Czytaj książkę: «Al de Kinderliederen»

Czcionka:

J. P. Heije

Al de Kinderliederen


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066313289

Inhoudsopgave

I.

II.

III.

IV.

V.

I.

Dageraad.

Morgenlied.

Weddenschap.

Zons-opgang.

Winterkoning.

Schoolexamen.

Voorjaarsdag.

Voorjaarskoelte.

Van zeven kikkertjes.

Lentelied.

Meimaand.

Mei-regen.

Groen takje.

Onkruid.

Bloemkweeken.

Klimop.

Appelboom.

Grazen.

Kersentijd.

Kersenplukken.

Vogelnestje.

Jonge vogeltjes.

Vogelen-lied.

Duifje.

Roodborstje.

Nachtegaal.

In ’t bosch.

Wensch.

Honigbijen.

’t Verdwaalde lam.

De herder.

Kleeding.

Geärmd.

De kleine bedelaarster.

Van glas.

Nemen en geven.

Vlieger oplaten.

Blindemannetje.

Onze manieren.

Voor de smidse.

Haasje.

’t Jagertje.

October.

Sint-Nicolaas.

Sneeuwballen.

Winteravond.

Naar bed.

Maneschijn.

Avondbede.

Engelen.

II.

Ochtenddank.

Zondag-morgen.

Meesters verjaardag.

Des morgens vroeg.

Naar school.

Kis-kassen.

Klein zusje.

Stukjes-draaijen.

Opgepast.

Kerk-examen.

Nieuwsgierig.

De lente kwam.

In Mei.

Boterblômmetje.

Och Heer!

’t Viooltje.

Brandneteltje.

Niet plukken.

’t Verflenste bloempje.

Verwelkte rozen.

De vlinder.

In de weî.

Lijsterbessen.

Nachtegaals-liedje.

’t Binnenst.

Klein spinnekopje.

Spinneweb.

De bijenkorf.

Ons poesje.

Lorretje.

Draaitol.

Hobbelpaard.

Luilekkerland.

Honger.

’t Een en ’t ander.

Vogelverschrikker.

Onpartijdig.

Een klein jokkentje.

Krachtig en zedig.

Schoudermanteltje.

Nieuwe klompjes.

Winter.

Broodkruimels.

In de kaars.

In ’t donker.

Twee schildwachts.

In den maneschijn.

Des avonds laat.

Sterretjes.

Ter ruste.

III.

Bij ’t ontwaken.

Vroeg op.

Morgenlied.

Leeuwrik.

Handjes wasschen.

Zamen.

Dauw.

Hebt gij ’t gehoord?

Al te vroeg.

Een prijs.

Vergeet-mij-nietje.

Vlasbloemetje.

Maandrozen.

Een woud-bloempje.

Gebroken.

Korenbloemen.

Korenären.

De kromme boom.

De wijnrank.

Bloemen en vogels.

Haantje.

De mieren.

Zoet en bitter.

Het doode mugje.

Glimworm.

Zwaantje.

Ooijevaar.

Een middagslaapje.

Doen en laten.

Zwemmen.

Regtop.

De langste dag.

Medicijn.

Voorzigtig.

Smakelijk eten.

Matig.

Van een aapje.

Duinlied.

Vaderlandsch lied.

Kloek en blank.

Volhouden.

Een vijand.

Treuzeltje.

Kringetjes in ’t water.

Beurtzang.

In tijds.

Sneeuwliedje.

De holle boom.

Vroeg verwelkt.

Winternacht.

I.

Le lever du soleil.

II.

Le printemps.

III.

Le nid d’oiseaux.

IV.

Le rossignol.

V.

Le petit lièvre.

VI.

Le clair de lune.

I.

Sonntag-morgen.

II.

Zur Schule.

III.

O Herr!

IV.

Der Bienenkorb.

V.

Schultermäntelchen.

VI.

Der Winter.

VII.

Brodkrümchen.

I.

On Awaking.

II.

Forget-Me-Not.

III.

The Flax-Flower.

IV.

A Wood-Flower.

V.

