig als verleden keer, Tilly! vleide Frédérique, terwijl Martha nu de kam, dan een frizeerijzer, of een haarspeld aangaf. O, het is hier koud geworden! Martha, gooi wat om mijn schouders!

Martha legde haar een bonte pelerine om. Mathilde had met vlugge vingers haar werk voltooid.

—Daar! sprak ze, en schoof de krullende franje van voren terecht. Eenvoudig, keurig en stevig. Ben je tevreden?

Frédérique bezag zich en roerde even met de tippen harer vingers heur kapsel van terzijde aan.

—Zeker, zeker, zeide ze; en nu…. nu mijn flot de tulle.

De bonten pelerine vloog op den grond, maar Martha regelde de wanorde van kleedingstukken, die zich in het vertrek verspreidden. Mathilde hief de wolk van teeder azuur op, en liet ze, licht als een zucht, om Freddy heenglijden.

—Ik ben iets van een fee, van een ondine! sprak Freddy, haar armen opheffend, en Tilly en Martha knielden neêr en haalden de wazige plooien dier ragfijne nevels uit, La, la, la,…. Freddy’s voetjespaar bewoog zich op een maat, die zij neuriede….

—Freddy, Freddy, stil nu…. Martha, een speld; die strik zit los….

—Hoe vindt je het, Martha?

—Beeldig, freule!

—Is het nu niet kaal, op zij, Tilly?

—Och, wel neen, het is een en al strik- en lintenburg, wat wil je nu meer. Het fladdert al alles om je heen…. toe, Freddy, ik bid je, wees nu een oogenblik stil….

Daar ging de deur zachtjes krakend open, als door een geheimzinnige hand….

—Wat is dat nu weêr! riep Mathilde, bijna ongeduldig en ze werd woedend, toen ze Ernestine, rillende in haar witte nachtjapon, als een tengere schim, zag verschijnen, een weinig angstig en toch guitig-brutaal.

—Toe moes, ik wou zoo graag….

—Maar Tine, het is om doodziek te worden, zoo op die koude trappen en door de koude gang te loopen! Ik begrijp niet, hoe je zoo ongezeggelijk kunt zijn….

—Kruip in mijn bed, Tine, gauw, maar pas op voor mijn lijfje! riep Freddy. Ach, laat maar, Tilly, fluisterde zij.

Tine was reeds in bed gekropen en nestelde zich als een duif in de dekens, waarna haar dunne vingertjes met welbehagen het blauwe satijn van Frédérique’s corsage, dat nog op de kussens lag, betastten.

Mathilde haalde met een zucht haar schouders op, berustend als altijd, maar zij nam het lijfje weg. Mevrouw Van Erlevoort verscheen in de nog geopende deur, ruischende van haar moiré.

—O, wat is mama mooi! riep Frédérique opgetogen; je zal zien, Tilly, ik ben weêr het laatste klaar. Toe, rep je wat!

Mathilde reeg het blauw satijnen lijfje van achteren dicht en mevrouw Van Erlevoort zag bewonderend en glimlachend naar haar nevelige ondine…. Daar hoorde zij echter iets sluipen, achter zich, en omziende bespeurde zij Johan en Madeline, beiden verkleumd en in nachttoilet….

—Neen maar, dat is te erg! Dat is om wanhopig te worden! riep Mathilde uit en zij liet Frédérique half geregen staan en vloog naar de bengels toe. Hoe kunnen jelui toch zoo ondeugend zijn en mama zoo een verdriet doen! Morgen zijn jullie allemaal ziek…. Kom, gauw naar boven en dadelijk!

Haar stem klonk gramstorig en de beide kinderen begonnen bijna te weenen, maar mevrouw Van Erlevoort kwam ter hulpe.

—Ach Mathilde, laat ze nu maar een oogenblikje blijven….

—In mijn bed…. kruip in maar, gauw! riep Frédérique schaterend van het lachen. Maar niet aan mijn tulle… afblijven, afblijven! en zij week angstig terug voor die uitgestrekte klauwtjes der beide wandalen, die in het luchtige gaas schenen te willen grijpen, en aan de lange strikken te willen trekken.

Mathilde zelve begreep, dat de kinderen in Freddy’s bed nog het beste zouden zijn voor het oogenblik, en zij gaf voor de duizendste maal toe en reeg zuchtend Freddy’s corsage, waarvan het satijn kraakte, verder dicht; Johan en Lientje kropen intusschen bij Tine onder de gewatteerde deken en zagen met tintelende, guitige oogen naar de blauwe fee op.

—Doe je daar nog iets overheen, tante? vroeg Johan; of blijf je zoo nakend?

—Ach, domme jongen? riep Tine verontwaardigd en zij duwde hem omver, zoodat Lientje met een gil meêgesleept werd en Frédérique’s bed weldra een chaos geleek van wollen dekens, blonde krullen, kussens en half ontbloote, roze beenen en armen, die zich alle onder een luid gekrijt dooreenwoelden.

Mevrouw Van Erlevoort en Frédérique weenden bijna van het lachen om dit tafereel, de laatste tot groote ergenis van Mathilde, welke haar veters maar niet vermocht vast te strikken, en mevrouw Van Erlevoort riep Otto en Etienne, die, gerokt en reeds geoverjasd, de trap afkwamen, binnen om het schouwspel te zien.

—Kom er meê in, oom Eetje, kom er meê in, toe, kom er in! schreeuwde Johan, maar Etienne bedankte voor de eer; hij was nu veel te mooi om zoo te ravotten, hoor.

—Je bent om te schaken, Freddy! zeide Otto glimlachend.

—Om weg te blazen, niet waar, pf…t… Maar Tilly, ben je nu nog niet klaar met die veters?

—Ach wat, Freddy, je staat geen oogenblik stil!

Tilly was ten laatste klaar en iedereen was klaar en mevrouw Van Erlevoort ging reeds de trappen af, daar het rijtuig juist gekomen was.

—Kinderen, nu in bed blijven en niet rondloopen in de koû! riep Mathilde met gezag, terwijl Frédérique zich met Martha’s hulp in haar sortie hulde, Otto belastte met een waaier en Etienne met een handschoen.

—Kom, Freddy, mama is al lang naar beneden, zeide Otto en sloeg met den waaier ongeduldig op zijn hand.

—Freddy, heb je niets vergeten? vroeg Mathilde.

—Zeg, waar is je tweede handschoen, Freddy, of trek je er maar een aan? riep Etienne luid, om zich in het rumoer, dat de kinderen steeds in bed maakten, te doen verstaan.

—O, wat maken jullie me allemaal geagiteerd!…. Ik heb hem al half aan, mijn tweeden handschoen! Martha, mijn zakdoek! Dank je; alles klaar? Goed! adieu, dag kleine schatten…

—Freddy je vergeet wat! riep Etienne.

—Wat, ach wat dan….?

—Je parapluie, hier!

—Flauwe jongen…. Mama zit zeker al in het rijtuig te wachten en jij houdt me op met flauwiteiten! Nu adieu, dag Tilly, dag lievelingen, ja Otto, ik kom al…. Dag Tilly, dank je voor je hulp. Dag Martha.

—Veel plezier, freule.

—Hier kinderen, kom hier! riep Mathilde.

Zij wierp hun alle drie iets om, een doek of een deken: Ernestine Freddy’s regenmantel, die haar een el voor de voeten sleepte.

—En waar is juffrouw Frantzen, dat jullui hier zoo maar gekomen zijn? vroeg zij ontevreden.

—In haar eigen kamer bij Nico, moes, Nico slaapt, zeide Tine. Toe moes, niet boos zijn!

En zij hief hare armpjes, omfladderd door de te wijde mouwen van den regenmantel, liefkoozend op. Mathilde glimlachte en liet zich omhelzen.

—Kom nu allemaal, naar bed! sprak zij een weinig verzoend.

—Wat ziet de freule derledikant er uit, zeide Martha hoofdschuddend, ik kan het heelemaal weêr gaan opmaken, stoute bengels!

—Zoete bengels! riep Lientje.

Mathilde nam haar in haar arm op en Tine en Johan volgden, bijna struikelend over hun vreemde draperieën en gillende van de pret, dat hun list gelukt was.

—St, stil zijn, anders maak je Nico wakker!

Juffrouw Frantzen wist van den prins geen kwaad; zij zat, met Hector aan haar voeten, te breien in de kamer, waar Nico sluimerde en ontstelde hevig, toen zij de karavaan zag aankomen. Die ondeugende kinders, om zoo stilletjes weg te sluipen; ze was in de volle overtuiging dat ze al lekkertjes sliepen in de kamer er naast!

Het drietal werd in bed bezorgd, rillend en verkleumd maar dol van vroolijkheid en juffrouw Frantzen vermaande ze nu toch niet meer te praten en zoet te gaan slapen….

En Mathilde boog zich over het bedje van haar Nico, die met geloken oogen in de wol lag, de vochtige lipjes half geopend, en zijn blonde krulletjes kruivend over het witte kussen. Engel van een jongen! En ook de anderen, wat een schatten, echte lastposten, niet te regeeren vooral met mama en Freddy als medebestuur…. Maar toch, hoe gelukkig, dat zij ze had, alle vier, alle vier!

En zij boog zich en roerde even met de lippen Nico’s open mondje aan, en zij voelde zijn zachten, geurigen adem over haar wang strijken, als een liefkoozing, en haar tranen drupten neêr op zijn voorhoofd, zoo doorschijnend bleek, zoo zacht….

Engel van een jongen….

Hoofdstuk VI.

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

De oude mevrouw Van Raat kwam een enkele maal des avonds thee drinken bij haar zoon op het Nassauplein; zij werd dan zeer vroeg, om zeven uur, door haar coupé gebracht, waarmede zij om halftien weder vertrok.

Dezen keer was Betsy nog boven, zeker met Ben, zooals Eline mevrouw Van Raat verzekerde, hoewel zij wist dat Anna, de kindermeid, den kleinen jongen naar bed placht te brengen.

Zij geleidde mevrouw Van Raat in het boudoir, waar het zachte schijnsel der bougies van een kristallen kroontje neêrschemerde op het violette peluche der causeuses en met het getintel der pendeloques weêrkaatst werd in den ronden spiegel.

—En Henk? vroeg de oude dame.

—O, die dut zeker nog! lachte Eline. Wacht, ik zal hem even roepen.

—Neen, neen, laat hem, arme jongen! zeide mevrouw Van Raat. Laat hem maar slapen, en blijf wat met mij keuvelen, kind.

Zij liet zich in de canapé neêr en zag glimlachend naar Eline die zich op een lage pouffe zette aan haar zij.

Eline nam de dorre, geaderde hand der oude vrouw in de hare.

—En hoe maakt u het mevrouwtje, goed? U ziet er vandaag uit als een jong meisje, zoo gladjes, ik zie geen enkelen rimpel op uw voorhoofd.

Mevrouw van Raat liet zich als altijd bekoren door die liefkoozende stem, door dat glanzende lachje, waarin Eline nu iets naiëfs wist te leggen, misschien onbewust.

—Dolle meid! Zoo te spotten met mijn grijze haren. Elly, je moest je schamen! en zij sloeg haar arm om Eline’s hals en kuste haar op het voorhoofd. En hoe gaat het met Betsy tegenwoordig, is zij niet erg lastig? fluisterde zij.

—Ach, mevrouwtje, heusch, Betsy is niet zoo kwaad, ze is maar een beetje…. een beetje driftig, zoo in haar manier van spreken. Alle Vere’s zijn driftig, ik ook; papa alleen herinner ik me nooit driftig gezien te hebben, maar papa was ook een man als er geen tweede bestond. Ik kan uitstekend met Betsy overweg; och ja, je kibbelt natuurlijk wel eens, als je altijd samen bent, maar dat zou ik zelfs met u doen, geloof ik, als ik bij u woonde.

—Wel, ik woû, dat je er eens de proef van nam!

—Kom, ik zou u op den duur veel te lastig zijn, u vindt me nu lief, omdat u me zelden ziet, maar als u me dikwijls zag….! en zij lachte vroolijk.

—Heb je nu toch ooit zoo een kwade meid gezien, net alsof ik zoo een humeur heb, hè?

—O, zoo bedoel ik het niet…. Maar waarlijk, Betsy is au fond een hartelijke meid, en ik verzeker u, Henk heeft een charmante vrouw aan haar.

—Nu, het is mogelijk, maar…. ik weet niet wie ik voor hem gekozen had, Betsy, of…. iemand anders, als ik had kunnen kiezen voor mijn jongen.

Zij legde de hand op Eline’s hoofd en zag het meisje met iets veelbeteekenends in haren doffen blik aan, een treurig glimlachje om den ingevallen mond.

Eline schrikte een weinig. Mevrouw Van Raats toespeling bracht haar oude gedachten voor den geest, lang vervlogen en bijna vergeten gedachten waarin zij dat plotselinge verlangen naar Henk had gevoeld, dien vagen wensch zich op hem te verlaten, als op een goedigen steun. En het scheen, of die gedachten ver waren, uitgewischt, als in een nevel, of het nog slechts schaduwen van gedachten waren, schimmen van gedachten….

Zij misten alle bekoring, zij kregen zelfs iets grotesks, dat haar bijna glimlachen deed….

—O, mevrouw, murmelde zij in haar parelend lachje; wie weet hoe ongelukkig hij dan was geworden, terwijl nu…. hij zit een beetje onder den pantoffel, maar Betsy heeft nogal kleine voeten….

—St…. stil! fluisterde mevrouw Van Raat, daar komt iemand.

Het was Henk, die de portière van het boudoir een weinig oplichtte en zich verwonderde, dat het reeds zoo laat was. Eline lachte hem uit en vroeg of hij zoet gedroomd had.

—Je eet veel te veel, daarom wordt je zoo lui ’s avonds. U moest eens zien, hoeveel hij eet….

—Nu hoor je, moeder, hoe je zoon in zijn eigen huis bedrild wordt, zelfs door zijn schoonzusje. We hebben toch zoo een last van dat kind….

—O, schei daar maar over uit; mevrouwtje gelooft toch niets kwaads van me, zelfs niet van haar aangebeden Henk…. niet waar mevrouwtje? Durf eens te zeggen, dat het niet zoo is?

Zij zag met iets kinderlijks in hare mooie, amandelvormige oogen, met iets kinderlijks in hare houding naar de oude vrouw op, en er straalde eensklaps zulk een gloed van sympathie uit geheel haar wezen, dat mevrouw Van Raat zich niet weêrhouden kon haar te omhelzen.

