Czytaj książkę: «De Pleegzoon»

Czcionka:

J. van Lennep

De Pleegzoon


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066311063

Inhoudsopgave

Leiden.—A. W. Sijthoff.

Mr. Jacob van Lennep.

I.

II.

III.

IV.

De Pleegzoon.

Eerste Hoofdstuk.

Tweede Hoofdstuk.

Derde Hoofdstuk.

Vierde Hoofdstuk.

Vijfde Hoofdstuk.

Zesde Hoofdstuk.

Zevende Hoofdstuk.

Achtste Hoofdstuk.

Negende Hoofdstuk.

Tiende Hoofdstuk.

Elfde Hoofdstuk.

Twaalfde Hoofdstuk.

Dertiende Hoofdstuk.

Veertiende Hoofdstuk.

Vijftiende Hoofdstuk.

Zestiende Hoofdstuk.

Zeventiende Hoofdstuk.

Achttiende Hoofdstuk.

Negentiende Hoofdstuk.

Twingtigste Hoofdstuk.

Een-en-twintigste Hoofdstuk.

Twee-en-twintigste Hoofdstuk.

Drie-en-twintigste Hoofdstuk.

Vier-en-twintigste Hoofdstuk.

Vijf-en-twintigste Hoofdstuk.

Zes-en-twintigste Hoofdstuk.

Zeven-en-twintigste Hoofdstuk.

Acht-en-twintigste Hoofdstuk.

Negen-en-twintigste Hoofdstuk.

Dertigste Hoofdstuk.

Een-en-dertigste Hoofdstuk.

Twee-en-dertigste Hoofdstuk.

Drie-en-dertigste Hoofdstuk.


Leiden.—A. W. Sijthoff.

Inhoudsopgave

Mr. Jacob van Lennep.

Inhoudsopgave

“Van Lennep was onze prettigste litteraire gestalte, die de kunst verstond vijftig jaren lang amusant te blijven.”

Cd. Busken Huet.

I.

Inhoudsopgave

’t Was een plezier Van Lennep persoonlijk te ontmoeten.

Toen hij in Augustus 1865 ter vergaderzaal van het achtste Taal- en Letterkundig Congres te Rotterdam verscheen, geheel in een grijs zomercostuum, het fraaie zilveren hair om de slapen golvend, kwam ieder hem blij groetend te gemoet. Aan de tafel van het bestuur plaats nemend, de guitige, donkere oogen naar het publiek, vooral naar de dames richtend, zat hij met een bijna onmerkbaren glimlach te luisteren. De vrij drooge beraadslaging over de spelling der bastaardwoorden werd plotseling door hem met een handvol aardigheden afgebroken. Wie herinnert zich niet, hoe daar door hem geijverd werd, om de ph door de f te vervangen—hoe hij vertelde, dat hij als jonkman een zangspel “Saffo” geschreven had, maar, dat de regisseur zijne spelling in Sapho gewijzigd had, zoodat de acteurs: “O, Sap, ho, wees gegroet!” zongen; hoe hij er bijvoegde, dat eene Amsterdamsche dienstmaagd, uitgezonden door hare mevrouw, om te zien of er een vroolijk stuk op het Leidsche Plein zou gespeeld worden, terugkwam met het bericht: “Ze spelen de Mophondjes,” terwijl in werkelijkheid “Demophontes,” het classiek treurspel van Metastasio, vertaald door Westerwijk, werd vertoond; hoe hij besloot met de mededeeling eener jonge dame, die hem in zijne waardigheid van vrijmetselaar vroeg, wat de orde toch bedoelde met de woorden prop hanen, waarop hij antwoordde, dat daarmeê waarschijnlijk de mannetjes van prop hennen gemeend werden.

Een zonneschijn van vroolijkheid schitterde plotseling over de vergadering, die vóór Van Lennep’s komst in deftige dommeling zachtkens afdreef op den stroom der verveling.

In het huis op de Keizersgracht, in zijne ruime studeerkamer, aan zijne schrijftafel, maakte hij geen minderen indruk. Gekleed met zijn grijzen kamerjapon—als op het groote gesteendrukte portret naar de voortreffelijke schilderij van Schwarze—de snuifdoos in de linkerhand, de rechter op een arm van zijn leunstoel, zat hij daar met zijn prettig gezicht en fonkelende oogen naar de woorden van zijn bezoeker te luisteren, de gelegenheid afwachtend, om met een fijnen zet of een luimig verhaal zelf het woord te nemen. Onder vier oogen kwam daarenboven de natuurlijke goedheid van zijn hart uit, daar hij geene moeite te zwaar vond, om aan eenig verzoek zijner vrienden te voldoen. Zijne wetenschap, zijne bibliotheek, zijn invloed stonden hun ten dienste, zoo vaak zij zijne hulp inriepen.

Te Gent zag men hem, ter gelegenheid van het negende Letterkundig Congres, in het voorportaal van den schoonen schouwburg, op een Augustusavond van 1867 in zijn licht reiscostuum—hij was uit Zwitserland overgekomen—terwijl hij met hartelijkheid de hand drukte van E. Douwes Dekker, die hem kort te voren in een vlugschrift zijne hulpvaardigheid bij het uitgeven van den “Max Havelaar” als een misdrijf voor de voeten had geworpen. De Congresleden omringden hem van alle kanten. En uit de rijen der Zuid-Nederlanders ging een luid gejuich op. Zooveel grootmoedigheid, zooveel zelfbeheersching, zooveel rustige heuschheid mochten niet onopgemerkt blijven.

Van Lennep’s persoon was overal bekend. Overal werden hoeden afgenomen, handdrukken gewisseld. In alle Nederlandsche steden had hij vrienden of ten minste goede kennissen. Zelfs onder den eenvoudigen, maar nuttigen, stand der sjouwerlieden was zijn naam en persoon bekend. En niet alleen te Amsterdam. Het gebeurde in 1867, dat te Rotterdam aan het station van den Rhijnspoorweg bij het aankomen van een trein uit Utrecht, een aardig, knap juffertje stond bij eene geopende deur aan het plankier. Dat juffertje was eene Rotterdamsche, die dagelijks vrij wat menschen zag, daar zij haar guitig wipneusje sedert een jaar achter het buffet deed bewonderen door wereldwijze handelsreizigers en roodgeblakerde tweede-luitenants, die op transport waren. Toen de reizigers uit den trein zich over het plankier verspreidden, zag zij te midden van eene groep luidsprekende heeren een grijsaard met ongemeen vriendelijken glimlach en golvende witte hairen. Telkens hield iemand hem staande, om hem met een levendigen uitroep van verrassing, van ingenomenheid, eenige snelle woorden toe te spreken, die door den wellevenden man onuitputtelijk geduldig werden beantwoord. Ieder beijverde zich met liefde den weg open te houden voor den uiterlijk reeds zoo achtbaren man, wiens tred door den last van vijfenzestig jaren reeds vrij wat van vroegere veerkracht miste. De knappe buffetjuffrouw verwonderde zich, dat één oude heer zoo ontzettend veel kennissen om zich heen verzamelde. En daar Hein, de witgekielde sjouwerman van het goederenbureel, juist voorbijkwam, vroeg ze:

—“Wie is die grijze heer?”

—“Wie? Wel nou, jij bent ook een beste! Ken-je onzen Van Lennep dan niet?”

’t Feit is historisch en werd door een ooggetuige verteld. Ik kom er weldra op terug.

Toen ik Van Lennep voor het laatst zag, doorleefde hij den gelukkigsten dag van zijn ouderdom. Het was Vrijdag 18 October 1867, den dag, waarop te Amsterdam het standbeeld van Joost van den Vondel zou worden onthuld. Eene groote menigte stroomde naar de Nieuwe Kerk, om zich rondom Vondel’s grafsteê te vereenigen. De blauwe zerk was zorgvuldig van stof gezuiverd en prijkte met eene krans van gele immortellen. Een dichte drom geletterden schaarde zich eerbiedig om deze heilige plek, terwijl boven onze hoofden de zon door de hooge kerkvensters scheen en schoven van goud licht over het hoog gewelf uitgoot. Plotseling stond Van Lennep vóór ons, het witte hoofd ontbloot, de oogen tintelend van geestdrift, na zeven jaren zwoegens eindelijk triumfeerend door de oprichting van het standbeeld. Hij sprak enkele eenvoudige woorden over Vondel’s graf en noodigde de feestgenooten naar het park, waar het schoone monument van Royer en Cuypers zou worden onthuld.

Een uur later verscheen hij in het spreekgestoelte bij het standbeeld en sprak daar met duidelijk verstaanbare stem zijne feestrede. Niemand was meer gerechtigd dan hij tot deze taak, daar hij een vierde van zijn reeds gevorderden leeftijd aan het verhaal van Vondel’s leven, en aan het verklaren van zijne werken had besteed. Uit aller keelen klonk daarom een aanhoudend bravo, toen de welsprekende staatsman, die destijds aan het hoofd van het departement van Binnenlandsche Zaken stond, toen Mr. J. Heemskerk Az., Van Lennep met een hartelijk woord van gelukwensching, namens Z. M. den Koning, het commandeurskruis der orde van den Nederlandschen Leeuw aanbood.

Zóó zag ik hem voor het laatst.

Eens nog schreef hij mij (8 Februari 1868), zeven maanden vóór zijn dood (26 Augustus 1868). Ik geloof, dat men mij de vrijheid vergunnen zal dezen brief hier meê te deelen, men zal er uit zien, dat mijn verhaal van Hein, den kruier, volmaakt historisch is.

“Amice!

“Ik zeg u grooten dank voor het exemplaar van den bekroonden Vondel1.... waarmede mijn vrouw, die gedurende de feesten ziek was en dus niets van de pret gezien of gehoord had, zich bijzonder vermaakt heeft.... Ik zal er maar niets van zeggen, want ik krijg er zooveel mooie kompl. in, dat ik uw stuk niet prijzen durf, zonder den schijn op mij te laden, alsof ik het daarom zoo naar mijn zin vind....

“Het doet mij plezier, dat Gij die pret op ’t slot te Muiden zoo con amore geschilderd en de aandacht weder op dit slot gevestigd hebt. De Hr. Heemskerk had, onmiddellijk na het feest, zijn voornemen te kennen gegeven, om een wet voor te stellen tot restauratie van het slot, zich vleiende, dat daarvoor nu juist in deze oogenblikken veel sympathie zijn zou;—doch nu is juist die vervelende krizis tusschen beiden gekomen—2. Van die krizis gesproken, podagra heb ik deze reize niet gehad, maar dewijl ’t een kwaal is, daar ik best mee bekend ben sedert 30 jaren, heb ik haar bij voorkeur in mijn brochure gebracht—3 als onschuldig middel om de attentie te trekken—....

“Maar ik heb zes maanden lang gesukkeld aan leewater in de knie en laatstelijk aan doofheid. Dat is nu Goddank weer over en mijne gezondheid is door de Vondelsfeesten geheel gekureerd.

“Zijt gij ’t, of is het een ander, die de Letterkundige Intermezzoos in Nederland schrijft4. De schrijver, wie dan ook, heeft in zijn eerste artikel eene beschuldiging tegen onze natie gericht, als zou zij haar schrijvers, mij b. v., niet kennen of liever geen notitie van hen nemen. Ik zou hem, daar ik er ook als voorbeeld bij gehaald ben, een dozijn voorbeelden kunnen geven van het tegendeel. Toen Hofdijk voor een paar jaren bij mij aan de Steeg logeeren zou, was er in beide herbergen al een groote vreugde en verwachting vooruit—en onlangs, dat ik te Rotterdam uit den trein stapte en de juffrouw van ’t buffet zei: “He, wie of die grijskop is met zijn lange haren!” riep een sjouwerman van ’t goederenbureau verontwaardigd uit: “Wat, ken-je onzen Van Lennep niet?” Dit werd mij later medegedeeld door den Hr. Van Alphen, die ’t gehoord had.

“Indien gij nu de bedoelde schrijver niet zijt, laat die anecdote—die in dat geval een kale bluf zou schijnen—maar liever ongelezen.

“Vale, faveque

“Amst. 8 febr. 1868. T. T.

“J. v. Lennep.”

Van mijn edelmoedigen vriend, die zich, helaas! te vergeefs vleide met herstel zijner gezondheid, heb ik dus de mededeeling omtrent het feit, dat wellicht bij de eerste vermelding wat onwaarschijnlijk mocht klinken.

De vreugde aan de Steeg in 1866 betoond bij Hofdijk’s komst schijnt mij tevens in nauw verband te staan met de blijde opgewektheid, die de viering van zijn zeventigsten jaardag (27 Juni 1886) heeft gekenmerkt.

II.

Inhoudsopgave

Zonder eenige overdrijving mag beweerd worden, dat Van Lennep als dichter, als romanschrijver, vele jaren lang de populairste onzer auteurs is geweest. Als voorbeeld zijner populariteit heeft Cd. Busken Huet in 18645 verhaald, dat eene Zandvoortsche vischvrouw al de veertien deelen van zijn exemplaar der romantische werken van Van Lennep had geleend en gelezen.

Doch niet alleen in visschersstulpen ook in de huizen onzer gegoede burgerij, in de woningen onzer patriciërs op de Keizers- en Heerengrachten, was Van Lennep steeds een welkome gast. Zijne “Idyllen” maakten hem populair bij de studenten, zijne “Legenden” wonnen hem het hart van al wat jong was, vooral de harten der Hollandsche jonge meisjes, eene verovering Van Lennep tot op den laatsten dag zijner vriendelijke grijsheid dierbaar. Oud en jong, stedeling en dorper, edelman en burger, schonken hem hunne genegenheid, toen “de Pleegzoon” verscheen, toen “Ferdinand Huyck,” zijn beste roman, “de Roos van Dekama” opvolgde, toen de breed ontworpen “Voorouders” het licht zagen, en eindelijk, toen de niet het minst besproken, aangevallen, geprezen en gelezen “Lotgevallen van Klaasjen Zevenster” geheel de letterkundige wereld in den winter van 1865 op 1866 in rep en roer brachten.

Van Lennep’s romans blijven leven, zoo goed als die van Walter Scott, en worden herhaaldelijk herdrukt, gelijk ook deze steeds opnieuw worden uitgegeven. “De Pleegzoon” verscheen in 1829 en zag sedert dat jaar tot heden met al zijne opvolgers, telkens in nieuwen vorm het licht. Omtrent “de(n) Pleegzoon” schreef de auteur mij (4 Augustus 1867):

“Ik heb mijn Pleegzoon ongeveer 40 jaren geleden geschreven (1827); hij heeft eenige jaren in de lade gelegen; geen boekverkoper wou er aan. Eerst toen ik met mijne Legenden wat naam gemaakt had, wou P. Meijer Warnars er zich wel over ontfermen. Van honorarium kon nog geen sprake zijn, en ik geloof niet, dat Drost voor zijn “Pestilentie te Katwijk” heel veel meer gehad heeft. Oltmans kwam iets later, wanneer weet ik niet. Eerst na 1840 heb ik honorarium bedongen....”

De eerste historische roman van Mr. Jacob van Lennep moest twee jaren wachten, voordat hij bij wijze van genade door den druk werd algemeen gemaakt!

Dit leerzaam feit voor de geschiedenis onzer letteren zal balsem gieten in de wonden van hen, die met onuitgegeven handschriften naar een uitgever blijven zoeken, en tevens in die der lofredenaars van ’t verledene, welke er zich aan ergeren, dat onze boekenmarkt op het huidige oogenblik te veel overvoerd is.

De drukken van Van Lennep’s historische romans volgden elkander spoedig, een bewijs, dat P. Meijer Warnars weinig oog had op letterkundige kunst. ’t Meest bekend werden: de Rotterdamsche uitgaaf van 1855 in dertien blauwe deelen en de vier deelen, klein folio, door Nijhoff, Sijthoff en Thieme van 1867 tot 1869 in het licht gezonden. Zonder profeet te zijn, durf ik ook der tegenwoordige volkseditie in elf deelen de vruchtbaarste toekomst voorspellen.

De historische romans van Van Lennep hebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit. Voordat ik dit met een enkel woord staaf, doet zich de vraag op, of Van Lennep chronologisch inderdaad onze eerste historische romanschrijver is. Meestal stelt men het zoo vóór, alsof in 1829 door “De(n) Pleegzoon” in de geschiedenis der Nederlandsche letteren een datum gevormd wordt; alsof Van Lennep’s eerste roman, tevens de eerste historische roman in Nederland geweest is. Dit is alleen in zekeren zin juist. Van Lennep schreef in 1827—hij zelf verzekerde het ons reeds—zijn eersten historischen roman. Als zoodanig is de chronologie in orde. Doch om nauwkeurig te spreken, had men moeten vermelden, dat in 1827 eene Amsterdamsche patricische schrijfster, Mejuffrouw Maria Jacoba de Neufville, het beproefd had een historischen roman samen te stellen, die evenals “De Pleegzoon,”[komma achter ”?] maar eenigen tijd vóór “De(n) Pleegzoon”, in 1829 het licht zag onder den titel: “De Schildknaap. Iets uit den ouden tijd. Een oorspronkelijk historisch romantisch verhaal.” (Staalgravure van D. Veelwaard). Te Amsterdam bij P. den Hengst en Zoon. 1829, gr. 8o.

De poging van Mejuffrouw De Neufville is volkomen dezelfde als die van Mr. J. van Lennep. Zij vloeit uit dezelfde bron. Zij getuigt het in haar “Voorberigt,” als zij verklaart:

“Aan de Verhandeling van den Hooggeleerden Heer D. J. van Lennep, Over het belangrijke van Holland’s grond en oudheden voor gevoel en verbeelding, welke Verhandeling ik op den 30e Januarij 1827 het genoegen had, door den opsteller te hooren voordragen, is het werk, hetwelk ik thans mijnen landgenooten aanbied, deszelfs wording verschuldigd. Altijd met warme liefde voor mijn zoo dikwijls ten onregte verguisd en beschimpt vaderland vervuld, groeide die liefde in mij tot geestdrift aan, door de zoo welsprekende taal des Hoogleeraars en kwam al aanstonds de lust in mij op, om te beproeven of het mogelijk wezen zou, een romantisch tafereel te schetsen, in den smaak van dezulke, als wij aangaande de zeden en gewoonten van andere volken bezitten, iets waarmede (en hierover betuigt de Heer Van Lennep, in meergemelde Verhandeling zijne verwondering) zich aangaande onze voorvaderen nog niemand beziggehouden had.”

Uit deze woorden blijkt duidelijk, dat “de Pleegzoon” en “de Schildknaap” bijna terzelfder tijd en onder dezelfde invloeden ontstaan zijn. De hoogleeraar D. J. van Lennep gaf aan beiden dezelfde opwekking; hij leende zelfs wetenschappelijke boeken aan Mejuffrouw De Neufville, zooals zij in datzelfde “Voorberigt” vermeldt, als zij getuigt: “Voor het overige hebben andere schrijvers, wier werken ik, of zelve bezit, of die mij door den heer Van Lennep.... goedgunstiglijk geleend werden, mij tot leidslieden verstrekt.”

Het is duidelijk, dat vóór 1827 in Nederland geen historische romans zijn geschreven, daar de nauwkeurige D. J. van Lennep in dat geval zeker niet zou gezegd hebben, dat zich “nog niemand” met dit kunstvak in Nederland had “beziggehouden”. Tevens blijkt uit het “Voorberigt”, dat men den buitenlandschen historischen roman kent, zoodat “Pleegzoon” en “Schildknaap” beiden uit de school van Sir Walter Scott stammen—Scott, die in 1814 met “Waverley” begon, en tot aan zijn dood (1832) met zijn “Count Robert of Paris” volhardde. Het behoeft niet nader gestaafd, dat de historische roman juist een kolfje was naar de hand dezer twee, tot eene zeer behoudende wereldbeschouwing overhellende naturen—Maria Jacoba de Neufville en Jacob van Lennep. Scott had den historischen roman het eerst in zijn modernen vorm te voorschijn geroepen, Scott was de apostel zijner nationale glorie, gekant tegen het Fransch classicisme, gekant tegen de omwentelingen van 1789 en 1793.

Dat het opwekkend woord van den hoogleeraar D. J. van Lennep in 1827 terstond goede diensten deed aan de vaderlandsche letteren, blijkt niet alleen aan “Schildknaap” en “Pleegzoon,” maar daarenboven nog aan eene enkele zwakke poging in 1828 door J. C. Appenzeller beproefd, die in dat jaar een, nu geheel vergeten, historischen roman schreef onder den titel: “Geertruida Van Wart, of trouw tot in den dood. Eene ware geschiedenis uit de 14e eeuw.” Amsterdam, 1828. 8o.

Onze Nederlandsche historische roman begint—daar Adriaan Loosjes, wegens gebrek aan historischen zin, niet mag medetellen—met Mejuffrouw De Neufville en Jacob van Lennep in 1829, om dan onder invloed van dezen laatste—en natuurlijk van diens meester Walter Scott—rijkelijk te bloeien. Van Limburg Brouwer gaf in 1831: “Charicles en Euphorion,” in 1838: “Diofanes.” Bakhuizen Van den Brink volgde in 1834 en 1835 met historische novellen in de “Muzen,” het tijdschrift van Potgieter, Heije en Drost; deze laatste schreef in 1831 zijn “Hermingard van de Eikenterpen;” Oltmans volgde in 1834 met “Het slot Loevestein,” in 1838 met “De(n) Schaapherder;” eindelijk verscheen Mejuffrouw A. L. G. Toussaint, met haar “Almagro” (1837), haar “Graaf van Devonshire” (1838) en haar “Lauernesse” (1840).

Stellen wij dus de te veel vergeten De Neufville naast onzen Van Lennep, dan mogen wij aan beiden de eer geven den historischen roman in Nederland te hebben begonnen.

III.

Inhoudsopgave

De historische romans van Van Lennep hebben eene blijvende waarde, die zoowel uit hunne kracht, als uit hunne zwakheid spruit—zeide ik. Hunne kracht ligt in de uitnemende helderheid van stijl en voorstelling. Van Lennep heeft behoefte aan juistheid, nauwkeurigheid, duidelijkheid. Zijne vertelling zweeft nooit in een duisteren nevel van onoplosbare geheimzinnigheid. Aan Walter Scott, misschien ook aan den ouden Dumas, heeft hij de kunst afgezien een belangwekkenden knoop te leggen, welken hij zonder kunst- of vliegwerk zeer behendig oplost. Het is niet te ontkennen, dat hij een geliefkoosd schema van roman—de held of de heldin van onbekende afstamming, zoekend naar vader of moeder—somtijds herhaalt. Dit denkbeeld ligt ten grondslag aan “De(n) Pleegzoon,” komt terug in de “Roos van Dekama,” en is op breede schaal bewerkt in “Klaasjen Zevenster”.

Eene zwakheid van Van Lennep’s kunst ligt in zekere ongegeneerdheid ten opzichte van historische gegevens, zoodat zijn roman “Elisabeth Musch”, als verhaal op zich zelf aangenaam te lezen, als historische roman volkomen mislukt is. In degelijkheid van historische wetenschap, in psychologische fijnheid van karakteropvatting staat Mevrouw Bosboom-Toussaint boven hem. Deze laat zich niet afschrikken door een vermoeiend historisch onderzoek, dringt bij hare helden en heldinnen door in de diepten van de binnenborst, en schept karakters, die, psychologisch geheel afgewerkt, een onvergetelijken indruk achterlaten. Van Lennep wil het den lezer naar den zin maken, wil behagen; hij bekreunt zich meer om hetgeen met zijne personen geschiedt, dan wat in hun hart en hoofd omgaat. Hij wil een boeiend verteller zijn, die, zonder de geschiedenis opzettelijk in het aangezicht te slaan, zijn lezer steeds in spanning houdt.

Bij Mevrouw Bosboom-Toussaint ontstaat uit de degelijkheid der historische wetenschap en de fijnheid der zielkundige analyse somtijds eene overlading en eene uitvoerigheid, die naar langdradigheid zou kunnen zweemen; bij Van Lennep neemt het verhaal een vluggen, levendigen gang, die het hart van den gewonen lezer steelt, maar dikwijls dreigt in oppervlakkigheid te verloopen. Mevrouw Bosboom-Toussaint heeft les défauts de ses qualités, Van Lennep les qualités de ses défauts.

Het best gelukt is zijn “Ferdinand Huyck,” een voortreffelijk boek in vele opzichten. Evenals in zijn “Klaasjen Zevenster” is hier zoowel historisch als psychologisch het schoonste geleverd van alles wat Van Lennep zou voltooien. Hij had de achttiende eeuw lief. Hij kende haar en hare beschaving, vooral het achttiende eeuwsche patriciaat te Amsterdam. Opgevoed naar de overleveringen van zijn oud geslacht, naar de classieke wijsbegeerte van zijn vader David Jacobus, moest hij zich het naast verwant gevoelen aan een juist vervlogen tijdvak, dat door goede manieren, vlug vernuft en letterkundigen smaak uitmuntte. Van Lennep, dien men te recht voor een der aanvoerders der Romantische beweging in Nederland hield, was in zijn hart het classicisme der achttiende eeuw nog meer genegen.

Een bewijs van deze laatste stelling put ik uit een zijner vriendelijke brieven.

Naar aanleiding eener opmerking tegen Engelsche romanschrijvers, die misbruik maken van Latijnsche citaten, schreef hij mij (5 April 1860):

“Ik moet er bijvoegen, dat hetgeen u thands.... tegenstaat, u misschien niet zou hebben tegengestaan, indien gij een 30 jaren ouder waart en u den tijd herinnerdet, toen het klassicisme ook hier te lande meer algemeen was en men zich niet geneerde aan tafel in tegenwoordigheid van dames Ovidius of Horatius aan te halen. De konversatie, zoo als ik mij die in mijn jeugd herinner, had altijd een klassieke tint en wie die bij uitnemendheid wist aan te brengen—en daarom ook in Engeland zoo geacht en gezien was—was A. R. Falck!—en toch belette dit niet, dat de dames toen doodelijk van hem waren.... ja, dat, toen zijn Brieven 3 jaar geleden (1857) in ’t licht kwamen, al de exemplaren bij Amsterdamsche boekverkoopers aanwezig, tot groote verbazing van Nijhoff, den eersten avond reeds waren opgehaald—meest alle door dames tusschen de 60 en 80 jaren (die zeker wilden weten of zij er ook in voorkwamen). ’t Is waar, Falck citeerde ook Fransch, Engelsch, Hoogduitsch, enz.—maar had niets, dat op pedanterie geleek, en nimmer heb ik aangenamer mensch ontmoet.”

Zij, die Van Lennep gekend hebben, zien met mij den schalkschen glimlach om den mond en in het oog beide, waarmeê hij deze regelen schreef!

Zijne genegenheid voor het Fransche classicisme der achttiende eeuw paarde zich hoogst eigenaardig aan eene vrij groote geringschatting der middeleeuwen en al wat met middeleeuwsche studiën in verband stond. Zijne “Legenden,” zijne “Roos van Dekama”, zijne “Voorouders” verraden op menige plaats, dat hij trots zijne verwonderlijke vlugheid, ondanks eene verbazende gemakkelijkheid, om alle zwarigheden te boven te komen, toch zijn meester Walter Scott in kennis en opvatting der middeleeuwen niet evenaarde.

Omtrent dit punt schreef hij mij een zeer karakteristieken brief (4 Augustus 1867), toen ik hem de eerste aflevering mijner “Schets eener geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde,” handelende over de middeleeuwen, aanbood:

“Ik las uw boek voor mij zelf met veel belangstelling; doch het zou mij spijten, indien uw wensch vervuld werd, en dit boekje op een H. Burgerschool werd gebruikt. Mij dunkt, zij hebben daar al ongare kost genoeg te slikken dan om nog op Middel-Nederlandsch getrakteerd te worden.

“Het is een mooie ontdekking.

“Maar ik lees liever Fransch.