Flowers and Birds.

VI.

Cock-a-Doodle.

VII.

The Longest Day.

VIII.

Circles in the Water.

V.

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII.

IX.

X.

XI.

XII.

XIII.

XIV.

XV.

XVI.

XVII.

XVIII.

XIX.

XX.

XXI.

XXII.

XXIII.

XXIV.

XXV.

XXVI.

XXVII.

XXVIII.

XXIX

XXX.

XXXI.

XXXII.

XXXIII.

XXXIV.

XXXV.

XXXVI.

XXXVII.

XXXVIII.

XXXIX.

XL.

XLI.

XLII.

XLIII.

XLIV.

XLV.

XLVI.

XLVII.

XLVIII.

XLIX.

L.

LI.

LII.

LIII.

LIV.

LV.

LVI.

LVII.

LVIII.

LIX.

LX.

LXI.

LXII.

LXIII.

LXIV.

LXV.

LXVI.

LXVII.

LXVIII.

LXIX.

LXX.

LXXI.

LXXII.

LXXIII.

LXXIV.

LXXV.

LXXVI.

LXXVII.

LXXVIII.

LXXIX.

LXXX.

LXXXI.

LXXXII.

LXXXIII.

LXXXIV.

LXXXV.

LXXXVI.

LXXXVII.

LXXXVIII.

LXXXIX.

XC.

XCI.

XCII.

XCIII.

XCIV.

XCV.

XCVI.

XCVII.

XCVIII.

XCIX.

C.

I.

Inhoudsopgave

1 Bladz.

2 Dageraad 3.

3 Morgenlied 4.

4 Weddenschap 5.

5 Zons-opgang 6.

6 *Winterkoning 7.

7 *Schoolexamen 8.

8 Voorjaarsdag 9.

9 Voorjaarskoelte 10.

10 Van zeven kikkertjes 11.

11 Lentelied 12.

12 *Meimaand 13.

13 Mei-regen 14.

14 *Groen takje 15.

15 Onkruid 16.

16 Bloemkweeken 17.

17 Klimop 18.

18 Appelboom 19.

19 Grazen 20.

20 Kersentijd 21.

21 Kersenplukken 22.

22 Vogelnestje 23.

23 *Jonge vogeltjes 24.

24 Vogelen-lied 25.

25 Duifje 26.

26 Roodborstje 27.

27 Nachtegaal 28.

28 In ’t bosch 29.

29 Wensch 30.

30 Honigbijen 31.

31 ’t Verdwaalde lam 32.

32 De Herder 33.

33 *Kleeding 34.

34 *Geärmd 35.

35 De kleine bedelaarster 36.

36 *Van Glas 37.

37 *Nemen en geven 38.

38 Vlieger oplaten 39.

39 Blindemannetje 40.

40 Onze manieren 41.

41 Voor de smidse 42.

42 Haasje 43.

43 ’t Jagertje 44.

44 *October 45.

45 Sint-Nicolaas 46.

46 Sneeuwballen 47.

47 Winteravond 48.

48 Naar bed 49.

49 Maneschijn 50.

50 Avondbede 51.

51 Engelen 52.

II.

Inhoudsopgave

1 Ochtenddank 55.

2 Zondag-morgen 56.

3 Meesters verjaardag 57.

4 Des morgens vroeg 58.

5 Naar school 59.

6 *Kis-kassen 60.

7 Klein zusje 61.

8 Stukjes-draaijen 62.

9 Opgepast 63.

10 *Kerk-examen 64.

11 *Nieuwsgierig 65.

12 *De lente kwam 66.

13 In Mei 68.

14 Boterblômmetje 69.

15 Och Heer! 70.

16 ’t Viooltje 71.

17 Brandneteltje 72.

18 *Niet plukken 73.

19 ’t Verflenste bloempje 75.

20 Verwelkte rozen 76.

21 De vlinder 77.

22 In de weî 78.

23 Lijsterbessen 79.

24 Nachtegaals-liedje 80.

25 *’t Binnenst 81.