—Je bent een dot! sprak ze, overgelukkig in de koesterende warmte der genegenheid van haren dorren ouderdom voor die zon van jeugd.

II.

Inhoudsopgave

Toen Betsy beneden kwam, verontschuldigde zij zich vriendelijk, dat zij zoo lang was opgehouden geworden en vroeg zij, of mama niet liever in den salon kwam theedrinken, het was daar ruimer….

—Paul zou straks ook komen, sprak mevrouw Van Raat, terwijl Eline haar een marmeren stoof onder de voeten schoof. Dan moest je samen wat muziek maken, Elly, zal je?

—Goed, mevrouwtje, heel gaarne….

Mevrouw Van Raat haalde haar bril en haar haakwerk te voorschijn, terwijl Betsy zich voor het theeblad, schitterend van zilver en Japansch porselein, neêrzette. Zij sprak over het een en ander, nieuwtjes van den dag, ook over het bal van eergisteren, bij de Eekhofs, zij had zich goed geamuzeerd…

—En jij ook, Elly? vroeg mevrouw.

—Ja, uitstekend, mevrouwtje, heerlijk gedanst, en een magnifique cotillon, heel aardig.

—En jij, Henk?

—O, Henk!

Betsy en Eline lachten beiden; Eline riep uit, dat hij veel te dik was om te dansen; alleen een menuet zou hij nog heel elegant kunnen doen; mevrouwtje wist, dat kwam nu weer langzamerhand in de mode.

Mevrouw lachte meê, en Henk dronk goedig zijn wasemend kopje thee uit, toen er gebeld werd en Paul weldra binnentrad. Hij vertelde, dat hij zoo juist van de Prinsengracht, van Hovel kwam, wien hij een visite gemaakt had; gisteren avond had hij al naar den advocaat willen gaan, maar hij was Vincent Vere tegengekomen, in de Hoogstraat, en hij had zijn bezoek uitgesteld, om met nog een paar kennissen een glas wijn op Vincents kamer te gaan drinken. Hovel was hem uitstekend bevallen bij nadere kennismaking; hij was zeer humaan, zeer vriendelijk, en zij waren overeengekomen, dat Paul met den volgenden Maandag beginnen zou op zijn kantoor te komen werken.

Mevrouw Van Raat slaakte onwillekeurig een zucht van verlichting, nu die lang besproken visite eindelijk was afgelegd. Den laatsten keer dat zij haar zwager Verstraeten gezien had, meende zij, van Paul sprekende, eenige ontevredenheid in hem bespeurd te hebben, en zij rekende zeer, in zake haar jongste, op de hulp van Verstraeten, die Pauls toeziende voogd was geweest, tijdens zijne minderjarigheid.

Betsy gevoelde, terwijl Paul sprak, iets, alsof het niet stond, dat Henk toch zoo totaal zijn tijd „verlummelde” met zijn paard en zijn honden…. Maar wat te doen; zij had al zoo dikwijls aangedrongen, en het was er nu geen geschikt oogenblik toe, in het bijzijn der oude mevrouw Van Raat.

—Kom Paul! riep Eline op eens, willen we wat gaan zingen?

Paul verklaarde zich bereid; hij stond op; Eline zette zich aan de piano. Iederen Donderdag studeerden zij te zamen duo’s in en zij beroemden zich reeds op een klein répertoire. Paul had nooit les gehad, kende nauwelijks pianospelen, maar van Eline ving hij nu en dan een raadgeving, een aanwijzing op, die hij steeds trouw volgde, en zij beweerde, dat wat hij met zijn stem vermocht te doen, hij aan haar verschuldigd was. Hij hield nu reeds zijn mond goed open en zijn tong tegen zijn ondertanden aan, maar heusch, hij moest les nemen, bij Roberts…. Je kon eigenlijk zoo maar niet zingen zonder studie.

—Wat zullen we nemen? Une Nuit à Venise?

—Goed, best, Une Nuit à Venise!

Zij sloeg een muziekboek open, in rood leer gebonden, waarop in gouden letters: Eline Vere prijkte.

—Maar galm hier en…. hier je hooge sol niet zoo uit, sprak ze. Neem die liever in je middenregister en niet uit de borst. Dan klinkt het veel melodieuser. En heel zacht beginnen, en hier, en hier crescendeeren. En goed gelijk met me blijven op het laatst, met het loopje, je weet wel. Nu… netjes Paul.

Zij speelde het voorspel van Lucantoni’s duet, terwijl Paul met een kuchje zijn stem verhelderde. En zij zetten te zamen gelijk en zacht in:

„Ah, viens, la nuit est belle!

Viens, le ciel est d’azur!”

Zijn lichte tenor klonk een weinig broos en week, maar met een aangeboren bevalligheid, op naast het glansrijke metaal van haar sopraan. Zij vond er een genot in zoo samen te zingen, als Paul wat bij stem was en naar raad wilde luisteren. Het scheen haar, of zij steeds gevoeliger zong, wanneer een andere stem de hare vergezelde, en vooral in de herhaling der fraze:

„Laisse moi dans tes yeux,

Voir le reflet des cieux!”

legde zij iets als het smachten eener Italiaansche liefde….

Het duet kreeg in haar geest meer dramatischen vorm; zij stelde zich in gedachte voor met Paul, als den tenor, liggende in een gondel, die tusschen de decors van een Venetiaansch kanaal voortgleed, in den magneziagloed van het kunstmatige maanlicht. Haar droomende verbeelding dacht heurzelve in het rijke toilet eener patricienne; Paul in dat van een armen, jongen visscher en zij beminden elkaâr, en lagen in zijn boot te droomen, al zingende, op de lagune. Voor haar zat het publiek ademloos….

„Devant Dieu même

Dire: Je t’aime

Dans un dernier soupir….

Daar was het loopje, zij vreesde, zij vreesde…. Paul zou blijven steken, zij relentiseerde…. neen, Paul bleef met haar samen en zij genoot in de samenstemming van maat, terwijl hunne stemmen wegstierven:

„Dans un dernier soupir….”

III.

Inhoudsopgave

—Beeldig, beeldig, Eline! riep mevrouw Van Raat, die stil was blijven luisteren.

—Je bent goed bij stem, Paul, sprak Betsy, om iets te zeggen.

—Nu, Eline, moet je alleen zingen! riep Paul, verheugd over zijn succes.

Mina was onder het duet de couranten binnen komen brengen, het Vaderland en het Dagblad, en Henk had er zich in verdiept, zoo geruischloos mogelijk de krakende bladen omslaande.

—Maar Paul, wil je dan niet meer? vroeg Eline. Iets anders, of ben je moê?

—Zing liever alleen, Eline….

—Ach neen, als je niet moê bent, wil ik liever nog een duet. Heusch, ik vind het heerlijk zoo met je te zingen. Durf je uit de Roméo, het groote duo?

—Heusch Eline, ik kan het nog niet goed, en het is zoo zwaar.

—Ach, verleden kende je het uitstekend, als je maar zacht en lief zingt en je niet forceert met uit je borst te galmen. Kijk…. hier deze heele passage in een tusschenstem zingen, vooral niet schreeuwen….

Hij vroeg haar met een angstig gezicht nog eenigen raad over deze fraze, over dien toon, en zij zeide, hoe hij doen moest.

—Kom, durf je? Maar vooral niet schreeuwen, dat is altijd afschuwelijk, en…. blijven we steken, dan is het immers nog niets.

—Ach, wil je het probeeren, het is mij goed.

„Va! Je t’ai pardonné, Tybalt voulait ta mort!”

zong zij daarop met rijk gekleurde voordracht, en Paul antwoordde met zijn recitatief en te zamen murmelden zij het

„Nuit d’hyménée, o, douce nuit d’amour!”

Opnieuw verrees de dramatizeering van het duo voor haren blik; het vertrek van Juliette, Roméo, in zijn schitterend kostuum, op kussens aan hare voeten liggend. En Roméo was Fabrice geworden, de nieuwe baryton, en zij liet haar hoofd neêrzijgen op zijn schouder:

„Sous tes baisers de flamme

Le ciel rayonne en moi!”

Pauls stem wankelde zeer en klonk onzeker, maar Eline hoorde het nauwlijks, dat hij het was, die zong: in hare gedachte bleef het Fabrice met zijn zwaar geluid, en haar zang klonk op, klaterend en vol, zonder dat zij meer dacht, hoe zij haar tenor overdekte.

Daar…. daar parelde de leeuwerik in den dageraad en zij stelde zichzelve voor, ontsteld hangende in Fabrice’s armen, terwijl zij vroeg:

„Qu’as tu donc…. Roméo?”

„Ecoute, o Juliette!”

antwoordde Paul met vaster klank, nu hij een pooze had kunnen rusten. Maar zij betuigde: het was niet de leeuwerik, het was nog steeds de nachtegaal; het was niet de eerste zonnestraal, het was nog steeds de teedere weêrschijn der maan en Fabrice bleef en het orchest ruischte door in de akkoorden, welke zij der piano ontsloeg, terwijl zij zwijgend in elkanders armen vielen. Bijwijlen, in de korte pauzen van het duo, doemde de werkelijkheid ruw en wreed voor Eline’s geest terug, en dan zag zij niet meer het tooneel en Fabrice, maar hun salon, en Paul, die het blad omsloeg. Maar nu, opnieuw viel zij in: zelve begreep Juliette het gevaar, zoo Roméo langer toefde; zij drong zelve, dat hij zou gaan en hij antwoordde:

„Ah! reste encor, reste dans mes bras enlacés!

Un jour il sera doux, à notre amour fidèle,

De se ressouvenir de ces douleurs passées!”

Dit was een passage waarin Pauls lyrische weekheid tot zijn recht kwam en Eline hoorde, als glimlachend en voor goed uit den droom ontwakend, hoe melancholiek en lief hij dit vermocht voor te dragen. Een wroeging omving haar: zij gevoelde het, dat zij zooeven hem in haar genot overjubeld had; ze zou nu oppassen….

En zij droeg de finale, minder in overweldigende wanhoop, dan in weeke smachting voor, zoodat Pauls hooge borsttonen beter uitkwamen dan in het begin, maar het visioen was voorbij, het tooneel, het publiek, Fabrice waren verdwenen.

„Adieu, ma Juliette!”

zong Paul haar toe en zij antwoordde met een lichten kreet, waarin hij instemde:

„Toujours à toi!”

IV.

Inhoudsopgave

—Heerlijk, heerlijk zoo te zingen! riep Eline in extaze uit en ze vloog op en omhelsde mevrouw Van Raat met bruisende onstuimigheid. En zingt Paul nu niet lief, mevrouwtje, en is het niet onverantwoordelijk, dat hij geen les wil nemen? U moest hem eigenlijk dwingen….

Maar Paul beweerde, dat Eline hem reeds mooi genoeg les gaf, en dat ze hem nog eens zich zou laten doodzingen met hare moeilijke duo’s; Eline echter meende, dat hij het er perfect had afgebracht.

Betsy zuchtte, in stilte, van verademing na het bruyante afscheid der Veroneesche geliefden, dat onder het geschilderd plafond en tusschen de peluche draperieën van haar salon haar te zwaar en te luid in de ooren had geklonken. Eigenlijk vond ze het een vreeselijk geblèr! Waarom zong Eline liever niet iets aardigs, iets luchtigs uit de een of andere bouffe!

Het gesprek begon, nu Eline en Paul zich hadden neêrgezet, weder algemeen te worden, over kleine nieuwtjes van den dag, over de drukte in de straten, nu het weldra St. Nicolaas was, tot het halftien sloeg en Mina zeggen kwam, dat het rijtuig voorstond.

—Het is ook mijn uurtje, sprak mevrouw Van Raat, langzaam opstaande, en Eline huppelde neuriënd weg, om haar goed in het boudoir te halen, een bonten rotonde, een wollen doek, een capuchon.

Zij liet zich zorgvuldig inmoffelen door haar lieveling, en pakte voorzichtig haar bril en haar handwerk bijeen in hare réticule. Daarna kuste zij hen allen, zich tot hen buigend met de langzame bewegingen eener vermoeide, oude vrouw en Henk en Paul lieten haar uit en hielpen haar in de mollige, satijnen kussens van den coupé.

Het rijtuig rolde weg, en mevrouw Van Raat hoorde nog een geruisch in haar ooren als van zingende stemmen en zij glimlachte weemoedig, terwijl zij het beslagen glas van het portier afwischte, om naar buiten te zien, waar de sneeuw vuil en bezoedeld neêrlag in den glans der lantarens, en ze dacht aan den tijd, toen ze naar de opera ging, met haar man….

Paul bleef nog een uurtje en stapte toen op, na een stevig glas wijn op zijn duo’s gezet te hebben…. Toen hij vertrokken was, ging Eline naar boven, om wat op te redderen, zooals zij aan Betsy zeide. Het was koud in Eline’s zitkamer, maar de koelte verfrischte hare wangen en hare handen, verhit door de lauwe atmosfeer van den overwarmen salon. Zij wierp zich neêr op de Perzische kussens, hief heur hand omhoog en streelde het blad der aralia, in een houding, die haar lief was. En zij glimlachte, terwijl haar oogen zich vergrootten in een droomerig gestaar, en dacht aan Fabrice met zijn mooien baard en zijn prachtige stem. Hoe jammer, dat Betsy niet meer van de opera hield! Zij gingen er zeer weinig heen en zij was er toch zoo dol op. Ze zou mevrouw Verstraeten eens netjes, op een discrete wijze, doen blijken, dat zij haar wel eens een enkelen keer kon vragen; meneer ging toch nooit, en mevrouw inviteerde meestal den een of den ander op haar vierde plaats, nu eens Freddy, dan Paul…. waarom haar ook niet?

Eensklaps sprong zij op, geprikkeld door een plotselinge gedachte: Fabrice had gisteravond voor de derde maal gedebuteerd: de eerste maal was hij opgetreden in Hamlet, daarna in le Tribut de Zamora, waarin zij hem gezien had, gisteren in Guillaume Tell….

Zij liep haar kamer uit en boog zich over de leuning der trap.

—Mina, Mina! riep ze.

—Ja juffrouw! antwoordde Mina, die juist in de vestibule liep met een blad vol wijnglazen.

—Breng me de couranten eens, als meneer en mevrouw ze gelezen hebben, wil je?

—Goed juffrouw, dadelijk.

Zij keerde terug en wierp zich weêr op den divan. En ze lachte om zichzelve, daar heur hart klopte van nieuwsgierigheid. Het idée! Wat kon het haar eigenlijk schelen!