“Indertijd, toen ik Curator van ’t Gymnasium was, had Hofdijk ook zoo’n boekje geschreven.... doch ik zei, dat hij aangesteld was, om aan de jongelui de Hollandsche taal te leeren en niet het Middel-Nederlandsche patois en ik verbood het gebruik van dat boekske. Die studiën van Gothisch, Angel-Saksisch, Middel-Nederlandsch enz. mogen zeer goed zijn voor filologen, maar zij kunnen er niet toe strekken om onzen stijl of onzen smaak te vormen, en die zoogenaamde naïveteit er van—’t eenige wat dan nog ’t gebrek aan vorm, rhythmus, kadans, maat, rijm, enz. vergoeden moet, geef ik graag present en.... lees liever Fransch.

“Verder is er, althans in de eerste helft van uw boek bijna geen bladzijde, waarover ik geen lust zou hebben met u te twisten. ’t Schijnt, dat bij u, even als bij velen, heden ten dage de vorm, de dictie, niets is en alles zich moet bepalen tot de gedachte. Maar poëtische gedachten heeft bijna iedereen, dunkt mij, en de kunst bestaat juist daarin, dat men ze in een cierlijken, welluidenden, bevalligen vorm giet, die door het oor het hart treft en den geest bevredigt. En daarom, hoe groot en verbazend een genie Shakespere geweest is, ik mis herhaaldelijk bij hem die harmonie, die eenheid, die zuiverheid van vorm, die samen moesten werken om een wezenlijk schoon geheel te verkrijgen. Dat ik hoog met hem loop, blijkt wel daaruit, dat ik zoowel op mijn tiende, als op mijn 50ste en 60ste jaar stukken van hem vertaald heb, maar hoe meer ik hem vereerde en bewonderde in zijn reusachtige grootheid, hoe meer het mij hinderde, als ik zoovele euphuïsmen, platheden en laffe aardigheden naast de verhevenste brokken vond. Ik houd machtig veel van Jan Steen en ik bewonder Rubens; maar het zou mij stuiten, als ik op den achtergrond eener schilderij, die Christus met de Apostelen voorstelde, een boeren bruiloft zag. ’t Moge het menschelijk leven zijn naar waarheid geschetst, maar “bloemen”—als Bredero zegt—is ook menschelijk; en toch hoort het op het tooneel niet thuis. En daarom al mocht ik eens toegeven, dat de stukken van Shakespere meer schoons bevatten dan eenig ander stuk, zoo is er niet een onder zijne treurspelen, hetwelk door harmonische eenheid voldoet aan ’t geen ik in een treurspel vorder en b. v. terugvind in den Edipus van Sofokles, in den Cid, in de Iphigénie en de Athalie, in den Lucifer en in den Jozef in Dothan. Ik laat natuurlijk ieder vrij anders te denken: hanc veniam damus, petimusque vicissim; maar ik kan niet goedkeuren, dat gij zoo bepaald als lofredenaar van Shakespere optreedt. Onze voorouders zondigden in een tegenovergesteld uiterste en bij hen was Shakespere een barbaar. Nu liggen de groote schrijvers van de eeuw van Lodewijk XIV achter de bank, en mogen alleen Shakespere en Goethe bewierookt worden. Ik heb voor een paar jaar diens “Egmond” zien vertoonen. “’t Moet mooi zijn,” dacht ik, “omdat het van Goethe is; was ’t van een onbekende, ik zou zeggen, wat een godsjammerlijk prul is dit.” Er is een mode in alles; maar omdat men nu een voorstander is van de italiaansche muziek, moet men daarom de Euryanthe leelijk vinden.”

Ik behoef der schim van mijn vaderlijken vriend en beschermer geen vergiffenis te vragen voor de vrijmoedigheid, waarmeê ik hem na zijn dood nog eens het woord geef.

In 1867 sprak Van Lennep aldus met volle overtuiging. Uiterst merkwaardig schijnt het mij het contrast te bestudeeren tusschen den als hoofd der Romantische School gehuldigden auteur van “Ferdinand Huyck” en zijn eigene zuiver classieke, zuiver achttiende eeuwsche, zuiver Fransche aesthetiek.

Hadde Van Lennep tot in onzen tijd kunnen leven, hij zou zich verheugd hebben in de zich langzaam ontwikkelende nieuwe Renaissance, die nog nauwelijks wordt opgemerkt, maar toch eene schoone toekomst te gemoet gaat. Van Lennep, schrander en helder ziende in de toekomst, zou begrepen hebben, dat de Nederlandsche Letteren haar voordeel zouden kunnen doen met het Fransche Naturalisme, maar dat zij nimmer tot eene slaafsche navolging dezer school zouden kunnen afdalen. Hij zou tevens begrepen hebben, dat de afgoderij met sonnetten en raadselachtige verstandspoëzie evenmin tot het gewenschte doel: verjonging onzer nationale muzen, zou kunnen leiden. Zijn eigen standpunt moge dan voor ouderwetsch doorgaan, hij vertegenwoordigt in elk geval de classieke, smaakvolle denkwijze, door zijn vader David Jacobus zoo welsprekend verdedigd. Hij moge reeds in zijne jongensjaren Shakespere vertalen, wetgevers op kunstgebied blijven voor hem alleen Boileau en Horatius. Ademend in de classieke atmosfeer zijns vaders, van zijne vroegste jeugd met Latijnsche verzen begroet, zou hij de overwinnende Romantiek alleen onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden. De algemeene geestdrift voor Walter Scott en Byron bracht hem tot zijne “Legenden” en zijne historische romans. De bijval, hem geschonken, stuwde hem verder voort, dan hij misschien wel wilde, naar de kusten der Romantiek, immer vasthoudend aan de classieke beginselen, die hem als knaap en student waren ingeprent.

De “groote schrijvers” der eeuw van Louis XIV lagen hem na aan het hart. Hij begreep de schoonheden van Shakespere en Goethe, maar was in den grond der zaak geen voorstander der Romantische School van 1830. Dit bleek mij uit den reeds aangehaalden brief van 1867, waarin hij mij berispte, omdat ik mij veroorloofd had met zekere koelheid over het Leerdicht te spreken.

“Ik zie niet in”—schreef hij mij—“waarom het Leerdicht een banvloek verdient, als gij er over uitspreekt. Bone Deus, de [Greek: Erga chai êrerai], de Georgica, de Ars poetica (’t zij van Horatius, ’t zij van Boileau), de Ziekte der geleerden, zooveel heerlijks en liefelijks, met een pennestreek weggecijferd: wel, mij dunkt, zoo als Bilderdijk zeer te recht zegt:

“Geen veld is dor, waar dichtkunst zich vertreedt!”

“en juist dit is haar privilegie, om uit den schijnbaar dorren bodem de heerlijkste vruchten te doen uitspruiten. Ook hier wederom zeg ik:

“Tous les genres sont bons, hors le genre ennuyeux.”

Vader Van Lennep maakte zich hier wat al te snel van de zaak af. Maar zijn gevoel brengt hem niet op een dwaalweg. De didactische poëzie heeft haar voor en tegen. Juist in deze laatste jaren zijn vele hoeden en mutsen afgenomen voor de Muze der Didactiek. De roman, afhankelijk gesteld van grondige studie der anthropologie, psychologie en sociologie; de lyrische poëzie in dienst van alle wetenschappen en elke wijsbegeerte—mij dunkt deze teekenen der tijden zouden Van Lennep niet al te zeer hebben mishaagd.

Nog een kenmerkend hoofdstuk zijner aesthetische wereldbeschouwing, draagt tot opschrift: “Verdiensten der achttiende eeuw.” Aan het slot van den zooeven aangehaalden brief, vermaant hij mij nogmaals:

“Het gerijmel der 18de eeuw vindt geen genade in uw oogen. ’t Spijt mij, want ik ken een menigte brokken van buiten uit Poot, uit den Achilles, uit den Monzongo, uit het Beleg van Haarlem, uit den Agon Sultan van Bantam, uit de vertalingen door Doornik en door Nomsz gemaakt, en ik zet het onzen hedendaagschen poëten—ten Kate uitgezonderd—om zulke vaerzen te schrijven. ’t Is net hier als in Frankrijk, waar men zich—een Victor Hugo aan ’t hoofd—volstrekt niet meer stoort aan censuur of kadans. Ik las dezer dagen....... van onzen vriend H. Lieve Hemel, bijna geen bladzijde, waar ik niet een vers aantref, dat een voet te veel of te weinig heeft. Bij S. ad idem. Als er dat nu niet op aankomt, ’t is mij wel; maar voor mij is het niet genoeg, dat een lied muzikale gedachten bevat; om mij te behagen moet het speeltuig behoorlijk gestemd en de zangstem zuiver zijn, anders verscheuren zij mij de ooren....”

Uit het graf klinke deze vermaning vrij in onze woelige letterkundige wereld van 1886. Slechts oppervlakkigheid en verwaandheid, vruchten van halve wetenschap en geheele zelfmisleiding, zullen den fijngevoelenden Van Lennep een antwoord onwaardig keuren.

IV.

Inhoudsopgave

De auteur van “Ferdinand Huyck” dankt zijne populariteit niet uitsluitend aan zijne romans.

Behalve dezen deed hij zich als echt Nederlandsch dichter kennen. Heel zijn leven lang zorgde hij er voor, dat bij elke plechtige gelegenheid eenige toepasselijke regelen van zijne hand voor zijne vrienden het licht zagen. In den huiselijken kring of in het maatschappelijk leven werd elke belangrijke gebeurtenis door hem met hartelijke woorden herdacht. Van zijne “Academische Idyllen” (1826) tot aan zijne “Vermakelijke Spraakkunst” (1865) bleek hij zoo niet de geestigste, dan toch zeker de opgeruimdste en levenslustigste zanger, die onder ons, deftige lieden, te vinden was. Een snaaksche glimlach was om zijne lippen als bestorven, zoodat, toen hij de koddige grappen van zijn vriend Gerrit van de Linde in zijn almanak “Holland” deed afdrukken, ieder geloofde, dat hij zelf ze geschreven had.

Er is in de laatste vijfentwintig jaren geene bloemlezing onzer hedendaagsche dichters, waarin niet op de eereplaats aangetroffen wordt Van Lennep’s:

“Mijn waarde Neef! ik durf het wagen

U twee kommissies op te dragen:

’t Is, in ’t Verkoophuis, voor Papa,

Vier doosjes Lucifers te koopen,

En op de Bloemmarkt voor Mama,

Wat lentebloemzaad op te loopen:

Dan voor broêr Kees, een nieuwen tol.

Voorts zendt Gij mij, ’k durf daarop reeknen,

Een boek papier om op te teekenen,

En ook vier strengen zwarte wol.

“Wil voorts een kistjen Rencurrellen,

Bij Reynvaan, voor oom Piet bestellen;

En wip dan bij Verschuur eens aan,

Om Lizes bracelet te halen;

Van daar kunt gij bij Holters gaan,

En onze rekening betalen.

Voorts wacht ons Mietje een trommelvol

Met biesjensdeeg en drabbelkoeken:

Zend mij wat nieuwe Fransche boeken,

En dan, vooral, vier strengen wol.

“Laat Sacher, met den beurtman, morgen,

Wat versche bloemen ons bezorgen,

En koop meteen, op ’t Muiderplein,

Voor tante Saar wat Lange-Lijzen:

Gij kent haar smaak voor porcelein;

Zend voorts een kooitjen voor haar sijzen,

Een aanzetleder voor Oom Nol,

Een verschen pot met tamarinden,

Die gij bij Gerber wel zult vinden,

En dan, voor mij, wat zwarte wol.”

Voorts het gedicht aan een zijner kleinzoons:

“Teeder en aanvallig wichtjen,

Dat zoo geestig om u heen kijkt

Uit uw (niet meer schom’lend) wiegjen:

(Schomlende zijn uit de mode)!

“Dat nog van de tegenspoeden,

Die ons hier beneden kwellen,

Geen ervaring hebt verkregen

—Dan door ’t steken van de muggen!—

“Dat, nog zuiver van de driften,

Die op rijper leeftijd woelen,

Nimmer boos wordt—dan alleen maar

Als men niet terstond uw zin doet!

“Dat, nog vrij van dwaze wenschen

Vrij van zondige aardsche lusten,

Uw begeerten blijft beperken

Tot een trek naar soep of bloemkool!

“Dierbaar kind! gij zijt onkundig

Van uw laatre lotsbestemming,

Ik, in spijt van grijze ervaring,

Weet daarvan zooveel als gij weet.

“Maar, zoo gij nog naar de toekomst

Geen vermeetle blikken heenwendt,

Of althans niet verder uitziet

Dan naar ’t heerlijk etens-uurtjen;

“Ik—en ’k durf geenszins bepalen,

Of het dwaas is dan verstandig—

Ik, ik kan mij niet weêrhouden,

Naar die toekomst vaak te gissen.

“Zult ge een pleitbezorger worden?

In den handel u begeven?

Of, uw ooms tot voorbeeld kiezend,

Uw fortuin in de Oost gaan zoeken?

“Zult gij in de koffijhuizen

Aan ’t biljard uw dagen slijten,

Altijd wachten op een postjen,

Dat u nimmer wordt gegeven?

“Of zult gij den krijgsdienst kiezen,

En u krijgstrofeën vormen

Van sjakoos, nog voor ’t verslijten

Door een nieuw model vervangen?

”’t Is mij, in den grond, om ’t even;

Want men kan in elken werkkring,

Al naar ’t valt, carrière maken

Of een bittre sukkel blijven.

“Maar, lief kind, wat hier beneden

Ooit het doel zij van uw streven,

Tracht toch—wat ik u mag bidden—

Nimmer naar den naam van dichter....”

Dan zijne “Lente-Mijmeringen, 21 Juni 1855,”

“Mij heugt, toen ik een knaapjen was,

En Mei in ’t land gekomen,

Wij zaten ’s avonds op ’t terras

In schaaûw der lindeboomen,

“Dan sprong ik als een jonge ree

En plukte mij een ruiker,

De Gouvernante schonk ons thee

Ik kreeg dien zonder suiker.

“O, ’t blijkt uit alles zonneklaar,

Men mocht in vroeger dagen

Op Lente reeknen ieder jaar;

Wat kon haar toch verjagen?

“Hoe meenge winter ging voorbij,

Dat wij begeerig smachtten

Naar ’t lieve Lentejaargetij,

En vruchtloos bleven wachten.

“Met ieder jaar bleef ’t winterijs

Wat langer in het water,

En bleef de lucht wat langer grijs,

En kwam de zomer later.

“En nu—’t is reeds de langste dag:

Reeds moest de zomer komen;

En ’k heb in Neêrland, waar ik zag,

Geen voorjaar nog vernomen.”

Eindelijk zoo menig lied vol prettigen kortswijl uit zijn Almanak “Holland,” of uit zijne “Zeemansliedjes,” alles zuiver Hollandsch veldgebloemte, nederig, eenvoudig, gezond.

Critiek, die gaarne overvraagt, heeft Van Lennep verweten, dat zijne scherts te weinig fierheid bezat, dat hij met zijne anecdoten en kwinkslagen, ook in het dagelijksch gesprek, tot lager kringen afdaalde, dan tot welke hij zelf behoorde. Zijne snakerijen met de geschiedenis des Vaderlands berokkenden hem zelfs dichterlijke boetpredikatiën van verontwaardigde, maar minder geestige kunstvrienden. Het is mogelijk, dat hij het soms wat bont maakte, maar ontkend mag het niet worden, dat juist deze trek van zijn karakter, deze zijde van zijn talent hem tot den meest Nederlandschen, tot den populairsten dichter en romanschrijver van zijn tijd gemaakt hebben.

In de geschiedenis der Letterkunde van een klein volk is het niet zoo gemakkelijk de eigenaardige trekken van het nationale karakter terug te vinden. De classieke en moderne Letteren oefenen grooteren invloed, omdat kleine volken, wier taal niet algemeen gesproken wordt, zich letterkundig minder zelfstandig ontwikkelen kunnen. Trots deze beletselen zal het den historieschrijver onzer litteratuur toch mogelijk blijken het nationaal-Nederlandsche op het spoor te komen. Van Lennep drukte in zijn persoon en in zijn werk dat nationaal-Nederlandsche voortreffelijk uit.

Kwinkslagen, scherts en kortswijl; een goed oog op het comische in het leven en in de kunst; belangstelling in het blijspel, soms dalend tot de platte klucht, soms stijgend tot vlijmende satire of teederen humor—zie daar de meest in het oogvallenden karaktertrekken onzer letterkundige kunst, die tevens worden teruggevonden in de geschiedenis onzer schilderschool. In de middeleeuwen, in de XVI en XVII eeuwen valt het niet moeilijk dit telkens met luidsprekende feiten te staven. Het is onnoodig op den Reinaert, op de “schoone boerden,” op de “sotternien,” op de volksliederen en volksromans te wijzen; overbodig te herinneren aan den gullen lach van den ronden Roemer, aan de vroolijkheid van Jan van Hout, aan de drink- en minneliederen van Bredero en Starter, aan Hooft’s “Warenar,” aan Vondels “Rommelpot,” aan de maaltijden van Jan Steen, de boerenkermissen van Ostade, de Teniersen en Rubens, aan de kroegen van Adriaen de Brouwer, aan de schaterlachende zangers, drinkers en vischwijven van Frans Hals—dit alles is meermalen uitdrukkelijk in het licht gesteld.

Mocht ook in latere tijden de goedronde lach onzer vaderen verstommen, mocht het kille Calvinisme zich paren aan het practisch streven naar Nuttige, Voordeelige, Bruikbare dingen, toch ging de overlevering van onze nationale luim in de geschiedenis onzer letteren niet verloren. Langendijk, Troost, Asselijn en Bernagie bleven onzen ouden volksaard getrouw; aan het slot der vorige eeuw triomfeerden twee geniale vrouwen in “Sara Burgerhart” en “Willem Leevend” op al de booze geesten, die der Nederlandsche Muzen onverzoenlijken haat hadden gezworen. Van Lennep was inzonderheid een echt Nederlander door zijne kunst. Zijne patricische Amsterdamsche stemming, zijne bewonderenswaardige wetenschappelijke vlijt in de uitgave van Vondel’s werken gebleken, zijne veelzijdige letterkundige en historische kennis, werden altijd verhelderd door eene zonnestraal van vriendelijke geestigheid; zijne deftige betoogen afgewisseld door een vroolijken zet, zijne ernstige buien opgehelderd door eene grappige anecdote.

Bij Sijthoff’s nieuwe uitgaaf van Van Lennep’s romantische werken een hartelijk woord te voegen, was het doel van dit eenvoudig opstel. Van Lennep’s leven is het best en uitvoerigst beschreven door A. J. de Bull in de “Levensberichten” der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Daarbij is eene lijst van geschriften gevoegd, die de wenschen van den lastigsten bibliograaf overtreft. Verschillende mannen van naam: Jonckbleet, Réville, Busken Huet, Schimmel en Nicolaas Beets hebben hunne meening over Van Lennep gezegd; toch ontbreekt nog de monographie, die zijne geheele persoonlijkheid, zijne veelzijdige werkzaamheid, zijne beteekenis voor de geschiedenis onzer Letteren te zaam vat, en met wetenschappelijke nauwkeurigheid beschrijft. Eene nieuwe uitgaaf zijner romantische werken kan misschien aanleiding worden tot vervulling dezer behoefte, althans de gedachte verlevendigen, dat een dergelijk boek nog altijd moet geschreven worden.

Dr. Jan ten Brink.

1 “Vondel bekroond door het dankbaar nageslacht. Eene herinnering aan de oprichting van het standbeeld en de Vondelsfeesten in de hoofdstad op 17, 18 en 19 Oktober 1867.” Arnhem, D. A. Thieme, 1868, gr. 8o.

2 Aftreden van het 1ste ministerie Heemskerk, Februari 1868. Mr. C. Fock vormt een nieuw ministerie.

3 Van Lennep doelt op zijne brochure: “Het Podagra en het Manifest van Burgerpligt,” Amsterdam, 1868.

4 Gedurende de jaren 1868 en 1869 schreef ik in het tijdschrift “Nederland” letterkundige artikelen onder den titel: “Letterkundig Intermezzo.”

5 Gids, December, 1864. Later in het II deel, Litterarische Fantasien, 1 Reeks.

De Pleegzoon.
Eerste Hoofdstuk.

Inhoudsopgave

Ghy die by vreemde lieden koomt,

Het is u nut te sijn beschroomt.

Cats.

Het was op den vier-en-twintigsten van Bloeimaand des jaren 1598, dat de beroemde Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, een zijner dochteren aan den Vrijheer van Asperen uithuwelijkte. Het hooge aanzien, waarin ’s bruids Vader ten hove stond, de welverdiende roem, welken hem zijn uitmuntende bedrijven zoo in vredes- als in oorlogstijden verworven hadden, de hartelijke genegenheid en ongeveinsde achting, hem door de hoofden van ’s Lands bestuur niet alleen, maar ook door de lagere standen toegedragen, hadden de plechtigheid, die zijn geslacht aan een der edelste huizen van den lande verbond, tot een bijna nationaal vreugdefeest verheven. Menschen van allen rang, staat en beroep stroomden naar Leiden, waar de inzegening der verloofden in de Waalsche kerk zoude plaats hebben: men vleide zich daarenboven, de plechtigheid te zien opgeluisterd door de tegenwoordigheid van Graaf Maurits, die, zoo als het gerucht liep, bereids zijn woord aan den Heer van Aldegonde gegeven had, om met geheel zijn hof het trouwfeest te zullen bijwonen.

Was de menigte groot, die, alleen uit nieuwsgierigheid, en zonder nog te weten, hoe daaraan best voldaan zou worden, naar de Academiestad gelokt werd, menigvuldig waren ook de opzettelijk genoodigden, ten wier gevalle men voor geschikte plaatsen in de kerk de vereischte zorg had gedragen en al de tuinen, die men reeds rondom Leiden begon aan te leggen, van bloemen beroofd, om hun ten blijke hunner hoedanigheid van speelnooten, fraaie ruikers, met kleurige linten versierd, te overhandigen.

Onder die genoodigden bevonden zich twee edellieden van voornamen huize, door de banden eener langdurige en trouwe vriendschap verbonden, met namen Ulrich von Daun, Graaf van Falckestein, en Hendrik van Reede, Heer van Sonheuvel. De eerste, een vreemdeling in deze oorden, had zijn goederen in Bergsland gelegen, alwaar hij op het slot van Bruck, aan de oevers der Roer, zijn gewoon verblijf hield. Hij was thans vanwege de Hertogelijke Raden van Kleef aan de Staten-Generaal der Vereenigde Provinciën gezonden, om voor het door de Spaansche legers bedreigde Kleefsland hun beschermende hulp in te roepen. Hij was een kloek, manhaftig Ridder, wiens gelaat en houding rustige dapperheid teekenden: zijn gestalte was rijzig en vol majesteit: zijn opslag kalm en onversaagd: zijn bewegingen gemakkelijk en zwierig: in één woord, men kon in hem, bij het eerste aanschouwen, den man van geboorte en opvoeding herkennen, wien zoowel in het kabinet als in het heir een der voornaamste plaatsen wettig toebehoorde. Sinds eenige jaren met Anna Margareta, Gravinne van Manderscheid, gehuwd, zag hij zijn echt gezegend met twee knaapjes, waarvan het oudste bij den aanvang dezer geschiedenis zeven en het jongste ongeveer twee jaren bereikt had.

Een geheel anderen aard als de Bergsche Graaf bezat de Heer van Sonheuvel. Zoo voorzichtig en bedaard als zich Falckestein betoonde, zoo haastig en driftig was zijn vriend; niet minder dapper dan Ulrich, bedierf Hendrik meestal zijn zaak door al te grooten spoed en overijling: in den strijd had hij meer dan eens zijn moed op een schitterende wijze doen blijken; doch ook niet zelden, de bevelen zijns opperhoofds niet inwachtende, zich onnoodig in gevaar begeven en daardoor ondank, ja bestraffing, in stede van roem en prijs behaald. Zijn postuur was eerder klein dan middelmatig: zijn grijze, doch levendige oogen waren altijd in beweging: stil te staan, lang dezelfde houding te bewaren, waren bij hem onmogelijke dingen: voor geheime diplomatieke onderhandelingen was hij ten eenenmale ongeschikt; doch zijn onwederstaanbare ijver, zijn gulhartigheid en welwillendheid jegens een iegelijk, zijn onverschilligheid voor het gevaar hadden hem in waarde doen houden bij zijne oversten, vooral wanneer het op de uitvoering aankwam eener gewaagde krijgsverrichting. Dan ook, als anderen voor het gevaar terugdeinsden, nam hij de hem opgedragen taak blijmoedig aan, ontzag zijn leven niet, trotseerde kogels en speren, en keerde, altijd met nieuwe wonden, doch ook veeltijds met de zege, terug. Indien men den Graaf van Falckestein bij den edelmoedigen, fieren en onversaagden leeuw konde vergelijken, de heer van Sonheuvel was evenals de trouwe wachthond, die, altijd gereed op de wenken zijns meesters, ter nakoming van het gegeven bevel volvaardig heensnelt en ter verdediging van het hem aanvertrouwde pand geen ongemak, geen dood zelfs ontziet. Thans bekleedde hij den rang van Ritmeester en diende onder de bevelen van Graaf Hendrik van Nassau. Ook hij was gehuwd en had zijn vrouw, die zich voor de tweede reize zwanger bevond, te Amsterdam, waar hij tijdelijk verblijf hield, in ziekelijken toestand achtergelaten.

Het was dan op den morgen van den vier-en-twintigsten Mei, dat deze beide vrienden, op kloeke Friesche paarden gezeten en door hun lijfknechten vergezeld, het vorstelijk ’s-Gravenhage verlieten, om zich naar Leiden te begeven. Beider kleeding was sierlijk en zoowel aan den staat der ruiters als aan de deftigheid van het feest, dat zij gingen bijwonen, geëvenredigd; in zooverre echter onderscheiden, als verschil van vaderland en karakter met zich bracht. De Graaf droeg een zwart fluweelen buis, dicht aan het lijf gesloten en reikend tot aan de heupen, waar het met een breeden, van goud gestikten gordel, als het ware omzoomd was. Aan weerszijden van de knoopenrij, die van de kin tot op het middellijf daalde, blonken gouden passementen, gelijk ook op de naden der mouwen, die, in de buiging der ellebogen geopend, het hagelwit linnen onderscheiden lieten. De zwaargeplooide broek, mede van zwart fluweel, reikte niet verder dan een handbreedte boven de knie, waar de met goud geborduurde banden haar van de lange bruine hozen schenen af te scheiden. Gele halve laarsjes, met afhangende, van binnen met rood leder voorziene en met zware gouden franjes omzoomde kappen, dekten de voeten: aan een breeden lederen bandelier, met gouden knoppen bezet, hing een lang rapier met verguld gevest: de handschoenen waren zwart met gouden naden: op den rechterschouder zwierde een zeer kort zwart zijden manteltje met witte zoomen, over de borst met witte kwasten vastgestrikt: de net geplooide kraag, waarop het hoofd als op een tafelbord rustte, stak wel een halven voet (oude maat) naar alle kanten uit. De baard hing, naar den toenmaligen smaak, als een smalle geknotte kegel van de punt der kin, terwijl de knevels opwaarts stonden: in één woord, de gansche kleedij was volgens de laatste Duitsche mode; alleen de witte hoed stak af bij dien tooi: de Graaf, die het bevel voerde over een bende Kleefsche ruiters, toen Hanevederen genaamd, droeg, ten teeken zijner waardigheid, geen andere pluimage dan een paar kleine veertjes, aan den staart des morgenwekkers ontrukt1.