26 Klein spinnekopje 82.

27 Spinneweb 83.

28 De bijenkorf 84.

29 Ons poesje 85.

30 Lorretje 86.

31 Draaitol 87.

32 Hobbelpaard 88.

33 Luilekkerland 89.

34 Honger 90.

35 *’t Een en ’t ander 91.

36 Vogelverschrikker 92.

37 Onpartijdig 93.

38 Een klein jokkentje 94.

39 *Krachtig en zedig 95.

40 Schoudermanteltje 96.

41 Nieuwe klompjes 97.

42 Winter 98.

43 Broodkruimels 99.

44 In de kaars 100.

45 In ’t donker 101.

46 *Twee schildwachts 102.

47 In den maneschijn 103.

48 Des avonds laat 105.

49 *Sterretjes 107.

50 Ter ruste 108.

III.

Inhoudsopgave

1 Bij ’t ontwaken 111.

2 Vroeg op 112.

3 *Morgenlied 113.

4 Leeuwrik 114.

5 Handjes wasschen 115.

6 Zamen 116.

7 Dauw 117.

8 Hebt gij ’t gehoord? 118.

9 Al te vroeg 119.

10 *Een prijs 120.

11 Vergeet-mij-nietje 121.

12 Vlasbloemetje 122.

13 Maandrozen 124.

14 Een woud-bloempje 125.

15 Gebroken 127.

16 Korenbloemen 128.

17 Korenären 129.

18 De kromme boom 130.

19 De wijnrank 131.

20 Bloemen en vogels 132.

21 Haantje 133.

22 De mieren 134.

23 Zoet en bitter 135.

24 Het doode mugje 136.

25 Glimworm 137.

26 Zwaantje 139.

27 Ooijevaar 140.

28 *Een middagslaapje 142.

29 *Doen en laten 143.

30 *Zwemmen 144.

31 *Regtop 145.

32 De langste dag 146.

33 Medicijn 148.

34 Voorzigtig 149.

35 Smakelijk eten 150.

36 Matig 151.

37 Van een aapje 152.

38 Duinlied 153.

39 Vaderlandsch lied 154.

40 *Kloek en blank 155.

41 Volhouden 157.

42 *Een vijand 158.

43 Treuzeltje 159.

44 Kringetjes in ’t water 161.

45 *Beurtzang 162.

46 *In tijds 164.

47 Sneeuwliedje 165.

48 De holle boom 167.

49 *Vroeg verwelkt 169.

50 *Winternacht 170.

IV.

Inhoudsopgave

1 *Le lever du soleil 171.

2 *Le printemps 173.

3 *Le nid d’oiseaux 174.

4 *Le rossignol. 175.

5 *Le petit lièvre 176.

6 *Le clair de lune 177.

7 *Sonntag-morgen 178.

8 *Zur Schule 179.

9 *O Herr! 181.

10 *Der Bienenkorb 182.

11 *Schultermäntelchen 184.

12 *Der Winter 185.

13 *Brodkrümchen 187.

14 *On Awaking 188.

15 *Forget-Me-Not 190.

16 *The Flax-Flower 191.

17 *A Wood-Flower 193.

18 *Flowers and Birds 195.

19 *Cock-a-Doodle 197.

20 *The Longest Day 199.

21 *Circles in the Water 201.

V.

Inhoudsopgave

1 Honderd spreuken 205.

1 Al de versjes, die zulk een sterretje vóór zich hebben, zijn hier voor de éérste maal gedrukt en stonden dus niet in de vroeger uitgegeven Bundels.

I.

Inhoudsopgave

Dageraad.

Inhoudsopgave

Wel zoo! gij schoone dageraad!

Wat zeggen ons de liên,

Komt gij met rozen in uw’ mond?

Dat mogt ik weleens zien!

En plukt gij ieder’ knaap of maagd,

Die langer slaapt dan gij,

Een roosje van de volle wang

Wanneer ge gaat voorbij?

En geeft gij ieder’ knaap of maagd,

Die korter slaapt dan gij,

Twee roosjes uit uw rijken schat

Wanneer ge gaat voorbij?—

Op, kinders! op, het schemert al,

Daar komt de Dageraad!—

Hij houdt wel veel van bleek te zien,

Die nu niet op en staat!