Daar hoorde zij Mina de trap opkomen; zij bracht beiden, het Vaderland en het Dagblad.

—Als u blief, juffrouw.

—Dank je wel, Mina, zeide Eline onverschillig en nam de couranten loom aan.

Nauwlijks echter had de meid de deur achter zich gesloten, of zij vouwde kreukend en krakend het Vaderland open, en zocht met tintelende oogen in het Kunst- en Letternieuws, en ze las:

„De Fransche Opera.”

Inhoudsopgave

„Niemand zal het zeker na Hamlet en Le Tribut de Zamora betwijfeld hebben of de heer Theo Fabrice zou genade vinden in de oogen van de abonné’s onzer Fransche Opera, en men kan zich dus alleen verwonderen, dat er zich nog drie stemmen tegen den schitterenden baryton verklaarden. Opnieuw gaf de heer Fabrice, in Tell, bewijs hoe hij ten volle geschikt is om het emploi van Baryton van den Grand Opéra alhier te vervullen, zoodat wij ons van harte in zijn aanneming verheugen kunnen. Aan een forsch en goed geleid orgaan paart de verdienstelijke artist een hartstochtelijke en toch gepaste actie, die van studie getuigt. In het duo met Arnold (1e acte) en het groote trio, in de scène met Jemmy, gaf Fabrice een grootere volmaaktheid dan men meestal op ons tooneel gewend is, te hooren….”

En Eline knikte glimlachend, goedkeurend; het was inderdaad volkomen waar; en zij las het artikel uit, zich verheugend in zijn succes, en zocht vervolgens hoe het Dagblad over hem oordeelde.

Hoofdstuk VII.

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

De Ferelijns bewoonden in de Hugo de Grootstraat boven een kruidenier een klein appartement, een suite met een keuken en een kabinetje op de eerste, en twee kamers met twee kabinetjes op de tweede verdieping. Zij leefden daar in een drukkende bekrompenheid, een benauwde zuinigheid; Frans was door zijn ouders weinig nagelaten geworden en moest dus met vrouw en kinderen leven van zijn klein verlofstractement. Zij hadden zich in Den Haag gevestigd, in de stad, waar zij beiden, van hun kindsheid af, hadden gewoond, waar zij elkaâr hadden leeren kennen, waar zij hun vrienden en hun meeste souvenirs dachten terug te zullen vinden, hoewel Frans er wel eens over sprak, dat zij verstandiger zouden handelen zich in een kleinere stad te vestigen. Maar ook Jeanne’s vader, de heer Van Tholen, gepensionneerd rezident, woonde nog in Den Haag, zeer eenzaam, wegens zijn moeilijk karakter weinig meer gezocht door oude vrienden en bekenden, en langzamerhand verlaten door zijn kinderen, die huwden of eene betrekking zochten. Daarom had Jeanne haar man ook overgehaald, niettegenstaande hun kleine beurs, in Den Haag te blijven. Zij zou zuinig zijn, beloofde zij, en zij hield woord, weinig spaarzaam van aard, maar nu gedwongen te zien op iederen cent, dien ze uitgaf.

Zoo bleven zij in Den Haag, trots vele teleurstellingen, Jeanne vond heur vader in de vier jaren, waarin zij elkaâr niet gezien hadden, oud geworden, ontevredener en prikkelbaarder, dan zij hem zich vroeger herinnerde. De tijden van vroeger waren voorbij, dacht zij; de vroolijke jeugd in de ouderlijke zonnige woning, met haar moeder en haar broers en zusters; haar onschuldige guitenstreken met vriendinnetjes van school; haar meisjesdroomen onder de seringen en jasmijnen van hun tuin; haar engagementstijd, vol idealistische hersenschimmen, met Frans. De souvenirs, die zij in Holland meende terug te vinden, waren wijd en zijd verspreid, als verdorrende bladeren, en hoe zij in Indië’s hitte ook heimwee had gehad naar de vocht en den mist van het vaderland, nu, gebukt onder haar teleurstellingen, gebukt onder haar gedwongen zuinigheid, verlangde zij weder naar dat materieel kommerlooze buitenleven, dat zij in de Kadoe, tusschen haar koe en haar kippen, genoten had. En toch, dapper trots haar zwakte, hield zij den kamp met de duizende kleine beslommeringen van het dagelijksche leven vol. Dokter Reijer kwam hare Dora steeds om den anderen dag bezoeken, maar ze meende in den gezochten, jongen dokter een zenuwachtige haast te bespeuren, die hem zijne visite als bij seconden deed aftellen. Hij bleef even, luisterde aan Dora’s borstje, zeide geruststellend, dat haar hoest losser werd, drukte Jeanne nog eens op het hart, het kind niet uit te laten gaan en vertrok in zijn coupé, terwijl hij met een gouden potlood in zijn boekje noteerde en de namen zijner drukke clientèle nazag. Frans zelven had hij, om zijn zware hoofdpijnen en zijn koortsen, een consult aangeraden met een professor in Utrecht, wien hij over den patiënt reeds lang uitvoerig geschreven had en Frans was naar Utrecht gegaan en teruggekomen, ontevreden over de vage, bedekte wijze, waarop de professor zich had uitgelaten. Zoo dokter Reijer nu Dora bezoeken kwam, ging Frans weg, geërgerd over hem en zijn Utrechtschen professor, die met hun beiden hem nog niet konden genezen, en hij begroef zijne hoofdpijn, die hem in het achterhoofd hamerde en zijne rillende huiveringen, die over zijn rug als sijpelingen van koud water vloeiden, in eene norsche eenzaamheid op zijn eigen kantoortje, het kabinet der eerste verdieping. Iets als eene wroeging omving hem dan wanneer hij Jeanne, alleen, boven met den dokter hoorde praten en Dora met haar zeurig stemmetje hoorde krijten, als het kind tegenstribbelde en zich niet wilde laten onderzoeken, maar toch: hij stond op; alle doktoren waren kwakzalvers, die hem wel veel wijsheid konden vertellen, maar die hem, als hij ziek was, toch niet genezen konden….

II.

Inhoudsopgave

Jeanne ging met den dokter, nog pratende, de trap af, en Frans hoorde in zijn kabinet hoe Reijer naar hem vroeg, hoe zij iets antwoordde en de meid riep, om den dokter uit te laten. Daarop kwam zij binnen, terwijl het koetsje weldra op straat wegratelde.

—Stoor ik je? vroeg zij met hare zachte, onderdrukte stem.

—Neen, zeker niet, waarom?

—Waarom ben je niet even boven gekomen, Frans? Reijer heeft tweemaal naar je gevraagd.

Hij haalde de schouders op.

—Het is toch voor niets! sprak hij wrevelig; ze sturen je naar beroemdheden in Leiden en Utrecht, die je een tientje laten betalen voor een praatje van een paar minuten….

—Maar wat wil je dan? Je kan toch niet met een tooverslag genezen van iets, waar je al twee jaren aan souffreert. Ik vind, je bent niet verantwoord, als je niet meer voor je gezondheid doet, dan je in die drie maanden, die wij hier zijn, gedaan hebt. Je bent er toch voor in Europa gekomen, niet waar?

—Zeer zeker, maar ik moet eerst iemand vinden, die meer vertrouwen inboezemt dan Reijer. Reijer is een dokter à la mode, jou door de Van Raats aangeraden, heel beleefd en heel aardig, maar mij te oppervlakkig en te vluchtig. Hij is weg voor je hem gezien hebt.

—Maar je spreekt ook niet open met hem. Ik vraag hem uit over Dora en dwing hem als vanzelf langer te blijven, en waarlijk, nu hij ons reeds beter kent, schijnt hij ook meer belang in ons te stellen. En men zegt algemeen, dat hij knap is, niet alleen de Van Raats dwepen met hem….

—Ja, ik zal wel eens zien, ik heb allen tijd, we zijn hier immers nauwlijks. Je bent soms net een druppel water op een steen, tèk, tèk, tèk…. Je zit altijd door te draven over die doktershistorie! riep hij, ontevreden over zichzelven en ongeduldig uit, en hij sloeg zijne schrijfportefeuille open, als om haar te beduiden, dat hij geen tijd meer had.

Zij ging zonder een zucht en sloot de deur zacht achter zich toe. Boven vond zij in de kinderkamer hunne eenige meid, een jonge deern van zestien jaar, met een vuil schort en ponyhaar, bezig de bedden op te maken, terwijl Dora met de beide jongens, Wim en Fritsje, in het andere vertrek aan het spelen was met eene groote bouwdoos, een geschenk van grootpa, den heer Van Tholen.

—Ik zal de deur dicht doen, dan kan je de kamer luchten, Mietje, sprak Jeanne en zij schoof de porte-brisée toe, en zette zich, glimlachend tot de kinderen, neêr bij het raam aan eene tafel, bezaaid met eenig linnengoed, dat zij moest nazien, kousjes, schortjes, rokjes, hier zoo kort geleden aangeschaft, en reeds te verstellen… O, wat waren hare kinderen slijtsch!… Ze zuchtte en hare kleine, magere hand woelde een weinig in het goed, terwijl hare oogen zich met tranen vulden. Waarom was ze niet sterker van gestel, wat zou ze dan flink haar huishoudentje geregeld hebben! Het was haar soms zoo moeilijk zich te verheffen boven de moedeloosheid, waarin zij zich voelde wegzinken als in een afgrond, uit de lusteloosheid, die haar als met fluweelen armen omving, en toch … er moest zooveel gedaan worden; ze mocht niet toegeven aan ijdele mijmerij, niet hare oude, verspreide herinneringen bij elkander rakelen, als uitgebrande sintels, en zich in een verlangen naar vroegere illuzies vergeten; de werkelijkheid doemde voor haar op met een groote scheur in Dora’s nieuw wollen rokje en de vuile wasch, die geteld moest worden.

En toch nu, terwijl hare hand steeds woelde tusschen de kleine kousjes en de kleine hemdjes, nu liet ze zich meer en meer neêrzijgen in het weeke dons harer vermoeidheid; ze richtte zich niet met geestkracht op, om aan het werk te gaan en ze hoorde niet het gekibbel der kinderen, toen Dora en Fritsje beiden zeurend vochten om eenige blokjes. Zij had zoo gaarne veel zonneglans en harmonie in hare kleine woning willen brengen, maar zij was geene fee, en ze voelde zich zoo zwak en reeds niet bestand tegen de kleine lasten van het leven, en ze dorst niet te hopen op een rooskleuriger toekomst, daar de gedachte er aan haar, uit een aangeboren vrees, steeds huiveren deed, en haar een vaag, onduidelijk schrikbeeld voor den geest bracht, van iets sombers en rampzaligs, dat zij niet in woorden had kunnen schetsen.

Haar hoofd viel neêr op haar andere hand en een traan drupte nu en dan op het linnengoed. O, wat had ze zoet kunnen sluimeren, gestreeld door eene liefkoozing, van iemand, die haar beminde en in wiens teederheid zij zich kalm en kommerloos en veilig zou gevoeld hebben! En ze dacht aan haar Frans, en hoe hij haar gevraagd had in hun tuin onder de bloeiende seringen, en zij dreef hem en ze was een druppel water op een steen, tèk, tèk, tèk….

O, ze wist het, ze maakte hem niet gelukkig; ze was hem een groote teleurstelling geworden, maar zij kon het niet hebben, dat hij meer in haar had willen zien en vinden, dan zij was: een dom, eenvoudig, zwak vrouwtje, met een groote behoefte aan veel, veel liefde, en veel zachtheid en innigheid, en met iets als een tikje sentimenteele poëzie in haar kleine ziel….

En zij richtte zich zuchtend op en vermaande de kinderen niet zoo een leven te maken: papa zat beneden en papa had hoofdpijn… Toen zocht zij op tafel naar heure werkmand, maar zij had hem in de huiskamer gelaten en zij vermaande Dora, als eene groote meid, even op de broêrtjes te passen. Zij sprak meestal tot het meisje met iets in haar stem, alsof zij tot eene volwassen dochter sprak, en Dora hielp haar dikwijls, gestreeld, dat moes haar al zoo bruikbaar vond. Zich aldus heffende uit hare weeke traagheid, ging Jeanne naar beneden, naar haar huis- en eetkamer, en ze zocht naar de mand, toen Frans binnenkwam.

Hij had haar de trap opnieuw hooren afkomen, en hij had behoefte haar even te zien, in een gevoel van wroeging en ontevredenheid over zichzelven. Hij naderde haar, terwijl zij terzijde van den schoorsteen zocht, op de punt zijner pantoffels. Hij vatte haar zacht bij heure armen.

Zij schrikte even en toen zij opzag, bespeurde ze in zijn oogen die zachtheid, waar ze zoo naar verlangen kon, en hij vroeg haar met een vragend glimlachje, waarin bijna iets als vrees school:

—Ben je boos, zeg?

Hare oogen vulden zich plotseling vol vocht en ze vleide heur hoofd neêr op zijn schouder en legde haren arm om zijn hals en knikte van neen.

—Heusch niet?

Nog eens knikte zij van neen, lachende onder haar neêrdruppelende tranen, en zij sloot de weenende oogen en voelde zijn ruigen snor op hare lippen, toen hij haar zoende. Wat had hij toch gauw berouw, wanneer hij onvriendelijk was geweest en wat deed het haar goed zoo te kunnen vergeven.

—Kom, huil dan niet, zoo erg is het niet geweest….

Zij loosde een zucht van verademing en klemde zich vaster aan zijn hals.

Als je maar een beetje vriendelijk tegen me bent, o, dan voel ik me zoo…. zoo sterk, dan voel ik me tot alles in staat.

—Lief wijfje!….

Nog eens zoende hij haar en, onder de warme teederheid zijner lippen, vergat zij de ijskoude der ongestookte kamer, die haar rillen deed in zijne armen.

Hoofdstuk VIII.

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

Het was den 5den December en er heerschte van den vroegen morgen af een geheimzinnige drukte, een glimlachend gefluister, een angstig weggemoffel voor onbescheiden binnentredenden, in het huis der Van Erlevoorts.

Des avonds even over zevenen kwamen de Verstraetens; de twee neefjes Jan en Karel, die in de tableaux hadden meêgedaan, vergezelden hen; vervolgens kwamen de Van Raats en Eline; daarna de oude mevrouw Van Raat en Paul; Henk echter en Jan Verstraeten traden niet den salon binnen, maar verstopten zich aanstonds geheimzinnig in een kabinetje, waar Marie en Lili reeds een pak kostumes hadden gebracht.