Schoon de Heer van Sonheuvel op zijn fraaist gekleed was, stak hij echter bij zijn netten reisgezel merkelijk af. Zijn zwarte hoed was van ouderwetschen vorm en aan de linkerzijde opgetoomd: de vederbos hing van achteren af: de radius van den kraag was twee duimen te klein en de laarzen waren twee duimen te lang. De sjerp, het teeken zijner waardigheid, was een weinig verschoten van kleur, doch de stalen greep van zijn zijdgeweer blonk des te meer, als zijnde door de zorgen van zijn lijfknecht Bouke altijd net gepolijst. Voor het overige droeg Reede handschoenen en buis van geel leder: de eersten met franjes en het laatste met knoopjes versierd: een roodlakenschen mantel met goud geboord en roode hozen voltooiden zijn kleedij. De sporen van beide ruiters waren verguld en liepen in de gedaante eener slang tot aan den rand der laars op; en reeds rinkinkte in die sporen het stalen wieltje, dat de beroemde bastaard van Mansfeld kort geleden had ingevoerd. Bij het uitrijden van het Haagsche Bosch, verzocht de Graaf zijn vriend den draf voor het stappen te verruilen, daar het nog vroeg genoeg was, om tijdig te Leiden te komen en zich aldaar voor het aanvangen der plechtigheid te verfrisschen. De Heer van Sonheuvel bewilligde in dit voorstel, en nu ontstond tusschen de beide vrienden het volgende gesprek.

“Hebt gij,” vroeg Falckestein, “in de laatste dagen eenige tijding van uwe Huisvrouw bekomen?”

“Ja,” antwoordde Reede, “doch die was weinig geruststellend. Ik ben eenigszins over haar toestand bekommerd!”

“Gij hebt toch,” hernam Falckestein op een goedhartigen toon, “geen bijzondere redenen om u te verontrusten? De staat, waarin zij zich bevindt, is nooit zonder gevaar; doch de meeste voorbeelden zijn altijd geruststellend.”

“Ik weet het,” zeide Reede: “dan, bij de ongemakken, aan dien staat verbonden, voegt zich een geheime kwelling, een hartzeer, dat haar gedurig sterker pijnt, en hetwelk ik vrees, dat nimmer geheel zal kunnen worden weggenomen.”

“En welk hartzeer,” vroeg zijn vriend, “kan haar kwellen? Zij is jong, geacht, bemind, door al wie haar kent, zij is verbonden aan den man, dien zij liefheeft, en die het tot zijn hoogste geluk rekent, al haar wenschen te bevredigen.”

“Ach! het is juist dat laatste,” zeide de Heer van Sonheuvel: “zij had mij nooit moeten trouwen!”

“Gij spreekt raadsels, beste vriend!”

“Ik zal u die ophelderen: aan u kan ik die mededeelen; zij is mijne vrouw geworden tegen den wil haars vaders.”

Falckestein zag zijn vriend aan met den ongerusten blik van iemand, die een nadere verklaring verwacht om zijn goed- of afkeuring te doen blijken. Reede ging voort:

“En echter, waarde Falckestein, zij is geheel onschuldig aan eenig vergrijp. Het is u misschien niet bewust, dat zij mijne volle nicht is: haar vader, mijn oom, was even ijverig Roomschgezind als de mijne Protestant was: na den dood zijner gade koos hij den geestelijken stand en bracht het weldra zooverre, dat hij uit de zeven Provinciën verbannen werd. Hij vertrok van hier: mijn vader, de natuurlijke voogd van zijns broeders eenige dochter, voedde haar met mij op: een niet onnatuurlijke zucht om de goederen, die ons huis vanouds bezeten had, onder zijn nageslacht te bewaren, deed hem den wensch koesteren, mij aan mijne nicht te verbinden. Onze wederzijdsche liefde maakte de bereiking van dat doel te lichter: nooit had mijn Maria iets van haar vader vernomen, sinds deze haar, nog een kind zijnde, verlaten had: zij stemde in mijn verlangen en werd mijne vrouw. Niet lang daarna overleed mijn vader, en onder zijn papieren vond Maria ter kwader uur een brief van den haren, een brief, dien ik nooit gezien had, waarin deze zijn broeder stellig berichtte, dat hij een huwelijk tusschen zijn dochter en mij als bloedschending af moest keuren en mij nimmer als zijn schoonzoon zou erkennen. Sedert dien tijd, helaas! wordt die arme Maria door een boezemsmart gefolterd, die, vrees ik, haar teeder gestel een knak gegeven heeft, waarvan het moeilijk zal genezen.”

“Waarlijk,” zeide Falckestein, nadat Reede zijn verhaal (waartoe hij nog meer woorden gebruikt had. dan wij hem in den mond hebben gelegd, en ’t welk hij doorzult had met aanmerkingen, die wij hebben meenen te kunnen daarlaten), had geëindigd: “waarlijk ik beklaag haar van harte.”

“Ja,” zeide Reede, “ik-zelf ben ook met het geval verlegen: en weet gij, wat mij ook nog hindert? Al hetgeen ik met mijn vrouw betrouwd heb, behoort eigenlijk niet aan haar, maar aan haar vader: nu is bij mij dikwijls de vraag ontstaan: moet ik hem dat alles maar sturen, of mag ik het houden als het eigendom mijner vrouw, waarvan haar vader, door zijn vertrek en afval van ons geloof, heeft afgezien?”

“Mij dunkt,” antwoordde Falckestein, “het blijft onbetwistbaar zijn eigendom, en als eerlijk man zijt gij verplicht, hem alles, wat hem behoort, terug te geven.”

“En dat zal ik doen,” bromde Reede, “zoodra ik maar weet, waar hij zich bevindt; want ik heb geen tijding, of hij in Rusland dan wel in Amerika zit. Sedert dien ongelukkigen brief heeft hij niets van zich doen hooren. Doch opsporen zal ik hem, in weerwil van ’t geen mijn advocaat Mr. Joannes Schalckius zeggen moge, die mij maar aanraadt, alles te houden; want, zegt hij, ’t gaat toch maar aan vreemde papen en conventen, tot prejuditie van de ware leer. Aan personen van een vreemd geloof, zegt hij, is men zulk een nauwgezetheid niet verplicht. Hij spreekt er van evenals Ds. Uyttenbogaert, schoon deze ’t anders meende, weet gij, in zijn preek van laatstleden Zondag, toen hij zeide.... ja wat zeide hij ook?.... In die schoone leerrede, toen.... wat duivel zeide hij toch?”.... Hier richtte de goede Ritmeester zich op in den zadel, nam den hoed af en hield dien tusschen duim en wijsvinger, terwijl hij met de andere hand zich het achterhoofd wreef, zette vervolgens den hoed weder op, bracht de hand voorwaarts, rolde zich den knevel om den wijsvinger, hoestte, hemde en mompelde eenige reizen achtereen: “ja, wat duivel zeide hij toch?”

Falckestein, die te wellevend was om ook zijn vertrouwdsten vriend wegens een geheugenfeil te bespotten, zweeg eenige oogenblikken stil; doch, bemerkende dat Reede hoe langer hoe ongeduldiger en verstoorder op zichzelven raakte, zich de lippen beet en zijn paard zoo strak tusschen de ooren keek, alsof de geheele preek van Uyttenbogaert daar geschreven stond, zocht hij een wending aan het gesprek te geven, door hem opmerkzaam te maken op een kleine, van weilanden omringde, huizinge of hofstede, welke, tusschen zware lindeboomen, een eind verder aan den weg gelegen was.

“Dat erf heeft een gelukkige ligging,” merkte hij aan.

“Gelukkig!” riep de Heer van Sonheuvel uit, als uit een droom ontwakende, terwijl hij zijn hoed diep in de oogen drukte: “dat erf is een duivels erf, een Babel van ongerechtigheid, een kapel van den Antichrist, die al lang had moeten uitgeroeid en geslecht worden.”

“Dat zou jammer zijn!” zeide Falckestein glimlachende: “en waarom dat alles? Is de bewoner zulk een booswicht?”

“De bewoner is mij, Goddank! onbekend,” antwoordde Reede, den hoed aflichtende: “en ook verlang ik hem nimmer te kennen; doch het erf zelf wordt gemeenlijk de Katholieke Hofstede genaamd.”

“En is die naam nu alleen de reden van uw verwensching?” vroeg Falckestein, met een spottenden blik, die zelfs iets medelijdends had.

“Op dat erf,” vervolgde Reede, “zegt men, dat somtijds Jezuïeten vergaderen en, ’t welk gruwelijk is om aan te hooren, geheime beraadslagingen maken tegen de hooge regeering en tegen Zijn Excellentie.”

“Men zegt!.... dus is de geheele vervloeking op een volkspraatje gegrond?”

“Geheel niet: zoo mij de Griffier Pots verhaalde, bestaan er zelfs menschen van krediet, die er Jezuïeten gezien hebben.”

“Welke zij waarschijnlijk aan hun gelaat voor zoodanigen erkend hebben,” viel de Graaf in, “want het zou geen Jezuïetenpolitiek geweest zijn, zich hier in het gewaad der orde te vertoonen:—voorwaar groote gelaatkundigen!—Nu, ik wenschte wel, eens eenige van die Baälsdienaars te zien verschijnen, alleen maar om te ontdekken, of zij hun hoedanigheden op ’t voorhoofd geschreven ronddragen.”

Aldus sprekende, waren zij het erf genaderd, dat het onderwerp hunner tweespraak uitmaakte. Het was een gebouw van blauwe steenen, dat naar allen schijn een eeuw oud kon wezen en uit twee aan-een-gebouwde huisjes met blauwe dakpannen bestond: de gevels liepen trapsgewijze op, naar de toenmalige bouworde: slechts weinig in getal waren de ramen, en nog meestal met planken dichtgespijkerd: de ingang was aan de zijde van het weiland en voor den voorbijganger niet zichtbaar: ook was er van den rijweg geen toegang tot het erf, daar de voormalige brug afgebroken en het stuk gronds door een breede sloot omringd was. Een enkele vrij smalle plank vereenigde het met het daarachter liggend kamp. Verscheidene oude lindeboomen, rondom het huis geplant, die hun schaduw wierpen over het hoog opgegroeide gras, gaven aan het geheel een schilderachtig, eenigszins eerwaardig, schoon verwaarloosd uitzien.

Juist toen onze ruiters voorbijreden, zagen zij twee lieden, in de gewone volksdracht, de plank overgaan, welke van het erf op het weiland bracht, en een pad volgen, dat, dwars door het veld, een paar honderd roeden verder op den rijweg uitkwam. Zoodra Falckestein deze lieden bemerkte, toonde hij die al lachend aan zijn reisgezel, zich meteen beklagende, dat hij hen niet in ’t aangezicht zien konde, om zijn gelaatkunde te beproeven. “Daartoe zal u de gelegenheid verschaft worden,” antwoordde Reede: “hun pad brengt hen op den rijweg en indien zij dien niet verlaten, zullen wij hen spoedig inhalen.... Wist ik mij die preek maar te herinneren!.... doch ik zal er het mijne van hebben, wat het ook kosten moge.”

Zoo sprekende gaf hij, met hernieuwde blijken van ongeduld, zijn paard de sporen, en Falckestein, die het gesprek verloren zag, en wien de eenzelvigheid der landgezichten begon te vervelen, volgde zijn voorbeeld. Spoedig bevonden zij zich, als Reede gezegd had, ter plaatse waar het pad, dat de voetgangers gevolgd waren, op den rijweg uitliep en zagen hen beiden omtrent honderd passen voor zich uitloopen. Nu lieten zij hun paarden weder stappen en sloegen op de onbekenden, toen zij hen voorbijkwamen, onder het wenschen van een goeden morgen, een nieuwsgierig oog. De achterste der twee (want zij liepen op het voetpad achter elkander) was bleek, kort en vrij gezet, had een ongemeen groot hoofd, bolle wangen, doffe halfgesloten oogen, lang ros haar en baard en een scheeven mond: de voorste voetganger was een man in de kracht zijns levens, en onderscheidde zich door een rijzige en kloeke gestalte: slechts eene krul gitzwart haar vertoonde zich van onder den grauwen hoed: even zwart waren zijn oogen en baard: het mager gelaat teekende onrust, vermoeienis of onthouding, zoo niet alle drie te gelijk. Hij zou onder de schoone mannen kunnen geteld zijn geweest, doch zijn terugstootende blik, zijn wijd uitstaande neusgaten en opgetrokken onderlip, ontnamen aan het gelaat alle aanspraak op het behaaglijke, en lieten bij den beschouwer een onaangenamen indruk achter.

“Ik begin waarlijk te gelooven dat gij gelijk hebt,” fluisterde Falckestein zijn vriend in ’t oor: “de achterste heeft veel van een beurzenknipper en de voorste van een struikroover.”

“Vindt gij?” vroeg Reede: “ik weet niet, maar ik heb die gezichten meer gezien.”

Nu zouden zij verder gereden zijn, zonder meer aandacht op de onbekenden te slaan, toen de langste van de twee in goed Hollandsch aan Falckestein vroeg of zijn Edelheid naar Leiden te feest ging. Falckestein beantwoordde deze vraag kortaf met ja, en liet zijn paard harder voortstappen om een verder gesprek te ontgaan; dan de zwartoogige vreemdeling versterkte zijn tred zoodanig, dat hij in een gelid met den ruiter bleef voortwandelen, wien hij deze nieuwe vraag deed:

“Zal Zijn Excellentie ook op de plechtigheid komen?”

“Vermoedelijk ja.”

“Ik had gehoord, dat Zijn Excellentie in ’s-Hage bleef om de groote zaken af te handelen, die met den Aartshertog op ’t tapijt zijn.”

”’t Is ook mogelijk.”

“Dus weet Uw Edelheid het niet zeker, maar UEd. denkt dat Zijn Excellentie komen zal?” vervolgde de lastige vrager.

”’t Is mij onbewust. Kom Reede, laat ons voortrijden!”

Doch Reede had hierin op dit oogenblik weinig zin.

Hij was bezig den achtersten der voetgangers in oogenschouw te nemen en zag hem zóó strak aan, dat deze verlegen begon te worden en het gelaat afwendde.

“Zoo ik mij niet bedrieg,” vroeg eindelijk de heer van Sonheuvel aan den onbekende, “heb ik u laatstleden Zondag in ’s-Hage gezien bij het uitgaan der kerk, toen Ds. Uyttenbogaert gepreekt had.”

Hoe eenvoudig deze vraag ware, zij scheen den vreemdeling van zijn stuk te brengen: bedremmeld antwoordde hij: “jawel, Uwe Edelheid! ik ben daar geweest.”

“Uitmuntend!” hervatte Reede “en weet ge u ook het hoofdzakelijke te herinneren? Ik was juist bezig met Zijn Genade over een punt te spreken, dat Ds. Uyttenbogaert.... dat ik hoor,” voegde hij er bij, zich hervattende, “dat ik hoor, dat Ds. Uyttenbogaert heeft aangeroerd.”

“Hij predikte,” antwoordde de bleeke vreemdeling, “uit Genesis XXXI vs. 24 en volgende, zijnde het verhaal hoe Rachel de beelden haars vaders Laban verborg en hoe Jakob vervolgens met Laban verdrag maakte. Hij bewees uit een en ander, dat men niet gehouden is aan afgodendienaars de voorwerpen hunner afgoderij terug te geven, ook al had men, volgens burgerlijke wetten, geen recht op het bezit daarvan.”

“Het verwondert mij,” zeide nu de voorste der voetgangers, terwijl hij Reede scherp aanzag, “dat UEd. mijn makker die vraag doet. Of UEd. moet verleden Zondag slecht geluisterd hebben, òf mijn oogen hebben mij bedrogen, toen ik gemeend heb, UEd. mede onder Domini Uyttenbogaerts gehoor te zien zitten.”

Falckestein glimlachte en Reede beet zich op de lippen. “Ik zeide niet,” merkte hij aan, “dat ik er niet was geweest; ook herinner ik mij hetgeen uw makker verhaalt; doch ik zocht mij te binnen te brengen, hetgeen de Predikant in het slot zijner rede meer bepaaldelijk gezegd heeft, omtrent de teruggave van het eigendom van papen en afgodendienaars, omtrent....”

“Juist toen ben ik ook wat slaperig geweest,” antwoordde de lange man. “Dit alleen heb ik er van onthouden, dat men nimmer, ook jegens papen, bedrog mag plegen, noch een glimp aan zijn daden geven, noch zich met draaierijen behelpen, al moest het waarheid spreken ons beschaamd maken. Voorts liet hij ons zingen uit den Honderdtwintigsten Psalm, het tweede vers.” En hierop begon de vreemdeling, met een zware stem, naar de berijming van Datheen, de volgende woorden te zingen:

“Wat kan de valsche tonge stichten?

Wat kan de leugenaar uytrichten?

Wat sullen syn listige zinnen

En valsche tonge toch gewinnen?”

Reede zag den stekeligen vreemdeling met een heftigen blik aan; doch deze bleef, zonder eenig ontzag noch vrees te toonen, volstandig doorzingen, het oog gedurig met zooveel bedaardheid op den Ritmeester gevestigd houdende, dat deze, vreezende zijn fatsoen door een langer gesprek te zullen in de waagschaal stellen, aan Falckestein voorstelde, die lastige landlieden te ontrijden. Nauwelijks waren zij een eindweegs vooruitgedraafd, of de zwarte man riep Reede achterna: “Ik wensch dat UEd. de preek van hedenmorgen beter dan die der vorige week onthouden moge.”

Reede, deze uitdrukking hoorende, hield vol drift zijn paard staande en zou den teugel op den vreemdeling gewend hebben, bijaldien Falckestein, die begreep dat zijn vriend zich te veel had afgegeven, hem niet weerhouden had en genoodzaakt mede voort te rijden. De lange man scheen echter den aanval van Reede bedaard af te wachten, en had bij diens eerste beweging van onder zijn mantel een lang pistool voor den dag gehaald. Toen hij de ruiters hun weg zag vervolgen, liet hij de hand weer zakken, bracht het vuurtuig op zijn plaats en stapte bedaard verder.

Het is geenszins ons doel een verhaal te geven der feesten en plechtigheden, welke het huwelijk van Aldegondes dochter vergezelden: alleen dient hier gemeld, dat de zwarte man wèl gegist had: dat Graaf Maurits door onvoorziene bezigheden, of liever door een bijzondere bestiering van het Opperwezen, verhinderd werd, zich te Leiden te bevinden.

De predikatie en de inzegening werd door den Hofprediker Uyttenbogaert in de Fransche taal volbracht en de gemeente zeer gesticht; doch hetgeen Reede niet stichtte, was een vraag, hem, toen hij in den trein van vrienden en bruiloftsgasten de kerkdeur uittrad, door een der omstanders in ’t oor geblazen, “of hij namelijk de preek zoo goed in zijn geheugen had als die van de vorige week.” Driftig zag hij om naar de zijde van waar het gefluister kwam; doch de man met het zwarte haar, de vreemdeling uit de Katholieke Hofstede, was reeds in den volkshoop teruggetreden en verloor zich in de menigte.

1 Deze op den hoed geplaatste veertjes noemde men met een Fransch woord, dat sedert een meer algemeene toepassing verkregen heeft, coquardes.

Tweede Hoofdstuk.

Inhoudsopgave

Ben ik de beste dan,

Die d’afgront tot dit snoot bedrijf uitbraken kan?

Is niemant meer bequaem tot schelmery gevonden.

Vondel, Palamedes.

Eenige dagen later was Falckestein onverzeld, den weg naar Haarlem opgereden, in de hoop van zijn vriend Reede, die, ter volvoering van een bevel zijner Doorluchtigheid, derwaarts gegaan was, bij zijn terugkomst te ontmoeten en zoo gezamenlijk weder huiswaarts te rijden. De weg van Den Haag naar Haarlem was toen al zeer verschillend van hetgeen die thans is, en niet meer hetgeen die eenmaal geweest was. Men zag er, wel is waar, de luchtige tilbury’s, de prachtige landauers, de sierlijke caricles en de nog bevalliger Noord-Hollandsche sjeezen van lateren tijd niet heen en weder rollen: men zag er geen tallooze diligences over een gladden gemakkelijken straatweg de reizigers als met vleugelsnelheid door dien tuin van Europa voeren: men zag er geen nette, gewitte, vroolijke buitenverblijven elkander aaneengeschakeld achtervolgen:—doch men zag er ook niet meer den luister van vroegere dagen, den prachtigen hofstoet der Graven en Baanrotsen, de jachtgezellen der Heeren van Wassenaar, van Teylingen, van Heemstede en van zoovele andere heerlijkheden, die zich in luisterlijken dos vereenigden, noch de luchtige nonnen der Rijnsburgsche abdij in een geestelijken tooi, met wereldschen opschik vermengd, verzeld van de galantste edellieden uit den omtrek, op kostbare paarden heen en weder dravend:—de oude weelde was verdwenen: de weelde van latere dagen was nog niet doorgekomen. Nu en dan een ouderwetsche, lompgemaakte wagen, die met moeite en paardenkracht door het gulle zand werd voortgekruid, enkele huif-, mest- of voederkarren, ruiters, die hun vaandels gingen zoeken, reizigers te voet en te paard, marskramers, die hun koopwaren de kermissen rondvoerden, waren de eenige voorwerpen, die men in het tijdsgewricht, waarin onze geschiedenis een aanvang neemt, op dien weg ontmoeten kon. Doch Falckestein was schier de eenige, die op dat tijdstip alleen vermaakshalve en om de ledige uren, welke hem zijn verrichtingen in Den Haag overlieten, aangenaam door te brengen, tot zijn uitspanning die heerlijke landstreek doorreed. Ons Gemeenebest was toen in een tusschenstaat: de oude grootheid, de vorige fortuinen waren niet meer: men begon geld te winnen, doch men was nog niet op de hoogte van het te verteren: veelmin dacht er eenig inboorling aan, om in ledigheid den grooten weg op en neder te draven.

De avond was liefelijk en stil, gelijk de lenteavond, dichterlijk gesproken, behoort te zijn, en het inderdaad zoo zelden is. De nachtegaal zong zijn afscheidstonen uit het loover der hooge iepeboomen, die aan de beide zijden van den rijweg geplant waren: de leeuwerik vloog fluitend van de groene weiden op: de vinkjes wipten zingende door het eiken hakhout en de statige ooievaar stond onbeweeglijk aan den kant des poels te slapen. De schaduw der hooge zeeduinen begon zich reeds over de grasrijke velden te verlengen: het rundvee verdween in den dichten dauw, dien voorbode van een fraaien morgen, voor het oog des wandelaars, en de pannen der verspreide boerenwoningen zoowel als de burgtinnen der achtbare sloten kaatsten het goud van den avond weder. Nog had Falckestein zijn vriend niet ontmoet, en de vrees van te laat in Den Haag terug te zijn, deed hem, schoon noode, tot den terugtocht besluiten. Dan, nauwelijks had hij dien aangenomen, of hij bemerkte, dat zijn paard een ijzer had verloren en zoodanig kwalijk ging, dat een spoedige hulp noodzakelijk ware. Het meest nabijgelegen dorp was Voorschoten: en derwaarts begaf hij zich, teneinde door den hoefsmid het ongemak te doen verhelpen. De smidse was reeds gesloten en niet dan na herhaald kloppen verkreeg de Graaf gehoor: de vrouw van den dorpsvulkaan stak het hoofd boven de onderdeur, en liet zich na lang praten, bewegen om haren man, die aan het einde van het dorp in de kroeg zat te politiseeren, te gaan waarschuwen, dat er zich nog zoo laat een gelegenheid had opgedaan, om zijn kunst aan den dag te leggen. Nadat Falckestein omtrent een half uur tegen een der palen van de smederij had staan leunen (want de vrouw des huizes had den ruiter met zijn bestoven en bemodderde laarzen niet in haar knappe en nette woning willen binnenlaten) kwam de baas met eenen langzamen tred aanstappen, groette Falckestein met een deftige hoofdbuiging en begon zijn toebereidselen te maken; doch eerst nadat hij zijn rok afgelegd en zijn smidsgewaad weder had aangetrokken. Hiermede en met het beslaan verliep een uur, zoodat het, eer de graaf zijn weg vervolgen kon, volslagen donker geworden was: de heldere lucht deed hem echter dit bezwaar gering achten en lustig voortdraven: dan, het leed niet lang, of hij bemerkte dat zijn ros, ’t welk tot nu toe weder fiks geloopen had, aan denzelfden voet, waaraan het beslagen was, weder zwaar kreupel was geworden, ’t zij door de onhandigheid van den smid, ’t zij omdat het arme dier een stuk glas of steen in den voet had gekregen. Daar hij zijn paard niet onnut vermoeien wilde en echter niet te laat in ’s-Hage wenschte te zijn, zag hij rond naar een woning, waar hij zich licht verschaffen konde, om de kwetsuur na te zien, ten einde die zoo mogelijk verholpen werd. Het geluk diende hem zoo ’t scheen, in zijn nasporing: want bij de eerste kromte, die de weg maakte, zag hij aan zijn linkerhand een gebouw liggen, aanzienlijk genoeg op ’t oog, om hem een goed onthaal te beloven. Schoon hij het bij ’t naderen voor de Katholieke Hofstede herkende, veranderde zulks niets in zijn voornemen; vooral toen hij zag, dat het erf nu ook van den rijweg genaakbaar was, door een plank, welke op de fondamenten der voormalige brug rustte. Hij steeg af, bond zijn paard aan een boom en liep vlug den smallen vondel over. Nauw was hij aan de overzijde der sloot, of het scheen hem toe, dat hij verscheidene personen een vrij levendig gesprek hoorde voeren. Behoedzaam trad hij door het hooge gras op het huis toe, en hoorde bij zijn naderen het gedruisch vermeerderen. Aan het gebouw gekomen, liep hij het langs om den ingang te zoeken, toen hij, een der met planken dichtgespijkerde ramen voorbijgaande, een reet vond, groot genoeg om naar binnen te doen zien. Onwillekeurig bleef hij staan: de slechte reuk waarin, volgens zijn vriend Reede, het huis stond, oefende voor ’t eerst eenigen invloed op hem uit: ’t was of een geheime stem in zijn binnenste hem aanspoorde voorzichtig te zijn en zich niet onbedacht in gevaar te storten. Hij volgde die inspraak, bracht de oogen voor de opening en zag hetgeen wij verhalen zullen.

In een vrij groot, met blauwe steenen geplaveid vertrek, stond, recht tegenover de plaats waar hij zich bevond, een klein tafeltje, hetwelk men tot een outer scheen te hebben gebezigd. Een tapijt, een kruisbeeld, twee kaarsen en eenige gewijde teekenen van eeredienst versierden het. Boven dit eenvoudig outer hing een klein vermolmd schilderijtje, den moord der Baälspriesteren voorstellende of voorgesteld hebbende. Om een andere groote tafel, waarop twee bierkannen en vier tinnen maatjes stonden, waren vier personen gezeten, als landlieden gekleed, hoewel een hunner boven zijn wambuis een wit hemd en een soort van stool had geslagen. Noch dezen noch zijn buurman herinnerde zich Falckestein ooit gezien te hebben; doch in de twee anderen herkende hij terstond de lieden, met welke hij eenige dagen te voren op den weg naar Leiden de door ons verhaalde ontmoeting had gehad. De kleinste van deze twee was druk bezig met het prevelen van paternosters; zijn vingeren doorliepen onophoudelijk het bedesnoer, dat hij in de hand hield, en op het gesprek der overigen scheen hij geen aandacht te slaan.

Op het oogenblik dat Falckestein naar binnen keek, sloeg de lange zwarte man met de gesloten vuist op de tafel, terwijl zijn samengetrokken wenkbrauwen een sombere uitdrukking aan zijn gelaat gaven: “neen! (zeide hij) indien Panne (hier wees hij op den man met het bedesnoer) op morgen het stuk niet volvoert, dan is onze geheele reis onnut en de kosten in ’t water gesmeten. Zoo ik wel onderricht ben, dan vertrekt de Ketterkoning morgen naar ’t leger, en het zou een geheel nieuwe wijze van behandeling vereischen, om hem dáár te treffen.”