Morgenlied.

Inhoudsopgave

Kinderkens! ’t is uchtend!

Komt ter slaapsteê uit!

Hoort! de voglen zingen

Reeds met zoet geluid.

’t Haantje roept u wakker,

Hoort! hij kraait uw’ naam,

En de boomtak tikt u

Tegen ’t vensterraam.

Langer niet geslapen!

Doopt uw hoofd in ’t nat,

Dat het frissche water

Om uwe ooren spatt’:

Veel moet nog begonnen,

Veel is nog te doen;

Kinderkens! wordt wakker;

Al te ras is ’t Noen!1

1 Noen: middag.

Weddenschap.

Inhoudsopgave

Ei roosje! kijk eens uit uw’ knop,

Of ’t niet haast dag zal wezen!

Kom, steek uw kopje veilig op,

Ge hebt geen leed te vreezen;

Of ziet ge mij niet voor u staan,

Met al mijn beste kleêrtjes aan?

Had Moeder gistren niet gewed,

Dat gij al lang zoudt prijken,

Eer ik, nog domlend in het bed,

Uit mijn gordijn zou kijken!—

Ei, sliep uit! ’k ben al lang gekleed,

En gij zijt nog niet half gereed!

Maar ’k ben ook vroeg naar bed gegaan:

Daar zal het wel van komen,

Dat ik het eerst nu op kon staan,

En gij nog staat te droomen:—

Och, Moederlief! och zeg me noû,

Wie dacht u, dat het winnen zoû?

Zons-opgang.

Inhoudsopgave

Och! ’t is wel aardig in mijn’ tuin

Als ’s morgens vroeg de zon opgaat,

Maar ’k woon zoo midden in een straat,

Zoo tusschen muren, grijs en bruin:—

Doch, naar ik gistren heb gelezen

En zoo mij Moeder heeft verteld,

Daarbuiten, in het vrije veld,

Dáár, kindren! moet dat heerlijk wezen.

Dan, zeî ze, is eerst de lucht nog graauw

En hier en daar blinkt nog een ster,

Maar langzaam schemert er van verr’

Wat rozenrood en hemelsblaauw;

Dan ziet men witte wolkjes dwalen,

Doortrokken met een purpren tint;

Dan komt, als waar’ ’t een koningskind,

De zon, met al haar gouden stralen.—

Zie! ’t is wel aardig in mijn’ tuin

Als ’s morgens vroeg de zon opgaat,

Maar ’k woon zoo midden in een straat,

Zoo tusschen muren, grijs en bruin:—

Och! wie dat buiten mogt aanschouwen,

Die knielde vast van blijdschap neêr,

En zou voor onzen Lieven Heer

Wel duizendmaal zijn handjes vouwen.

Winterkoning.

Inhoudsopgave

Hoe grijs van haar, hoe wit van baard,

Waart gij, o Winterkoning!

Wij hebben bang op u gestaard,

Al kleumend aan den killen haard

In onze leege woning!

Wat was het eten vreeslijk duur,

Wat was het drinken schraaltjes;

Wat was het buiten bitter guur,

Wat was er binnen weinig vuur,

Wat was de plunje kaaltjes.

Welop dan, hartjes! weest nu blij,

En zingt eens uit den treuren!

Daar is het zoele jaargetij

Met duizend bloempjes, rij aan rij,

Met kleuren en met geuren.

Gij kwaamt alweêr dien Winter door

En ziet weêr de Aard zich tooijen:

Dankt God er voor, in juichend koor...

En—zoo ook stem en hart bevroor,

Zij zullen wel ontdooijen!

Schoolexamen.

Inhoudsopgave

April, April,

Doet wat hij wil,

En geeft, naar zijn behagen,

Ons zonneschijn of hagelvlagen;

Toch zingen wij met luider stem

Een lied voor hem,

En hopen, dat het dezer dagen

Wel enkel, klinkklaar zonneschijn

Voor ons zal zijn.