In den grooten salon ontving mevrouw Van Erlevoort, stralend van vreugde, heure gasten, die door de Van Rijsseltjes en Hector met oorverdoovend gejuich werden welkom geheeten, wat door Mathilde en dikke juffrouw Frantzen nauwelijks kon worden getemperd.

—En waarom heb je Ben nu niet meêgebracht? vroeg mevrouw Van Erlevoort verontwaardigd aan Betsy.

—Heusch, mevrouw, Ben is nog te klein, u moet bedenken, hij is pas drie jaar en het wordt te laat.

—Hij had wel even met onze Martha naar huis kunnen rijden, als de kinderen naar bed zouden gaan. Ik had juist iets aardigs voor hem, sprak mevrouw teleurgesteld….

In den anderen salon, waar de jonge meisjes met Otto, Paul en Etienne praatten en lachten, ontstond een beweging en de Van Rijsseltjes keken zenuwachtig en nieuwsgierig op. Martha, de linnenmeid, was binnengekomen en had glimlachend iets aan Frédérique medegedeeld.

—Menschen, kinderen! riep Frédérique met een waardig gelaat; stilte! St. Nicolaas is gearriveerd en vraagt, of hij zijn entrée mag maken. Vindt u het goed, mama?

Men hield zich zoo ernstig mogelijk en zag steelsgewijze naar de Van Rijsseltjes.

St. Nicolaas kwam intusschen reeds aangestapt in een witten tabbaard en een langen, rooden mantel, met goud galon omzoomd; hij droeg lange, grijze haren, een langen, witten baard en een gouden mijter op het hoofd. Statig deed hij zijn entrée-de-salon, steunende op zijn staf en achter hem ging zijn zwarte page, gekleed in een fantazie-kostuum, dat zij, die de tableaux onlangs bij de Verstraetens gezien hadden, wellicht herkend zouden hebben. De drie meiden en Willem, de knecht, volgden hen als een achterhoede en bleven vroolijk toekijken in den kleinen salon.

De groote menschen bogen allen met een zelfbewust glimlachje voor den Spaanschen bisschop.

St. Nicolaas mompelde een groet en begaf zich, bijna struikelend over zijn te langen tabbaard, naar de canapé, waar de oude mevrouw Van Raat en mevrouw Verstraeten zaten, omringd door mevrouw Van Erlevoort, den heer Verstraeten, Mathilde, Betsy en Otto. Men stond voor het gemak niet op en mevrouw Van Erlevoort verwelkomde den hoogen gast met een familiaire vriendelijkheid.

Waarom blijft oma zitten? fluisterde Ernestine verwonderd, en zij hief haar fijn verstandig gezichtje naar Marie omhoog. Dat doet ze toch nooit als er zoo een oude, vreemde meneer komt….

—Mais, écoute donc, comme elle est fine! fluisterde Marie tot Eline, die naast haar stond.

Eline echter hoorde niet; zij stond te lachen met Paul en Etienne om St. Nicolaas wiens tabbaard bepaald afzakte en reeds een halve el over zijn voeten golfde, terwijl een blonde reep tusschen zijn grijze lokken en zijn mijter zichtbaar was.

II.

Inhoudsopgave

Daar verhief St. Nicolaas zijn volle, zware stem en wenkte hij, terwijl hij met een flinken ruk zijn tabbaard in zijn gordel optrok, de Van Rijsseltjes tot zich. Zij vertrouwden de zaak nog niet goed, maar toen St. Nicolaas een der zakken uit de handen van zijn knechtje nam en zij nu beiden ze openden en begonnen te strooien, toen straalden de Van Rijsseltjes van blijdschap, vergaten hunnen angst, en wierpen zich tegelijk, over Hector rollend, op den grond neder om te grijpen, wat maar te grijpen viel, peperappels, vijgenmandjes, hazelnoten, mandarijntjes, chocolâ….

—Pak maar op, pak maar op! moedigde St. Nicolaas aan; we hebben nog een heele boel meer, zie maar! Kom jullie, groote jongens, moet je ook niet wat hebben?

De neefjes Verstraeten lieten zich de uitnoodiging niet herhalen en grabbelden meê.

—Wil u dit voor mij bewaren, oma! gilde Nico en stortte een regen van opgezamelde lekkernijen in den schoot zijner grootmama; dan ga ik nog meer halen!

—Nico, Nico! vermaande Mathilde.

—Ach! zeide mevrouw Van Erlevoort goedig.

St. Nicolaas en het knechtje schudden echter hunne groote zakken, die hoe langer hoe slapper waren geworden, uit en keerden ze om, als blijk, dat ze nu waarlijk geledigd waren.

—O, nu gaan we zeker naar de eetkamer! riep Ernestine, en ze sprong op en klapte in hare handen.

—O ja, naar onze tafeltjes! stemde Johan in.

Ieder stond op en men volgde den bisschop en de kinderen naar den kleinen salon, en de meisjes gichelden weêr om St. Nicolaas’ afgezakte pruik, maar de heilige riep de meiden en Willem toe:

—Gauw, gooi de deuren maar open, gauw!

De porte-brisée werd opengeschoven en de kinderen stormden de verlichte zaal binnen, waar in plaats van de eettafel, nu vier kleine tafeltjes stonden; op elk lag de naam in chocoladeletters gespeld; op elk verhief zich een toren van speelgoed.

De Verstraetens en de Van Raats fluisterden tegen de meiden en lieten hunne cadeaux voor de kleinen ook binnenbrengen, één voor één hoepels, zweepen, panoplies, ballen, tinnen soldaatjes, een koe, die melk kon geven….

Intusschen had St. Nicolaas zich met zijn knechtje uit de voeten gemaakt, en daar het langzamerhand halfnegen begon te worden, meende Mathilde, dat er aan alle pret een einde kwam. Maar zij zou, zelfs met behulp van dikke juffrouw Frantzen, niet zoo heel spoedig haar doel bereiken. De kinderen verwarden zich in eene administratie om hun speelgoed en hunne lekkernijen bij elkander te houden; hazelnoten regenden uit de zakken van Ernestine over den grond: Johans tinnen soldaten, die in een oogwenk waren uitgepakt geworden, konden onmogelijk meer allen in hunne spanen doos en Lientje met haar hoepel en Nico met een nieuwe trompet renden met Hector de eetzaal door, zonder zich veel meer over hunne andere ordeloos verspreide bezittingen te bekommeren.

—Kom kinderen! riep Mathilde; gauw nu, het wordt tijd om naar bed te gaan.

Maar zij hoorden niet meer, de kleine Van Rijsseltjes, dol van de pret en weêr in wanorde omverwerpende wat de anderen bijeengezameld hadden, en Frédérique deed meê en nam Nico op haar rug, terwijl hij haar als zijn paard sloeg met een zweep.

Ook de kleine Verstraetens wonden Tine en Johan op, en liepen hen na, over den langen, marmeren corridor, stampende met hunne laarzen.

Mathilde sloeg hare handen wanhopig in elkaar. Niemand lette op haar, daar juffrouw Frantzen de meiden hielp met het speelgoed, en de jonge meisjes weêr met Paul en Etienne kakelden. Daar zag zij gelukkig Otto, die met Betsy en mevrouw Verstraeten sprak en zij ging naar hem toe en vatte zijne handen.

—O, ik bid je, Otto, help mij toch, de kinderen moeten heusch naar bed en ze hooren zelfs niet meer naar me. Mama helpt je ook niets in die dingen.

Mevrouw Van Erlevoort was namelijk juist bezig in de andere kamer het theeserviesje van Lientje voor de kleine meid te vullen met water, melk en suiker, en de oude mevrouw Van Raat en de heer Verstraeten zagen lachend toe.

—O, Otto moet weêr de boeman zijn! zeide deze vroolijk.

—Ach, neen, geen boeman, maar mijn hoofd loopt me om, als je mij niet even helpt. Heb je ooit zulke woelwaters gezien als mijn kinderen, Betsy? Toe Otto, kom je?

Betsy lachte.

—Ik zou maar even mijn gezag als oom doen kennen, meneer Van Erlevoort, zeide mevrouw Verstraeten.

Otto ging met Mathilde meê, eerst naar Freddy.

—Kom Freddy, Nico moet naar bed. Kom Nico, gauw. Morgen mag je weer paardje rijden op tantes rug. Stil Hector, liggen.

—Je hebt niets te zeggen over mijn rug, hoor! zeide Freddy; hoor je, papaatje! Kom Niek, papaatje zegt dat we moeten uitscheiden.

Niek gehoorzaamde, pruilend en vragend om zijn trompet, en Mathilde nam hem bij de hand. Daarna ging Otto in den corridor en de twee oudsten werden als hollende paarden gestuit, terwijl zij renden, en Otto zijn armen openbreidde.

—Kom Tine, en Jo, mama wil, dat je nu naar bed gaat, niet waar! Wees nu niet meer ongezeggelijk, anders doe je mama verdriet.

—Wat hebben we dit jaar een boel gekregen, oom! riep Ernestine buiten adem.

Mathilde kwam nu met Nico en Lientje aan de hand eveneens in de gang.

—Verbeeld je, daar zat mama heel kalm theetje te spelen niet Line! zeide zij en haar wanhopig gezicht deed Otto glimlachen. Waarlijk het zou twaalf uur worden, zonder dat mama….

—Moesje, moeten we niet eerst goedennacht zeggen, aan de menschen? gilde Johan.

—Neen, neen! riep Mathilde verschrikt en klemde vaster zooveel kleine handjes als ze maar kon; ik zal wel je groeten overbrengen aan alle menschen, aan allen hoor! Dank je Otto.

Zij knikte hem vriendelijk toe en hij knikte haar terug, met zijn hartelijken glimlach en zijn flinke oogen.

En Mathilde bracht de kinderen naar boven.

III.

Inhoudsopgave

—U kan dus goed tegen al die drukte? vroeg de oude mevrouw Van Raat aan mevrouw Van Erlevoort, en zij keek haar glimlachend, maar bijna verwonderd aan met haar doffen, treurigen blik.

Er heerschte een plotselinge kalmte na den uittocht der kinderen. Men verliet de eetkamer, waar hun speelgoed nog slingerde; het vertrek werd gesloten en men dwaalde rond in de twee salons, terwijl mevrouw Van Erlevoort thee schonk en Willem ronddiende. Otto was teruggekomen.

—Of ik er tegen kan, mevrouw? Ik voel mij er in herleven, ik voel mij er opnieuw jong in worden. Ik heb behoefte aan jeugd om mij heen. Ik heb geen treuriger leven gekend, dan toen mijn dochters en mijn zoon Théodore getrouwd waren, en toch had ik nog drie kinderen behouden en Freddy en Etienne zijn uitgelaten als kinderen…. Maar ik moet van dat kleine goed om mij zien dwarrelen; er is niets wat een mensch jonger doet blijven dan hun vroolijk rumoer…. Mag ik u nog eens inschenken?

Mevrouw van Raat reikte haar kopje over en zij benijdde mevrouw Van Erlevoort dien levenslust met zóo grijze haren. Zij vergeleek haar met zichzelve, en haar eigen melancholieke eenzaamheid, die zij dubbel gevoelde, nadat het leven haar zoo bedorven en geliefkoosd had, doemde in wreed contrast op naast den, door jeugd omringden ouderdom, van die gelukkige grootmama, met haar gezond gestel, dat geen nevroze scheen te kennen.

—En o, u weet niet, hoe het mij spijt, dat ik het zestal van Théodore zoo zelden zie, maar de jongen dweept met het buitenleven en wil er niets van weten, wanneer ik hem poog over te halen in Den Haag te komen wonen.

—Uw dochter in Engeland houdt zich bij haar éene kindje, niet waar? vroeg mevrouw Verstraeten. En mevrouw van Stralenburg?

Mevrouw Van Erlevoort boog zich een weinig tot mevrouw Verstraeten en fluisterde haar iets geheimzinnigs in, terwijl zij tegen den heer Verstraeten, die haar vragend en glimlachend toeknikte, schalks knipoogde.

Daarop vertelde mevrouw Van Erlevoort, hoe de Van Rijsseltjes gisterenavond hunne schoentjes hadden uitgezet, toen Henk en Jan Verstraeten binnenkwamen, glimlachend, en Henk met een rood gezicht.

Mathilde kwam eveneens terug en men zeide haar tal van aardigheden over de kinderen. Maar er werd hard aan de huisbel gerukt, zóó, dat het zelfs, trots de vele vroolijke gesprekken, de opmerkzaamheid gaande maakte.

Ieder zag naar de deur, die openging. Willem, Truitje en Rika torsten te zamen een groote kist binnen, naar mevrouw Van Erlevoort toe.

—O! riep Frédérique; dat is de kist uit Londen!

Mevrouw Van Erlevoort verhaalde aan mevrouw Van Raat, dat haar schoonzoon Howard hun ieder jaar op St. Nicolaas eene groote kist stuurde, die steeds voor ieder iets bevatte. Willem maakte met een beitel en nijptang de schroeven en nagels los, geholpen door Etienne. Een ieder zag vol verwachting toe. En de stortvloed van geschenken en surprises begon.

IV.

Inhoudsopgave

Eline had reeds van hare cadeaux eene kleine étalage gemaakt, en zij beweerde, dat men haar verschrikkelijk bedorven had en straalde van blijdschap in haar sympathieken glimlach. Glimlachend ook nam zij nu een pakket uit Martha’s hand aan; langzaam brak zij het touw, voorzichtig ziende of een cachet of een onbewaakte letter haar niet op het spoor van den gever zou brengen. Maar niets verried haar dit; het adres gaf eenvoudig te lezen: Mlle E. Vere. Het was een waaier-étui van grijs leer; zij opende het, reeds met verwondering bedenkend van wien dit kon wezen. In den étui, op het gecapitoneerde grijze fluweel, lag een waaier van zeer fijn gesneden parelmoêr: zij nam dien op en ontplooide hem langzaam. Bewonderend zag zij er op neêr.

—Bucchi! murmelde zij, den naam des schilders lezende onder aan den waaier, Bucchi!

De waaier was inderdaad geschilderd door den Italiaanschen kunstenaar, een fantazie van rozen en elven op ivoorwit satijn.

—Van wien kan dat zijn? sprak zij. Hoe prachtig!

Ieder stond op, ieder verdrong zich om Eline, die voorzichtig den waaier hield opengeplooid en men bewonderde het kostbare voorwerp. Eline was zeer verbaasd. Van mevrouw Van Raat had zij een odeurstelletje, dat wist zij zeker; van Henk en Betsy….