“Welnu,” zeide diegene, welke de stool aanhad, “Panne is immers bereid om zijn aanslag morgen in weerwil van allen tegenstand uit te voeren: de volkomen vergeving van al zijn zonden is hem geschonken: moedig en onbevreesd kan hij zijn gezegend besluit volbrengen, vroolijk en blijhartig pijn en dood trotseeren, en de eeuwige gelukzaligheid vrij en schuldeloos binnentreden. Wij hebben immers hem geleerd, dat de beulen wel zijn lichaam kunnen martelen, doch dat zijn ziel evenals die des Heiligen Stephani, midden onder de pijnigingen een voorsmaak der eeuwige gelukzaligheid genieten zal: het is hem immers gezegd, hoe, toen de zalige Balthazar Gerardi den glorierijksten marteldood moest lijden, een welriekende balsemgeur hem op het schavot reeds tegenkwam, en belette de pijn der gloeiende tangen te voelen: hoe zijn ziel in wierookwalmen ten hemel steeg, verzeld door duizend engelen, en hoe hem, in het rijk van ’t licht gekomen, de glorierijke kroon werd opgezet.”

“Dat alles weet hij,” viel de zwarte man in, verdrietig opstaande, “en nog vrij wat meer daarenboven; doch hij behoeft slechts dezen of genen ketter in zijn buurt te hebben, die hem wat scherp in de oogen kijkt, of hij druipt weg als een bassend keffertje voor een bandrekel. Hoe ging het laatst in de kerk te ’s-Hage? De kans stond schoon: de Graaf zat in zijn bank en was zoo licht te treffen als een haas in ’t leger; doch wat gebeurde er? de preek verveelt den Ritmeester van Sonheuvel, en omdat deze half duttend voor zich keek als een hen op een streep, en omdat toevallig Panne aan ’t eind van die streep zit, zoo pakt die bloodaard zich weg, voordat de zegen nog is uitgesproken. Had hij toen vuur gegeven, wij hadden die zotte reis naar Leiden niet behoeven te doen, waar wij Maurits toch niet vonden, gelijk ik ook had durven wedden, en waar ik al mijn onbeschaamdheid noodig had om twee Belialskinderen weg te krijgen en hun hun kwaad vermoeden te ontnemen, dat de bedremmeldheid van mijn makker bij hen had doen oprijzen.”

“Ik hoop,” sprak Panne, opziende en zijne devote bezigheid stakende, “dat de lieve maagd Maria en mijn heilige Patroon de kracht mij zullen verleenen om naar eisch het heerlijk doel te bereiken, waartoe uwe welwillendheid, eerwaarde Vaders! mij armen zondaar verkoren heeft! Och! hoe dankbaar ben ik aan ulieder goedheid, die mij ellendige uit het stof geroepen heeft om mij uit te kiezen tot een daad, welke mij der eeuwige vreugde deelachtig maken zal en mij gelijk maken aan Ehud, die der Moabiten Koning sloeg, en aan Judith, die de Overste Holophernes het hoofd afsneed, en aan den heiligen Balthazar, die den ketter Willem van Nassau doodschoot!”—Dit gezegd hebbende, sloeg hij de oogen weder neer en vervolgde met ijver zijne gebeden.

“Wanneer kan Eduard in Engeland wezen?” vroeg nu een der anderen aan den langen man; “gij, broeder Eugenio, hebt hem het laatst gezien!”

“Morgen ten allervroegste, Broeder Melchior,” gaf Eugenio ten antwoord: “en zoo hij dan een goede gelegenheid vindt, zal de tijding alras door Europa weergalmen: “zij is gevallen, die groote Hoer, die op de Theems zit, die Jesabel van Engeland! gevallen door het lemmer der gerechtigheid.”

”Et flebunt, et plangent se super illam reges terrae, qui cumilla fornic ati sunt,1 gelijk de Schrift zegt,” voegde Broeder Melchior er bij, terwijl hij de handen samenvouwde en de oogen sterk dichtkneep.

“Hebt gij, Broeder Eugenio!” vroeg nu de vierde der aanzittenden, “volgens uw oogmerk aan onze Broeders te Douai geschreven, om intusschen den onvermijdelijken dood van het kettersch Drietal2 te doen profeteeren?”

“Ik ben van gedachten veranderd,” antwoordde Broeder Eugenio: “vooreerst schrijf ik ongaarne: een brief getuigt nooit dan ten nadeele des schrijvers; ten tweede is een profetie uitmuntend in ’t algemeen; doch hier in specie deugt ze niet: want, mislukt de aanslag, dan is onze profetie valsch: gelukt hij, dan is het de Sociëteit die alles voor haar rekening krijgt en,”.... hier begon hij, eensklaps op Panne wijzende, tot zijn broeders zeer zacht te spreken, zoodat Falckestein althans geen woord meer van het gesprek kon opvangen.

Doch deze had ook reeds genoeg gehoord om tot zijn ontzetting overtuigd te wezen, dat drie dezer schelmen Jezuïeten waren uit Douai en dat de ellendige Panne door hen was opgezet om Graaf Maurits moorddadig van ’t leven te berooven. Na bij zich zelven God vurig gedankt te hebben, dat hij door een zoo bijzondere bestiering derwaarts geleid was om het boos opzet dier aterlingen te verijdelen, begon hij over een middel te peinzen om hen in de handen des gerechts over te leveren. Te vertrekken en hulp te vragen was gewaagd en onzeker, daar hij vreesde hen niet te zullen wedervinden Hen aan te tasten ware dwaasheid geweest; want de drie Jezuïeten, vooral Broeder Eugenio, schenen onverschrokken kerels te zijn. Uit deze onzekerheid werd de Graaf weldra gered, door een gerucht van paarden, die in vollen draf aan kwamen rijden. In de hoop dat de aankomenden hem hulp zouden kunnen verschaffen, verliet hij de plaats waar hij post gevat had, begaf zich naar den rijweg, en herkende al spoedig in de naderende ruiters den Heer van Sonheuvel met zijn rijknecht, die op hun terugtocht naar Den Haag waren. Reede, niet wanende zijn vriend Ulrich aldaar te voet te zullen aantreffen, lette weinig op diens wenken en reed hem voorbij, zoodat de Graaf zich genoodzaakt vond, hoe ongaarne hij ook gedruisch wenschte te maken, hem bij zijn naam na te roepen. Dit had uitwerking: Heer en knecht stonden stil, en de Ritmeester reed verbaasd naar Falckestein terug.....

“Wat duivel brengt u hier, alleen, en te voet, en in den nacht en bij dat Satansch erf?”

“Spreek zacht! Geen duivel, veeleer een heilige beschermengel, ja Gods bestier voert mij en u hier om Prins en Land te redden.”

“Gij spreekt raadsels.”

“Stil! Kom nader! Gij ook, Jonkman! en luister!”—Hier vertelde hij hun in weinige woorden ’t geen hem was voorgekomen.

“En durven die beesten dat nog met den mantel van godsdienst bedekken?” zeide Reede, op de tanden knersende: “wij zullen hun dat afleeren. Voorwaarts marsch, Bouke!”

“Voorzichtig om ’s hemels wil, of gij bederft alles,” zeide Falckestein, zijn te voortvarenden vriend met stem en gebaarden terughoudende; “gij kunt te paard niet op het erf komen. Stijg af en bind uw paard vast. Gij zijt gewapend?”

“Met sabel en pistolen.”

“En uw bediende?”

“Zooals ik: nietwaar Bouke?”

“Altijd, gelijk uwe Edelheid weet: want zoo de Heer zoo de Knecht, en men moet huilen met....”

“Houd den mond met uw spreekwoorden,” grauwde Reede hem toe, terwijl hij, afgestegen zijnde, zijn paard vastbond.

“En nu,” zeide Falckestein: “hoor mijn plan: gij, Reede, loopt de deur in met een pistool in de hand: ik volg u met een ontbloot geweer, en wij gelasten hun zich gevangen te geven. Uw knecht houdt post aan de deur en schiet overhoop al wie vluchten wil.”

“Ja,” viel Bouke in, “tot zooverre is ’t goed. Overleg is ’t halve werk; maar naar mijn dom verstand zullen zij zich zoo licht niet laten knevelen. Hoe krijgen wij ze mee? de laatste loodjes wegen het zwaarst. Ik heb maar een klein end touw, en om er vier te binden, vooral als zij zich verweren....”

“Praatjes!” mompelde Reede: “wij nemen de toomen onzer paarden.”

“En onze paarden loopen haroet,” zeide Bouke.

“Die jonkman heeft gelijk,” sprak Falckestein: “het ware misschien beter, dat wij om het huis de wacht bleven houden en hem inmiddels naar het naaste dorp stuurden om hulp te halen.”

“Mij dunkt,” zeide Bouke, “dat ik daarginds een deur hoor opengaan. Zouden zij ons geroken hebben? Kwâe doen geeft kwâe vermoên.”

“Dat vervloekte talmen!” riep de heer van Sonheuvel en snelde in drift de plank over die naar het erf geleidde.

Het was als Bouke gedacht had. Die binnen waren hadden het paardengetrappel gehoord en opgemerkt hoe er voor de hofstede halt was gemaakt: dit had hun doen besluiten, te gaan ontdekken wat er aan de hand ware. Broeder Melchior was de deur uitgetreden en sloeg den hoek van het huis om, toen hij, een gewapend manspersoon op zich af ziende komen, in allerijl terugkeerde. Zonder te bedenken, dat het tijdstip nog niet daar was, loste Reede een pistool en deed den Jezuïet, gewond, ter nederstorten. Op dit geluid kwamen nu ook de anderen het huis uit. “Redt u,” zeide Eugenio schielijk tegen zijn makkers: “redt u over de plank en trekt die achter u weg! ik zal de sloot wel overspringen.”

De Jezuïet, die met hem was, volgde dien raad en liep als een haas de plank over, die naar de weide bracht, en het veld in. Panne wilde hem volgen, doch Bouke, die zijn heer spoedig nagesneld was had het doel des vluchtelings geraden, sneed hem bijtijds den weg af en greep hem met een gespierde Geldersche vuist in den kraag, terwijl hij met de andere hand een pistool op den ontsnapten vloekverwant loste; doch vruchteloos, want Panne, wiens krachten door den angst verdubbeld waren, belette hem, door de pogingen, die hij deed om zich los te maken, een juiste richting aan zijn schot te geven. Terwijl zij worstelden, waren de beide edellieden Eugenio genaderd, die hen in een rustige en onverschrokken houding afwachtte. Als uit één mond klonk nu het bevel: “geef u over, of gij zijt een kind des doods!”

“Aan wie en waarom zoude ik mij overgeven?” vroeg Eugenio: “zijt gij roovers of moordenaars, gij, die zonder recht of reden dus gewapend dit erf binnendringt?”

“Het voegt u wel dus te spreken,” brulde Reede: “vervloekte Jezuïet! geef u over of het gaat er door, zoo waar als ik Reede heet.”

“Met uw verlof, dan heb ik aan elk van u nog een woordje.” Dus sprekende, loste hij een pistool op Reede; de kogel floot zijn haren door en wierp den vederhoed in ’t gras.

“Wilt gij niet goedschiks, dan met dwang,” zeide Falckestein, hem met zijn degen in de zijde kwetsende.

“En dat is voor u,” grinnikte Eugenio, terwijl hij met de gesloten vuist aan Falckestein een zoo geweldigen slag op het hoofd toebracht, dat de Graaf bedwelmd ter aarde stortte. Als ongedeerd liep toen Eugenio naar de plank, die op den rijweg bracht, en wilde die oversnellen, toen Reede hem in den gordel greep. Doch met evenveel gemak, als had hij een kind opgenomen, slingerde de Jezuïet zijn weerpartij van zich af, wierp de arme Heer van Sonheuvel midden in de sloot, ijlde de plank over, trok die achter zich weg en riep, terwijl hij het paard van den Ritmeester losmaakte en besteeg, dezen toe: “denk nu op uw gemak eens na of gij u de preek van Uyttenbogaert niet herinneren kunt.”

“Ziedaar! dat is om u aan mij te herinneren,” schreeuwde Reede, zijn tweede pistool op hem losbrandende.

“Die is raak!” riep Eugenio: “van elk een wond; sed ultio dabitur septuagies septies,3 als de Schrift zegt.”—Met deze woorden reed hij met losse teugels weg en verloor zich ras in de duisternis.

Inmiddels was Falckestein weder bijgekomen: opgestaan zijnde, hielp hij den Ritmeester, die vast vloekte en tierde, uit de sloot. Bouke had zijn weerpartij nu geheel onder den voet en was bezig den armen Panne met een end touw vast te knevelen, terwijl hij hem intusschen eenige troostvolle spreekwoorden opdischte, als b. v.: “ja kereltje, zoo gaat het: boontje komt om zijn loontje: die kwaad doet, kwaad ontmoet: ’t is alle dagen geen vastenavond!” enz.

Aan het achterhalen der vluchtelingen was niet te denken; men besloot dus Panne wel te bewaren en Bouke om den schout te zenden; dan, hoe keek de goede lijfknecht op, toen hij de planken overal teruggetrokken vond en de drie paarden weg; want Eugenio had, uit vrees van achtervolgd te worden, de rijdieren alle losgebonden. Hij begaf zich nu naar den kant van het weiland, doch ontdekte tot zijn spijt, dat de in ’t begin gewonde Jezuïet, op wien men geen acht geslagen had, was opgestaan en van die zijde ontsnapt, na ook die plank achter zich weggehaald te hebben.

Dus opgesloten op het erf, zouden zij zich genoodzaakt hebben gezien, den dag af te wachten, indien niet eenige boeren uit den omtrek het schieten gehoord hebbende, den schout waren gaan waarschuwen, die na een paar uren toevens met zijn dienaars verscheen en allen, zoo de bewaarders als den gevangene, met zich naar het dorp voerde. De gevluchte Jezuïeten werden niet gevonden; doch de paarden, welke Eugenio waarschijnlijk, bij het aanbreken van den dag, uit vrees van herkend te worden, in vrijheid had gesteld, werden door het landvolk opgehouden en den eigenaars teruggegeven.

Bij het verhoor bekende Panne, dat hij van Yperen in Vlaanderen geboortig en beurtelings kruier, koopman en makelaar geweest was. Tot armoede vervallen, hadden hem de Jezuïeten van Douai, aan welke hij zijn nood klaagde, vermaand iets groots te verrichten, waardoor hij, al kwam hij er bij om, duizend zielen verlossen en zelf den hemel verdienen zoude. Hem werden, zoo hij de straf ontsnapte, 200 £vl. vanwege den Prefect Provinciaal en Rector der Jezuïeten toegezegd, alsmede het stadsbodenambt van Yperen. Op deze belofte had hij zich naar Den Haag begeven, waar verschillende omstandigheden zijn oogmerk verijdeld hadden. De Katholieke Hofstede, die aan zekeren Melchior, een geheimen Jezuïet, toebehoorde, had gedurende dien tijd tot de plaats der bijeenkomsten gediend.

Niet lang na de gevangenneming van Panne, kwam uit Engeland de tijding, dat zekere Edward Squire, mede door Jezuïeten opgemaakt, wegens een aanslag op het leven der Koningin en des Graven van Essex gevat was; zoowel deze, als Panne, werden met den dood gestraft, toonende deze laatste op het schavot groot berouw.

1 Ende de Koningen der aerde, die met haer gehoereert hebben, sullense beweenen ende rouwe over haer bedrijven. Openb. 18:9.

2 Hendrik de Vierde, Elizabeth en Graaf Maurits.

3 Ik zal seventighmaal sevenmael gewroken worden. Gen. 4:24.

Derde Hoofdstuk.

Inhoudsopgave

Gelyck een ingeborsten stroom

Zal ’t ingelaten heir

Verdrencken al den Duitschen boôm

En bruizen als een meir.

Vondel, op de tweedraght der Christen Princen.

Nadat de Graaf van Falckestein bij Graaf Maurits en de Staten het doel zijner zending verkregen had, keerde hij in den zomer deszelfden jaars 1598 naar zijn kasteel van Bruck, waar hij, kort daarna, den nieuwen Vorst van Kleef, die zijn gebied rondreisde om zich te laten inhuldigen, luisterrijk ontving.

Intusschen had de Koning van Spanje aan zijn dochter Izabella Clara Eugenia de Nederlanden en Bourgondië overgedragen onder de voorwaarde, dat zij haar vollen neef, den Prins Kardinaal Albertus van Oostenrijk, zou huwen, waartoe de Paus alreeds de vrijheid verleend had. Deze opdracht, welke door den Infant Filips, ’s Konings erfopvolger, bevestigd en goedgekeurd was, geschiedde op Woensdag 6 Mei 1598.

De Infante, die te Madrid bleef, gaf aan haar aanstaanden echtgenoot volmacht om deze landen in haren naam te aanvaarden, ’t geen hij op den 22sten Augustus te Brussel verrichtte, waarna hij het geestelijk gewaad aflegde en den Amirant van Arragon, Don Francisco de Mendoza, tot Opperbevelhebber van een machtig leger aanstelde; hem Graaf Frederik van den Bergh als Veldmaarschalk toevoegende. Dit aldus beschikt hebbende, vertrok hij naar Spanje, en liet den Kardinaal Andreas van Oostenrijk achter als Gouverneur-Generaal.

Dadelijk besloot deze, met overleg van den Raad van State, tot een tocht in Kleef, Gulik en Westfalen, om deze landen onder den naam van beschermheer te vermeesteren: want hij begreep, dat de Vereenigde Nederlanden nergens beter dan uit deze gebuurlanden besprongen en in bedwang gehouden konden worden. Voor deze en dergelijke aanvallen hadden de Staten-Generaal den Raad van Kleef reeds meermalen gewaarschuwd, en Falckestein had zijn landslieden, bij zijn terugkomst, sterk tot waakzaamheid aangemaand; doch de invloed van eenige Spaanschgezinde Raadsheeren had, tot nog toe, alle dadelijke gereedmaking tot verwering tegengehouden. Alleen hadden, op verzoek des Vorsten van Kleef, de Hanevederen van den dapperen Ulrich van Daun sommige plaatsen bezet.

Het was in den beginne der maand September, dat Mendoza en Bergh met een ontzettend heir de Maas bij Roermond overstaken en hunne wapenen tegen Orsoy wendden. Vergeefs weigerde de Maarschalk Horst met zijn Hanevederen hun den doortocht, op grond dat Orsoy op onzijdig grondgebied gelegen was: de stad werd beklommen en, spijt allen wederstand, bemachtigd. Op het hooren dezer tijdingen verzamelde Maurits zijn leger te Arnhem, zond bezetting in Zutfen, Lingen en Oldenzaal, en bracht zijn hoofdkwartier te Zevenaar.

De Vorst van Kleef, niet minder bedacht voor de groote onheilen, die zijn landen bedreigden, en wenschende, zoo ’t eenigszins mogelijk ware, het naderend onweder te stuiten, riep op den 25sten September den Landdag bijeen: het was, wel is waar, niet dan met schroom dat hij hiertoe besloot, zoo wegens de Spaanschgezindheid van sommige, als om de weifelende gemoedsgesteldheid der meeste edellieden; dan hij steunde veel op den drang van het oogenblik en op de welsprekendheid van den Graaf van Falckestein, die hem beloofd had, alles te zullen aanwenden, om den Raad tot het uitschrijven van een veldtocht te nopen.

De uitkomst echter liet zich gunstig aanzien. Uit een zware ziekte kortelings hersteld en nog bij de minste aandoening bedremmeld en sprakeloos, was de Vorst niet in staat zijn voordracht ten einde te brengen: de Spaanschgezinde Raadsheeren, door ’s Voorzitters stilzwijgen aangemoedigd, droegen met klem van redeneering voor, hoe dwaas en ijdel aan de eene zijde de wederstand zoude wezen, tegen zoo geducht een vijand als den Amirant: en hoe voordeelig van den anderen kant een vast verbond ware, dat aan Kleef de vriendschap van Spanje en Oostenrijk verwierf. Met een smeekend oog, waar tranen van spijt en droefheid in zwommen, zag de Vorst zijn getrouwen Ulrich aan, doch wat de Graaf ook tegen de drogredenen der andersdenkenden mocht invoeren, het scheen op de vergadering weinig of geen invloed uit te oefenen; waarop hij eindelijk, over hun slaphartigheid vertoornd, in drift oprees en zwoer, zich aan alle verdere beraadslagingen te zullen onttrekken en op zijn eigen slot met zijne Hanevederen de vijanden gaan afwachten. Dan, op dit oogenblik werd de vergadering verrast door het binnentreden eener vrouw van middelbare jaren, trotsche en majestueuse houding, op wier gelaat de kommer geschreven stond, terwijl een somber rouwgewaad aan haar weemoedigen blik nog meer treurigheid bijzette. Deze vrouw was Sibille, ’s Vorsten zuster en vertrouwde. Met ernst en stoutmoedigheid ving zij aan, den Raad zijn lafheid en verwaarloozing van ’s lands belangen in een zoo gevaarlijk tijdstip te verwijten: met zwarte kleuren schilderde zij de ontrouw en de list af der Spanjaards en vergeleek Mendoza’s bescherming bij die van den wolf, onder wiens hoede zich, als de fabel meldt, de onnoozele schapen begaven. Op deze en dergelijke redenen, meest geschikt om een diepen indruk te verwekken, volgden nadrukkelijke smeekgebeden, met bittere tranen gepaard, welke, langs de kaken eener schoone en algemeen geachte vrouw afvlietende, niet konden nalaten, ook de verhardste gemoederen te roeren. De Ridderschap wist zij in haar eer, de Raden en Landsafgevaardigden in hun belang zoo verstandig te treffen, dat men, zoo al niet tot oorlogvoeren, ten minste tot verdediging besloot; aan den Graaf van der Lippe werd bevel gegeven, zooveel volks tot bescherming van den lande te werven als hem mogelijk was, en te Dortmond de vijf Nederkreitsen saam te roepen om over de algemeene belangen te raadplegen. Bovendien schreef de Vorst aan den Keizer en al de Rijksgrooten, om zich over het hem aangedaan geweld te beklagen en spoedige hulp te verzoeken. In ’t laatst derzelfde maand werd de Nederwestfaalsche Kreits te Dortmond vergaderd, waar Falckestein aan al de aanwezigen zulk een moed in ’t lijf sprak, dat er eenparig besloten werd, den Graaf van der Lippe naar Mendoza te zenden, Orsoy wederom te eischen en bij weigering het geschonden recht met de wapenen terug te vorderen.

Het was na het scheiden dezer vergadering, op een schoonen herfstmorgen, dat Falckestein met een twintigtal ruiters de Roer langs reed om zich naar zijn slot van Bruck te begeven, het oogenblik reikhalzend te gemoet ziende, waarin hij zijn beminde gade en lieve kinderen weder aan zijn hart zou drukken. Reeds zag hij de donkere torens van zijn voorouderlijk slot tegen de heldere lucht afsteken, en zijn boezem klopte van genoegen op de gedachte, dat ook dit aloud verblijf van vaderlandlievende helden geen Spanjaards tot beschermheeren zou behoeven te dulden. Dan, toen hij naderbij kwam, zag hij met verwondering op een der torens een aantal krijgslieden vergaderd, die met drift schenen te spreken en naar den Rijnkant te wijzen. Terwijl hij bepeinsde wat hiervan de oorzaak wezen mocht, kwam hem een ruiter, die zooeven het slot was uitgesneld, in vollen draf te gemoet rennen.

“Wel Hensken!” sprak de Graaf: “wat komt gij ons met zulk een spoed boodschappen? Hoe varen Mevrouw en de kleinen?”

“Zeer wel Goddank, Uwe Genade! en waarschijnlijk zeer verheugd over uwe terugkomst,” gaf de Haneveder in zijn Platduitsch ten antwoord: “voorwaar! Uwe Genade had nooit op een beter tijdstip kunnen terugkomen.”

“Wat is er dan gaande? Ik wil niet hopen, dat er onraad op het slot zij?”

“Nog niet, Uwe Genade; doch het zal niet lang meer duren. Wij hebben dezen morgen van de burchttinne twee vendels Spaansche ruiters gezien, die hierop aanhouden en voorzeker niets goeds in den zin hebben. Mevrouw gelastte mij, Uwe Genade te gemoet te rijden en te verzoeken, zooveel spoed te maken als de nood vereischt. Goddank, dat Uwe Genade hier tijdig genoeg is om ons allen uit de verlegenheid te helpen.”

Aldus sprekende waren zij de ophaalbrug genaderd en het slot binnengetreden. Niettegenstaande zijn geest door het ontvangen bericht weinig tot vroolijkheid gestemd was, kon Falckestein echter den onwillekeurigen lach niet bedwingen, die bij hem oprees op het vreemde schouwspel dat zich hier vertoonde. Alles was op het binnenplein in beweging: de rentmeester, een deftig, lang, mager persoon, liep met een ouden stormhoed en een rapier van twee ellen lang gewapend, op en neder, en hield het toevoorzicht over de maatregelen, die de burchtzaten ter hunner verdediging namen: in het spreekvertrek werden kogels opgestapeld en vaatjes buskruit binnengewenteld: op de plaats ontlaadde men hooi- en mestkarren: hier bracht men vier veldstukjes in orde: daar maakte men vuurroeren en lansen schoon: ginds droeg men meelzakken naar de zolders: in den stal hinnikten de paarden: in de groote benedenzaal, welke nu mede voor stal dienen moest, liepen loeiende runddieren, blatende schapen en knorrende varkens door elkander. Hier hoorde men het rollen van wagens, ginds het kletteren van wapenen: wat verder het geblaf der honden, het gekakel der kalkoenen en het schril gekwaak der ganzen: en in ’t midden van dit alles zette de oude rentmeester zijn piepende en schorre stem uit om al dat geraas te overschreeuwen.

Dan, nauwelijks was het hoefgetrappel van ’s Graven ruiters op de brug gehoord geworden over het plein, of het verward geschreeuw: “daar is de vijand!” liet zich van alle zijden hooren. De rentmeester zocht vergeefs zijn rapier uit de verroeste scheede te halen en viel in ’t achteruittreden over een logge gans, met de beide beenen in de lucht. De overigen, die hem al doodgestoken waanden, zochten overal naar een goed heenkomen, wanneer de juichtoon: “het is zijn Genade!” den algemeenen schrik in luide blijdschap veranderde.

“Hoe!” zeide Falckestein, bij ’t afstijgen, tot den Rentmeester: “begint gij den strijd tegen de ganzen, om te beproeven hoe het naderhand tegen de Spanjaards gaan zal?”

“Met verlof,” zeide de Rentmeester, terwijl hij opstond en zich de ruggestreng wreef: “die duivelsche degen zit zoo vast in de scheede, dat ik hem voor betooverd houde.”

“Zoo ik wel zie, is het de degen van mijn bet-overgrootvader Werner: ik wil gelooven, dat hij de scheede ongaarne verlaat, waarmede hij nu ruim een eeuw in een zoo nauwe betrekking heeft gestaan;.... doch daar is Mevrouw!”....

“God zij geprezen dat ik u wederzie, mijn beminde!” riep de Gravin, die op dat oogenblik, met haar oudsten zoon aan de hand en het jongste knaapje op den arm, de slottrap afkwam en haar gemaal tegentrad.

“Ik bemerk,” zeide de Graaf, terwijl hij haar en de kinderen met aandoening omhelsde, “dat ik op een gelegen tijdstip terugkom: dan, de oogenblikken zijn kostbaar en moeten niet verwaarloosd worden: laten wij binnengaan en gij zult mij alles verhalen, wat tot deze aanstalten aanleiding geeft. Gij, Feurich!” (deze was aan het hoofd der met hem gekomen ruiters) “zult den ouden Beckman bijstaan in het gereedmaken der verdedigingsmiddelen: Hensken, laat de poorten sluiten en de brug ophalen: ik zal terstond weder hier zijn.”

Zoo sprekende, geleidde hij zijn vrouw naar een binnenvertrek en verzocht haar, hem nauwkeurig te verhalen, wat haar voor een aanval vreezen deed.

