Czytaj książkę: «Laatste verzen»

Czcionka:

Guido Gezelle

Laatste verzen


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066311940

Inhoudsopgave

GUIDO GEZELLE’S DICHTWERKEN

LAATSTE VERZEN

’T ER VIEL ’NE KEER

(Herinnering aan Beethoven’s Septuor.)

ONBEVLEKTE VROUWE

MIJMERINGE

MOEDERKEN

SINT JANS VIER

BAST VAN MURWE WIJNGAARDBEZEN

PERELS

SERENUM ERIT

(Matth. xvi:2)

IMBER ABIIT

OCTOBERBOOMEN

AAN ...... ?

DE XIV STONDEN OF DE BLOEDIGE DAGVAART ONS HEEREN

1895

DE EERSTE STONDE

GEVONNIST.

DE TWEEDE STONDE

NAAR GOLGOTHA.

DE DERDE STONDE

EERSTE VAL.

DE VIERDE STONDE

MARIA.

DE VIJFDE STONDE

SIMOEN VAN CYRENEN.

DE ZESDE STONDE

VERONICA.

DE ZEVENSTE STONDE

TWEEDE VAL.

DE ACHTSTE STONDE

DE WEENENDE VROUWEN.

DE NEGENSTE STONDE

DERDE VAL.

DE TIENSTE STONDE

ONTKLEED.

DE ELFSTE STONDE

GEKRUIST.

DE TWAALFSTE STONDE

GESTORVEN.

DE DERTIENSTE STONDE

DE VII WEE’N.

DE VEERTIENSTE STONDE

EN BEGRAVEN.

1897

VRIENDENZOEN

VIS UNITA FORTIOR

IK DROOME ALREÊ

O BAND

WIJ NADEREN

ZEGEPRAAL

DIE MIJN HERT BEMINT

HALF APRIL

GROENINGE’NS GROOTHEID OF DE SLAG VAN DE GULDENE SPOOREN

I

II

III

IV

V

VI

IN SPECULO

TWIJFELZONNIG

EN DAARMEÊ AL

JANTJE

ZWART

LOOFGEBOUW

SPREEUWEN

WEDERWIJVEN

EXCELSIOR

’T SCHEERWIEL

DE DOORNENBOOM

QUIS NOS SEPARABIT?

Ad Rom. viii:35.

MIETJE

ZONHOEDEN

BUIGEN OF BERSTEN

CYTISUS LABURNUM

GIERZWALUWEN

(Cypselus Apus)

PASCENT IN ÆTHERE CERVI

VIRG .

DE SPERRETAKKEN

SAMBUCUS NIGRA. L.

BIGNONIA CATALPA. L.

BEZIET DIE BOOZE KATTE

’T IS STILLE

HET GULDEN VLIES

HEBT MEÊLIJEN

DE LEYE

1898

DUIVEN

MUSSCHEN

DE DAGERAAD

NEVELDUISTERNIS

WINDTOCHT

AKSTERNESTEN

LENTEGROEN

VOORBIJ

WIE IS ALS GOD

OCH WARE IK....

GETIJDEN .

CINXEN

DUC NOS QUO TENDIMUS!

IN ’T RIET

SORBUS AUCUPARIA. L.

... AAN DEN LINDEBOOM

BLADERVAL

EGO FLOS ....

(Cant. II:1)

PLATANUS ORIENTALIS. L.

SLAAPLIED

KROMMENISSE

VERLORENBROOD

GODDELIJKE BESCHOUWINGEN.

1899

„VADER OVERLEDEN”

REQUIESCAT IN PACE!

UIT DE DIEPTEN.

HET VLAAMSCHE VOLK

ONGEDAGTEEKENDE GEDICHTEN EN ONVOLTOOIDE „ SLAPENDE BOTTEN ”

DE BOODSCHAP

HOSANNAH

WEGGEROOFDE LELIE

GELIJK DE ARME PELGRIM

O LIEFSTE JESU ZOET

GEKRUISTE GOD

AVE REGINA

AANZIET DE KRAAIEN

’T WAS ’N WARE!