—Betsy, lieveling, moet ik jou hiervoor bedanken? vroeg zij oprijzend.

Betsy schudde haar hoofd.

—Parole d’honneur, mij niet, Eline!

Ja, zij had immers een armband van Betsy en Henk, maar van wien dan dezen waaier?

—Zou het misschien van…. Vincent zijn? vroeg zij weder.

—Van Vincent? Ach wel neen, hoe kom je daar nu op? Welk jongmensch geeft zoo een cadeau. Laat eens zien.

Eline reikte haar den waaier over.

—Het is magnifique, zeide Betsy; magnifique!

Eline schudde, zich bedenkend, langzaam het hoofd, geheel en al het spoor bijster.

De waaier ging intusschen voorzichtig van hand tot hand, en Eline bespiedde onderwijl ieders gelaat, maar op niemands trekken las zij ook maar de minste verklaring. Toch richtte Frédérique eensklaps haar hoofd met iets verwonderds op. Zij verdreef echter aanstonds die uitdrukking van haar gelaat en schijnbaar onverschillig naderde zij de plaats, waar Eline gezeten was.

—Mag ik den étui eens even zien? vroeg zij.

Eline reikte haar den étui en Frédérique bezag en betastte het grijze leêr en het grijze fluweel.

—Kan je ook soms in de verste verte vermoeden, van wien ik dat kan gekregen hebben? vroeg Eline en bewoog hare armen met een gemaakte wanhoop.

Frédérique haalde haar schouders op en zette den étui neêr.

—Neen…. ik weet het heusch niet! sprak zij, een weinig koel en zij zag Eline nieuwsgierig in haar lichtbruine oogen. Iets onverklaarbaar antipathieks scheen haar uit dien gazellenblik toe te lichten, straalde haar ook uit die affectatie, die wanhoop over den onbekenden gever tegen. Zij keek niet meer naar den algemeen bewonderden waaier, en was het verdere gedeelte van den avond stiller dan zij ooit placht te zijn.

V.

Inhoudsopgave

De stortvloed van geschenken was opgehouden. Mevrouw Van Erlevoort had heur gasten verzocht haar beide ontredderde salons, vol papier, stroo, zemelen en aardappelschillen te verlaten, nu Willem de deuren der eetzaal voor de tweede maal openschoof en de eettafel, voor het souper gedekt, vroolijk glinsterend allen tegenlachte.

Het was zeer vroolijk aan tafel. De heer Verstraeten amuzeerde mevrouw Van Erlevoort en Betsy, tusschen wie hij gezeten was, met zijn kluchtige scherts en Mathilde naast Betsy lachte vaak meê, Henk, tusschen zijn moeder en zijn tante gezeten, ontbrak het aan niets, terwijl Otto en Eline in een druk gesprek waren en Etienne zeer rumoerig tusschen Lili en Marie het hoogste woord voerde.

—Freddy, wat ben je stil, chère amie? vroeg Paul, terwijl hij een kreeftensalade verorberde en zich tevergeefs uitputte, zijn, anders genoeg luidruchtig buurvrouwtje aan den praat te maken. Heb je soms niet genoeg gekregen naar je zin?

—Ik stil? Hoe kom je er aan! antwoordde Freddy en zij begon te kakelen met een overstelpende levendigheid, welke als de echo was van die van Etienne. Maar toch, de hare was een weinig opgeschroefd, zij lachte niet altijd meê uit den grond van haar hart en zag vaak steelsgewijze naar Eline om, schitterend van bevalligheid in haar vroolijk gesprek met Otto. Ja, ze had toch wel een bizonder waas over zich, iets betooverends, als een sirene, terwijl haar droomerige oogen zich half sloten, wanneer zij lachte, en de mollige lijn harer fijn besneden lippen zich in twee kuiltjes verloor. En die mollige handjes, die zoo blank tusschen de zwarte kant en de donkerroode strikken van haar toilet woelden, en die coquette brillant, een enkele, als een droppel, trillende in de zwarte tulle aan heur hals… Frédérique vond haar betooverend, maar toch, zij vond haar antipathiek …. en haar oogen bespiedden bijna angstig Otto’s blik, die vol licht op de sirene neerzag.

Maar onderwijl praatte en lachte zij door met Paul, met Etienne en Lili en Marie, en de oude mevrouw Van Raat riep van den overkant haar toe, dat de familie Pretmaker de eer van haren naam weer goed ophield.

Champagne stroomde in de kelken en de heer Verstraeten dronk op de immer jeugdige gastvrouw, met haar mooie grijze haren en bedankte haar met een kus, dien zij wilde afweren, voor het prettige feest. Eline klonk met Otto op iets, dat Frédérique niet verstond, en waarvoor zij haar mooiste cadeau had willen geven, om het te weten. Toch vroeg zij het niet….

—Etiênne, wat maak je een leven! riep zij bijna ongeduldig haar broêr toe, die iets galmde van:

„Buvons jusqu’à la lie!”

terwijl hij zijn bevenden kelk bijna uitstortte over Lili’s taart. Maar zij had berouw over dat dwaze verwijt: waarom mochten anderen niet vroolijk zijn, al was zij nu ontstemd?

Het souper liep ten einde, de rijtuigen stonden reeds voor en de gasten, beladen met allerlei, vertrokken onder herhaalde dankbetuigingen voor de gewisselde geschenken. Mathilde was moê en ging spoedig naar boven, terwijl mevrouw Van Erlevoort en Otto een oog hielden op de overal verspreide cadeaux en ze een weinig bij elkaâr schikten.

—Wat zien de kamers er uit! zeide Frédérique en zij schopte een gescheurde kartonnen doos terzijde naar een hoop verkreukeld pakpapier. Daarop naderde zij de tafel; de waaier….. Eline had hem meêgenomen. Vervolgens kuste zij haar moeder en Otto, maakte schertsenderwijze Etienne’s haar in de war en bracht haar cadeaux naar boven.

Langzaam ontkleedde zij zich, dralende in de kilte, die haar huiverend omving…. En terwijl zij zich rillende tusschen haar dekens uitstrekte, zag zij weder Eline voor zich, in haar betooverende elegance, in haar zwarte kant, glimlachend tegen Otto…. Het dwarrelde voor haar heen als een ordelooze kaleidoscoop, Henk als St. Nicolaas gedost met zijn afgezakten tabbaard, en Jan Verstraeten als knechtje, de kist uit Londen, de waaier van Bucchi….

Hoofdstuk IX.

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

Het was een paar dagen na den St. Nicolaasavond, toen Eline des middags uitging met den kleinen Ben aan haar hand. Den vorigen avond was zij met mevrouw Verstraeten, Marie en Lili naar de opera geweest, waar zij de Trouvère gezien had, en dien morgen had zij Roberts, haar ouden brompot van een muziekmeester, Léonore’s air voorgezet, opdat hij haar zou accompagneeren:

„La nuit calme et sereine…”

Hij had zijn hoofd geschud; hij hield niet van die bravour-aria’s der Italiaansche school, waarvoor Eline dikwijls met hem redetwistte; zij vond Bellini, Donizetti, Verdi elegant en melodieus, muziek als geschreven voor haar kristallen sopraan, hij vond ze dikwijls kinderachtig, met hun huppelende, lichte wijsjes en wees haar op de rijkere diepheid van Wagner. Maar ze had hem onder den duim en hij had gespeeld wat ze hem voorgezet had.

—Kom Ben, niet zoo hangen, goed loopen! sprak Eline tot den kleinen, dikken jongen, die op zijn loome beentjes haar een pas achterna bleef. Kom, gelijk met tante blijven. Vindt je het niet prettig, meê naar de winkels te gaan?

Eline had gisteren in de opera, tijdens de cavatine van den Comte de Luna, een gedachte in zich voelen opkomen. Achter het raam van een platenwinkel had zij portretten van Fabrice gezien, gecostumeerd, in verschillende pozes, en zij had het plotselinge verlangen gevoeld er een te bezitten. Nu was zij op weg gegaan, om zich dat portret aan te schaffen. En zij stelde met een lichten glimlach, als genoot zij in een geheime weelde, zich hem voor met zijn groote, forsche gestalte en zijn mooien kop met den zwarten baard. Hoe heerlijk toch acteur te zijn!

Van Fabrice dwaalden hare gedachten af op haar nieuwen waaier, dien zij gisteren had gebruikt…. Betsy had haar gezegd, dat zij dwaas deed dien te gebruiken, voordat zij den gever kende, nu zij in het minst niet vermoeden kon van wien het geschenk haar toekwam, maar zij had zich niet aan het bezwaar harer zuster gestoord; zij vond integendeel iets pikants in dat onbekende, en haar romantische geest schepte er aanstonds een kleinen roman uit: Fabrice had haar opgemerkt in de loge der Verstraetens, hij was gecharmeerd op haar geworden, hij zong voortaan slechts voor haar, alleen voor haar, en de grootste teleurstelling vervulde zijn hart, wanneer hij haar niet in de opera zag… Hij was het, die haar den waaier gestuurd had, met dat bescheiden: Mlle E. Vere, op het adres; hij had gezien, dat zij gisteren den waaier gebruikt had, en hij zou het haar wellicht eenmaal laten raden uit een enkelen blik, uit een enkelen klank zijner stem….

Zij glimlachte om dat romantizeeren harer fantazie en eensklaps schoot er als een bliksemstraal door haar geest… Het heugde haar: verleden zomer, op de tentoonstelling van schilderijen in de Akademie, had zij waaiers van Bucchi gezien, onopgemaakt, en uitgespannen achter glas, en zij herinnerde zich nu plotseling ze zeer bewonderd en den wensch geuit te hebben er een te bezitten…. Wie had de fijne opmerkzaamheid gehad, haar nu dat verlangen te bevredigen? Met wie was zij geweest in die tentoonstelling? Met Emilie De Woude, met Georges misschien…. Georges kon toch niet…. Of, haar danseur, die haar ten huwelijk had gevaagd, dien zij had afgewezen? Ach, het was te dwaas, ze gaf het op, ze wilde er niet meer over denken…. eenmaal zou ze het toch wel weten….

Door de Parkstraat en de Oranjestraat was zij in het Noordeinde gekomen en zij naderde reeds den platenwinkel, toen haar op eens de vrees omving, of de winkelier het niet dwaas zou vinden, dat een jong meisje het portret van een acteur kwam koopen. Zij geloofde, dat zij nooit zou durven… maar daar stond zij reeds voor den spiegelruit, waarachter groote gravures en fotografieën, beelden in biscuit en terracotta, tal van andere kleinere kunstvoorwerpen uitgestald waren, en haar oog viel dadelijk op een ris portretten, acteurs en actrices van de opera, met hun namen er onder geschreven: Estelle Desvaux, Moulinat, Théo Fabrice…

—Kom Ben! sprak ze en duwde het kind zachtjes de deur in. Eenige dames zochten in den winkel fotografieën uit en zagen haar aan. Zij kon het niet helpen, maar ze meende waarlijk, dat zij even bloosde onder haar witte tulle voiletje.

—Mag ik nieuwjaarskaartjes van u zien, zooals er voor aan het raam liggen? vroeg zij den winkelier, die haar naderde, Niet aan die beeldjes komen, Ben.

Een menigte van kaartjes werden haar getoond. Ze bezag ze aandachtig, nam ze met de tippen harer geschoeide vingeren op, en legde er eenige terzij. Daarna zag zij hier en daar rond, bespeurde een stapel portretten en vatte die met haar loome onverschilligheid aan. Er waren er bij van Fabrice.

Welke zou ze nemen? Dit melancholieke, in het zwart fluweelen kostuum, met den kanten kraag, van Hamlet; dit als Tell? Neen, hier dit, als Ben Saïd, zooals ze hem voor het eerst gezien had. Maar zij zou er ook nog een nemen van Moulinat, den tenor, en een van Estella Desvaux, de forte-chanteuse; dan frappeerde het niet, dat zij eigenlijk alleen voor Fabrice was gekomen. Maar dàn kon zij nog wel een tweede van Fabrice er ook bij nemen, als Hamlet.

—Wil u me die kaartjes geven en, hier, deze vier portretten.

—Mag ik ze u laten bezorgen?

—O, neen, geeft u het maar meê, ik zal u dadelijk betalen. Hoeveel is het te zamen?

Zij betaalde en nam het enveloppe aan, waarin de winkelier de platen gesloten had, en ze ging heen met Ben aan haar hand, en verbeeldde zich, dat de dames, nog altijd bezig met haar fotografieën, haar weder aanzagen, als wilden zij heur gedachte doorgronden.

II.

Inhoudsopgave

Een glans van genoegen overstraalde Eline’s gelaat, nu zij weder buiten was, en nu zij gedurfd had, en zij gevoelde zich zeer vriendelijk en sprak telkens als een lief moedertje tegen Ben. En toen zij in de Hoogstraat Jeanne Ferelijn bespeurde, die melancholiek, in haar wintermantel wijd als een zak, en met haar eenvoudig zwart hoedje op, aan de overzijde liep zonder haar te bemerken, stak zij haastig, Ben medetrekkend, de straat over, tusschen twee rijtuigen, en zij sprak Jeanne aan, glimlachend en vol hartelijkheid. Zij liepen te zamen een eind op, en Jeanne vertelde haar, dat het zeer goed met Dora ging, maar dat zij een kindermeisje had moeten nemen, dat zij de kinderen niet altijd onder de hoede van Mietje durfde laten, die zoo slordig was en zoo weinig attent en dat dit haar financieël wel eenigszins drukte. Eline dwong zich oplettend te zijn bij het verhaal der nieuwe beslommering; Jeanne sprak echter weldra opgewekter over haar vader, den heer Van Tholen, en over dokter Reijer, waarmede zij thans beter overweg kon. Nu zij opmerkte hoe sympathiek Eline haar aanzag, en hoe lief zij Ben een enkele maal vermaande, rakelde zij eenige oude herinneringen op uit haar schooltijd, en zij lachten beiden om een paar guitenstreken, eertijds bedreven, en om de kersen, die zij snoepten uit Eline’s capuchon. Jeanne berispte zichzelve, dat zij op het dinertje, onlangs bij de Van Raats, zulk een onaangenamen indruk van Eline had kunnen ontvangen; zij vond haar nu eenvoudig en hartelijk.

—Maar laat mij je niet langer ophouden, Eline, sprak zij, eensklaps stilstaande; ik heb eenige vervelende commissies te doen; ik moet een paar pannen bestellen, en een melkkan. Mietje heeft kans gezien me er een te breken.