Na eenige diepe zuchten en tranen, sprak zij aldus: “Helaas! sedert uw vertrek naar Dortmond, nu acht dagen geleden, hebben wij geen oogenblik rust gehad. Gij waart nog geen twee uren weg, toen verscheiden boeren onze bescherming kwamen verzoeken, bitter klagende, dat de Spanjaards hun woningen verbrand en hun vee geroofd hadden: ditzelfde verzoek, diezelfde klachten werden van toen af dagelijks door anderen herhaald, zoodat ik, eindelijk bemerkende dat, door die lieden te onderhouden, de leeftocht van het slot te spoedig zou verteerd zijn, mij genoodzaakt zag, hun mijns ondanks allen verderen bijstand te weigeren. Dan, eergisteren verscheen hier een Spanjaard, zich noemende Fernando Lopez, die, op last van den Amirant, zoo hij voorgaf, u des Veldheers bescherming aan kwam bieden, mits gij u bereid toondet de Spaansche zijde te kiezen en den Roomschen Godsdienst te omhelzen. Tijd hopende te winnen, verzocht ik hem uw terugkomst af te wachten; doch dit verkoos hij niet: hij reed, naar mij voorkwam vrij onvoldaan, naar Orsoy terug. Hedenmorgen berichtte mij de torenwachter, dat hij in ’t westen krijgsvolk had zien overvaren: ik gaf dadelijk aan Beckman last eens na te zien, welken voorraad en krijgsbehoeften wij hadden, en begaf mij naar de tinne, om met eigen oogen te zien wat er gaande was: ofschoon mijn mingeoefend gezicht niet zoo dadelijk ontwaarde hetgeen Peter zoo vervaard had, bespeurde ik echter langzamerhand, dat er werkelijk manschappen in aantocht waren. Naar zijn gissing kunnen zij echter niet voor den nacht hier zijn, ten minste zoo zij geschut bij zich hebben omdat zij de hoogte en het bosch moeten omtrekken.”

“Dan is het nog tijd alles tot afweer in gereedheid te brengen,” hervatte de Graaf: “wat u betreft, mijn beste, ik mag u niet aan de wisselvalligheden van eenig beleg blootstellen: deernis met uw lot en dat onzer kinderen zouden mij misschien beletten mij zoo kloekhartig te gedragen, als mijn plicht mij gebiedt. Ik zou om uwentwil een slot opgeven, dat ik zonder u tot den laatsten droppel bloeds verdedigen kan; ook voegt het mij, bij de weinige mondbehoeften, die wij bezitten, mij van alle onnutte monden te ontslaan.—Geen tegenspraak! het is mijn vast besluit: omhels mij en ga alles tot uw vertrek gereedmaken.”

De Gravin, schoon even teederhartig als Badeloch, had niets van het heldhaftige, dat Gysbrechts echtgenoote kenmerkte. Onder het storten van een vloed van tranen omhelsde zij haar gemaal, en beloofde hem zijn last te zullen volgen. “Helaas!” voegde zij er schreiend bij, “moet ik u na een zoo langdurige afwezigheid enkel terugzien om weder afscheid te nemen?”

“Afscheid nemen!” herhaalde een stem: “en waarom afscheid nemen?”

Met het uiten dezer woorden trad een vrouw in burgerkleeding binnen, een knaapje van acht of negen jaren aan de hand houdende.

“Ja mijn goede vrouw,” zeide de Gravin; “wij vertrekken. Het slot van Bruck levert geen veilige wijkplaats meer op aan vrouwen zooals wij.”

“Niet?” vroeg de vreemdelinge met verbazing: “en sedert wanneer zijn vaste sterkten minder veilig dan het open veld?”

“Mijn echtgenoot beveelt,” zeide de Gravin: “en ik gehoorzaam.”

“Wie is die vrouw?” vroeg de Graaf halfluid aan zijn vrouw.

“Een vluchteling,” antwoordde deze, “wier huis door de Spanjaards vernield is.”

“En gij zoudt u opnieuw aan hun woede willen blootstellen?” zeide Falckestein, op een bevreemden en ontevreden toon tegen de vreemde.

“Dat zou ik, door af te reizen,” antwoordde deze: “hier valt niets voor mij te vreezen.”

”’t Kan zijn,” hernam Falckestein koel: “doch het strookt niet met mijn oogmerken, dat vrouwen hier blijven. Een goed geleide zal de Gravin naar een veilige wijkplaats voeren: gij moogt daarvan, naar verkiezing, al of niet gebruik maken; doch hier kunt gij niet blijven.”

“Welnu!” zeide de vrouw: “de Gravin van Falckestein heeft de arme Magdalena, toen zij om bescherming smeeken kwam, die niet geweigerd: Magdalena zal de Gravin thans ook niet verlaten. Wellicht is het oogenblik niet verre af, dat zij mijne hulp zal noodig hebben.” Met deze woorden wendde zij zich om en verliet het vertrek.

Binnen twee uren waren alle vrouwen en kinderen reisvaardig. Acht kloeke ruiters, onder het bevel van den wakkeren Hensken, en een gelijk getal gewapende landlieden, ontvingen last, de vluchtelingen naar Kleef te geleiden en aldaar van den Vorst bescherming en huisvesting voor hen te verzoeken. Met den middag vertrokken zij.

Ondertusschen had zich de Graaf verscheidene reizen naar den toren begeven en vandaar de nadering der Spaansche benden bespeurd, die langzaam, in benden afgedeeld, in aantocht waren. Tegen den avond belette hem zoo de duisternis als de hoogte, die de vijand om moest trekken, iets meer van hem te onderscheiden. Het vertrek zijner gemalin had zijn hart van een groote zorg ontslagen, zoodat hij met koel beleid zijn maatregelen kon bewerkstelligen. Hij bevond, dat de bezetting thans bestond uit zestig ruiters, twintig musketiers en een veertigtal zoo gewapende als ongewapende landlieden uit den omtrek, van welke laatsten het getal nog gedurig aangroeide. Tot onderhoud dezer menigte had hij leeftocht voor een maand: de vier veldstukken waren in een goeden staat: voorraad aan kruit was er genoegzaam: van achteren was het slot door de rivier en aan de drie andere zijden door breede grachten verdedigd en de wallen waren in volkomen orde. De overtuiging van dit alles vervulde hem met een moed, welken hij zonder moeite ook aan de zijnen wist mede te deelen. De hemel had echter besloten dat de wederstand vruchteloos zijn zoude, en dat juist zijn bezorgdheid omtrent zijn vrouw hem ten verderve zou wezen.

Met het doorbreken der eerste zonnestralen zag men van het slot de twee Spaansche vendelen op den afstand van ongeveer twee kanonschoten aan de wederzijden van een klein boschje halt maken: en het leed geen half uur, of een ruiter, in volle wapenrusting uitgedost en van een trompetter vergezeld, naderde de valbrug en verzocht, tot een mondgesprek te worden toegelaten. Het verzoek werd ingewilligd en de Graaf reed den zendeling te gemoet, die opgaf te zijn Diego de Velasco, Hopman in Spaanschen dienst, afgezonden door Fernando Lopez, Kapitein, met last om het slot van Bruck in naam van de Infante op te eischen, en de overlevering te vorderen van tien Hanevederen, die tegen de Spaanschen, zooals hij voorgaf, geweld hadden uitgeoefend, bij gebreken waarvan hij, Fernando Lopez, het slot zou doen beschieten en bestormen.

Met beleefdheid toonde de Graaf hem aan, dat het kasteel van Bruck een leen was van den Hertog van Berg, met wien de Koning van Spanje op een voet van vrede leefde: dat hij dus aan geen zoo vreemde als onbillijke eischen kon voldoen; maar het kasteel zijner vaderen tegen geweld en overlast verdedigen zou.

“Ik verwachtte geen ander antwoord van zoo braaf een edelman als de Graaf van Falckestein,” zeide Don Diego: “het doet mij echter leed, Heer Graaf! dat uw koenheid u noodlottig zal moeten wezen: binnen weinig tijd zien wij elkander weder.” Deze woorden geuit hebbende, groette de Hopman hem beleefdelijk, wendde den teugel en reed in vollen draf naar zijn vendel terug, terwijl de Graaf, in zijn slot gekeerd, de brug liet inhalen en alles tot afweer gereedmaken.

Het duurde niet lang, of de vijand begon de noodige toebereidselen tot den aanval te maken. Het eene vendel, in vier benden afgedeeld, trok regelrecht op het slot aan, richtte zijn geschut op den voormuur en begon weldra eenige kogels op de wallen af te zenden, zonder echter eenige schade aan te richten. Reeds begon de Graaf te denken, dat dit beschieten alleen moest dienen om hem vrees aan te jagen én tot de overgave te nopen, toen hij bericht ontving, dat het tweede vendel, hetwelk inmiddels de Roer was overgevaren, van den kant der rivier een aanval scheen te zullen wagen.

“Indien zij volks genoeg hebben, kunnen zij gemakkelijk in den tuin komen,” zeide Feurich, die deze tijding bracht: “de vischkaar en de steiger steken zoover in ’t water uit, dat zij in een oogenblik de rivier over zijn.”

“Gij hebt gelijk,” antwoordde de Graaf, die, den omgang aan de voorpoort op en neder wandelende, de op de slotbrug aanrukkende vijanden inmiddels in ’t oog hield: “doch wij hopen het hun te beletten. Wordt het geschut op den achterwal goed bediend?”

“Voortreffelijk,” hernam Feurich: “maar wat vermag één veldstukje tegen een menigte, die verspreid en op verschillende zijden de rivier oversteekt?”

“Welnu!” zeide de Graaf, na een oogenblik beraad: “neem tien boeren en even zooveel scherpschutters met u: verdeel deze laatsten in den tuin en op het vischhuisje en doe de boeren den steiger bezetten: laten de schutters hun kruit en lood niet verspillen, maar vijf aan vijf vuren en beurtelings weer laden. Vooral moet er geschoten worden op die Spanjaards, die werkelijk te water gaan. Deinst de vijand, zoo wacht gij mijn naderen last; zetten zij den aanval door, zoo plaatst gij al uw volk op den kant van ’t water, laat algemeen vuur geven en zendt mij er bericht van: dan zal ik u met de helft der Hanevederen komen versterken.—Ik vermoed, dat de aanval, die hier op den voormuur gedaan wordt, slechts dienen moet om ons te misleiden; doch tot ik daarvan de zekerheid heb, dien ik hier te blijven.... wacht, Rudolf! richt het geschut eens tegen dat hoopje, dat daar linksaf uit het boschje aankomt.—Juist zoo! nu vuur, mijn vriend!—heerlijk getroffen! Zaagt gij dien langen schelm met zijn roode pluimage nederstorten en over den kop in ’t zand buitelen?—Hier gij knapen! aan de poort! houdt uw bussen klaar; doch schiet niet voordat gij mijn bevel verneemt.”

Intusschen was Feurich de bevelen van zijn heer nagekomen en had hij zijn manschappen, in den tuin, op de hem voorgeschreven wijze post doen vatten. Deze tuin en de daarbij behoorende boomgaard waren geplant in de ruimte, bevat tusschen twee sterk vooruitspringende, met bolwerken en torens voorziene, achtervleugels van het gebouw. De rivier, die het slot bespoelde, en een steenen borstwering, die er langs liep, waren de enige hinderpalen, welke de vijand te overwinnen had om in dien tuin te geraken, en de, gelijk Feurich had aangemerkt, ver vooruitspringende steiger en vischkaar konden hem den overtocht nog gemakkelijker maken. Wel is waar, het veroveren van den tuin maakte den vijand nog geenszins meester van het slot, waar hij niet dan na het overrompelen van verscheiden sterke en wel bewaakte ingangen kon binnendringen; doch het was niettemin van het hoogste belang hem te beletten een post te bemachtigen, van waar hij den belegerden den grootsten last en ongerustheid baren kon.

Stil als de dood, dien zij zenden moesten, stonden de musketiers, elk achter een boomstam beschut, op het sein te wachten; terwijl de boeren, op den steiger geschaard, hun knuppels en vorken met drift in ’t rond zwaaiden en met woorden en gebaarden den aanrukkenden vijand sarden, als wilden zij hem tot den overtocht bewegen. Velasco, die dit vendel der belegeraars aanvoerde en achter een dijkje aan de overzijde der rivier voor het geschut beveiligd lag, bedwong hun drift, tot al zijn manschappen vereenigd waren. Toen liet hij de twee kleine schuitjes, waarmede hij de overvaart gedaan en die hij met zich gevoerd had, met zooveel soldaten bemannen, als de zwakke vaartuigen dragen konden, en gaf bevel aan diegenen onder zijn krijgsknechten, die de beste zwemmers waren, zich van hun bovenkleederen te ontdoen en het water te doorwaden, ten einde den aanval alzoo gelijktijdig op verscheidene punten te bewerkstelligen en de belegerden in verlegenheid te brengen. Het overschot zijner manschappen bleef op den oever in ’t gras liggen en poogde, door een wel onderhouden vuur, den overtocht te dekken en de landlieden van hun post op den steiger te verdrijven.

Feurich, die op de vischkaar stond, liet de aanvallers tot op halverwegen naderen en gaf toen het sein aan zijn musketiers, door zelf een pistool op een der Spaansche onderofficieren te lossen, die, doodelijk getroffen, uit de boot in ’t water plompte. Vijf musketschoten vielen, en even zoovele Spanjaards stortten gewond achterwaarts of rolden kermend uit de schuiten. De zwemmenden kozen den terugtocht, gelijk ook een der vaartuigen, dat, toen er nogmaals uit den boomgaard vuur gegeven was, meer gekwetsten dan gezonden aan boord had. Het andere schuitje naderde echter den steiger; het was met kloeke en nog ongedeerde kerels bemand, die nu van hunne zijde op de boeren met goed gevolg vuur begonnen te geven.

“Hier Heinrich! Walter! hier!” riep Feurich: “helpt mij die schurken eens begroeten.” Dit zeggende had hij met de twee boeren een balk opgeraapt, die naast den steiger lag. Zij brachten die met vereende krachten vooruit om het vaartuig te keeren: een goede uitslag bekroonde hun pogingen: het schuitje werd niet alleen afgeweerd, doch het kantelde, wierp zijn manschap overboord en dreef ledig naar den overkant terug.

Een luid gejuich bekroonde deze welgeslaagde verrichting, en de boeren zonden bitse spotternijen tot de belegeraars, die doornat en meerendeels gewond tot de hunnen waren teruggedropen. Dan Velasco gaf het niet op, en wilde zijn volk nogmaals den aanval op dezelfde wijze doen beproeven.

“Zoo zal het nooit gaan,” zeide een monnik, die naast den aanvoerder stond: “zij moeten allen te water, en gelijktijdig, quasi vir unus,1 gelijk de Vulgata zegt.”

“Ik weet, eerwaarde Vader!” zeide Velasco, “dat gij een begenadigd man zijt, die door een hoogeren geest geleid wordt: doch veroorloof mij in krijgszaken van u te mogen verschillen. Wie zullen den overtocht dekken, zoo allen te water gaan?”

“En wat hebben die manschappen, die den overtocht dekken moesten, thans uitgericht?” vroeg de monnik: “door ons te verdeelen, zullen wij de belegerden in de war brengen. Geloof mij, jongeling, en gehoorzaam aan mijn ondervinding! Zend de helft van uw volk op den steiger af, en de andere op den boomgaard, en ik sta u borg voor een goeden uitslag.”

“Uw borg zal mij veel baten, als ik mijn Oversten rekenschap moet geven van het bloed der dapperen, die ik ter slachtbank voer,” hernam Velasco.

“Jongeling!” zeide de monnik ernstig en den vinger opheffende: “Gij kent de waardigheid, die ik hier bekleed: leer daaraan te gehoorzamen. Het zal geschieden zooals ik zeg.”

Velasco beet zich op de lippen van toorn. “Het zal dan geschieden,” zeide hij “doch niet op mijn last.”—“Spitsbroeders!” vervolgde hij, terwijl hij zich tot zijn manschappen wendde en op den monnik wees: “ik ben uw geleider niet meer. Ziet hier den man, die u ten zege voeren zal. De eerwaarde Pater wordt uw Hopman.”—Dit gezegd hebbende, ontdeed hij zich van zijn sjerp, smeet die den monnik voor de voeten en trad terug.

De soldaten zagen elkander verwonderd en besluiteloos aan. “Docebo vos viam rectam!”2 riep de geestelijke, een zwaard uit de handen van een der manschappen grijpende: “Ik zal u zelf het voorbeeld geven en u aantoonen, hoe de zege behaald kan worden.”

Onder het uiten dezer woorden stapte hij in een der schuiten, gaf last aan een viertal schutters hem te vergezellen, liet het andere vaartuig met vijf van de kloekste Spanjaards bemannen, gebood aan al, wie moed had en toonen wilde, dat het hem ernst was roem en prijs te behalen, zich te water te begeven, en stak van wal. De soldaten, door zijn voorbeeld aangemoedigd, schenen hun vorigen tegenspoed vergeten te zijn en zwommen hem spoedig na, zoodat Velasco schier alleen aan den oever staan bleef. Deze bevond zich nu in den toestand van een kind, dat, met zijn ouders wandelende, hen niet heeft durven vergezellen voorbij het een of ander schrikbarend voorwerp, b. v. een hondenhok of een oude bedelaarster, en, nu, daar zijn ouders, hem uitlachende, zijn voortgewandeld, niet weet of het wel op dezelfde plaats zal blijven staan, of het terugkeeren dan wel of het zijn ouders inhalen en alzoo het voorwerp van zijn angst zal voorbijgaan, tot welk laatste het echter eindelijk al bevende besluit. In zooverre echter gaat deze vergelijking kwalijk, dat Velasco niet uit vrees, maar alleen uit wrevel tegen den monnik was blijven staan. Toen hij echter de uitwerking zag, welke diens toespraak en voorbeeld op de krijgsknechten maakte, begreep hij, zonder zijn eer te krenken, als vrijwilliger te kunnen doen, hetgeen hij als Hopman moest nalaten en laken; hij sprong in de rivier en zwom weldra al de overigen voorbij.

Ongeveer in ’t midden van den stroom gekomen zijnde, gaf de monnik aan zijn musketiers bevel, niet op de landlieden, maar op de schutters, die achter de boomen in den tuin half verscholen bleven, te vuren, ’t geen ten gevolge had, dat een paar van deze laatsten gewond en buiten staat gesteld werden eenigen verderen dienst te doen.

Feurich wachtte intusschen met zijn twee medehelpers het vaartuig als te voren af: de zware balk viel weder op de plecht; doch daar de schuit nu niet zoo volgeladen was als de vorige reis, kantelde zij niet; met forsche armen klemde de monnik den balk tegen zijn borst, trok hierdoor zelf het schuitje nabij den wal, sprong toe, greep een der kettingen van de vischkaar en slingerde zich er boven op. In hetzelfde oogenblik kwam Falckestein, die de belegeraars aan de voorpoort reeds had afgeslagen, met eenige Hanevederen in den tuin. Zijn komst verlevendigde den moed der zijnen. Al de musketiers snelden naar de borstwering: de Spanjaards, die om den boomgaard waren aangerukt, werden teruggedreven, het tweede schuitje omgeslagen en Velasco met de zijnen tot den terugtocht genoodzaakt.

Doch de andere helft der bende, die met den monnik gekomen of aan den kant des steigers de gracht doorwaad had, wist nog van geen wijken. De ijzeren stormhoeden tartten de knuppelslagen, en de rustelooze volharding der Spaansche veteranen verwekte een doodschen schrik bij de ongeoefende landlieden. De monnik vuurde hen met taal en voorbeeld aan. Vreeselijk stond hij op de kaar, met de eene hand om den ketting gekneld, terwijl hij met de andere den sabel zwaaide. De verweerders, waaronder sommige Roomschen waren, ontzagen zoowel zijn kleed als zijn reuzenarm, en weken. Nu op den steiger gekomen, wierp hij zich met leeuwenwoede tusschen de Duitschers en sabelde er twee ter neder. Op dit oogenblik kwam Falckestein, die voor deze zijde van den tuin beducht was, ter ondersteuning der landlieden toegeschoten. Zooras de monnik hem in ’t oog had, drong hij met geweld door, liep op den Graaf toe en gaf hem een zoo geweldigen slag op den kolder, dat hij hem had nedergeveld, zoo niet het zwaard in zijn hand gedraaid had.

Onder het toeslaan duwde hij hem deze woorden toe: “septuagies septies!”3

“Ik herken u, vervloekte Jezuïet!” was het antwoord van Falckestein: “doch heden zult gij mij zoo gemakkelijk niet ontkomen.”

Deze woordenwisseling ging met verdubbelde zwaardslagen gepaard, toen eenige Hanevederen, die den Graaf gevolgd waren, gezamenlijk op den booswicht aandrongen. Zonder zich te ontzetten, weerde deze hun slagen af en zocht den oever te bereiken, doch de boeren, wien het gelukt was, den vijand overal te doen deinzen, sneden hem alom den pas af en dreigden hem den dood.

“Grijpt hem levend!” riep Falckestein: “de schelm moet geen krijgsmansdood sterven. Aan de galg met den vorstenmoorder!”

”Nondum venit hora mea,”4 zeide Eugenio, die, schoon hij zich omsingeld zag van vijanden, zijn moed noch zijn tegenwoordigheid van geest verloren had. Evenals de forsche bulhond, die in een weide geraakt, zich door de dreigende hoornen der runddieren van alle kanten bestookt ziet, en zich echter uit het gevaar weet te redden, zoo ontkwam ook de onversaagde monnik. Grimmig sloeg hij den blik in ’t rond: hij koos de plek, waar hij een bres wilde maken, in den levenden muur, die hem omringde, en noodlottig was die keuze voor den ongelukkigen boer, die er het voorwerp van geworden was. Eugenio deed een sprong, en de huisman, tegen wiens borst hij belandde, lag zieltogend in het gras. Van de verbazing van het oogenblik gebruik makende, snelde de Jezuïet van den steiger, plofte als een molensteen in het water, dook onder voor de op hem geloste schoten en kwam behouden aan de overzijde.

“Welnu,” zeide Velasco: “gij ziet den heerlijken uitslag van uw onmisbaren aanval!”

”Me deseruerunt omnes!” zeide Eugenio: “zij hebben mij allen verlaten; maar, dit beloof ik u, morgen zullen wij in het slot zijn; vandaag genoeg! Laat nu maar den aftocht blazen.”

Falckestein, wel overtuigd, dat hij dien dag geen nieuwen aanval te wachten had, liet aan de bezetting de noodige ververschingen toedienen en maakte toebereidselen om tegen den volgenden morgen den vijand te kunnen verwachten.

1 Als één man.

2 Ik zal u den rechten weg leeren.

3 Zeventigmaal zevenmaal.

4 Mijne ure is nog niet gekomen.

Vierde Hoofdstuk.

Inhoudsopgave

Zie hier uw gemalin.

’k Geleid haar thands bij u, gelijk uw hofknaap, in,

Bilderdijk, Floris de Vijfde.

Een nieuwe dag was aangebroken: reeds met zonsopgang stond de Graaf met Feurich en den rentmeester op den torentrans om de bewegingen der vijanden gade te slaan; dan alles bleef rustig en stil in het leger: het was acht uren geslagen, en nog deed niets het voornemen tot eenigen aanval vermoeden. “Waarlijk,” zeide Feurich, “ik zou beginnen te gelooven, dat zij van hun onderneming afzien en eieren voor hun geld kiezen: zij zullen zich, met het ontbijt van gisteren vergenoegen en willen zeker het middagmaal van heden niet afwachten.”

“Zoo zij wilden vertrekken,” zeide de Graaf, “hadden wij hun daartoe reeds toebereidselen zien maken; doch neen: de meesten ronken nog onder hun tenten: alleen de toegangen zijn bezet; waarschijnlijk wachten zij versterking uit het hoofdleger, of willen zij ons door honger tot de overgave dwingen; maar bij mijn zwaard! zij zullen alleen over mijn lichaam in het slot mijns vaders komen.”

“Heer Graaf!” riep nu Peter de torenwachter: “ziet Uwe Genade die stofwolk van den kant van Duisburg?”

“Ach hemel!” zuchtte Beckman: “dat zijn voorzeker de schapen van Göbel, welke zij hebben ontvoerd om zich proviand te verschaffen: een kudde van zeshonderd vette beestjes, waarvan Uwe Genade de tienden had: dat zulke onbekeerde schelmen die in hun keukens zullen braden!”

“Wat schapen!” hernam de torenwachter: “ik zie duidelijk helmen en lansen glinsteren: het zijn versche benden die aanrukken.”

“Inderdaad,” sprak de Graaf: “doch wat is het? vriend of vijand? Kunt gij het vendel niet onderscheiden?”

“Nog niet, Uwe Genade!” antwoordde Peter, “doch ja.... het zijn Spanjaarden: ik herken hen aan hun legertrein en orde van aanmarsch.”

“Dus nieuwe aanvallers!.... Ha! daar wordt de marsch geblazen en Lopez trekt hen met zijn ruiters te gemoet.”

“Ik ben maar blijde dat het de schapen van Göbel niet zijn,” zeide Beckman: “doch hoe zullen wij al dat volk wederstaan?”

“Met Gods hulp en onze dapperheid, Beckman!” antwoordde zijn Heer: “wat zegt de spreuk: werkt en bidt! ga allen aanzeggen, dat zij zich in de groote zaal vereenigen; de Pastor is met Mevrouw vertrokken, doch ik zal zelf het gebed doen, en wij zullen den drie-en-twintigsten Psalm zingen, die op onze omstandigheden toepasselijk is.”

De bevelen van den vromen Graaf werden ten uitvoer gebracht: al wie in het slot der Hervormden geloofsbelijdenis was toegedaan, ja, ook sommige der Roomschgezinden, verschenen in de groote ridderzaal. Met ernst, godsvrucht en klem sprak Falckestein Hem aan, van Wien alleen zij hun redding verwachten konden, en smeekte Hem, voor en met hen te strijden en hen niet beschaamd te maken in de groote beproeving, die zij om Zijnentwille en uit liefde voor hun dierbaar vaderland doorstonden. “Of,” zeide hij, en hiermede besloot hij zijn aanroeping, “indien het Uw wil is, dat wij het getal vergrooten van zoovele vrome martelaars, die voor de verdediging van hun vaderland, voor de rechten van hunne Overheden, ja wat meer zegt, voor Uwen heiligen Naam en ter bewaring Uwer onvervalschte leer, hun bloed hebben vergoten, zoo schenk ons lijdzaamheid, volharding en vertroosting in de ure des lijdens, opdat wij getrouw den goeden strijd volstrijden mogen en dat ook tot ons, als wij ons voor Uwen troon vertoonen om rekenschap af te leggen van hetgeen wij op aarde verricht hebben, moge gezegd worden; gij goede dienstknechten: over veel heb Ik u gezet: over veel zijt gij getrouw gebleven: gaat in de vreugde uwes Heeren!”

Plechtig klonk, na dit gebed, het Psalmgezang door de hooge slotgewelven: en geen was er onder de aanwezigen, die na den afloop der plechtigheid niet bemoedigd en als ’t ware meteen nieuw leven bezield, de zaal weder verliet. Alleen hij, die de overigen bemoedigd had, ondervond zelf die kalmte, die opgewektheid niet, welke het hem gelukt was, aan anderen in te boezemen. Falckestein gevoelde, niettegenstaande de voordeelen, die hij behaald had, en de gunstiger wending, die de zaken voor hem schenen te nemen, zijn boezem beklemd en zwaarmoedig, en spoedig keerde hij, om nogmaals te onderzoeken welk lot hij te wachten had, met Beckman en Feurich naar den toren.

“Ik zie hun nog geen toebereidselen maken,” zeide Peter de wachter: “de krijgsknechten zijn bij elkaar op het gras gelegen, en vermaken zich met dobbelen en zuipen, die luie varkens als zij zijn! alles is nog doodstil...dan ginds komen er soldaten uit het bosch en voeren hout mede dat zij gekapt hebben.”