MOCHT ZULK EEN TALE

INHOUDSTAFEL

In deze volledige uitgave van Guido Gezelle’s Dichtwerken verschijnen:


I. DICHTOEFENINGEN.
II. KERKHOFBLOMMEN.
III. GEDICHTEN, GEZANGEN, GEBEDEN EN KLEENGEDICHTJES.
IV. LIEDEREN, EERDICHTEN ET RELIQUA.
V/VI. TIJDKRANS.
VII/VIII. RIJMSNOER.
IX. HIAWADHA’S LIED.
X. LAATSTE VERZEN.

Apart verscheen:

VERZEN, Tweede druk, ing. ƒ 3.90, geb. ƒ 4.50.

GEDICHTEN, samengesteld door Dr. J. A. Nijland, ing. ƒ 1.90, geb. ƒ 2.50, leer ƒ 3.50.

BLOEMLEZING, samengesteld door Dr. J. A. Nijland, Vijfde verbeterde druk, ing. ƒ 0.90, geb. ƒ 1.25.

MOTTO-ALBUM, met versieringen van J. de Praetere, geb. in linnen of gebatikt ƒ 1.50, geb. in leer ƒ 1.90.

KLEENGEDICHTJES, Eerste en Tweede bundel à ing. ƒ 0.25. geb. ƒ 0.50.

LAATSTE VERZEN, Derde druk, geb. ƒ 1.90.

GUIDO GEZELLE’S DICHTWERKEN

Inhoudsopgave

LAATSTE VERZEN

Inhoudsopgave

VIJFDE DRUK


L. J. VEEN—AMSTERDAM

1913

BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN

’T ER VIEL ’NE KEER

Inhoudsopgave

(Herinnering aan Beethoven’s Septuor.)

Inhoudsopgave

’t Er viel ’ne keer een bladtjen op

het water

’t Er lag ’ne keer een bladtjen op

het water

En vloeien op het bladtje dei

dat water

En vloeien dei het bladtjen op

het water

En wentel-winkelwentelen

in ’t water

Want ’t bladtjen was geworden lijk

het water

Zoo plooibaar en zoo vloeibaar als

het water

Zoo lijzig en zoo lustig als

het water

Zoo rap was ’t en gezwindig als

het water

Zoo rompelend en zoo rimpelend

als water

Zoo lag ’t gevallen bladtjen op

het water

En m’ ha’ gezeid het bladtjen ende

’et water

’t En was niet ’t een een bladtje en ’t an-

der water

Maar water was het bladtje en ’t blad-

tje water

En ’t viel ne keer een bladtjen op

het water

Als ’t water liep het bladtje liep,

als ’t water

Bleef staan het bladtje stond daar op

het water

En rees het water ’t bladtje rees

en ’t water

En daalde niet of ’t bladtje daalde

en ’t water

En dei niet of het bladtje dei ’t

in ’t water.

Zoo viel der eens een bladtjen op

het water

En blauw was ’t aan den hemel end’

in ’t water

En blauw en blank en groene blonk

het water

En ’t blaadtjen loech en lachen dei

dat water

Maar ’t bladtje en wa’ geen bladtjen neen

en ’t water

En was nie’ meer als ’t bladtjen ook

geen water

Mijn ziele was dat bladtjen; en

dat water

Het klinken van twee harpen wa’

dat water

En blinkend in de blauwte en in

dat water

Zoo lag ik in den Hemel van

dat water

Den blauwen blijden Hemel van

dat water

En ’t viel ne keer een bladtjen op

het water

En ’t lag ne keer een bladtjen op

het water.

Roux St. Leo, 1859.

ONBEVLEKTE VROUWE

Inhoudsopgave

o Altijd onbevlekte Vrouwe,

ik ben onweerd, eilaas, dat ik uw licht aanschouwe,

zoo lang mij in dit tranendal,

verdoold gelijk een ooi en teenemaal vol zonden,

den waren weg en is gevonden,

o Moedermaagd, die mij tot God geleiden zal.