—O, ik heb niets te doen, ik ga zoo ver met je meê, wanneer je het niet vervelend vindt, en wanneer Ben niet moê is. Ben je moê, kleine baas? Neen, niet waar? Hij kan al zoo flink loopen!

Zij liepen verder op en Jeanne bestelde de pannen en Eline koos in een porceleinwinkel een melkkan voor haar uit. Intusschen bleef zij vol van haar eigen gedachten over Fabrice en zij gevoelde soms een onweêrstaanbaar verlangen, om het enveloppe, dat zij in haar eene hand droeg, te openen en zijn portretten te zien. Ze hield zoo dol veel van muziek, en Fabrice zong met zoo iets innigs, met veel meer gevoel dan andere acteurs. Hij was nog jong, geloofde zij; hij zou later zeker zeer veel naam maken en in Parijs worden geëngageerd. Jeanne ging nooit naar de opera en had hem dus denkelijk nooit gezien….

Zou zij, Eline, hem wel eens tegenkomen in de straten? En hoe zou hij er uitzien in zijn gewone kleeren? Ze zou eens, des morgens vroeg, een boodschap verzinnen, ten einde de opera te passeeren; mogelijk was het dan repetitie geweest, en zou zij de artisten in den omtrek van het gebouw ontmoeten. Vervuld van haar eigen berekeningen, hoorde zij niet altijd wat Jeanne haar verhaalde, maar zij bleef haar, wandelende aan heur zijde, aanzien met die oogen en dien glimlach, welke zoo betooverend lichtvol en Eline’s grootste innemendheid waren.

Zij waren intusschen omgekeerd en zij nam nu afscheid bij den Hoogewal.

—Nu adieu, ik kom je eens gauw opzoeken, Jany, en mijn groeten aan Ferelijn. Zal je het doen? Kom Ben, geef mevrouw een handje.

Jeanne gevoelde, in haar behoefte aan teederheid, iets als een lauwe warmte haar doorstroomen bij den klank van dien naam, Jany, een herinnering aan vroeger, aan haar jongemeisjesjaren, toen iedereen haar Jany noemde, Jany….

En zij haastte zich naar de Hugo de Grootstraat vol moed en vroolijkheid, verlangende naar haar klein binnenhuisje, haar man en haar schatjes van kinderen….

Eline glimlachte heimelijk, terwijl zij zich door het Willemspark naar huis begaf. De dorre takken boven haar glinsterden van den rijp, en in de vriezende lucht was het helder en klankrijk, als vol van onbestemde echo’s…. Zij gevoelde een aandrang om haar geluk in die ruime atmosfeer uit te galmen met een schitterende roulade….

Was zij dan een klein beetje…. gecharmeerd…. op dien cabotin?

Ach, het was te dwaas, hij zong alleen maar goed!

Hoofdstuk X.

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

Groote, zich rekkende schaduwen, als dansende, zwarte schimmen, wierpen de vlammen in de kachel over den muur en het plafond der donkere kamer. Voor een seconde bleef er dan een lichtglans hangen aan een antieke zilveren kan op een gebeeldhouwd buffet, dat, als een donkere massa, een hoek vulde, aan eenige antieke borden en pullen tegen den wand….

Vincent Vere lag uitgestrekt op zijn divan, en zag bij die telkens herhaalde lichtflikkeringen met halfgesloten oogen rond. Die vreemde, met rossen gloed doorschoten, somberheid van het vertrek deed hem aangenaam de alledaagschheid van zijn in de Spuistraat gehuurde kamers vergeten, waar een enkel kostbaar voorwerp van hemzelven vloekend afstak tegen de versleten burgerlijkheid van het ameublement. En hij mijmerde een pooze in die dantesque schemering….

Hij gevoelde zich in de laatste dagen zeer uitgeput. Een matheid verlamde zijn ledematen; het scheen hem of er lauw water door zijn aderen vloeide in plaats van bloed; een mist scheen somwijlen over zijn hersenen te hangen, zoodat hij niet denken of zich iets herinneren kon. Zijn geaderde oogleden vielen kwijnend over zijn fletsen, lichtblauwen blik; zijn onderlip scheen als moede neêr te hangen en er groef zich daardoor een trek om zijn kleinen mond, die hem iets zeer lijdends gaf. Vaak had hij zich zoo gevoeld, maar thans gaf hij de schuld aan de atmosfeer van Den Haag, die hem deed stikken, en hij verlangde naar veel ruimte en veel lucht, en begreep niet hoe hij er toe gekomen was, zich te begeven naar een stad, die zoo weinig aantrekkelijkheid voor hem gehad had…. Ja, het heugde hem, door den nevel van zijn uitputting heen: hij had een wijle van rust gewild, na al zijn rusteloos trekken en reizen, maar nu reeds werd hij, trots zijn vermoeidheid, door een nervoziteit geprikkeld om zich opnieuw in een maalstroom van veranderingen te werpen. Rust en eentonigheid verdoofden hem, en niettegenstaande zijn zwakte, bevocht hem steeds een aandrang naar veel beweging, naar veel handeling; een verlangen naar telkens wisselende verschieten, naar een horizon, die steeds week. Toch miste hij alle energie om zich aan eenig werk met kracht te wijden, terwijl zijn veranderlijkheid hem steeds voortdreef in een rusteloos zoeken, naar een kring, een omgeving, een betrekking, waarin hij zich thuis zou gevoelen, en die hij niet vond.

De twee weken, welke hij thans in Den Haag had doorgebracht, schenen hem een eeuw van verveling toe. Den dag, nadat hij Betsy en Eline in de opera gezien had, was hij bij de Van Raats komen koffiedrinken en had hij Henk vijfhonderd gulden te leen gevraagd: hij wachtte, binnen een paar dagen, geld uit Brussel, naar hij zeide, en zou zijn neef zoo spoedig mogelijk deze schuld afdoen. Henk, die hem kende als zeer vergeetachtig in zulke kwijtingen, had echter niet willen weigeren en hem de gevraagde som ter hand gesteld, en Vincent leefde nu, terwijl het geld hem den eenen dag als water tusschen de vingers slipte, en hij den anderen, met een bijna bekrompen gierigheid, een dubbeltje poogde uit te winnen, in zijn doffe zwakte voort, terwijl de wissels uit Brussel zich wachten lieten.

Over de toekomst bekommerde hij zich weinig, hij had steeds geleefd van het eene uur op het andere; hij had dagen van weelde gekend in Smyrna, en honger geleden in Parijs en Londen, maar in welke omstandigheden ook, steeds had hem die koorts naar afwisseling voortgejaagd in een ontevredenheid met het tegenwoordige; nu gevoelde hij zich eensklaps, terende op zijn vijfhonderd gulden, zoo gedésœuvreerd, dat de last zijner lusteloosheid hem somwijlen zijne zwakte vergeten deed.

Zoo mijmerde hij voort, starende in de duisternis, doorschoten met de rosse vlammen, die de meubels telkens met spookachtig relief uit het donker deden verschijnen. Hij mijmerde voort in een troosteloos pessimisme…. Waarom zou hij niet zijn zooals hij was? Hij zou weder geld noodig hebben en hij zou het krijgen op welke wijze ook, quand même; waarom niet? Er was geen goed en geen slecht in de wereld; alles was zooals het wezen moest en het gevolg van een aaneenschakeling van oorzaken en redenen; alles had recht van bestaan; niemand kon iets veranderen aan wat was of zijn zou; niemand had een vrijen wil; ieder was een gestel, een temperament en kon niet anders handelen, dan volgens de eischen van dat temperament, overheerscht door omgeving en omstandigheden; dàt was de waarheid, die de menschen steeds met hun kinderachtig idealisme, zeurend over deugd en met een handjevol religieuze poëzie, zochten te bedekken….

—O God, wat een bestaan is toch het leven! dacht hij en vatte het hoofd in de handen, terwijl zijn vingers door het krullende lichtbruine haar woelden. Dit leven tenminste dat ik nu leid, zou mij binnen een jaar dood of dol maken. Morgen is als vandaag, niets, niets, eentonig flauw….

En hij wierp zich als in een zee van herinneringen en overdacht wat hij doorleefd had, en verschillende oorden en steden doemden voor zijn geest op….

—En toch, wat een gezwoeg voor niets! murmelde hij en zijn oogen sloten zich, terwijl eensklaps een sluier over zijn heugenis scheen neêr te dalen, en een licht zweet hem op het voorhoofd parelde. Het suisde in zijn ooren en een onbepaalde ruimte, iets schrikwekkend wijds rolde zich plotseling uit voor zijn gesloten blik….

Maar die zwakheid, een flauwte nabij, duurde slechts eenige seconden; een diepe zucht slechts hief zich nog op uit zijn borst….

II.

Inhoudsopgave

Daar hoorde hij vlugge stappen de trap opdraven, en een vroolijke stem wisselde eenige woorden met de juffrouw uit den galanteriewinkel beneden. Hij wachtte eenige kennissen dien avond.

De deur werd geopend….

—Bliksems wat donker! Het lijkt hier wel de hel met dat vuur…. Waar zit je, Vere? riep Paul Van Raat, bij de deur stilstaande.

Vincent rees op en kwam hem te gemoet en vatte Paul bij de schouders.

—Hier, old chap, schrik niet…. Wacht, ik zal de lamp opsteken.

Hij zocht lucifers, stak twee ouderwetsche lampen aan, die op den schoorsteen stonden, en knipte met de oogleden, door het schijnsel verblind. Het dantesque waas, dat over de kamer hing, was aanstonds door het gele petroleumlicht weggewischt, en de eenige gezelligheid bleef nog de goed brandende kachel, terwijl het antieke buffet met de zilveren kan en enkele Oostersche voorwepen verdwaald schenen tusschen het oude ameublement van rood Utrechtsch trijp, versleten tot den draad, en het antieke porselein tusschen de leelijke, goedkoope gravures en chromolithografieën aan den muur in een aristocratische misplaatstheid scheen opgehangen.

Het was de eerste maal, dat Paul Vincents verblijf binnentrad en hij bezag de kan en de borden en bewonderde ze.

—Ja, ze zijn nogal mooi in hun soort; de kan lekt, maar het drijfwerk is heel fijn, zie eens. Ik ben vandaag naar een ouden jood gegaan, een antiquaire, om die dingen van de hand te doen. Het is au fond ballast. Hij zou morgen komen. Of misschien heb jij er lust in? Zij zijn à prendre!

—Neen, mijn kamer, of mijn atelier, zooals je wilt, is al zóo vol.

—Nu, een paar borden meer of minder….

—Neen, merci.

—Ja, ik doe ze ook liever aan den jood weg. Als ik kan, zie ik hem dan nog in den nek, weet je, en daarvoor zou ik met jou natuurlijk te eerlijk zijn.

—Zeer verplicht. En als hij fijner is dan jij?

—Ach, dan ziet hij mij in den nek. Dat is altijd zoo in de wereld, nietwaar? Je hebt zeker al thee gedronken?

—Ja …. neen, dank je, laat maar …. maar zeg, hoe lang blijf je nu hier in Den Haag?

Ze hadden zich neêrgezet en Vincent trok zijn schouders en zijn wenkbrauwen op. Dat wist hij werkelijk niet; hij had nog geen inlichtingen ingewonnen omtrent de betrekking bij de kina-onderneming op Java, maar hij had gehoord, dat men er liefst een chemist voor wilde hebben, en dat was hij niet. Hij zou er dus denkelijk van afzien, en daarbij geloofde hij, dat hij het Indische klimaat niet zou kunnen verdragen. Intusschen, blijven in Den Haag, en er iets zoeken, daar was geen kwestie van. Den Haag begon nu al te vervelen; het was er kleinsteedsch: iedereen kende elkander, ten minste van aanzien, en men ontmoette er overal de zelfde menschen, criant vervelend! Hij wist nog niet, wat hij zou doen, maar hij wachtte eerst brieven en geld uit Brussel. En hij eindigde met Paul te vragen of deze hem, voor een paar dagen, honderd gulden kon leenen. Paul geloofde wel, dat hij zou kunnen, maar hij wist het niet zeker.

—Je zou me waarlijk er meê een dienst doen. Hoor ik het dan van je, morgen bijvoorbeeld? Of vindt je me indiscreet?

—O, volstrekt niet, in het geheel niet. Ja, goed, ik zal zien, morgen.

—Nu, ik dank je bij voorbaat. Je weet, de beide Erlevoorten en De Woude komen van avond ook. Ik had gevraagd, of ze een glas wijn kwamen drinken, sprak Vincent op een anderen toon.

—Ja, ik sprak ze vanmiddag op de Witte, antwoordde Paul.

Vincent leunde achterover tegen de oude, roode bank en het licht van de lampen wierp een vale tint op zijn geelbleeke gelaatskleur. Een zeer vermoeide trek grifte zich om zijn lippen. Het trof Paul, hoe Vincent geleek op een portret van zijn oom Vere, Eline’s vader, terwijl hij, in zijn liggende houding, zijn arm met een gebaar, dat Paul bij Eline zelve vaak had opgemerkt, onder het hoofd boog.

III.

Inhoudsopgave

Na eenigen tijd, over negenen, kwam Georges De Woude van Bergh en het laatst Etienne Van Erlevoort binnen, die de verontschuldigingen van zijn broêr, welke verhinderd was geweest mede te komen, overbracht. Otto gevoelde geen sympathie voor Vincent, ofschoon hij met dezen nooit de minste onaangenaamheid gehad had; in zijn eigen degelijk, kalm, mannelijk karakter, waarvan het gezonde evenwicht zich nooit verbrak, in zijn hartelijke flinkheid kon hij geen vriendschap koesteren voor iemand, die zich, naar zijn meening, geheel en al beheerschen liet door een ziekelijke nervoziteit, zonder ooit eenige geestkracht in te spannen, om er zich boven te verheffen. Otto was een van de weinigen, die Vincent niet vermocht tot zich te trekken; bijna ieder gevoelde in zijn omgang wel iets, dat terugstiet, maar dat tevens later zeer aantrok; iets als een zoet vergift, waarmede men eerst bekend moest zijn, als een bedwelming van opium. Door zijn voortdurend reizen had Vincent veel menschenkennis, of liever, veel tact verkregen om met allerlei lieden om te gaan, en hij kon, zoo hij wilde, den schijn van welk karakter ook aannemen, met het zelfde gemak, waarmede een slang zich lenig wringt in verschillende bochten of een goed acteur verschillende rollen vertolkt. Maar Otto, in een onbewuste fierheid op zijn gezonde kracht, die recht door zee ging, minachtte Vincent om de vergiftige bekoring welke hij van zich kon doen uitstralen en waardoor een ander zich verleiden liet.