“Die schurken,” riep Beckman verontwaardigd uit, “het bosch van Uwe Genade, daar wij jaarlijks voor tweehonderd kronen aan timmerhout uit hakten voor den scheepstimmerman Luiken Luikes te Amsterdam.”

“En wat moeten zij op die hoogte bouwen,” vervolgde Peter, “daar die twee ezels die stammen naar toe sleepen?”

“Och ja!” viel Beckman weemoedig in: “dat zijn de ezels van Lottchen Weissmilch: die arme dieren hadden voorzeker niet gedroomd ooit een ander werk te zullen verrichten dan koren naar Uwer Genades molen te brengen. Wat zal die goede weduwe nu beginnen? En daar, de kleinste van de twee, is nog wel met volen: en zulk een arm dier moet paardenwerk doen! doch dat heidensch volk heeft deernis met mensch noch beest.”

“Gelukkig nog zijn die arme beesten,” zeide Falckestein, wien, bij de sombere gemoedsgesteldheid waarin hij verkeerde, ook de vrij kluchtig uitgedrukte klachten van den goeden rentmeester geen glimlach konden afpersen: “gelukkig nog, dat zij slechts een lichamelijk lijden te dragen hebben en voor geen zedelijke kwelling vatbaar zijn.”

“Maar wat gaan zij nu verrichten?” vroeg Feurich, de oogen strak op de werkzaamheden der Spanjaards gericht houdende.

“Zeker,” zeide Beckman, “is het hun voornemen een stormgevaarte te maken, zooals de Pastor mij wel verhaald heeft, dat Civilis gebruikte om het Valkenhof te Nijmegen te bestormen, toen Karel de Groote aldaar voor Paus Julius Cesar het bevel voerde.”

“Ziet!” vervolgde Feurich, zonder de geschiedkundige aanmerking des Rentmeesters te beantwoorden: “Zij zetten twee balken recht overeind!”

“En spijkeren er een derde boven op,” voegde Peter er bij; “dat lijkt als twee droppels water op een galg.”

“Zij willen mij toch niet ophangen eer zij mij hebben,” zeide de Graaf, wien dit schouwspel een half wreveligen, half vroolijken lach afdwong: “of moet dit een schrikvertooning verbeelden, gelijk aan die, waarmede zij de bezetting van Orsoy hebben bang gemaakt? Die vlieger zal bij mij niet opgaan.”

“Ziet!” vervolgde Feurich: “daar komen de Oversten te paard de hoogte oprijden; er wordt een kring om de galg gevormd.”

“Luistert!” hernam Falckestein, “daar klinkt de trompet, zeker om onze aandacht op dit spel te vestigen.”

“En nu hoor ik een doffe trom, als bij halsrecht,” zeide Peter, het oor tegen het vloersteen houdende om beter te hooren.

“Ik zie vrouwen uit het leger komen,” zeide Feurich schielijk, “vrouwen en kinderen: men brengt die tusschen soldaten den heuvel op.”

“Waar? waar?” riep Falckestein.—“Almachtige God! wat zie ik daar?” en zijn gelaat werd witter dan de borstwering, waar hij over leunde. Het onbedriegelijk oog der liefde had hem in een dier vrouwen zijn Anna doen herkennen, die met haar twee zoontjes den heuvel werd opgestuwd.

“Mijn vrouw!” gilde hij: “mijn kinderen! Zij moeten gered worden! Feurich! haast u! laten al de Hanevederen opzitten! maak alles tot een uitval gereed! Mijn Anna! ik word radeloos!”

Men heeft meermalen opgemerkt, dat lieden, die doorgaans en over ’t geheel een kalme, bedaarde gemoedsgesteldheid bezitten, en niet dan zeer traag tot drift vervoerd worden, in die bijzondere gevallen, waarin zij door eene onwederstaanbare zielsaandoening overmeesterd worden, hun tegenwoordigheid van geest nog meer verliezen dan anderen, aan wie een minder bedaard gestel te beurt viel. Falckestein strekte tot een voorbeeld der waarheid van deze opmerking. Zonder eenige kansen te berekenen, zonder in te zien, hoe de macht, die hij wilde tegengaan, de zijne twintigvoud overtrof, hoe hij zich en de zijnen in een wis verderf zou storten, stormde hij de wenteltrap af, vloog naar den paardenstal, zat in een oogenblik in een zadel en beschuldigde zijn getrouwe dienaars van traagheid, omdat zij niet dadelijk gereed waren om hem in ’t veld te volgen.

Reeds haalden echter de getrouwe Hanevederen hun paarden den stal uit, toen zich het trompetgeschal voor de slotbrug hooren liet, en, na een kort verwijl, twee afgevaardigden uit het leger om gehoor verzochten.

Deze omstandigheid was genoegzaam om Falckestein tot zichzelven te doen keeren: hij voorzag een schikking, een vergelijk, hoe was hem nog bijna hetzelfde; doch het was duidelijk, dat de strafoefening, waarvoor hij vreesde, geschorst was; de hoop herrees in zijn gemoed, en met deze keerden weldra de bedaardheid en tegenwoordigheid van geest. Spoedig liet hij de valbrug uitwerpen en reed met Feurich en twee ruiters de afgezondenen te gemoed.

Een hunner (het was Velasco) was ongeharnast; een vederhoed met smaak opgetoomd, dekte zijn bevallig, manlijk gelaat: een zijden wambuis, rijk met strikken en borduursels versierd, sloot om zijn lichaam, en een pronkdegen hing van den breeden gordel. In den anderen herkende Falckestein met afgrijzen den Jezuïet Eugenio, gedost in ’t gewaad zijner orde. De Hopman voerde het woord:

“Na de verdediging, die gij, Heer Graaf! u verstout hebt op gisteren tegen onze troepen in ’t werk te stellen, zal het u bevreemden, dat wij nogmaals woorden van vrede tot u spreken: te meer, daar onze legermacht meer dan verdubbeld is; doch de Spanjaard heeft een walg van noodelooze bloedstorting en weet geleden hoon te vergeven zoowel als te straffen. Wij eischen dus nogmaals, en, bedenk u wel! wij eischen het voor ’t laatst, de overgave van het slot, u een vrijen, een eerlijken uittocht aanbiedende, voor u en voor de uwen.”

“Ik dacht, Hopman!” zeide de Graaf, “dat de wijze, waarop ik u gisteren ontvangen heb, u den lust tot het hernieuwen van een dergelijk aanbod zou ontnomen hebben. Zoo gij geen ander voorstel hebt, verzoek ik u alle verdere moeite omtrent mij te sparen en u naar uw kamp terug te begeven, waar ik juist van oogmerk was, u te komen bezoeken.”

“Dat rade ik u sterk aan,” zeide Eugenio: “gij zult op een vermakelijk schouwspel vergast worden.”

“Met den sluipmoordenaar spreek ik niet,” zeide Falckestein, den Jezuïet verachtelijk met de oogen metende.

“Graaf!” hervatte Velasco: “ik moet u onder ’t oog brengen, welk leed gij u berokkent, door ons aanbod af te slaan. Genade voor al wie zich onderwerpt: dood aan al wie wederstand biedt. Heb deernis, Graaf! met u zelven, met de uwen, met uw vrouw en kinderen,” voegde hij er langzaam bij.

“Met mijn vrouw en kinderen!” herhaalde Falckestein sidderende.

“Met uw vrouw en kinderen, die de krijgskans in onze handen vallen deed, die aan den voet van gindsche galg uw keus afwachten, welke hun lot beslissen moet.”

“Hoe moet die zijn?” vroeg Eugenio: “septuagies septies...”1

“Ziet!” zeide Falckestein, naar het slot wijzende: “op dat voorplein staan mijn dappere ruiters geschaard: zij wachten slechts één woord en volgen mij naar uw leger. De God, die mij gisteren de zege gaf, zal mij ook heden kracht genoeg verleenen om mijn lievelingen aan uw tijgerwoede te ontscheuren.”

Hoe innerlijk verscheurd van ziel, hoe overtuigd dat een poging als die, welke hij voorgaf te zullen doen, vruchteloos af moest loopen, hoopte Falckestein echter, dat de mededeeling van een dergelijk voornemen eenigen indruk op de gezanten zoude maken..... zijn doel was echter gemist.

“De Hemel zij dan hun zielen genadig,” zeide Eugenio. Met deze woorden haalde hij een pistool uit en schoot het in de lucht af.

“Wat zal dit?” riep Falckestein, de hand aan ’t zwaard slaande.

“Het is een sein,” antwoordde de Jezuïet, om hun de stroppen om de halzen te doen: indien ik ook dit pistool losbrand (hier haalde, hij een tweede voor den dag) dan hebt gij vrouw noch kroost meer.” En, om aan zijn woorden nog meer klem bij te zetten, haalde hij den haan over.

“Om Gods wil!” gilde de Graaf, wien het klamme zweet aan alle kanten uitbrak. “Welke menschen, Feurich! Mijn vrienden!”

“Beraad u kort,” herhaalde Eugenio en hief het pistool omhoog.

“Wel!” zeide Falckestein: “ik heb voor mijn eer gedaan, wat ik konde; doch de natuur heeft ook haar rechten: spaar de mijnen en handel met mijn slot naar uw verkiezing.”

“Gij wordt redelijk, Graaf,” hernam Eugenio, en verborg het moordtuig weder in zijn gewaad.

“Trompetter, blaas!” riep Velasco: “Graaf! binnen weinige oogenblikken zult gij uw lievelingen hier zien verschijnen.”

“Komt dan in Gods naam binnen,” zeide de Graaf, “opdat wij over de voorwaarden der overgave spreken mogen.”

Dit zeggende wendde hij zijn paard om en reed met de beide afgezondenen de valbrug over.—Velasco bekleedde ’s Graven rechterhand, doch in zijn gitzwart oog was geen verwinnaarsvreugde te lezen: hij zag, bijna even somber als Falckestein deed, naar den grond, want zijn edelmoedige ziel had een tegenzin in een overwinning, welke op zulk een wijze gekocht was geweest. Eugenio’s gelaat stond strak; doch onder zijn zware wenkbrauwen blonk een schelmsche vreugde, die hij, hoezeer hij ook meester over zijn aandoeningen was, moeite had om te verbergen.

Op het slotplein gekomen, steeg Falckestein af, bood den Hopman, die zijn voorbeeld volgde, beleefdelijk de hand, en zeide, terwijl een traan hem in de oogen blonk:

“Ik heet u welkom op het slot van Bruck: ik mag, helaas! niet meer zeggen op mijn slot. Uw komst alhier belaadt mij met eeuwige schande.”

“Hoe wij hier ook binnenkomen,” antwoordde Velasco met eene buiging: “het kan u nimmer tot schande verstrekken.”

“Wat u betreft,” vervolgde de Graaf tot Eugenio: “ik kan u niet ontveinzen, dat gij mij heden nog minder welkom zijt dan gisteren.”

“Dat verwondert mij,” zeide Eugenio met veel koelheid: “want gisteren had mijn komst u bijna het leven gekost en heden redt zij dat van uw vrouw en kinderen.”

“En belaadt mij met dubbele oneer,” zeide Falckestein, “dat ik u gisteren als krijgsman en heden als gezant beschouwen moet.”

“Ik bid u, Mijne Heeren!” zeide Velasco: “laat ons eene reeds uit haar aard onaangename onderhandeling niet door onnutte verwijtingen verbitteren.”

Onder het gesprek waren zij een der zalen ingetreden. Een kan met ouden Hochheimer en drie bekers werden voor den Graaf nedergezet; het noodige schrijfgereedschap werd aangebracht, en na een morgendronk plaatste men zich en begon men de voorwaarden der overgave onderling te overleggen.

Niet weinig was de graaf verwonderd, toen hij bemerkte dat niet alleen Velasco, maar ook Eugenio, van wien hij na het jegens hem gehouden gedrag geen inschikkelijkheid verwachten konde, hem bij het opmaken van net verdrag de billijkste en ruimste voorwaarden toestonden: de schampere lach van den Jezuïet gaf wel aan zijn toegevendheid een zweem van spotternij, doch de uitslag bleef gunstig voor den Graaf. Na eenige woordenwisselingen kwam men overeen, dat het kasteel op staanden voet zou overgaan aan de Infante, dat de bezetting met krijgseer, slaande trom, aangestoken lont en vliegend vaandel zoude uittrekken: dat de rentmeester, schout, schenker, kok, molenaar, en verdere dienaars van het kasteel en de onderhoorige plaatsen hun bedieningen zouden blijven behouden: en dat het aan de landlieden, die op het kasteel waren, zou vrijstaan, onverlet tot hunnent terug te keeren. De rentmeester, binnengeroepen zijnde, maakte van dit verdrag twee eensluidende afschriften, welke door de overeenkomende partijen geteekend en aan weerskanten overgenomen werden.

Dit in orde gebracht hebbende, vertrokken de gezanten weder naar het leger, en het leed geen half uur, of Velasco keerde aan het hoofd van zijn vendel terug, om bij voorraad bezit van het slot te nemen. Aan zijn zijde was, op een fraai rijpaard, de Gravin van Falckestein gezeten: zij hield haar jongste zoontje op den arm. De gevangene vrouwen volgden met het oudste knaapje, te voet: en boven dezen stak de rijzige gestalte uit van Magdalena, die mede haar zoontje bij de hand geleidde. De trein hield op een afstand van het kasteel stil, en, nadat de trompetter, welke den Hopman vergezelde, driemalen geblazen had, trad Falckestein, te voet en met ongedekten hoofde, de poort uit, verzeld van Beckman, welke de sleutels op een schenkblad droeg en die met een buiging aan Velasco bood. “Ik vervul,” zeide deze, terwijl hij de kenteekenen der overdracht aannam, “de eerste voorwaarde onzer overeenkomst, Heer Graaf! en breng u uwe echtgenoote en kinderen terug, alsmede deze vrouwen en dat andere knaapje, die mede in onze macht gevallen zijn. Het doet mij leed, dat ik ook de dappere krijgsknechten, die door de slagen mijner wapenbroeders gevallen zijn, u niet terug kan geven.”—Met deze woorden steeg hij af, hielp met bevallige beleefdheid de Gravin van het paard en stelde haar aan haren gemaal voor.

Welke redenen de Graaf ook hebben mocht tot dankbare vreugde over de verlossing van zijn gade, zoo werd deze echter in dit oogenblik onderdrukt door het pijnlijk gevoel, dat de gedwongen overgave van een slot, hetwelk hij nog lang met kracht had kunnen verdedigen, bij hem verwekte. Zwijgend, en met een traan in ’t oog, drukte hij de hand zijner gemalin, kuste en liefkoosde zijn kinderen en vergezelde met een nedergeslagen blik de Spanjaards in het slot.

“Gij zijt van meester verwisseld, goede oude!” zeide hij in ’t gaan tegen Beckman: “tracht u bij uw nieuwen Heer aangenaam te maken.”

De grijsaard snikte luid: “Ik die booswichten dienen, goede Heer? neen: ik zal Uwe Genade volgen waar zij gaat: heeft Uwe Genade elders geen brood voor den ouden Beckman, hij heeft genoeg in vroeger jaren overgewonnen om zijn weinige levensdagen nog te kunnen doorbrengen zonder voor honger te vreezen.... Helaas! toen uw genadige Heer vader stierf, was ik diep bedroefd; maar het denkbeeld troostte mij, dat Uw Genade mijn Heer en Meester werd.

Toen aan Mevrouw haar eersteling geboren werd, verheugde ik mij, dat een Falckestein Bruck zou beërven; maar thans”.... hier beletteden de tranen hem te spreken.

“Droog uw oogen, mijn vriend!” zeide Falckestein, “niets is wisselvalliger dan de krijgskans: de vreemde vlag zal niet altoos van gindschen torentop blijven waaien.—Doch laat ons binnengaan en zorgen, dat onze manschappen zich betamelijk jegens de nieuwe bezitters gedragen.”

In de voorzaal vond de Graaf zijn echtgenoote en kinderen met Velasco bijeen. “Heer Graaf!” zeide deze: “Het zal u wellicht aangenaam zijn, u eenige oogenblikken met de Gravin ongestoord te onderhouden. Vergun mij dus, mij inmiddels door uw Rentmeester het slot te doen rondleiden, om de noodige, u bekende, schikkingen te maken.”—Falckestein gaf hiertoe, onder dankbetuiging voor Velasco’s beleefdheid, verlof: en de Hopman ging met Beckman het kasteel rond, ten einde, ingevolge de gemaakte voorwaarden, al wat zich binnen het slot bevond op te schrijven, opdat er niets, dan hetgeen door het verdrag veroorloofd was, door de bezetting kon worden uitgevoerd.

Zoodra zij zich met hem alleen bevond, viel de Gravin haar echtgenoot schreiende om den hals: “Ach!” riep zij uit: “dat ik u onder zulke omstandigheden moet wederzien! Hadt gij mij maar laten sterven! dit slot had geen vreemden meester gekend.”

“En uw kinderen!” zeide Falckestein: “Anna, waren ook niet uw kinderen ter dood gedoemd?”

“Mijn kinderen!” zeide zij, terwijl zij die angstig aan haar hart drukte: “doch neen! zoo bloeddorstig wreed zouden die Barbaren niet geweest zijn! En echter, als ik aan hun gruwelen denk!.... Nog ijze ik, Ulrich!—Die arme Pastor! die wakkere Hanevederen! Zij allen zijn dood!.... en zonder die vreemde vrouw, die met ons trok, ware ik zelve met mijn kinderen en vrouwen het slachtoffer der baldadigste wreedheid geworden.”

“Doch hoe zijt gij in de handen dier booswichten gevallen?”

“Wij waren geen half uur van het Kleefsche grondgebied verwijderd en dachten om geen gevaar, toen wij opeens uit onze gerustheid werden opgewekt door eenige musketschoten, die zich van de zijde der Kleefsche grenzen lieten hooren: dit geluid deed ons stilstaan om raad te plegen wat ons te doen stond. Wij besloten een der ruiters op kondschap vooruit te zenden; doch ’t zij dat hij in vijandelijke handen viel, ’t zij dat hij, op eigen lijfsbehoud bedacht, zich wegmaakte, wij zagen hem niet wederkeeren. Inmiddels viel de avond en wij vormden reeds, daar wij niets meer hoorden en wederom moed hadden gevat, het voornemen van verder op te trekken, toen wij opeens aan verscheidene zijden geweldige vlammen zagen oprijzen, die ons het verbranden van ettelijke boerenwoningen, en meteen de nabijheid van den vijand verkondigden. En, eer wij van onzen nieuwen schrik bekomen waren, zagen wij twee Spaansche ruiterbenden in vollen draf van verschillende zijden op ons aankomen. Wat er toen voorviel, kan ik, die van angst voor mijn lieve kinderen bedwelmd was, mij ternauwernood herinneren. Dit weet ik, dat wij in overhaasting de teugels wendden; doch de kogels uit de Spaansche pistolen vlogen sneller dan onze paarden. Wij werden achterhaald. Uwe Haneveeren vochten als leeuwen; doch wat hielp de moed tegen de overmacht? Ik zag den braven Hensken, die zich gedurig voor mij had gesteld om met zijn lichaam het mijne te bedekken, door een sabelhouw op het hoofd getroffen, met gespleten stormhoed, dood aan mijn zijde vallen. Al de Haneveeren, al de landlieden, ook de brave Pastor, die vergeefs verschooning bad voor zijn grijze haren, werden tot eenen toe afgemaakt, geplunderd, naakt uitgeschud: en met een helschen lach zeide de aanvoerder der bende, na het einde van het gevecht, dat hij de gevangene schoonheden, als een behaaglijken buit, aan zijn soldaten prijsgaf. Reeds poogde mij een dier booswichten van ’t paard te rukken, toen Magdalena opeens boven het woest getier der vijanden en het noodgeschrei der vrouwen haar stem verhief en den Spaanschen Overste toeriep:

“Don Estevan de Nunez! is het schoon op weerlooze vrouwen te woeden?”

“Ik ken die stem,” zeide de Overste: en, zijn paard de sporen gevende, reed hij op Magdalena aan. Snel en zacht, en zooverre ik hooren kon, in de Spaansche taal, sprak zij hem toe. Hij antwoordde op denzelfden toon: hun gesprek was kort, doch levendig: herhaalde reizen schudde hij ontevreden het hoofd, en even heftig scheen zij bij hem te blijven aanhouden. Inmiddels hadden de soldaten op zijn bevel van ons afgehouden, en wij verbeidden met pijnlijken angst den uitslag van Magdalena’s welsprekendheid. Zij scheen hem te overreden; want eensklaps gaf hij last ons geen verdere ongelegenheid aan te doen, liet ons door een sterk geleide omsingelen en den aftocht blazen. Schier bewusteloos werd ik weggevoerd; nauwelijks had ik het besef om mijnen kleinen Ulrich op den schoot te houden, en alleen zijn gestadig geween en geschreeuw, hield mij, geloof ik, bij mij zelve. Werner was intusschen door een der ruiters op ’t paard genomen: de knaap schreide luid en hield alleen op, toen de Spanjaard dreigde, hem in ’t water te zullen werpen, indien hij zich niet stilhield. Wij reden een groot gedeelte van den nacht door, en kwamen eindelijk te Duisburg, waar de Spanjaards hun hoofdkwartier schenen te houden. Hier stegen wij af, en ik bracht er met de overige gevangenen in een groote schuur het overschot van den nacht, wel bewaakt, doch ongestoord door. Tegen het aanbreken van den dag werd er weder bevel gegeven tot den afmarsch. De krijgsbende was aanzienlijk vermeerderd; in volkomen orde trok zij met ons af. Het leed niet lang, of ik kreeg den toren van Bruck weder in ’t gezicht, en bevroedde nu terstond, wat het oogmerk van Nunez was, en hoe men zich van mij bedienen wilde om u tot de overgave te dwingen. Ware het niet om mijn kinderen geweest, ik had mij zelve van kant gemaakt:—de kleine Ulrich zag uw vlag van den toren wapperen; blijmoedig stak hij zijn kleine armpjes uit en riep met kinderlijke vreugde: “Bruck! Bruck!”—Wij kwamen in de legerplaats van Lopez: de legerhoofden hielden een kort gesprek en.... het overige is u bekend!”

Hier eindigde de Gravin haar verhaal, hetwelk meer dan eens, zoo door haar zuchten en tranen als door de vragen van haar echtgenoot was afgebroken. “Er is iets vreemds,” zeide deze, het hoofd bedenkelijk schuddende, “in het gedrag van die Magdalena! zij heeft u waarschijnlijk het leven gered.... en echter weet ik nog niet, of ik haar als vriendin of als vijandin beschouwen moet.”

Het overschot van dezen dag werd van de zijde der bezetting doorgebracht in het maken der noodige toebereidselen voor den uittocht, die den volgenden morgen plaats moest hebben, terwijl de Spaansche krijgsknechten de posten innamen en de wachten betrokken.

1 Zeventigmaal zevenmalen.

Vijfde Hoofdstuk.

Inhoudsopgave

Mijn Graeflijc bloet besprenght mijn erfelijken acker.

Vondel, Brief aan den Drost van Muiden.

Met den volgenden morgen was de bezetting ten uittocht gereed. Inmiddels hadden Don Fernando Lopez en Don Estevan de Nunez hun benden laten aanrukken en aan weerszijden van den weg, die naar het kasteel geleidde, geschaard, om het slot, zoodra het ontruimd was, binnen te rukken. Velasco bleef aan ’t hoofd van zijn vendel, dat op het binnenplein in orde van parade stond. Met de gewone krijgseer trok nu de bezetting uit, terwijl de Graaf met zijn gezin den trein besloot. Het scheen, dat alles, gelijk men reden had van te verwachten, in de beste orde zoude afloopen; doch Falckestein had niet gerekend op de kwade trouw der Spaansche verraders. Dezelfde geest, die Romero had bezield, toen Naarden het slachtoffer zijner helsche eedbreuk werd, had ook thans bij den raad der trouwelooze legerhoofden voorgezeten. Nog was de geheele trein de slotpoort niet uitgetrokken, of Lopez wierp zijn staf in de lucht: dit was het sein van den moord. Van weerszijden gaven de Spaansche musketiers vuur op de uittrekkende bezetting, die, op zoo schelmschen aanval niet verdacht, buiten staat was, in de verwarring van het oogenblik eenigen wederstand te bieden. Dood of gewond stortten paarden en ruiters door elkander, en eer iemand schier tijd had zich te herkennen, was de helft der bezetting door de handen der bloeddorstigen afgemaakt.—Schier tot razernij vervoerd over zulk een ongehoord bestaan, reed Falckestein de brug over en wierp zich met uitgetogen zwaard onder de moordenaars; doch zijn paard stortte doodelijk gewond neder, en hij ware het slachtoffer van de woede der Spanjaards geworden, ware niet Velasco, die hem gevolgd was, ijlings toegeschoten. Deze weerde de slagen van zijn hoofd af, vatte hem moedig bij de hand en trok hem met zich naar binnen, terwijl hij aan zijn manschappen gelastte de poort te sluiten en geen Spanjaard binnen te laten. Intusschen had het paard der Gravin, verschrikt door het schieten, een geweldigen zijsprong genomen en was dwars door de gelederen der Spanjaards heen het veld ingehold. Feurich, die het oudste zoontje van den Graaf bij zich op ’t paard had, volgde haar met eenige Hanevederen; en ’t zij dat de Spanjaards nog eenig mededoogen voor de vluchtenden overhielden, ’t zij dat de algemeene verwarring hun het vervolgen belette, het gelukte althans den vluchtelingen te ontkomen aan het moordtooneel.

Zoodra Velasco met den Graaf op het binnenplein gekeerd was, begon hij zich met de duurste eeden van alle medeplichtigheid aan het gepleegd verraad te verschoonen, zwoer, dat hij, in spijt van allen, den Graaf tegen alle geweld zoude beschermen, en bracht dezen vervolgens in een kamertje bij de poort. Weinige oogenblikken daarna verschenen de Spaansche Oversten, op wier gloeiend gelaat een hevige gramschap te lezen was. Lopez stapte dadelijk naar Velasco toe, zonder een blik op den Graaf te slaan.

“Wie,” vroeg hij, “heeft aan Don Diego de Velasco last gegeven, deze doemlingen aan hun welverdiende straf te onttrekken? Ternauwernood wilde men ons binnen dit slot laten!”

“En wie,” vroeg Velasco, met een edele verontwaardiging, “heeft aan Don Fernando Lopez last gegeven, met eer en eed te spelen, een geteekend verdrag te breken en het recht der volkeren te schenden?”

“Ik ben u van mijn daden geen verantwoording verschuldigd, jongeling!” zeide Lopez. “Tracht nooit te vergeten, dat gij onder mijn bevel zijt uitgetogen en slechts daaraan moet gehoorzamen. Wat u betreft, Ulrich von Daun! gij kunt u ter dood bereiden.”

“Niet, zoolang ik hem verdedigen kan,” riep Velasco, terwijl hij den Graaf bij de hand vatte en zijn zwaard voor de oogen der legerhoofden blinken liet.

“Wij zullen zien, wie hier meester is,” riep Nunez; en beide de kapiteins snelden de trappen af.

“Toef hier slechts een oogenblik,” zeide Velasco tegen den Graaf: “ik moet het uiterste wagen.” Onder het uiten dezer woorden volgde hij de Oversten naar het slotplein, en herhaalde aan zijn krijgsknechten het bevel om de slotbrug op te halen, de poorten gesloten te houden en niemand in te laten. Beckman en sommige dienaars, die nog binnen het slot gebleven waren, voegden zich bij hem.

“Wat moet dit kluchtspel beduiden?” vroeg Lopez, die vergeefs zijn gezag had willen doen gelden.

“Niet anders,” zeide Velasco, “dan dat ik, die het verdrag met den Graaf van Falckestein geteekend heb, plechtig bezit van zijn slot neem en er alle verraders en moordenaars buiten zal houden.”

“Soldaten!” brulde Lopez: “zult gij ten gerieve van ketters uw Oversten verlaten?”