Hoe menigmaal was, in dit leven,

mijn ziele eilaas den vrede kwijt,

omdat ik, ver van u gebleven,

me in ’s werelds weelden had verblijd;

’t was alles valsch, dat zij beloofden,

en, om hun’ schoon gepinte hoofden,

vol leugens blonk het, vol bedrog;

verfoeide pracht van die u haten,

Maria, ’k wil nu alles laten,

op U alleen betrouwe ik nog!

o Altijd.... enz.

De booze vijand kwam mij tergen

en, ringsom mij, zoo spookten fel

gedaanten, vrij zoo hoog als bergen

en wangedrochten uit de hel;

ik zou vergaan, ik zou verzinken,

ik zou den diepsten grond uitdrinken

des bekers die de ziel vergeeft,

had ik tot U, o altijd goede,

mij niet gewend; die, nimmer moede,

nog helpt die U geloochend heeft.

o Altijd....

Niet vrij eilaas, die ’s werelds lusten,

die ’s vijands wulpsch geweld ontvliedt,

en is hij; nooit en zal hij rusten,

verwint hij erger vijand niet;

ik ben mijn ergste vijand zelve,

hoe dieper ik mijn hart doordelve,

hoe meer ik vinde dat, onvrij

van alle kwaad, ik ga ten gronde

in eenen poel van rampe en zonde

ach, onbevlekte, bidt voor mij!

o Altijd.... enz.

20/12 1880.

MIJMERINGE

Inhoudsopgave

... Priez,

Priez pour ces hommes qui chantent

V. Hugo.

Geleefd! roepen ze:

’t is zoo vroeg te sterven;

gefooid! eer de dood

komt ons al bederven.

Gedanst op de blomme:

ons behoort heur glansen!

—Geweend! zoo zeggen zij,

om die lachend dansen!

Gebeên, roepen ze,

gij, vroeden, uw gebeden;

de beker is ons

bron van zaligheden!

De teuge en ’t gezang

verzoeten alle pijn.

—Gebeên! zoo zeggen zij,

voor al die zingend zijn.

Waarom, roepen ze,

’t roosken niet gebroken?

Het schoonste, is het niet

tot ’s konings lust ontloken?

Geen koning die bidde

of bedele om een vrouw

—gediend, zoo zeggen zij,

die ’t toekomt, immer trouw!

Geleefd roepen ze,

want de dagen spoeien.

—Geweend! zoo zeggen zij:

’t is troost daar tranen vloeien.

—’t Is valsch, roepen ze,

dat ’t minnen ooit kon geven!

—Gemind! zoo zeggen zij:

daar liefde is, daar is leven!

De waarheid, is zij nu bij hem die ’s herten kwalen

verdrinkt en, bij ’t genot des vollen bekers,

de liefde gekheid scheldt;

ofwel bij hem die trouw bemint en bidt, te halen?

Op beider voorhoofd hebt gij de antwoord, Heere,

in leesbaar schrift gesteld!

Oostermaand 1846.

D. Joaquim Rubió y Ors.

Guldemaand 1889.

Guido Gezelle.

MOEDERKEN

Inhoudsopgave

’t En is van u

hiernederwaard,

geschilderd of

geschreven,

mij, moederken,

geen beeltenis,

geen beeld van u

gebleven.

Geen teekening,

geen lichtdrukmaal,

geen beitelwerk

van steene,

’t en zij dat beeld

in mij, dat gij

gelaten hebt,

alleene.

o Moge ik, u

onweerdig, nooit

die beeltenis

bederven,

maar eerzaam laat

ze leven in

mij, eerzaam in

mij sterven.

Kortrijk, 4/5 1891.

SINT JANS VIER

Inhoudsopgave

Men maakt hedendaags nog Sint-Jans vier te Kortrijk, te midzomer, op Sint Jan-Baptistendag; men danst en zingt erbij oude volksliederen.