Een blauwige rook wolkte weldra door het vertrek, daar Vincent sigaren had geprezenteerd; alleen hijzelve rookte niet. Hij had een paar flesschen St. Emilion uit een kast gehaald, ontkurkte ze en zette vier wijnglazen op de tafel. Etienne, luidruchtig als altijd, verhaalde in een sterk gekruid jongelui’s-patois tal van anecdoten en histories, met een mimiek en gebaren, die hem iets gaven van een gentlemanlike comiek uit een café-chantant. Paul en Georges lachten, Vincent echter haalde met een blasé-glimlachje zijn schouders op, en terwijl hij inschonk, murmelde hij minachtend met zijn lichte stem:

—Wat een kind ben je toch, Eetje, Eetje!

Etienne trok zich de opmerking niet aan, en voer voort, terwijl hij in het geheel geen gaas meer over zijn stijl plooide, en de anderen luisterden toe, behagelijk de bouquet van hun wijn genietend. Vincent bleef Etienne echter voor den gek houden.

—Wat een stoute jongen is die kleine Erlevoort, om zulke dingen te durven vertellen, hè? Wat een ondeugd! sprak hij en de spotzieke lach om zijn lippen had zoo iets aanmoedigends en innemends, dat Etienne nog niet uit het veld geslagen werd.

Vincent schonk nog eens in en Georges prees zijn wijn. Hij was onder jongelui weinig spraakzaam en amuzeerde zich met een stil genot, daar hij alleen voor dames de moeite nam al het schitterende schuim zijner conversatie te doen sprankelen. Vincent vroeg hem het een en ander omtrent zijn werkkring op Buitenlandsche Zaken, terwijl Etienne ernstige waarschuwingen aan Paul deed, die hem ongeloovig aankeek.

—En later wordt je dan zeker naar de een of andere plaats gedetacheerd, nietwaar? vroeg Vincent.

—Dat kan gebeuren, antwoordde Georges.

—Het is ten minste een betrekking, waarin je nog het een of ander zien kan. Maar hoe iemand zijn gansche leven op een bureau slijten wil, is me onbegrijpelijk. Ik zou dood zijn voor mijn tijd. Daar heb je nu Erlevoort, ik meen je broêr, Eetje….

—Nu, laat Otto maar loopen, sprak Paul. Die maakt een schitterende carrière, dat zal je zien….

—Je weet, Otto is voor minister of gouverneur-generaal in de wieg gelegd…. ten minste dat beweert de oude vrouw altijd. Ik ben alleen de verschoppeling van de familie! riep Etienne.

—Ja, het bedorven jongetje, hè, lachte Vincent. Hoe ver ben je nu met je studies?

—Ik, wel ik moet candidaats doen, maar ik loop geen college, ik studeer hier in Den Haag.

—Vindt je het hier dan zoo genotvol in jullie Den Haag? vroeg Vincent met een toon van minachting op dien plaatsnaam.

—Ja, het gaat vrij wel….

—Hoe is het in godsnaam mogelijk! Jullie zijn dan toch al met bitter weinig tevreden, of liever jullie weten volstrekt niet wat er eigenlijk in de wereld is. Den Haag maakt mij slaperig en suf, er hangt iets soezigs in de lucht….

—Kom, dat zal wel aan jou liggen, lachte Paul.

—Het is mogelijk en het ligt ook zeker aan mij, dat ik zoo een leven als de meesten van jullie leiden, geestdoodend vind. Wat voeren jullie nu uit! Je loopt hier altijd rond in een heel klein kringetje, net een paard in een tramwayspel op de kermis. Je hebt in je betrekking, als je er een hebt, altijd dezelfde bezigheidjes en daarna dezelfde amuzementjes. Het is insipide, hoor!

—Maar wat wil je dan hebben, dat we doen? vroeg Georges.

—Mijn God, leidt voor mijn part zoo een plantenleven voort, maar ik begrijp niet, dat jullie niet eens verlangen er uit te gaan, de wereld eens te zien….

—En jij, jij hebt nu, zooals je het noemt, de wereld gezien, nietwaar…. en wat heb je nu….? Je hebt twaalf ambachten en dertien ongelukken gehad, en je hebt op het oogenblik het toch ook niet schitterend ver gebracht! riep Paul, een weinig ontstemd over de minachting, waarmede Vincent hem beoordeelde.

Er lichtte even achter zijn lorgnet een vinnige schicht uit Vincents fletsen, blauwen blik, terwijl zijn dunne lippen zich vastsloten in hun glimlach.

—En je vergeet je plichten als gastheer met je filozofie! riep Etienne, op zijn leêg glas tikkend.

—Ach, het is mogelijk, dat ik wat onrustiger van temperament ben dan jullie; dat zal de heele chose zijn! sprak Vincent kwijnend; hij schonk de glazen nog eens in en liet zich mat neêr op de bank, naast Georges, en zijn oogen dwaalden vermoeid door het vertrek.

IV.

Inhoudsopgave

Het was zeer warm geworden en de rook der sigaren scheen, als een tastbaar waas van het plafond neêr te hangen. Vincent zette de deur open. Etienne, die weinig wijn verdragen kon, was zeer opgewonden geworden, had roode kringen onder zijn oogen gekregen en zijn glas gebroken. Georges en Paul amuzeerden zich steeds om zijn grappen. Vincent echter bleef hem flauw glimlachend aanhooren.

En er rees in hem een vreemde verwondering op, een verwondering, dat een mensch steeds zichzelve, steeds zijn eigen individu was, zonder zich ooit te kunnen verwisselen in de persoonlijkheid van een ander. Dikwijls, zonder de minste aanleiding, doemde die verwondering bij hem op, te midden van de vroolijkheid der anderen en zij vulde hem met een groote verveling bij de gedachte aan het onherroepelijke noodlot, dat hij steeds Vincent Vere was en wezen zou, dat hij nimmer herboren kon worden in een geheel ander schepsel, dat ademde onder geheel andere omstandigheden in een geheel anderen kring. Hij zou gaarne verschillende gemoedslevens hebben doorleefd, in verschillende eeuwen hebben bestaan, en in telkens wisselende metamorfozen zijn geluk hebben willen zoeken. En dat verlangen scheen hem tegelijkertijd zoowel zeer kinderachtig, om de bespottelijke onmogelijkheid, als zeer verheven, om de grootsche onbereikbaarheid, die het omvatte, en hij meende, dat niemand dan hij zulk een verlangen koesterde en gevoelde zich zeer hoog boven andere menschen geplaatst…. In die mijmering was het hem, of de drie anderen zeer ver van hem waren, als van hem gescheiden door den nevel van rook…. Een gevoel van lichtheid doorzweefde eensklaps zijn hersenen; het werd, of hij elk voorwerp met heller kleuren zag, hun gelach en gepraat harder hoorde klinken in zijn oor, als op een plaat van metaal, den geur van de tabak, vermengd met een aroom van gestorten wijn, in meerdere scherpte rook, terwijl de aderen in zijn slapen en zijn polsen klopten, alsof zij barsten zouden….

Die prikkeling zijner zenuwen duurde eenige seconden; toen zag hij de jongelui hem lachend aanzien, en ofschoon hij niets begrepen had van wat zij gezegd hadden, lachte hij zachtjes meê, om hen te doen gelooven, dat hij in hun scherts meêstemde.

—Zeg Vere, het wordt hier verbazend benauwd, mijn oogen doen me pijn van den rook! sprak Georges; zouden we niet even een raam kunnen openzetten?

Vincent knikte, en deed de deur dicht, terwijl Paul, die bij het raam zat, dit openschoof. Een koelte drong aanstonds binnen. Op straat was het stil; slechts een enkele maal hoorde men een paar stemmen, bij een regelmatig geklink van stappen, voorbijtrekken, of een straatdeun, krijschend uitgestooten, door de kalmte daarbuiten heengalmen.

De kille lucht bracht Vincent geheel tot zichzelven, en zijn zonderlinge verlangens verdwenen, nu zijn zinnen tot rust kwamen. Integendeel, thans benijdde hij den drie anderen dat zelfde fyzieke en moreele plantenleven, hetgeen hij kort te voren in hen geminacht had; Paul benijdde hij zijn goede, krachtige gezondheid, slechts een weinig ontzenuwd door eenige energielooze artisticiteit; Georges zijn kalme gelijkmoedigheid en tevredenheid; Etienne zijn kinderlijke jeugd…. Waarom was hij niet als zij, gezond, tevreden en jong, waarom genoot hij niet het leven, zooals het zich gaf, en zocht hij steeds naar iets, dat hij zelve niet had kunnen beschrijven?

Het was bij eenen, toen de drie jongelui opstonden en Paul beweerde, dat zij Etienne moesten thuisbrengen, daar hij van zijn eerste opgewondenheid vervallen was in een droeve melancholie en van zelfmoord sprak.

—Zeg eens, Eetje, heb je wel je sleutel bij je? vroeg hij.

—Sleutel? vroeg Etienne met doffe oogen en doffe stem. Sleutel? herhaalde hij nadenkend. Ja in mijn zak, ja…. een sleutel…. in mijn zak …. Hier….

—Nu, kom dan, laten wij dan gaan! spoorde Georges aan.

Etienne naderde Vincent en vatte hem bij de armen, terwijl de anderen vroolijk toeluisterden.

—Vere, adieu, dank voor je hospi-, hospitaliteit. Ik heb je altijd mogen lijden, Vere, je bent een bliksems goede kerel, hoor je, Vere. Ik voel bepaald veel, heel veel sympathie voor je. Ik heb het vanmiddag nog verteld op…. op de Witte; Paul kan het getuigen, ik heb verteld, Vere, dat je een hart van goud hadt. Ze miskennen je, Vere, maar….

—Kom, allons! riepen Paul en Georges ongeduldig, hem bij een arm vattende; maak het kort!

—Neen, neen, laat me zeggen, wat…. wat ik op mijn tong heb; ze miskennen je, Vere, maar stoor je er niet aan, oude jongen; het gaat mij ook zoo in de wereld, ze miskennen mij ook. Het is treurig, treurig, maar het is zoo; dag Vere, nu, slaap lekker, Vere.

Vincent deed hen uitgeleide met een kandelaar en Etienne, tusschen Georges en Paul, nam beider arm op straat.

—Vere, wees nu niet zoo onvoorzichtig. Vat geen kou, zoo aan de deur, en stoor je er niet aan; ze miskennen je, maar ik zal je wel verdedigen….

Vincent knikte glimlachend Paul en Georges toe en sloot de deur van den donkeren winkel.

—Bliksemsgezellige kerel, die Vere! stotterde Etienne.

Hoofdstuk XI.

Inhoudsopgave

I.

Inhoudsopgave

Na vieren waren de Verstraetens meestal thuis, en het was nu een dag, waarop het omstreeks dat uur storm liep van visites, geheel en al bij toeval. Betsy en Eline waren even aangewipt en hadden er de Eekhofs en de Hijdrechten, Emilie De Woude en Frédérique ontmoet; later was mevrouw Van der Stoor met Cateautje gekomen.

Eline, met hare hand op den schouder van Cateau, boog zich over de fotografie, die deze bezag.

Zij was bewust een indruk op Cateau gemaakt te hebben, door haar elegance en haar vriendelijkheid, en daar zij, uit een behoefte aan genegenheid, gaarne sympathie verwekte, kweekte zij Cateau’s liefde aan, als een dierbare plant. Maar er mengde zich in die behoefte tevens een zweem van zegevierenden trots tegenover Frédérique, in wie zij, na den St. Nicolaasavond, waarom wist ze niet, een geheimen afkeer jegens haar, Eline, vermoedde.

Terwijl Cateau haar toesprak, met haar innemend stemmetje, zag Eline even naar Frédérique op, om te zien, of deze wel de bewonderende sympathie van die kleine bespeurde. Maar Frédérique schertste met de Eekhofjes.

—U zingt veel met meneer Van Raat? Heeft hij een mooie stem? vroeg Cateau.

—Een beetje zwak maar heel lief….

—Hé, ik zou u zoo gaarne eens beiden willen hooren!

—Nu, dat kan wel gebeuren, bij gelegenheid….

—U heeft zoo een prachtige stem; o, ik vind het een genot, als u zingt, ik vind het iets goddelijks….

Eline lachte zachtjes, gestreeld door Cateau’s oprechte extaze.

—Heusch waar? Maar toe, Toos, noem me toch niet altijd zoo deftig: juffrouw Vere; zeg maar Eline voortaan, wil je?

Cateau bloosde van genoegen en streelde het bont van Eline’s mofje glad. Ze liet zich geheel en al inpalmen door die melodieuze stem, dien zachten, kwijnenden gazellenblik….

Meer dan gewoonlijk gevoelde Eline een behoefte aan liefde, veel liefde om zich heen. In het geheimste harer ziel was haar bewondering voor Fabrice ontvlamd in een hartstocht, die haar geheele gedachte vulde, en waaraan zij lucht moest geven zonder zich te verraden. Den rijkdom van liefde, dien zij in zich waande en dien zij niet vermocht te openbaren, scheen zij te willen verdeelen onder wie het waard waren, als een kostbaar bouquet, waarvan zij ieder een bloem toewierp. Zij overstraalde die verkorenen met den glans van haar glimlach en genoot, wanneer zij bespeurd had, dat men haar lief vond, in een welbehagen van koesterende warmte, maar ook leed zij bijna, wanneer zij in iemand eenige koelte te haarwaarts ontdekt had. Zoo deed haar de onverklaarbare stugheid van Frédérique pijn, en hoewel zij die eerst, uit zekeren trots, niet had willen opmerken, had zij thans moeite gedaan Frédérique voor zich te winnen, en deze toegesproken met al de bekoring harer lieflijkheid. Maar Frédérique antwoordde steeds kortweg, op een luchtigen, nonchalanten toon, terwijl zij een anderen kant opkeek; zij vermoedde wel, dat Eline die koelheid opmerkte, maar zij kon haar gevoelens nooit verbergen, oprecht als zij was, zonder eenigen tact voor diplomatieke veinzerij.

Het gesprek liep over portretten en mevrouw Verstraeten passeerde even Eline en Cateau om een album van een tafeltje te nemen, dien zij aan mevrouw Van der Stoor en mevrouw Eekhof wilde toonen.