De soldaten zagen elkander besluiteloos aan; doch geen hunner dorst zich uit het gelid begeven. Een doodsche pauze had plaats.

“Wakkere spitsbroeders!” riep toen Velasco: “uw naam en die van uw Hopman zijn geschandvlekt, zoo gij mijn last overtreedt. Door mij is een plechtig verdrag met de bezetting van dit slot gemaakt en bezworen: niet door mij, niet door u is dit verdrag geschonden. Onze handen zijn rein van het bloed der vermoorden! De Amirant zal aan het vendel van Velasco geen gruweldaad verwijten, die op het geweten van anderen wegen zal gelijk een molensteen. Houdt hen buiten, die moordenaren! Geen gemeenschap tusschen ons en de schelmen, die den Spaanschen naam door schanddaden bezwalken! ’t Is niet onder Velasco’s vendel, dat de bloeddorst en ’t verraad hun beulen zoeken moeten!”

Juichend riepen de meesten; “Voor Velasco!” en zij die anders dachten, zwegen uit voorzichtigheid.

“Men misleidt u, soldaten!”’ zeide Lopez: “en gij, Velasco! geloof niet, dat al de invloed uws broeders u van straf zal vrijwaren! Kom, Nunez! volg mij en roepen wij onze wakkere manschappen binnen, om dien oproerlingen hun loon te geven!”

Op dit oogenblik trad Eugenio voorwaarts. Deze was de Oversten in ’t slot gevolgd en had tot nu toe als toeschouwer in een der hoeken van het plein gestaan. Hij weerhield de Oversten, die het kasteel verlaten wilden. “Welk een schande!” zeide hij: “Spanjaards tegen Spanjaards! Geloovigen tegen geloovigen! Zult gij op deze wijze de goede zaak bevorderen, door als honden om een been te vechten? Velasco! laat mij met deze Oversten slechts een paar woorden spreken, en ik ben overtuigd, dat alles naar wensch zal afloopen.”

“Doe zooals gij wilt,” antwoordde Velasco: “uw eer lijdt evenzeer als de mijne door de inbreuk, op het verdrag gemaakt. Ik laat derhalve gaarne de zaak aan uw beslissing over.”

De Jezuïet nam hierop de beide Oversten ter zijde, en hield met hen een kort, doch levendig gesprek.

“Ik heb hoop,” zeide hij, na eenige oogenblikken terugkeerende: “dat gij tevreden zult wezen. Deze beide Heeren zijn bereid, om niet alleen het gebeurde te vergeten, maar zelfs om met hun vendelen af te trekken, mits de buit naar billijkheid verdeeld worde. Wat den Graaf betreft, deze zal hier onder uw bewaring blijven, totdat de Amirant zelf over zijn lot zal beschikt hebben: ik bied mij aan, hier met u te blijven, ten einde een goeden geest onder het krijgsvolk te handhaven, de slotkapel in te wijden en de godsdienstoefeningen te volbrengen.”

Ofschoon dit voorstel aan Velasco, die het in vrijheid stellen van den Graaf beoogd had, maar weinig behaagde, begreep hij echter, dat een weigering de nadeeligste gevolgen zou met zich brengen, dewijl hij alsdan gevaar liep, niet alleen tegen de kapiteins en hun legerbenden, maar ook tegen den geduchten invloed van Pater Eugenio te moeten kampen. Hij zwichtte dus, gaf zijn toestemming aan den voorslag en omhelsde de beide Oversten tot een teeken van verzoening.

Straks werd al wat hand- en tastbaar was in het slot buiten de poorten gebracht en aldaar naar evenredigheid onder het krijgsvolk verdeeld, waarna, volgens de overeenkomst, die deze reis niet geschonden werd, Lopez en Nunez met hun krijgsbenden aftrokken.

Het eerste werk, dat Velasco na hun aftocht verrichtte, was om Falckestein, die nog steeds in het vertrek bij de poort met angst den uitslag verbeidde, te gaan geruststellen. “Ik wensch u geluk,” zeide hij: “voor ’t oogenblik is het gevaar geweken en bevindt gij u onder mijn bescherming. Nog heden schrijf ik aan den Amirant en aan mijn broeder, den Grootmeester der Artillerie; ik twijfel niet, of mijn vertoogen zullen weldra uw geheele verlossing bewerken.”

“Eeuwige dankbaarheid ben ik u verschuldigd, edele Velasco!” zeide de Graaf: “doch mijn vrouw! mijn kinderen! O! is u iets van hun lot bewust?”

“Uw gade is het gelukt, met haar oudsten lieveling te ontsnappen,” zeide Velasco.

“En hier is de jongste,” zeide Magdalena, die op dit oogenblik tot hen trad, met haar zoon aan de hand en den kleinen Ulrich op den arm. “De Gravin had mij verzocht voor dit kleintje zorg te dragen, en daar ik nog niet buiten was, toen de moord begon, heb ik niets voor mij zelve, noch voor het kind te duchten gehad.”

“Edele vrienden!” zeide Falckestein, hun de hand drukkende: “God moge uw trouwhartigheid loonen. Mij is zulks onmogelijk. Ik kan slechts danken.” En vurig kuste hij het kind, dat de hemel zoo wonderdadig gespaard had.

Zes dagen verliepen er, zonder dat er iets voorviel, hetgeen in deze geschiedenis verdient te worden opgeteekend. Velasco bleef zijn gevangene met de meeste onderscheiding en beleefdheid behandelen, liet niet af, hem moed in te spreken, hem over de geleden onheilen zooveel hij kon te troosten, en hem al de diensten te bewijzen, welke in staat waren zijn toestand draaglijk te maken. Eugenio betoonde wel geen buitengewone vriendelijkheid jegens den Graaf, doch nam de uiterlijke beleefdheid in acht. Zijn dagelijksche tegenwoordigheid echter aan het middagmaal verwekte bij Falckestein, gelijk men licht beseffen zal, een gevoel van afschuw en verontwaardiging, hetwelk hem belette aan het gesprek eenig deel te nemen. “Ik zou moed kunnen vatten,” zeide hij eens tegen Velasco, daar zij zich alleen bevonden, “ik zou hoop kunnen voeden, indien ik dien verfoeilijken Jezuïet niet gedurig voor mijn oogen had. De tegenwoordigheid van dien vorstenmoorder, zijn verblijf op dit slot kunnen mij niets dan kwaad voorspellen. Van hem kan niets, dat goed is, geboren worden.”

“Ik geloof,” zeide Velasco, “dat gij den eerwaarden Vader verkeerdelijk beoordeelt. Als Protestant, als bondgenoot en vriend van Graaf Maurits moet gij hem haten, dit besef ik; doch als zoodanig gaat gij, verschoon mijn vrijmoedigheid, niet onpartijdig te werk. Pater Eugenio is een wijs en godvruchtig man, die bij ons leger en den Raad zeer gezien is: van kindsbeen af bindt hem een plechtige gelofte, om, waar en hoe hij kan, de zaak van onzen Heiligen Godsdienst voor te staan. Moed, vroomheid, zelfopoffering en haat tegen de ketters maken de hoofdtrekken uit van zijn karakter. De middelen, die hij in ’t werk stelt om de eer van onze Moederkerk te bevorderen, mag ik niet beoordeelen, veelmin misprijzen; want ik veronderstel, dat hij nimmer handelt dan naar de voorschriften, hem door de vorsten dier Kerk gegeven. Zijn doel is heilig en Gode welbehaaglijk: en welk sterveling zoude de middelen wraken, die dat doel kunnen doen bereiken?”

“Wat is een Godsdienst,” antwoordde Falckestein, “welke leert, dat het doel de middelen wettigt? Mag men het kwade doen, opdat het goede daaruit voortkome? Zegt Paulus niet....”

“Gij gaat argumenteeren,” hernam Velasco, glimlachende: “ik weet, dit is de gewoonte der Protestanten, altijd met den Bijbel in de weer te zijn en met teksten te schermen. Doch vergun mij, die een krijgsman ben, en bovendien stellig verbod ontvangen heb om immer over godsdienstige punten met ketters te redekavelen, dat ik liefst dien strijd ontwijke.”—Falckestein boog zich en zweeg, waarmede dit gesprek ten einde liep.

Op den morgen van den zesden dag na het vertrek der twee veldoversten, meldde zich een renbode van Mendoza bij Velasco aan, en het leed niet lang, of deze liet den Graaf bij zich ontbieden. Falckestein vond Velasco alleen, en zoo ’t scheen, in hevige ongedurigheid de kamer op en neder wandelende. “Graaf!” zeide hij, zoodra hij hem zag binnentreden, “ik weet niet hoe het met onze zaken staat, noch wat ik van den Amirant moet denken. Gij zijt een man van moed: ik wil dus geenszins voor u veinzen. Verbeeld u, dat de bode, die dezen morgen van Orsoy herwaarts gekomen is, niets anders medebrengt, ten minste mij niets anders heeft ter hand gesteld, dan een bevel van Mendoza, om terstond in ’t hoofdkwartier terug te keeren en mijn vendel alhier achter te laten. Van u noch van de gansche handeling, die hier heeft plaats gehad, spreekt de lastbrief een woord. Op mijn brieven heb ik geen antwoord bekomen: het schijnt dat Nunez en Lopez zich bevlijtigd hebben, mijn gedrag in een donker daglicht te stellen. Volgde ik thans alleen de inspraak van mijn hart, ik voerde u zelf naar een veilige plaats; doch ook dit is niet meer in mijn macht; er heerscht onder mijn manschappen een geest van wederspannigheid, dien ik niet meer kan uitdooven. Na den moord heb ik gebruik gemaakt van de geestdrift van het oogenblik, om u te redden; doch hun toen betoonde gehoorzaamheid schijnt hun thans te berouwen: mijn bevelen worden in den wind geslagen, mijn vermaningen bespot, mijn gezag miskend. Dit is zooverre gegaan, dat mijn soldaten ronduit geweigerd hebben, de straf te volbrengen aan een hunner kameraden, die een overrok aan uw Rentmeester ontstolen had. Ik vrees derhalve, dat ik, in plaats van u hulp te kunnen betoonen, uw ondergang berokkenen zoude.”

“De dood staat reeds lang voor mijn oogen,” zeide Falckestein: “doch bij den God, dien wij beiden op onze wijs vereeren, Velasco, ik smeek u, red zoo ’t u mogelijk is, red mijn kind! zend het aan zijn troostelooze moeder terug.”

“Ik hoop ook den vader te redden,” zeide Velasco met waardigheid: “daarom heb ik zelf het schuitje, dat aan de voorpoort lag, aan den steiger doen vastleggen. Begeef u dus hedenavond met de uwen derwaarts en tracht de rivier over te komen, terwijl ik aftrek met mijn volk. Red u, en schenk mij het genoegen, de laffe wraakzucht uwer haters verijdeld te zien.”

“En gij,” hernam de Graaf: “zult gij den toorn des Amirants, de bestraffing uws broeders niet vreezen, dat gij verwezene ketters aan de straf onttrokken hebt?”

“Laat dit voor mijne rekening, Mendoza zal op geen Velasco het gewicht zijner gramschap doen vallen; en Don Louis zal zijn broeder met des te meer genoegen omhelzen, wanneer hij verneemt dat de eer des Spaanschen naams door hem gehandhaafd is.”

“Wel!” sprak Falckestein, hem de hand met warmte drukkende: “ik ga mijn trouwen Beckman voorbereiden; God zegene u en verhoore uw beste wenschen!”

Na het uiten dezer dankbetuiging haastte zich Falckestein naar het vertrek, waar hij zijn kind hoopte te vinden. Hij vond er Magdalena, bezig aan het herstellen der weinige kleedingstukken, die de plunderzieke Spanjaards nog overig hadden gelaten. De kleine Ludwig, de zoon van Magdalena, speelde met Fenix, ’s Graven grootsten en fraaisten jachthond. Dit dier was bij de verdeeling aan Velasco te beurt gevallen, die het edelmoediglijk weder aan zijn vorigen meester had afgestaan.

“Waar is Ulrich?” vroeg Falckestein met angstvalligheid, toen hij, rondziende, zijn zoontje niet bemerkte.

“Die is met Beckman naar den tuin gegaan,” antwoordde Magdalena. “Wij hebben in lang zulk een fraaien dag niet gehad, en het is voor het knaapje goed, de versche lucht te scheppen.”

“Het is wel,” zeide de Graaf: “hetgeen ik u moet mededeelen is van het uiterste gewicht: ik wilde u gaarne spreken.”

Hierop ging hij zitten en ontvouwde haar hetgeen hij van Velasco vernomen had, en wat deze had uitgedacht om hen te redden.

“Ik vrees, dat het op deze wijze kwalijk gelukken zal,” zeide Magdalena, het hoofd schuddende, nadat hij zijn verhaal geëindigd had: “Velasco kan u niet redden: er is iemand anders hier, die daarvoor zorgt. Ik alleen ben in staat, u van dienst te zijn.”

“Gij?” zeide Falckestein, haar bedenkelijk en wantrouwend aanziende. “Welken invloed kunt gij op de Spaansche beulen uitoefenen?”

“Dit moet u onverschillig zijn, Graaf!” zeide Magdalena met trotschheid, mits ik u redde, u en uw kind. De zwakke muis doorknaagt het net, dat de leeuw vergeefs poogt vaneen te scheuren. Laat mij begaan en bekommer u verder met niets.”

“Beproeven wij eerst het middel, dat Velasco ons heeft aangewezen,” hernam Falckestein, die door de redenen van Magdalena kwalijk overtuigd werd: “wij zullen naderhand tot uwe bescherming de toevlucht nemen.”

“Zooals gij wilt,” zeide Magdalena: “aan u, Graaf! heb ik geen verplichting, en het zal mij niet verweten worden, indien stijfhoofdigheid uw ondergang berokkent.”

“Hoe!” riep Falckestein verbaasd: “en wat kan u zoo zeker doen spreken?”....

Op dit oogenblik ging de deur open en onaangemeld trad Eugenio met een statigen stap de kamer in. Hij boog zich even onder ’t naderen, en bleef vervolgens voor Falckestein staan, de armen kruislings over de borst geslagen, en een perkamenten rol, waarvan een opengescheurd zegel afhing, in de rechterhand vastgeklemd houdende.

“Graaf,” zeide hij: “ik weet dat mijn bijzijn u niet behagen kan; doch ik ben verplicht u over hoogst belangrijke zaken te onderhouden: wees dus zoogoed mij in den tuin voor te gaan, daar wij onverhinderd zullen kunnen spreken.”

“Is dit zoo noodzakelijk?” vroeg Magdalena met drift: “en waarom kunt gij dit hier niet?”

“Vrouwe! wat is er tusschen u en mij? Quid inter me et te?” zeide Eugenio, haar vergramd aanziende: “Heer Graaf! een oogenblik slechts,” vervolgde hij, zich tot dezen wendende.

“Ik zal u volgen,” zeide Falckestein, bevreesd van eenig vermoeden bij den Jezuïet te verwekken.

Beiden verlieten het vertrek: met weerzin volgde de Graaf zijn hatelijken leidsman, en dacht onderweg na, wat deze hem toch zou te vermelden hebben. In den tuin gekomen, vonden zij er Beckman met het kind, dat zich met plukken van grasplantjes en het oprapen van eenige rotte appelen, in de plondering gespaard, vermaakte. Wat verder waren twee soldaten bezig met de lanen te harken.

“Verwijder u, Beckman!” zeide de Graaf: “de Pater heeft mij iets te zeggen.”

“Laat den ouden man maar blijven,” zeide Eugenio: “ik ben verheugd zulk een eerwaarden getuige bij ons gesprek te hebben. Wat zegt de Vulgata? In ore duorum vel trium testium stabit omne verbum.”1

De Graaf plaatste zich op eene steenen bank, terwijl Eugenio over hem stond, tegen een appelboom geleund. Falckestein, die weinig trek gevoelde om het gesprek te beginnen, keek strak voor zijn voeten uit naar een spin, die over de dorre bladeren liep, speelde met de vingers der rechterhand een marsch op de knie en krulde met de slinke zijn knevels op. Beckman dreef met een pereboomtakje de rondvliegende wespen van het kind, en de Jezuïet sloeg met de rol perkament op het vlak der linkerhand op en neder, terwijl hij zijn groote oogen beurtelings van het kind op de steenen trap, die om den toren liep, en vandaar naar de soldaten wendde. Eindelijk brak hij het stilzwijgen af en sprak den Graaf in dezer voege aan:

“Don Diego de Velasco heeft voorzeker reeds afscheid van Uwe Genade genomen?”

“Afscheid genomen?” zeide Falckestein verrast.

“Ongetwijfeld!” hernam de Jezuïet, met een schamperen lach: “uw vriend (met nadruk, op het woord: vriend) uw vriend Velasco gaat nog heden, of is misschien reeds weg. Heeft hij Uwe Genade geen kennis van zijn vertrek gegeven?”

“Het smart mij, dat hij ons verlaat,” zeide Falckestein, die het antwoord op Eugenio’s vraag wenschte te ontwijken.

“Luister!” zeide Eugenio: “hoort gij daarginds geen hoefgetrappel op de brug?”

“Inderdaad,” antwoordde de Graaf. “Wat beduidt dit gerucht?”

“Het is uw vriend, die wegrijdt,” hernam de Jezuïet met koelheid. “Hij heeft lang gehoopt, u te kunnen beschermen; doch Homo proponit et Deus disponit!2 gelijk de spreuk zegt.”

“Hij heeft gedaan, wat de plicht der menschelijkheid hem gebood,” hernam Falckestein: “God vergezelle hem!”

”Amen!” zeide de Jezuïet, zich kruisende.—“Ik twijfel niet, of Uw Genade zal thans verlangend zijn eindelijk eens het lot te vernemen, dat haar en de haren boven ’t hoofd hangt? Ik ben zoo gelukkig aan dat verlangen te kunnen voldoen. De bode, die hier dezen morgen aankwam, heeft allen twijfel hieromtrent doen ophouden.”

“Indien ik van u mijn lot vernemen moet,” zeide Falckestein, “dan weet ik reeds, wat mij te wachten staat; want van u kon ik niets hopen, dat mij gunstig zou zijn; doch ik vleide mij, dat Velasco mij de bevelen omtrent mij gegeven zou kenbaar maken.”

“Dat was ook de meening van Velasco,” zeide de Jezuïet: “doch de Amirant heeft er anders over gedacht. Lees slechts dit perkament, waaruit gij alle noodige opheldering zult ontvangen.”

De Graaf nam den brief uit zijn hand; hij behelsde een volmacht door Mendoza gegeven aan broeder Eugenio van de orde Jesu, om met den persoon van Ulrich von Daun, zich noemende Grave van Falckestein en Overstein en Heere van Bruck, naar goeddunken te handelen. Bedaard las hij het uit, en reikte het vervolgens, zonder er een woord bij te voegen, aan Eugenio over.

“Gij ziet dus,” vervolgde deze, op elk zijner woorden een bijzonderen nadruk leggende, terwijl zijn oogen van helsche blijdschap vonkelden, “gij ziet, dat de kans tusschen ons beiden eenigszins gekeerd is. Eenmaal ware ik bijna uw slachtoffer geworden; thans hangt de beschikking over uw lot aan mij alleen.”

“En waant gij, dat Velasco immer dulden zal?....”

“Wat Velasco dulden zal of niet, is mij volkomen onverschillig. Van mij moet gij genade afsmeeken, en van mij alleen.”

“Van u?” antwoordde Ulrich, hem met verontwaardiging aanziende: “liever stierf ik duizend dooden.”

“Juist! septuagies septies3; doch gij zijt niet alleen! of heeft het niets van mij te vreezen, dat zorgelooze knaapje, daar?”

“God in den hemel! Mijn Ulrich!” gilde Falckestein, opspringende. Doch Eugenio was hem reeds voor geweest. Met de linkerhand het kind omhoogtillende was hij den boomgaard door, en de trap, die aan de zijde van het kasteel naar den hoektoren geleidde, opgesneld. Daar gekomen hief hij het kind over de borstwering, ruim tien voeten boven de zijgracht, terwijl de twee soldaten, eensklaps toegeschoten, den Graaf, die hem volgen wilde, tegenhielden. “Geen stap verder!” riep Eugenio, “of gij zijt de moordenaar van uw kind!”

Falckestein bleef doodsbleek staan.

“Graaf!” vervolgde de Jezuïet, terwijl hij met de rechterhand zijn boezem ontblootte: “hoor naar mij en beschouw dit litteeken: het is dat van de wonde, mij door u toegebracht in dien noodlottigen nacht toen de ongelukkige Panne, door uw toedoen, het slachtoffer zijner getrouwheid aan de Moederkerk is geworden. Dacht gij, dat men zulke beleedigingen vergeten konde?”

“Wreek u; doch op mij alleen: spaar het leven van een ongelukkig, onnoozel kind. Geef het terug aan zijn moeder....”

“Dwaas! alsof uw dood mij wraak genoeg verschaffen kon? Gij zijt een krijgsman, een dapper krijgsman; gij kunt den dood niet vreezen. Van dien kant kan ik u niet deren; doch, gij hebt een vaderhart en dat weet ik te treffen; dat vaderhart moet vaneengereten worden. Ziedaar een wraak, mijner waardig.”

“IJselijk mensch!.... doch bedenk hoe gij u zult verantwoorden. Dat bevelschrift geeft u alleen volmacht over mij.”

“Wien de koe behoort, behoort ook het kalf,” zeide Eugenio grijnzende.

“Al wat ik bezit, al wat mij overbleef is het uwe; doch spaar mijn kind!”

“Zoo is het! zoo moest ik u doen smeeken; maar neen; de dood van het knaapje is besloten: en voor de muren van uw slot zult gij het met het water zien spartelen.”

“Onmensch! ik bezweer u.”

“Vruchteloos!”

“Welnu! zie mij vernederd: ik werp mij voor u in ’t stof, doch spaar mijn kind!”

“Heerlijk, verrukkelijk schouwspel! De trotsche Graaf van Falckestein, de hoogmoedige vijand van Rome en Madrid, voor een armen Jezuïet in het zand geknield. Kom! begin uw confiteor!4 wel moogt gij zeggen: “Pater peccavi.5 Doch het ware al om niet: ik voldoe mijn wensch; en ziedaar de ontknooping van het spel: septuagies septies!6”

Deze woorden uitende, liet hij het kind los. Falckestein sprong met een vreeselijke gil toe: hij had den plof gehoord en meteen den noodkreet van zijn zoontje in het uiterste levensuur. In vreeselijke gemoedsaandoening vloog hij naar den waterkant om in de rivier te springen en te trachten het arme kind te redden; doch op een wenk van Eugenio gaf hem een der Spanjaards met zijn hark zulk een slag op den slaap van het hoofd, dat hij met den kreet van: o Jezu! ter aarde stortte.

Beckman was, zoodra hij het kind in het water had hooren ploffen, met al den spoed, dien zijn jaren toelieten, naar den vischslag geloopen, alwaar, volgens Velasco’s belofte, het schuitje werkelijk lag vastgemaakt. Met kracht van riemen haastte hij zich naar de plaats waar het kind gezonken was, ’tgeen aan de andere zijde van den hoektoren en buiten zijn gezicht had plaats gehad. Langs de rivier in de zijgracht gekomen, zag hij wel een mutsje drijven; doch het kind zelf was nergens te bespeuren: alleen de kringen in het water verrieden de plek, waar het verdwenen was. Terwijl hij aldaar rondzwalkte, gonsde hem een steen om de ooren, hem uit den boomgaard nageworpen; waarop hij, op eigen levensbehoud bedacht, naar de overzijde voer en zich redde met de vlucht.

Ruim drie uren had de grijsaard langs de heuvelen en dalen rondgezworven, terwijl de schrikbeelden van het laatste oogenblik hem beletteden, over het gebeurde na te denken, toen hij van verre iemand naderen zag in boerengewaad, doch met sabel en pistolen gewapend. Beckman wilde hem ontwijken; doch met een kreet van blijdschap snelde de vreemdeling op hem af. Het was Feurich, wien de Gravin, die behouden te Dortmond was aangekomen, had afgezonden om naar het lot van haar echtgenoot te vernemen. Men beseft de droefheid des braven ruiters, toen Beckman hem den nieuwen moord, die te Bruck had plaats gehad, berichtte. Deze tijding deed hem echter van zijn voornemen niet afzien. Hij verzocht dus aan Beckman, hem bij een boer, dien hij hem noemde, te wachten, en reisde voort naar Bruck.

Het was reeds nacht, toen hij in het gezicht kwam van het slot: dan welke verbazing beving hem, toen hij het in dikke rookwolken gehuld zag, terwijl de spiegeling der vlammen in de rivier teruggekaatst werd. Met ontzetting naderde hij: dan al spoedig werd hij gewaar, dat alleen het vischhuisje en de tuinloods in brand stonden. Dit deed hem besluiten zijn oogmerk te volvoeren: hij ontdeed zich van zijn bovenkleederen, greep de sabel tusschen de tanden, zwom de rivier over en klom, tegen den steiger, aan de overzijde aan wal.

Het was hier stil; doch een ondraaglijke hette vervulde den boomgaard: de flikkering der vlam, die allengskens afnam, deed hem alle voorwerpen duidelijk onderscheiden: dan wat schouwspel deed zich aan zijn oogen voor, toen hij de zwartgerooste balken en steenen genaderd was: een twaalftal verbrande en gerooste lijken, allen naakt uitgeschud en onkenbaar! Met ijzing treedt hij terug; doch keert zijns ondanks weder. Met de punt van ’t geweer draait hij hen om, zij vallen in asch uiteen. Eindelijk vindt hij een lichaam, waarvan alleen de beenen verteerd waren, terwijl het hoofd, in ’t natte gras rustende, nog volkomen gaaf was. Hij trekt het naar zich toe, veegt met de hemdsmouwen het gelaat schoon, en.... zwijmt neder naast het deerniswaardig overschot van zijn ontzielden meester.

Wenden wij de oogen van dit schriktooneel af en begeven wij ons naar het leger der Staatschen, waar de doorluchtige held, die er het opperbevel voerde, met nimmer verkloekt beleid zich beijverde om de verachterde zaken van den Nederkreits te herstellen.

1 In den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.

2 De mensch wikt en God beschikt.

3 Zeventigmaal zevenmalen.

4 Confiteor beteekent: ik belijde, en wordt voor de belijdenis zelve gebruikt, omdat men de biecht met dat woord aanvangt.

5 Ik heb gezondigd, vader.

6 Zeventigmaal zevenmalen.

Zesde Hoofdstuk.

Inhoudsopgave

Maer dat en is het niet, waerop de veltheer loert.

Wie zich derf onderwinden

Een’ aenslagh, vol gevaers, moet passen op zijn tijt.

Vondel, Gysbrecht van Aemstel.

Mendoza had, min door beleid of dapperheid, dan door de medewerking der pestziekte, die de bezetting wegrukte, en der vlam, die het buskruit der Staatschen springen deed, de stad Rijnberk in zijn macht gekregen, en kort daarna Wezel, Rees en Emmerik bezet. Maurits, nu zeker onderricht, dat al die krijgsbedrijven zeer tegen den zin der Duitsche vorsten geschiedden en door de Kleefsche Regeering opnieuw om hulp aangeroepen, had zich van Zevenaar, Heussen en Lobith verzekerd, en die grensplaatsen van de noodige versterking voorzien. Hierdoor waren de vijandelijke legers zoo dicht bij elkander, dat het niet missen kon, of er moesten gedurig schutgevechten voorvallen. De Spanjaarden schoten hierbij doorgaans te kort, daar het verwoesten der landerijen in het leger van Mendoza een hongersnood had doen ontstaan, die zoo geweldig woedde, dat de overloopers en gevangenen dikwijls verklaarden, in geen vijf dagen brood geproefd te hebben. Het hoofdkwartier van Graaf Maurits was te Oud-Zevenaar gevestigd, en zijn sterkste legermacht aldaar verzameld, eensdeels op het vasteland, en anderdeels op den Weert of eiland, voor de kerk liggende, en den Gelderschen Weert genaamd, welke met den vasten wal aan weerszijden door schipbruggen vereenigd was, en waardoor een andere schipbrug van honderd roeden lang een veiligen weg bood aan de ruiterij en den legertrein. Ook hier hadden kunst, beleid en volharding over de weerbarstige natuur gezegevierd, en het schijnbaar ongunstig gelegen oord had, door de bekwaamheid van den veldheer, een sterke, gemakkelijke en wel voorziene legerplaats verschaft.