April, April,

Doet wat hij wil;

Maar wie zich goed gedragen,

Die hebben thans wel niet te klagen;

Wie ’t heele jaar heeft opgepast,

Die weet wel vast,

Dat hij een’ prijs hier weg zal dragen,

En met een’ halfbeschaamden lach

Bedanken mag.

April, April!

Doe wat je wil,

En geef, naar uw behagen,

Ons zonneschijn of hagelvlagen;

Toch zullen wij voor al het goed’,

Wat men ons doet,

U dankbaar in ons hartje dragen,—

En groeten u, met zoet gezang,

Ons leven lang.

Voorjaarsdag.

Inhoudsopgave

De boomen ontluiken, de bloesem komt uit,

De vogeltjes zingen met lieflijk geluid,

De schaapjes die springen door ’t groenende gras,

Ik spring met ze meê, of ik zelf er een was.

En weet ge, wáárom ik zoo spring en zoo zing?

Die Winter dat vond ik zoo’n akelig ding;

Toen had ik het koud in mijn’ duffelsên jas,

En denk ’reis, hoe koud dan een beedlaar wel was!

Maar nu is het lekker en zacht op het land;

Weg, mantel en das! in de kas aan den wand;

Komt, jongens! naar buiten, en houdt je maar kras,

Wij schelden hem luilak, die ’t laatste daar was.

Voorjaarskoelte.

Inhoudsopgave

Zoele, koele Zuidewind,

Bode! wien ons hart bemint,

Draagt gij op uw vleuglenpaar

Niet den schoonsten tijd van ’t jaar?

Bloemengeuren, frisch en zoet,

Brengt gij, als der Lente groet;

Vogelfluiten, bladgeruisch,

Smelten in uw wiekgesuis.

Goede vriend, zoo lang verwacht!

Zeg ons! waait ge dag en nacht?

Kom dan ’s nachts ook zonder schroom,

En omzweef ons in den droom!

Van zeven kikkertjes.

Inhoudsopgave

Daar zaten zeven kikkertjes

Al in een boerensloot,

De sloot was toegevroren,

Ze lagen hallef dood,

Ze kwekten niet, ze kwaakten niet

Van honger en verdriet.

De jongste, die een wijsneus was,

Zei tot zijn kameraads:

“Die malle nachtegalen,

Wat hadden die een praats!

Was eerst het ijs maar in den dooi,

Wij zongen eens zoo mooi!”

De milde, lieve Lente kwam;....

Zij kwaakten de oude wijs:

Als zij dat zingen noemen,

Wensch ik ze weêr in ’t ijs;

Ik geef die kikkers allemaal

Voor éénen nachtegaal.

Lentelied.

Inhoudsopgave

Voelt ge wel de koeltjes zweven;

Riekt ge wel den zoeten geur?

Kindertjes! dat is een leven!

Lente staat weêr voor de deur:

Laat haar binnen, laat haar binnen;

Lentelief, die wij beminnen!

Hoort ge wel dat slepend fluiten,

Dat door alle vensters dringt?

Nachtegaaltje slaat daarbuiten;

Hoort, hoe zuiver dat hij zingt!

Laat hem binnen, laat hem binnen,

’t Zangertje, dat wij beminnen!

Neen! zet deur en venster open,

Hangt aan kapstok hoed en jas,

Máár—om prettig vrij te loopen

Door het frissche, malsche gras:

Lente! toef nog, kom niet binnen,

Buiten zullen we u beminnen.

Meimaand.

Inhoudsopgave

De vogels springen door de heg

En zingen uit den treuren;

De Mei strooit bloesems langs den weg

En klopt aan alle deuren,

En zie! daar komt bij ’t blij geluid

Het jonge volk de huizen uit.

Gij, kinders! zat een winter lang

Te kleumen en te treuren;

Nu lijkt die lieve vogelzang

Uw hartjes op te beuren;

Komt, zingt en springt dan nu om strijd,

Zoo flink alsof gij vogels zijt.