Nu zit de zonne

hooge in den hemelstoel

nu zit de zonne

hooge overal.

Haalt hout en helpt ons,

hoopt het te gare alhier;

haalt hout en helpt ons

mede, altemaal!

Vliegende vlamme,

vlerke van ’t zonnewiel,

vliegende vlamme,

vlucht in den hoop!

Ziet, hoe de vlamme bijt;

ziet, hoe heur tonge laait;

ziet, hoe de vlamme bijt,

binnen in ’t hout!

Haalt hout en helpt ons,

hoopt het te gare alhier;

haalt hout en helpt ons

mede, altemaal!

Danst nu den zomerdans,

danst deur de vlammen heen:

danst nu den zomerdans,

gij, gasten, te gaâr!

Haalt hout en helpt ons

hoopt het te gare alhier;

haalt hout en helpt ons

mede, altemaal!

Laat ons een liêken,

dansend den zomerdans,

laat ons een liêken

zingen daartoe!

Zoo zal, eer ’t avond wordt,

leutig ons zomervier

sperken en sparken, om-

hooge ten hemel slaan,

en leve Sint Jan

hoe langer

hoe liever,

hoe langer

hoe liever,

ja, leve Sint Jan!

Haalt hout en helpt ons,

hoopt het te gare alhier;

haalt hout en helpt ons

mede, altemaal!

Ziet hoe de sterren,

diepe in den hemel daar,

lonken en linken

naar ons gedans!

Stokken en sterren,

heerdvier en hemelvier,

herten die jong zijt,

al ondereen;

eer wij gaan slapen,

nog eens geroepen nu:

Leve Sint Jan!

Haalt hout en helpt ons,

hoopt het te gare alhier;

haalt hout en helpt ons

mede, altemaal!

Kortrijk, Febr. 1894.

BAST VAN MURWE WIJNGAARDBEZEN

Inhoudsopgave

Bast van murwe wijngaardbezen

kan alleen de weêrga wezen

van de zachte en zuivere hand

die mijn hert, heeft overmand.

Straffe mocht en boete hij vergen,

neen hij wou mijn boosheid bergen,

mijn verwaandheid, ongeboet,

in zijn dierbaar blusschend bloed.

Hebbe dan mijn herte en houdt’ Hij ’t,

duizendmaal vermenigvoud Hij ’t

in Zijn liefde en laat’ Hij ’t mijn....

neen, voor eeuwig ’t Zijne zijn!

Kortrijk, 5/2 1894.

PERELS

Inhoudsopgave

Nog eer de blâren schieten,

in ’t hofbeluik,

hoe geren zie ’k uw’ sprieten,

o perenstruik;

hoe geren zie ’k uw takken,

vol blommen staan,

vol perels, al in pakken

eer ze opengaan!

En mochte ik maar, zoo even,

door Gods beschik,

u, peretakken geven

nen toovertik;

’t en zou geen pere krommen

uw hout, voortaan:

veel liever zie ’k de blommen,

eer ze opengaan.

’k Zie geren, in de hoven,

uw’ peren groot,

de zonne zitten stoven,

al rijp en rood;

maar ’k zie wel nog zoo geren

uw blommen staan,

de perels van de peren,

eer ze opengaan.

17/4 1894.

SERENUM ERIT

Inhoudsopgave

(Matth. xvi:2)

Inhoudsopgave

Al rood is ’t, dat ik zie:

één ovenvier heel ’t westen

daarin de zonne zonk

en ’s werelds oude vesten

in gloeien zette. Laai

noch glans en is er: niet

als enkel rood en, deur

de losse wolken, iet

dat eer aan bloed gelijkt,

of aan onmeetbaarheden

van ongehouwen stier-

en huidlooze ossenleden,

die, drijvende overal,

met vil- en slachthuisvee,

de diepten vullen van

de westerwereldzee.