Het was op een frisschen najaarsmorgen, dat de veldheer, van zijn dappere legerhoofden en bekwame krijgsbouwmeesters vergezeld, van den Weert, alwaar hij een krijgsschouwe gedaan had, naar Oud-Zevenaar terugkeerde. De legers van dien tijd—vooral dat der Staten—leverden een Babel op van de meest verschillende volkeren en tongen, van oorlogslieden, door win- of eerzucht uitgelokt, om voor de zaak te strijden van een natie, die hun vreemd en onverschillig was, en het is nog te verwonderen, hoe een legerhoofd niet alleen de vereischte orde, ondergeschiktheid en rust kon bewaren in een lichaam, uit zulke vreemdsoortige deelen samengesteld, maar zich daarvan met eenig voordeel konde bedienen. Zoo iemand, verstond Maurits deze kunst, hem door zijn grooten vader en voorganger ten erfdeel gelaten: en het ware de moeite dubbel waardig, dat een bekwame pen zich bevlijtigde, meer opzettelijk de bekwaamheden aan te toonen, welke die beide Vorsten hebben aan den dag gelegd in het te boven komen van hinderpalen, niet uit de macht der vijanden, maar uit de samenstelling hunner natuurlijke bondgenooten en medestrijders ontstaan. Men zegt vrij algemeen en men kraait het elkander na, dat onze voorvaderen ons land hebben vrijgevochten; doch de door hen betoonde dapperheid en volharding heeft zich meer bepaald tot het verdedigen van eigen Haardsteden, gelijk te Leiden, Haarlem en Alkmaar het geval was, dan tot het wezenlijk oorlogvoeren. Zonder de groote legerhoofden, die voor ons vaderland gestreden hebben, ware het nog lang een machtig deel van Spanje gebleven, en het gezegend licht der Hervorming had er niet dan flauwe en onder de koornmate verborgen stralen geschoten.

De legers van dien tijd waren uit verschillende bestanddeelen samengesteld, gelijk ik aanmerkte vóór deze uitweiding, voor dewelke ik den lezer verschooning verzoek: en de stoet, die Graaf Maurits vergezelde, bood in een klein begrip stof tot een beschouwing als bovenstaande.

Naast den Graaf reed een der bekwaamste officieren van zijn tijd, de Generaal Sir Francis Vere, die de Engelsche benden aanvoerde; aan zijn andere zijde de groote Vlaamsche Wiskunstenaar Simon Stevyn, ’s Vorsten vriend en leermeester, die hem in ’t veld als Kwartiermeester-Generaal diende, en achter hem de Waalsche Hoofdman Marquette. Wat verder reden ’s Vorsten neven, Graaf Ernst van Nassau, die aan ’t hoofd der Duitschers stond, en Graaf Lodewijk Gunther van Nassau, welke beiden moeite deden om een geregeld gesprek te onderhouden met den Markgraaf van Bethune, den Kolonel der Fransche hulpbenden. Hen volgden andere stafofficieren, waaronder zich de Schot aan zijn geruiten mantel, de Milanees aan zijn gitzwart haar en geestigen oogopslag, de Deen aan zijn vierkante kloeke gestalte en de Zwitser aan zijn breede knevels onderscheiden lieten. Eenige kapiteins van de Garde, waaronder de Ritmeester van Reede van Sonheuvel, waren met dezen trein vermengd.

Aan het hoofdkwartier gekomen, vernam de Graaf, dat de Gravin Douairière van Falckestein zich aldaar had aangemeld en een gehoor bij Zijne Doorluchtigheid dringend verzocht.

“De Gravin van Falckestein!” zeide Maurits met aandoening: “zij moet vooral niet worden afgewezen. Vergunt mij eenige oogenblikken aan haar te schenken, Mijne Heeren! ik ben straks weder tot uw dienst. Vetter!” vervolgde hij, zich tot Graaf Lodewijk Gunther wendende. “Ga Mevrouw verwelkomen en zeg haar, dat ik haar verwacht.”

Dit zeggende, begaf zich Maurits naar zijn tent, terwijl de officieren, van hunne paarden afgestegen, zich aan den ingang in onderscheidene groepen verzamelden. Nieuwsgierig sloegen zij de oogen naar de zijde, van waar de Gravin moest komen, met dat verlangen, hetwelk men gemeenlijk koestert om iemand te zien, die zich, hetzij door groote daden, hetzij door groote onheilen heeft beroemd gemaakt. Weldra naderde zij, door Graaf Lodewijk Gunther voortgeleid; zij was in zwaar rouwgewaad gehuld, doch de diepe weedom, op haar bevallig nu verbleekt gelaat verspreid, duidde nog meer dan het rouwgewaad het lijden aan, dat haar ten deel gevallen was. Zij had haar nu eenig zoontje bij de hand, en trad met nedergeslagen oogen en wankelenden gang de rijen der edelen door. Beckman en Feurich, die haar vergezeld hadden, bleven op een kleinen afstand van ’s Veldheers legertent eerbiedig staan.

Met een oog vol deernis staarden de krijgsoversten op die rampzalige weduwe, en aan meer dan een, die haar vermoorden echtgenoot gekend had en hooggeacht, ontrolde een droevige traan. Horatio Vere echter kon niet nalaten tegen Reede, die naast hem stond, aan te merken: “a fine lady, to be sure1, nietwaar?” “Ik heb er niet op gelet,” antwoordde de Ritmeester: “ik heb alleen het rouwgewaad gezien, dat mij den dood van een onvergetelijken vriend herinnert.” Dit zeggende, wendde hij zijn gelaat af en bedekte het met de linkerhand.

”He was your friend? Ah! forgive me: I did not know the relation....”2

Inmiddels was de gravin de legertent des Vorsten ingetreden en bevond zich met dezen en haar zoontje alleen; dan, vruchteloos poogde zij haar rede te beginnen: het gewicht van haar smarten onderdrukte haar, en zij kon, terwijl zij aan Maurits het knaapje voorstelde en zich als smeekeling voor hem nederboog, niet anders uitbrengen dan deze woorden: “Uwe Doorluchtigheid bescherme mij en dit ongelukkige weeskind!”

“Sta op, Mevrouw! en neem plaats,” zeide Maurits, haar opheffende en naar een zitplaats geleidende: “gij komt hier bij een vriend, die hartelijk deelt in uw lot. Waarmede kan ik u die deelneming betoonen? want Maurits is een slecht redenaar en doet zijn medelijden liever door daden spreken. Beveel over mij; doch, ik bid u, kom tot u zelve, gij zijt diep ontroerd!”

Nadat de Gravin door een vloed van tranen lucht had ontvangen en genoeg bedaardheid van geest herkregen om een aaneengeschakelde rede te beginnen, schilderde zij haar ongelukkigen toestand aan den Vorst, betuigde hem, dat zij niet in den Nederkreits blijven wilde, noch haar nu eenigen zoon aan de rampen des oorlogs blootstellen en eindigde met aan Maurits te verzoeken, dat hij haar in een der Hollandsche steden een veilige wijkplaats wilde aanwijzen, waar zij, verre van het oorlogsrumoer, haar dagen in stilte zou kunnen doorbrengen, totdat de krijg, van den Neder-Rijn geweken, haar weder vergunde, in het bezit van haar goederen te keeren en zich aldaar neder te zetten.

Met vriendelijk geduld en oplettendheid luisterde de Graaf naar haar verzoek, en gaf haar vervolgens zijn woord van voor haar en haren zoon als voor de leden van zijn huisgezin te zullen zorgen. Vervolgens riep hij graaf Lodewijk Gunther binnen.

”Vetter!” zeide hij: “maak u gereed om de genadige vrouw naar Arnhem te geleiden en haar het beste logies te bezorgen, dat gij voor haar vinden kunt. Ik zal intusschen aan de Staten schrijven en van Hunne Hoogmogenden verzoeken, Hare Genade een geschikte woonplaats in Den Haag aan te wijzen. De Graaf van Falckestein heeft genoeg voor ons gedaan, dat zijn weduwe wel eenige aanspraak op onze dankbaarheid mag behouden.”—Dit zeggende, geleidde hij zelf de Gravin tot aan de legerpoort terug, en nam afscheid, haar nogmaals aan de zorgen van zijn bloedverwant aanbevelende. “Kwijt u wel van uw post, Vetter!” fluisterde hij hem in ’t oor, “en verlies uw roem niet, van een getrouw dienaar der dames te zijn.”

Bij zijn terugkomst aan het hoofdkwartier vond de Graaf al zijn officieren van geestdrift opgewonden. Zij hadden van Beckman en Feurich de afgrijselijke omstandigheden van den moord vernomen en waren in felle woede op de bloeddorstige moordenaars ontstoken. “De par tous les diables!” riep Bethune uit: “Sel die Spanjool op onkestoor sulke moordadikheden pleeken? et sans vengeance? Permetteere ons Son Excellence om te kaan venger so skendikke skelmstukke?”

“Op wie?” vroeg Stevyn glimlachende.

“Oppe wie? Parbleu! Monsieur le Quartiermaître! dat isse eene vraak van een mathématicien. Diable! sur tout le monde, pour l’honneur de l’humanité.”

”Revenge on die damnd vermorderers!” riep Vere.

“Ich sol den ersten Spanjool, dien ich antreffe, die kopf afschlagen vor eine rache,” zeide Graaf Ernst.

“Hoe nu, Mijne Heeren!” zeide Maurits: “wat is uw oogmerk? als ware Amadissen de wapenen op te vatten en mij te verlaten om een schoone vrouw te gaan wreken?”

”Pardon, votre Excellence!!” zeide Bethune; “maar ik bekrijp, en vrai chevalier Français, te moeten omhels la cause van de bedrukte beauté.”

”A child murdered!” riep Vere: “het roept om wraak to the Lord!”

“Ein vertrag zu erbrechen!” hernam Graaf Ernst.

“Recht zoo!” zeide Graaf Maurits: “dit alles roept om wraak! en de straf zal eenmaal het misdrijf volgen. Mendoza zal spoedig de vruchten van zijn spelen met eed en beloften ondervinden, in het wantrouwen van allen, wier hulp hij behoeft en in de verachting van al wat wèl denkt, ook bij den Spanjaard. Wat ons betreft, Mijne Heeren! laat ons deze nieuwe bijdrage tot de geschiedenis der Spaansche tirannen in aandenken houden; doch alleen om met des te meer ijver het groote verlossingswerk voort te zetten, waartoe wij ons vereenigen, en wachten wij ons om, bij het wreken van dergelijke wandaden, ze na te volgen. De oude regel tand voor tand en oog voor oog is door een betere, zachtere leer vervangen, en Spaansche gruwelen mogen nimmer worden aangehaald om de onze te wettigen.—En thans genoeg hierover: Mijn beste Stevyn! de Grootmeester der Artillerie Kessel, wacht ons aan de stallen: ik heb nu een twintigtal toomen laten maken volgens de teekening, die ik er laatst van ontworpen heb, en ik durf vast gaan, dat zij, wiskunstig gesproken, de gebitten niet meer prangen kunnen. Tot noen dan, Mijne Heeren! ik verwacht ulieden en wensch u inmiddels vaarwel.” Dit gezegd hebbende, boog hij zich rond en vertrok met Stevyn.

“Wiskunstige toomen! ne sont-ce pas comme qui dirait des brides mathématiques?” vroeg Bethune met een spottenden glimlach.

”The same,” antwoordde Vere; “doch laat u dit niet verwonderen. Gij zijt nog maar kort bij ons,” (vervolgde hij in gebroken Fransch, hetgeen ik hier liever in verstaanbaar Nederlandsch overbreng); “maar gij zult meer hooren dan dit. Bij zijne Excellentie gaat alles wiskunstig toe, en het is er niet te minder om. Onlangs had ik, ter bemachtiging van een verschansing, schuiten uitgedacht met opstaande ladders; doch Zijne Excellentie bewees mij zeer goed, dat mijn schuiten niets deugden, en bij het beklimmen der ladders, door de zwaarte zouden kantelen en omslaan: en toen maakte Stevyn op zijn last een vertoog, ’t welk hij noemde.... hoe duivel heette het ook?.... o ja: vlietende topswaerheit: en hij bewees daarin hoe men schuiten moest inrichten, die nimmer kantelen konden, maar evenals Indiaansche duikelaartjes zich altijd weder herstelden!”

”Ah! c’est un grand génie, quo son Excellence,” zeide Bethune: “mais pourtant, des brides mathématiques! c’est plaisant! je doute que cela prenne.”

”Et cela prendra cependant,” zeide de Adjudant Marquette tot den ginnegappenden Franschman: ik ben certein, dat ge den ierste zijn zult, dien ze in awe roitery zult nemen, zoodrao ge ze gezien hebt.”

”Je n’ en doute pas, puisque vous affirmez, mais cependant....”

“Komt meine Herren!” riep graaf Ernst hun toe: “wollen sie nicht met kaan nach die maliebaan om onze etlust anzuwacheren?”—Dit voorstel vond goedkeuring: de krijgsoversten begaven zich naar een open plein, dat, achter ’s Veldheers tent gelegen, de geschikste gelegenheid aanbood tot dergelijke vermakelijkheden. Hier besteedden zij den tijd, die hun tot het etensuur overbleef, met het balslaan of met het kegelspel. Alleen de Heer van Sonheuvel schudde ontevreden het hoofd en begaf zich naar zijn kwartier.—“Zijn dat mannen?” mompelde hij onder ’t voortgaan: “in ’t eene oogenblik bestormen zij Zijne Excellentie om verlof tot een uitval, ten einde wraak te gaan nemen over dien gruwelijken moord, en in het volgende loopen zij als kinderen naar de maliebaan en kaatsen en kegelen en lachen en zuipen, alsof er nooit een Ulrich von Daun in de wereld geweest ware. Dan, laten zij hem vergeten, ik vergeet hem zoo licht niet!”

Nog vervuld van deze gedachten, trad hij zijn tent binnen, waar hij den getrouwen Bouke bezig vond met het opwitten van zijns meesters handschoenen en degenhanger.

“Ik hoor,” zeide deze, “dat de genadige vrouw van Falckestein in het leger geweest is.”

“Dat is zij, Bouke! en tot mijn verdriet! Toen hebben de Oversten een boel poha gemaakt quasi om haar te gaan wreken, en het was Fransche wind en Duitsche larie en Engelsche vloeken wat men hoorde; en per slot van rekening zijn zij allen loopen spelen; maar, wat mij betreft, ik beloof dat ik den eersten Spanjool, dien ik in handen krijg, den kop zal afhouwen tot een exempel voor al zulke woordbrekers en verraders.”

“Die arme Graaf!” zeide Bouke: “doch wat kon hij anders van zulke schelmen verwachten? ’t zijn allen fielten en rabauwen: heugt het UEd. nog van die Satansche Jezuïeten? Ja, gelijke monniken, gelijke kappen! De Graaf had zich nooit met hen in moeten laten, want geef je den duim, ze nemen je de heele hand.”

“Nu,” hernam Reede: “ik zal hun duim noch hand, maar wel een paar fiksche vuisten toonen, dat beloof ik. Ja, ik moet en wil Zijne Excellentie spreken; misschien zal Maurits als ik hem alleen vinde, mij wel toestaan een tochtje te ondernemen: hij is hier achter in de stallen: ik zal hem maar terstond gaan opzoeken.”

“Juist,” merkte Bouke aan: “men moet het ijzer smeden als ’t warm is.”

De Ritmeester trad zijn tent weder uit en wandelde naar de straten achter de legerplaats, waar zich de paardenstallen bevonden. Het leed niet lang, of hij zag den Graaf met zijn jongen broeder Hendrik Frederik, den Generaal der artillerie Kessel en de beide Kwartiermeesters-Generaal Stevyn en Lieven Cys bij een fraai merriepaard staan, aan hetwelk zij onderscheidene gebitten pasten.

“Gij ziet dus, Kessel!” zeide de Graaf, “dat onze leer op goede gronden steunt, en dat de keeren aan een stang noch meer noch minder tot de strakheid doen.”

“Zooals Uwe Excellentie het berekent, neen,” antwoordde Kessel; “doch het zij mij vergund aan te merken, dat men elk in zijn ambacht gelooven moet, en dat alle pikeurs en stalmeesters van oordeel zijn, dat de keeren veel toebrengen tot de strak- of slapheid.”

“Ten iersten,” zeide Stevyn, “zijn de pikeurs giene wiskunstenaors, en kunnen dus van gewichtige gedaonte niet eurdeelen: ten twieden moeten zij oit de ondervinding hun veurgeven bewijzen, of ik ben niet verplicht hen te geleuven.”

“Eilieve zie eens!” zeide Lieven Cys, “hoe bedrukt de kapitein Reede daar aan komt wandelen: ’t is of hij vandaag niet ontbeten heeft zoo kauwt hij op zijn hoed.”

“Hij is misschien bij Mendoza te gast geweest,” merkte Stevyn aan, al lachende: “daor, heur ik, volgt men het oude veurschrift van den philosoof, om, naomelijk, altijd met honger van taofel te gaon.”

“Gij zult zien,” zeide de Graaf, “dat hij mij een verzoek te doen heeft, waarmede hij niet durft aankomen: wij zullen hem uit de verlegenheid helpen.—Kapitein Reede! een woordje met u, als ’t u gelegen komt!”

Met een loop, die veel naar een sprong zweemde, bevond zich de Ritmeester aan ’s Graven zijde. Deze verwijderde zich een weinig van de Oversten, waarna hij, Reede vlak in ’t gezicht ziende, hem aldus toesprak: “Gij hebt iets op uw hart, Kapitein, en gij schroomt het uw Overste te verhalen. Is dat vriendschappelijk gehandeld? Gij weet hoe Maurits de openhartigheid bemint.... wanneer het geen staatszaken betreft.”

“Uwe Excellentie is al te goed,” was het antwoord des Ritmeesters: “en echter vrees ik mijn verzoek niet te zullen verkrijgen: ik wilde Uwe Excellentie spreken over.... over.... de treurige tijdingen, die heden....”

“Hoe!” vroeg Maurits: “is uw gade erger? Ik weet, dat zij zich in zeer zwakken staat bevindt.”

”’t Is waar, Uwe Excellentie! de dood van ons eenig zoontje heeft haar in haar zwangeren toestand zeer getroffen; doch ik bedoelde thans de nieuwe berichten, die ik heden ontving, over den moord van iemand, die zoowel de vriend Uwer Excellentie was als de mijne, den waardigen Ulrich von Daun.”

“Welnu?” zeide Maurits: “en gij wilt?....”

“Wraak nemen op de moordenaars, waar ik hen vinde,” was het antwoord.

“Ik versta u,” hernam de Graaf met veel koelheid, “doch een expeditie ligt niet in mijn plan.”

“Uwe Excellentie!....”

“Misduid mij niet! niemand verdenke mij van hardvochtigheid of ongevoeligheid omtrent het lot van den edelen Graaf! Ik ben geen weekhart, en echter hebben deze oogen droevige tranen gestort om zijn verlies, en ben ik er wellicht dieper over getroffen dan al die Heeren, die mij zoo luidkeels tot wraak aanspoorden.

“Mag ik,” hernam Reede met aandrang, “mag ik op dat getal geen uitzondering maken? Ik was de boezemvriend van den Graaf: ik ken zijn moordenaars.”

“Doch waar zult gij hen vinden?”

“Wellicht nog te Bruck; doch hetzelfde waar zij zich ophouden, al zaten zij, met verlof gezegd, in de voorpoort der hel, ik zal hen vinden met hulp van God en mijn zwaard. Daarenboven weet Uwe Excellentie dat ik een oud eigen op den moordenaar heb, zoowel als Uwe Excellentie. Hij was een der opstokers van Pieter Panne, wie ik....”

“Ik versta u: en uit dankbaarheid, dat gij toen mijn leven gered hebt, moet ik u thans, na de rol van meester Knipschaar, die van meester Hans laten spelen. Hoor eens Ritmeester!” vervolgde hij, hem met gemeenzaamheid de hand op den schouder leggende: “gij zijt een dapper man, kloek en handig met het zwaard, altijd de eerste in het veld; doch of gij de noodige koelbloedigheid bezit om een expeditie als die van welke gij spreekt te bestieren, dit laat ik, beste vriend! gaarne aan uw eigen oordeel over. Ik mag thans mijn leger van geen man ontblooten en wil niemand in gevaar brengen door met u herom te dolen bij nacht en ontijde om een mageren Jezuïet te zoeken; want dat zoudt gij dan moeten, vermits Pater Eugenio niet meer te Bruck is.”

“Niet? O! in ’s Hemels naam, Uwe Excellentie! waar bevindt hij zich dan?”

“Kunt gij een geheim bewaren, Kapitein?”

“Als goud, Uwe Excellentie.”

“Dat voorrecht bezit ik ook, tot mijn geluk. Geloof mij, het ware eene onnutte poging, te willen kennen hetgeen ik bedekt wil houden: indien mijn hemd achter een mijner geheimen kwam, smeet ik het dadelijk op het vuur.”

“Dan zal ik zorgen mij niet te branden,” zeide Reede, met een koele buiging en terwijl hij een gezicht trok alsof hij een drankje innam: “het doet mij innig leed, dat Uwe Excellentie aan mijn verzoek niet voldoen kan.”

Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijn tent, als een patrijshond, die aan den ketting ligt en zijn meester ter jacht ziet gaan zonder hem mede te nemen.

De mensch loopt de fortuin na en deze komt hem dikwijls in zijn bed opzoeken: dit spreekwoord, dat Bouke dikwijls bezigde, werd kort na het gesprek, dat de Graaf met Reede gevoerd had, aan dezen laatsten bevestigd. Hij lag te halftien des avonds op zijn legerstede te ronken, toen zijn dienaar Bouke opeens half naakt voor hem verscheen, en hem wekte met dit spreekwoord: “hoe later op den dag, hoe schooner volk! daar is iemand vanwege Zijne Excellentie, om UEd. te spreken.”

“Zoo!” zeide de Ritmeester, de oogen wrijvende: “ja het is niet anders: kom de vorsten iets vragen, dan is ’t zelden te huis, hebben zij ons noodig, men moet op elk uur van den dag of nacht klaar zijn: doch dat is tot daar aan toe; breng den bode hier, Bouke!.... of wacht! geef mij eerst mijn pels.”

Bouke reikte hem den pels aan, dien hij over het hemd aantrok, terwijl hij al rillende en klappertandende zich naast zijn bed nederzette. Een Luitenant van de Garde werd binnengeleid, die hem aldus toesprak: “Zijne Excellentie verzoekt u, Heer Ritmeester! mij op staanden voet in volle wapenrusting te willen volgen, met uw dienaar.”

“Waartoe? waarheen? waarop is ’t gemunt?” vroeg Reede, terwijl hij zijn oogen wijd opspalkte en het hoofd schudde om recht wakker te worden.

“Dat zal Zijne Excellentie UEd. ongetwijfeld zelve verklaren willen,” antwoordde de Luitenant: “UEd weet dat zijn geheimen....”

“Genoeg!” hernam de Ritmeester, die nu geheel wakker was, met blijdschap: “ik geloof dat ik het oogmerk al raden kan;.... doch laat ik niet te veel zeggen, anders mocht hij een autoda-fé van mij maken, zooals van mijn hemd: gij hebt het gehoord, Bouke! geef mij mijn wapenen, en ga dan spoedig de paarden opzadelen.”

“Welk paard zal UEd. berijden?” vroeg Bouke.

“Om ’t even: neem ’t grauwtje maar!”

“Neem het zwartste paard dat gij hebt, Heer Ritmeester!” zeide de Luitenant: “de nacht is wel donker, maar een wit paard wordt ook bij duister gezien.”

“Bij nacht zijn alle katten grauw,” merkte Bouke aan, terwijl hij zijn meester diens wapenen aanbracht.

“Gekheid, Bouke,” zei deze: “de Luitenant heeft gelijk. Zie eens, Heer Luitenant! mijn borstkuras is zoo helder gepolijst, alsof ik te voren geweten had, dat het dezen nacht zou moeten dienen.... ’t is maar om u te toonen, dat men altijd zorgen moet, zijn spullen in orde te hebben!.... ik zal er met dat al maar een buis over aantrekken; vooreerst om de koude, en ten tweede om niet gezien te worden;.... het zou toch nogal aardig zijn, indien ik juist geraden had!.... Ook zal ik maar een helm zonder vederbos opzetten.... ja, Zijne Excellentie zegt wel, dat ik geen bedaardheid bezitte.... wat hamer Bouke! rep u dan toch wat!.... maar ik hoop u te toonen!.... Zie zoo! ga nu maar de paarden halen: ik zal zelf mijn degen wel krijgen en mijn pistolen laden.... ik wil wedden, dat wij dien Jezuïet in handen krijgen!.... Gaat gij ook mede, Heer Luitenant?—Niet!.... dat spijt mij; anders zoudt gij een kluchtspel zien: een Jezuïet, dien wij zullen vangen!.... waar zijn mijn handschoenen?.... och ik heb ze al aangetrokken!.... wat talmt Bouke nu weer?”

Op het einde dezer alleenspraak, welke de Luitenant zich wel gewacht had te storen, daar hij er niets van begreep, en het praten over het hemd van Zijne Excellentie en den te vangen Jezuïet daar aan toeschreef, dat Reede nog door den slaap bevangen was, verscheen Bouke met de paarden voor de tent. Heer en dienaar stegen op, voorafgegaan door den Luitenant, die hen met een handlantarentje voorlichtte. Zij trokken de brug over, die naar den Weert geleidde, de lange brug, die er overheen voerde, en de derde, welke den Weert met de overzijde vereenigde, totdat zij in ’t open veld waren gekomen. Aldaar kondigde het gebriesch van paarden de nabijheid aan eener ruiterbende, welke door de duisternis niet kon worden onderscheiden. Nu floot de Luitenant een paar malen, en zijn sein werd op gelijke wijze beantwoord: een man in een zwaren mantel gewikkeld en met een breedgeranden hoed op ’t hoofd, trad voorwaarts: het was Graaf Maurits.

“Heer Ritmeester!” sprak deze: “de tijd is kostbaar; doch een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg: achter mij staan honderd ruiters, uit alle benden uitgelezen. Gij trekt met hen een konvooi te gemoet, dat heden uit Gelder naar het hoofdkwartier van Mendoza getrokken moet zijn.—Geen kwartier voor al wie wederstand biedt!—Geene onmenschelijkheden na de overwinning. Een der moordenaren vindt gij zeker: zorg, dat hij niet ontsnappe! een gids, die u verzellen moet, zal u alles nader verklaren. God geleide u!”

“Ik kus de handen uwer Excellentie duizendmalen,” zeide Reede vol blijdschap: “dat had ik niet durven verwachten, na het laatste gesprek, dat ik de eer had met uwe Excellentie te houden.... God zegene Uwe Excellentie!”—En hiermede gaf hij zijn paard de sporen en voegde zich bij de ruiterbende, terwijl Maurits met den Luitenant naar het kamp terugkeerde.

1 Voorwaar, een fraaie vrouw!

2 Was hij uw vriend? O! vergeef mij: ik kende uw betrekking niet tot hem.

Darmowy fragment się skończył.

8,69 zł
Ograniczenie wiekowe:
0+
Data wydania na Litres:
16 stycznia 2025
Objętość:
651 str. 2 ilustracji
ISBN:
4064066311063
Wydawca:
Właściciel praw:
Bookwire
Format pobierania:

Podobne książki