En zingt gij laag en zingt gij hoog,

En zingt gij uit den treuren,

En ziet gij aan des Hemels boog

De voorjaarsnevlen scheuren,

Denkt dan aan onzen lieven Heer,

Die bloesems geeft en Lenteweêr.

Mijn vogelkoor, mijn kinderkoor,

Dat ’s beter dan te treuren!

Zingt vrij en blij uw Lente door

Bij zonneschijn en geuren,

En denkt—ook als gij ouder zijt—

“Na winterdag komt lentetijd!”

Mei-regen.

Inhoudsopgave

Wie graag sterk wil zijn en groot,

Groeijen wil ter degen,

Loop’ maar met zijn hoofdje bloot

In den zoelen regen!

Wees niet angstig voor een spat,

Frisch er in gesprongen,

Vrees niet voor een drop of wat,

Dreumes van een’ jongen!

Zie de blômmetjes maar aan,

Hoe ze ’t buitje drinken!

Kijk maar goed, hoe op de blaân

Al die druppels blinken!

In dat lekkre, zoele nat

Ligt des Hemels zegen;

Daarom, dreumes! rep je wat,

Loop ’reis in den regen!

Groen takje.

Inhoudsopgave

Groen takje, dat uit de aarde spruit,

Wat zal er van u groeijen?

Wordt gij onnut of schaadlijk kruid,

Zult ge als een roos of anjer bloeijen,

Of zult gij geven lekker fruit?—

Jong volkje! nu nog klein en teêr,

Wat zal er van u groeijen?

Zult gij tot schande meer en meer,

Of wel tot heerlijk sieraad bloeijen,

En vruchten dragen, God ter eer?

Doch ’t plantje—zij het kwaad of goed.

Och! kan niet anders groeijen;

Gij—kunt, naar ligchaam en gemoed

In kracht en kunde en vroomheid bloeijen...

Wanneer ge er maar uw best toe doet!

Als gij dus wandelt in den hof

En plant en kruid ziet groeijen,

Dan geev’ ’t u ruime dankensstof,

Dat gij, naar vrije keus, kunt bloeijen

Tot vreugde of smart—tot schande of lof!

Onkruid.

Inhoudsopgave

Zeg, Baasje! wat staat er uw tuintje frisch,

Wat is er uw hofje toch keurig!

Het mijne dat lijkt wel een wildernis,

Mijn bloempjes zijn half niet zoo fleurig;

Zoo wit is uw zand en zoo groen is uw gras;

Ik gaf er wat om, als het mijne zoo was!

—Wel, geef dan een’ zoen... en ik leer je gaauw

Uw tuintje zoo netjes te hoûen;

Maar dan uit de veêren vóór dag en dauw,

De handjes wel flink uit de mouwen,

En waar ge dan spruitjes van onkruid mogt zien,

Daar ga je maar vlijtig aan ’t harken en wiên.

—Dat Onkruid, melievert! daar zit de plaag,

Daar kunnen geen bloempjes in groeijen;

En daarom, dat rooi je maar alle daag,

Dan zal eerst uw tuintje gaan bloeijen!

En, groeit in uw hartje misschien van dat kruid....

Och! doe me plêzier, trek meteen het maar uit!—

Bloemkweeken.

Inhoudsopgave

Ik heb een’ kleinen, kleinen tuin,

Daar kweek ik bloemen in;

En als mijn aardig zusje komt,

Dan zing ik blij van zin:

—“Klein kleuterke, klein kleuterke!

Wat doet gij in mijn’ hof?

Gij plukt er al de bloemkens af

En maakt het veel te grof!”—

En als zij dan die plantjes ziet,

Met zooveel zorg gekweekt,

Dan wed ik, dat het lieve kind

Geen van de bloempjes breekt.

Klimop.

Inhoudsopgave

Groene bladen, spits van punt,

Hoekig aan de randen!

Zeg eens hoe ge groeijen kunt

Aan die naakte wanden?

—’k Lag versmeten voor de deur,

Vuil en overloopen;

Vond ik hier of daar een scheur,

’k Ben er in gekropen.