Mijmerend en half luisterend naar Toos, dacht Eline aan Fabrice en zag zij den album in de handen van mevrouw Verstraeten…. En er schoot eensklaps een gedachte in haar op, als een onbesnoeide rank van haar levendige fantazie, die over haar hartstocht bloeide…. Zij zou zich een album aanschaffen, voor verschillende portretten van hem, Fabrice; het zou een klein heiligdom harer liefde zijn, waarin zij over de beeltenis van haar afgod zou kunnen dwepen, en waarvan niemand het bestaan zou gissen. Een heimelijk genoegen overglansde haar gelaat bij het voornemen en bij de gedachte, dat zij zooveel te verbergen had voor het oog van anderen; zij kreeg iets zeer belangwekkends voor zich zelve, en zij gevoelde een leegte in haar ziel zich al meer en meer vullen met de schatten van haar passie. Zij was gelukkig, en haar geluk was gemengd met een ondeugende, schalke dartelheid, dat zij iets verheelde, wat haar omgeving natuurlijk zeer dwaas en zeer berispelijk zou gevonden hebben, hadde die er van geweten…. Een jong meisje als zij, verliefd op een acteur…. wat zouden mevrouw Verstraeten en Betsy en Emilie en Cateau en Frédérique, wat Henk en Paul en Vincent wel hebben gedacht en gezegd, zoo zij hadden kunnen vermoeden….

En zij zag bijna spottend rond op haar familie, op haar kennissen, waar zij zich bewogen door den salon; zij vond zich moedig, dat zij hun conventioneel fatsoen in zichzelve tartte, dat zij gecharmeerd durfde zijn op Fabrice! Zij lachte bij een grappige uitdrukking van Emilie meer dan noodig was; ze lachte tegelijkertijd hen allen uit, die daar waren, overmoedig trotsch op haar verborgen en verboden hartstocht.

—En meneer Van Raat, meneer Paul, bedoel ik, wordt nu zeker later advocaat? vroeg Cateau.

Wat had dat kind het vandaag toch telkens over Paul, dacht Eline. Er kwam geen einde aan Paul, Pauls lieve stem en Paul advocaat….

—Ik geloof, dat je Paul nog al aardig vindt, niet? vroeg Eline.

—O, ja, ik mag hem heel gaarne! zeide Cateau zonder blikken of blozen; maar alleen, soms kan hij zoo boos zijn, vind ik; verbeeld je…. verleden bij de tableaux….

En Eline moest het verhaal aanhooren van Pauls woede, verleden bij de tableaux, en ook van Pauls kunstvaardigheid in het drapeeren.

—Die windt er geen doekjes om, dacht Eline; maar ach, ze behoeft toch niet dadelijk gecharmeerd te zijn, al spreekt ze wat veel over hem; denkelijk zou zij dan doen zooals ik en…. zwijgen….

Het liep naar halfzes toe, men nam afscheid.

—Dus ik zal u samen eens hooren? drong Cateau aan.

—Kom maar eens op een Donderdagmiddag, dan zingen wij geregeld.

—Ach, dan ben ik op school….

—Nu dan eens op een avond, nous verrons….

—O, heel gaarne…. Eline….

Zij sprak den naam voor het eerst sedert Eline’s verzoek uit, en liet dien thans van haar lippen vallen in een glimlach, gestreeld door die gemeenzaamheid. Daarop nam zij afscheid, aangespoord door haar moeder.

Eline bleef een oogenblik alleen staan, bij toeval naast Frédérique. Zij had reeds afscheid genomen en wachtte op Betsy, die nog terloops met den heer Verstraeten sprak, en zij was op het punt iets tot Freddy te zeggen…. Maar zij toefde, tot deze wellicht beginnen zou…. en zij zwegen beiden.

Cateautje vertelde op straat, in extaze, allerlei liefs aan mevrouw Van der Stoor over Eline en Paul.

II.

Inhoudsopgave

Nieuwjaar was gekomen met harde vorst. Betsy had op Oudejaarsavond de Verstraetens en Erlevoorten, ook mevrouw Van Raat en Paul, geinviteerd op oesters en het was zeer vroolijk geweest in de warme luxe van haar salons. Nu volgden de winterdagen elkander in een zelfde eentonigheid op, terwijl de avonden voor Betsy en Eline als een onafgebroken reeks van diners en soirées voortgleden. De Van Raats zagen veel menschen en vooral was Betsy als het ware beroemd om haar keurige dinertjes, nooit van meer dan tien, hoogstens twaalf personen, en steeds aangeboden met de meest onbekrompen en gedistingueerde weelde. Zij leefden in een côterie, wier verschillende leden elkaar vaak en met gemeenzaamheid zagen, en zij waren zeer tevreden over haar kring van kennissen.

Eline intusschen, in dien lichten roes van wereldschheid, voedde de vlam harer geheime liefde in een stil geluk aan, en zij vond er zich zeer romantisch om. Op een morgen, dat zij commissies had gedaan en langs de Princessegracht terugkeerde, zag zij Fabrice, die langzaam uit het Bosch kwam, bij de Brug. Zij voelde haar hart kloppen en durfde nauwelijks opzien,—toch had zij ten laatste met een schijnbare onverschilligheid haar oogen even op hem wagen te richten. Hij was gekleed in een korten duffel; een wollen bouffante was achteloos om zijn hals geslagen; en hij liep, de handen in de zakken, met een ietwat norsche uitdrukking op zijn donker gelaat, beschaduwd door den breeden rand van zijn flambard. Hij maakte op haar een indruk van trotsche ongenaakbaarheid, en zij idealizeerde op dien indruk voort: wellicht was hij van goede familie, want zij vond, dat hij iets zeer gedistingueerds had in zijn krachtvolle gestalte; zijn ouders waren er tegen geweest, dat hij zich wijden zou aan de kunst, maar hij had een roeping in zich gevoeld, die niet te weêrstaan was; hij had zijn muzikale opleiding ontvangen aan een conservatoire, en hij had gedebuteerd, en nu gevoelde hij een bittere melancholie in zijn ziel; hij bespeurde, dat de omgeving van acteurs, waarin hij moest leven, hem te ruw en te onbeschaafd was; hij gevoelde zich vreemd van hen en trok zich terug in zijne fiere eenzelvigheid en hij dacht aan zijn jeugd, aan zijn kinderjaren, en zag zijn moeder weder voor zich, hem, met gevouwen handen, smeekend zijn voornemen vaarwel te zeggen en niet meer aan het tooneel te denken….

Sedert dien dag kreeg Eline de caprice, zooals Betsy het noemde, om des morgens groote wandelingen te doen. Zij vond het Bosch ’s winters zoo prachtig, zeide zij; ze dweepte met die hooge, rechte stammen, aan marmeren zuilen gelijk, als het gesneeuwd had: het was als een kathedraal. Henk vergezelde haar een paar malen met Leo en Faust, de twee Ulmerdoggen, maar hij betreurde zijn gewoonlijken rit te paard, en zij ging nu alleen, nadat zij in den stal bij Dirk de twee honden had afgehaald, die met hun groote pooten blijde tegen haar opsprongen en haar, als twee ruwe pages, beschermend omstuwden met hun dartel geren.

Het was goed voor haar gezondheid, beweerde zij, zoo men haar verwonderd naar die wandelingen vroeg; zij liep veel te weinig, en vreesde zoo dik te zullen worden als Betsy werd, wanneer zij altijd maar reed. Dokter Reijer vond haar dagelijksche ochtendwandelingen uitstekend.

In het Bosch ontmoette zij steeds enkele wandelaars, meestal dezelfde; iederen dag een ouden, grijzen heer in een pels gehuld, en die steeds kuchte, met de hand aan zijn mond. Fabrice echter ontmoette zij slechts zelden. Hij was zeker op de repetitie, meende zij, wanneer zij den baryton niet gezien had en in een teleurstelling, die haar vermoeid maakte, naar huis ging, smachtende naar heur boudoir, haar warme kachel, haar piano. Maar toch zette zij heur wandelingen door en zij merkte nu op, dat Fabrice geregeld des Vrijdags de zijne deed; op andere dagen kon zij geen staat maken; soms zag zij hem dan, soms zag zij hem niet… En zij had het er voor over vroeg op te staan, soms nog uitgeput door een soirée, die tot drie uur geduurd had, of afgedanst, half gebroken en niet uitgerust, met blauwe kringen onder haar vermoeide oogen. Het is waar, zij zag Fabrice nu zeer dikwijls in de opera, van uit een loge, of de stalles; ze ging nu met de Verstraetens, dan met Emilie De Woude en Georges, eens had zij de Ferelijns geinviteerd,—maar toch, nu zag zij hem anders, niet van haar gescheiden door het voetlicht en den idealen toestand, waarin hij al zingend verkeerde: nu zag zij hem voor zich, op drie passen van haar af, als een gewoon mensch.

Op die dagen, dat zij Fabrice ontmoette, scheen het wijde gewelf der besneeuwde takken als te nauw om haar geluk te bevatten. Zij zag hem nader komen met zijn flinken, veêrkrachtigen pas, de flambard een weinig schuin, de bouffante met de franje affladderende van zijn schouder, en hij ging haar voorbij, terwijl hij haar, of de honden, die hem snuffelend naderden, even aanzag met een blik zonder gedachte…. Wanneer zij daarna omkeerde en langs de Maliebaan zich naar huis begaf, was zij overvol van een blijdschap, die haar een kleur op haar koele wangen joeg en haar niet de minste afmatting deed gevoelen, en, thuis gekomen, zong zij die weelde uit met een jubelende kracht, klaterend in helderheid van klank. Den geheelen dag bleef zij vroolijk en opgeruimd, en levendiger bevalligheid verving haar loome elegance. Haar oogen tintelden, zij schertste voortdurend, werd geërgerd door Henks luie goedigheid en Bens soezige zoetheid en plaagde vader en zoon, terwijl de vestibule galmde van haar schitterenden lach en de trappen kraakten, wanneer zij die bijna afsprong….

Eenmaal, dat zij Fabrice op een Vrijdag haar tegemoet zag komen, nam zij een besluit. Zij vond het kinderachtig in zich, dat zij hem nooit goed durfde aanzien; hij was toch een acteur en zou wel eens meer door dames, die hem op straat herkenden, worden opgenomen. Hij kwam nader en met iets brutaal hoogmoedigs en bijna uittartends wierp zij haar hoofdje in den nek en zag hem vlak in de oogen. Hij beantwoordde dien blik met den zijne, als gewoonlijk zonder gedachte, en ging verder. Toen, in een overmaat van moed, zag zij om…. zou hij ook….? Neen, hij liep door, met de handen in de zakken, en zij zag alleen zijn breeden rug, die zich verwijderde….

Dien morgen haastte zij zich naar huis, en ze neuriede tusschen haar gesloten lippen, waarom een trek van schalke ondeugd speelde. Ze dacht aan niets dan aan hem, Fabrice, en ze belde op het Nassauplein aan…. Grete deed open…. Leo en Faust renden naar binnen. Daar schaterde ze het uit: ze had vergeten de doggen naar den stal terug te brengen! Luid daverde het geblaf der honden door de vestibule als een duo van bassen.

Betsy kwam uit de eetkamer, brieschend van woede.

—Mijn God, Eline, ben je dol, die lamme honden hier te brengen!… Je weet, dat ik ze niet zien wil…. Ik begrijp niet, hoe het je in je hersens komt, als ik het toch niet hebben wil! Je zou op het laatst geen meester meer zijn in je eigen huis…. Breng ze alsjeblief weg en dadelijk….

Haar stem klonk hard en ruw, als een bevel tegen een mindere.

—Ze hebben dorst en ik wil ze laten drinken, zeide Eline kalm, hoogmoedig, om haar vergeetachtigheid te bedekken voor Betsy’s blik.

—En ik wil niet, dat ze hier komen drinken, zeg ik je! Kijk die gang, kijk dien looper, overal vuile pooten….

—Dat kan Grete in een minuut weêr schoonmaken….

—Daar weet jij niets van! Jij leeft hier als een prinses, die niets doet, dan wat mij onaangenaam is! Ik zeg je, breng die smerige beesten weg!

—Ze moeten eerst drinken.

—Mijn God, ik wil niet, dat ze hier drinken! riep Betsy buiten zichzelve van nijdigheid.

—Ze zullen drinken, in den tuin! antwoordde Eline rustig.

—Dat wil ik wel eens zien! schreeuwde haar zuster. Als ik toch….

—Leo, Faust! riep Eline, steeds met een aanhitsende kalmte en lokte de honden tot zich, terwijl zij op haar knie klopte.

Betsy kookte van woede. Haar lippen sidderden, haar handen trilden, haar adem schokte in de keel. Ze kon niets meer zeggen, zij had Eline wel kunnen slaan, maar deze ging langzaam met de opspringende honden door het gangetje naar den tuin, en vulde zelve een emmer met water aan de kraan. Zij vond er een verfijnd genot in Betsy vandaag woedend te maken. De honden dronken en zij bracht ze terug in de vestibule.

Betsy stond daar nog steeds en haar nijdige oogen vlamden van gramschap over haar machteloosheid. Zij had Eline willen naloopen, haar den emmer uit de handen willen rukken, maar zij vermocht het niet van zenuwachtigheid.

—Ik verzeker je, Eline, bij alles wat heilig is, dat ik Henk….! begon zij met een bevende stem en een kleur als vuur.

—Ach, vlieg op! riep Eline in een plotseling stijgende drift, en zij ging met de honden het huis uit, terwijl zij de voordeur dichtsloeg.

Na een kwartier kwam zij terug, zingende en nog vol blijdschap over haar ontmoeting met Fabrice. Zij ging de trap op, terwijl zij een langen triller deed parelen, als om Betsy, die, bijna weenend, in de eetkamer zat, te plagen.

Toen Henk bij twaalven thuis kwam deed Betsy haar beklag over Eline’s brutaliteit in hun huis, maar Henk werd ongeduldig, wilde niets beslissen, en zij schold haar man uit, om zijn flauwheid, in een hevige scène.

Een week lang spraken de zusters bijna geen woord met elkaâr, tot wanhoop van Henk, wien deze bouderie al zijn huiselijke gezelligheid vergalde, vooral aan tafel, waar zij snel aten, hoewel Eline voortdurend kakelde tegen hem en Ben.

Darmowy fragment się skończył.

Ograniczenie wiekowe:
0+
Data wydania na Litres:
10 października 2024
Objętość:
670 str. 1 ilustracja
ISBN:
4064066084073
Wydawca:
Właściciel praw:
Bookwire
Format pobierania:

Podobne książki