Ieder straaltje, dat ik ving,

Gaf mij kracht en leven,

Ieder druppel, die er hing,

Deed mij hooger streven.

Dankend onzen Lieven Heer

Voor zijn zon en regen,

Groeide ik daaglijks meer en meer

In des Hemels zegen.—

Wie het kleinste niet versmaadt,

Wat hem God wil geven,

Die kan groeijen naar zijn’ staat

En tevreden leven!

Appelboom.

Inhoudsopgave

Wel, appelboom! wat sta je rijk,

Gij lijkt wel éénen bloesem!

Waar dat ik tuur, waar dat ik kijk,

’k Zie enkel, enkel bloesem;

Ik zie geen tak, ik zie geen’ blad;

Me dunkt, gij hebt ze nooit gehad!

En toch, ’t is pas een’ dag of wat,

Terwijl ik keek naar buiten,

Of ’k zag uw takken kaal en glad

Daar slingren voor mijn ruiten,

En ’k vroeg al aan de tuinmansvrouw,

Of je ook gestorven wezen zou?

“Neen,” zei ze toen, “neen, lieve schat!”

En kneep mij in mijn kaken;

“Neen, wacht nog maar een’ dag of wat,

Dan staat hij als een laken:—

En als ge braaf zijt, kleine man!

Dan krijgt ge er nog wel appels van.”

Grazen.

Inhoudsopgave

Pluk bloemen, pluk bloemen,

Pluk bloemen en gras!

En wrijf die elkaâr

Door het haar

Bij het stoeijen:

Waar anders zou gras en waar bloemen voor groeijen

En bloeijen!

En wie er een knorrig gezigtje

Bij trekt,

Of wie er bij geeuwt,

Of bij schreeuwt

Als wij stoeijen,

Die ’hoeft niet te zien hoe de bloemkens al groeijen

En bloeijen.

Hij trekk’ maar naar huis

En hij kruip’ in den hoek,

De brompot, die mort

En die knort

Bij het stoeijen:

Voor hem is het niet, dat de bloemkens zoo groeijen

En bloeijen!

Kersentijd.

Inhoudsopgave

Nu eens in ’t rond gesprongen,

Gesprongen hand aan hand,

Nu vrolijk eens gezongen,

De Zomer is in ’t land;

De bloesem van de boomen

Vloog lang reeds wijd en zijd;

De Zomer is gekomen:

Nu is het kersentijd!

Wat zal ze lekker smaken

Die kers, waar wijn in zit;

Wat zullen wij haar kraken

Die harde kersenpit;

Och! waren we al gezeten

Voor boordevolle schaal,

Wij zouden er van eten

Al was het honderdmaal.

Kersenplukken.

Inhoudsopgave

Kersen, kersen, zacht en rood,

Hangen tusschen groene bladen;

o! De boom is rijk geladen;

Vang bij ’t plukken, in uw schoot,

Kersen, kersen zacht en rood!

Kersen, kersen, rijp en frisch,

Is ’t niet om te watertanden?

Kom, ik pluk met volle handen,

’t Meest krijgt wie het handigst is,

Kersen, kersen, rijp en frisch!

Kersen, kersen van de Mei,

Iedre maand de rozen bloeijen,...

Alle maanden moest ge groeijen

Voor der kindren zoeten rei,—

Kersen, kersen van de Mei!

Vogelnestje.

Inhoudsopgave

Jongens! ginder zitten spreeuwen!

Laat ons klimmen om het best;

Ziet, ze kijken over ’t nest:

Hoort dat jonge goed eens schreeuwen!

’t Oudje dat vliegt af en ân,

Net alsof hij ’t raden kan.

Och! wat kijkt dat beest verslagen;

’k Vind het wel een beetje naar:—

Jongens! of ’t niet beter waar’,

’t Arme dier maar niet te plagen?

Denkt eens als er iemand kwam,

Die ons zoo van Moeder nam!

Jonge vogeltjes.

Inhoudsopgave

Ze vlogen hoog, ze vlogen laag,

Ze sprongen en ze zongen,

Ze pikten wurmpjes gaauw en graag,

En bragten ze aan hun’ jongen;

En ’t kleine volk in ’t nestje riep:

“Piep, piep.... ’k bedankje wel.—Piep, piep!”

En ’k dacht, toen ’k dat zoo aardig vond:

“Ben ’k ook zoo’n dankbre jongen?”—

En ’k ben mijn Moedertje terstond

Eens om den hals gesprongen;

En Moeder pakte mij, toen ’k riep:

“Piep, piep.... ’k bedankje wel.—Piep, piep!”

Vogelen-lied.

Inhoudsopgave

Klein vogelijn, op groenen tak!

Wat zingt ge een lustig lied!

Wij vinden in ons heele boek

Zoo’n vrolijk wijsje niet;

o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!

Wie of uw meester is geweest?

Zoo zuiver zingt gij en zoo hoog,

Zoo keurig in de maat,

En ’t hart dat popelt ons van vreugd,

Wanneer uw keeltje gaat;

o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!

Wie of uw meester is geweest?

o! Zeker is ’t de goede God,

Die ’t u heeft toebetrouwd,

Opdat gij aan der blinden oor

Zijn goedheid melden zoudt;

o Ja! wij weten ’t, aardig beest!

Wie of uw meester is geweest.

Duifje.

Inhoudsopgave

Duifje met uw blanke veêren!

Vlieg je niet door alle weêr,

Kan geen regenbui u deren

Als ge ronddwaalt heinde en veer?

Altijd proper is uw kuif,

Zijn uw pluimpjes, blanke duif!

—Waait het al te hard daar buiten,

Ik kan thuis zijn als ik wil;

’k Vind er alle mijn kornuiten

In de warme duiventil:

Maar ter vlugt of op het slag,

’k Net mijn veêrtjes alle dag!

—Opgenebt en gladgestreken

Met wat waters uit mijn’ pot,

Ben ik waard te zijn bekeken

In de lucht en in het kot:....

Kinders! nu ge ’t kunstje weet,

’k Bidje, dat ge ’t niet vergeet!—

Roodborstje.

Inhoudsopgave

Roodborstje, roodborstje, geestige dief!

Hebje wel ooit zoo te pronken gezeten?

’t Kooitje van koper en ’t bakje vol eten:

Aardige springer! wat heb ik je lief!

Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen,

Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd,

Dat ge de veêrtjes zoo slapjes laat hangen,

Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt?

—Knaapje lief, knaapje lief! was er mijn kooi,

Was er mijn eten ook lekker en keurig,

Buiten in ’t bosch is het eens nog zoo fleurig:

Vrij te zijn, lievert! is beter dan mooi!

Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen,

Ginds op dien boom, waar geen tralie mij stoort;

Vriendje! dan zal ik een lied voor u zingen

Zoo als ge nimmer of nooit hebt gehoord!—

Nachtegaal.

Inhoudsopgave

Hoort, kindren! wat een klaar geluid

Dringt ginder door de bladren heen!

De vogels zijn allang in slaap,

En zóó, zoo zingt er zeker geen.

Wie of zóó heerlijk zingen kan?

’t Is waar, mijn hartje klopt er van!

Stil!—Dat is vast de nachtegaal,

Daar Moeder lest zooveel van zeî;

’k Wist niet, dat dàt te hooren was

Wanneer men ons te slapen leî,

’k Had anders Moeder lang verzocht,

Of ik wat laat naar bed toe mogt?

Och! zoo ik ooit weêr ziek mogt zijn,

’k Woû, dat het voorjaar dan begon;

Dan hoorde ik vast den nachtegaal

Wanneer ik ’s nachts niet slapen kon!—

Zeg, Moeder! zingt dat lieve beest

Wel niet voor zieke kindren meest?

Darmowy fragment się skończył.

8,69 zł

Gatunki i tagi

Ograniczenie wiekowe:
0+
Data wydania na Litres:
15 stycznia 2025
Objętość:
90 str. 1 ilustracja
ISBN:
4064066313289
Wydawca:
Właściciel praw:
Bookwire
Format pobierania:

Podobne książki