De zwarte hagen staan

vol oogen, als van dieren

en ongedaanten, die

hun roode blikken stieren

te mijwaard, daar ik sta,

van hoofde tot den voet

bespeit, ik zelve, en diepe

in schijnbaar zonnebloed.

Hoe zal ’t te morgen gaan?

Zal ’t regenen, zal ’t ruischen:

gebouwen af, en al

dat boom is ommebuischen?

Zal ’t hagelslaan? In al

dat hemelsch bloedgeweld,

is ons de jongste dag

des werelds voorgespeld?

Toch neen-hij! Morgen zal,

den oosten uitgeklommen,

een nieuwe dageraad,

een nieuwe zonne kommen

de menschen, blank en blij,

begroeten, die nu staan

en, rood van aangezicht,

den avond gadeslaan.

Kortrijk, 28/10 1894.

IMBER ABIIT

Inhoudsopgave

De paden zijn, door ’t lang geweld

des regentijds, getigerveld,

vol vage plekken, geelwe en bruin,

vol ommetom den wandeltuin.

De koelte briescht van wijd en zijd

me in ’t aangezicht; ’t is lentetijd;

voortaan meer in de schiere lucht

en bullebakt der buien bucht.

De boomen zien als effenaan

ter bedden uit weer opgestaan;

ze schudden in den wind, die giert

en tuitend door de takken tiert.

’t Heeft fel geregend: dagen lang

was ’t, op en neêr, een watergang,

die losgegaan bij geuten giet;

nu waait het, maar ’t en regent niet.

’t Is koud nochtans. Het windenrad

verwentelt en verspringt. Noch blad

noch blomme en durft den bunsel uit,

daar Gij, o Heer, ze binnensluit.

De regenboge, gister nog,

hoe vreedzaam loech hij! ’t Moederzog

de boezems van de boomen kwelt,

en al dat mussche is rinkelrelt.

Zou ’t waarzeg, en in ’t neerste nu,

ook wezen? Wist het winterschuw

dat ’t vuisten heeft, het jonge jaar?

God geve ’t, en gij, zonne, daar.

Kortrijk, 30/3 1895.

OCTOBERBOOMEN

Inhoudsopgave

Hoe schoone, och, hoe veel schoonder is,

al moete ’t nu gaan sterven,

eer langen tijd van hier, hoe schoon,

en schoonder duizendwerven,

als vroeger, ’t najaarsch loofgewas,

wanneer het lente en zomer was.

’t Is lief en lustig, diepe nu

en dóór den bosch te dwalen;

te zien hoe de oude boomen al

hunne oude schoonheid halen

te schranken uit! wat tijd beleeft

gij, vrienden, die zoo’n vreugde u geeft?

Verlangt gij, zoo de ziel verlangt,

die, vrij van alle schulden,

van monde vaart ten hemel, en,

verlost van ’t eeuwig dulden,

het leven, in dit tranendal,

nu, ketenloos, verlaten zal?

Is dáárom al uw loof zoo lief

gepint? zijn al uw’ blâren

veranderd in een bruiloftkleed,

om eindlijk heen te varen

te ruste? stervend najaarblad,

Octoberboomen, leert mij dat!

15/10 1895.

AAN......?

Inhoudsopgave

Gelijk een been ten honde,

zoo smijt gij mij, voor dank,

wat geld! te geenen stonde,

of ware ik nog zoo krank,

en wille ik het! Gaat henen,

ten duivel snelt;

hij breke u hals en schenen;

’t is Judasgeld!

15-16/10/’95.

DE XIV STONDEN OF DE BLOEDIGE DAGVAART ONS HEEREN
1895

Inhoudsopgave

CRUCIFIXUS ETIAM PRO NOBIS; SUB PONTIO PILATO PASSUS, ET SEPULTUS EST. ET RESURREXIT.

Credo.

DE EERSTE STONDE:

Inhoudsopgave

GEVONNIST.

Inhoudsopgave

Magdalena, en de heilige Vrouwen:

Waar gaat hij heen, dien ’t herte mijn

bemint? In welke handen,

gevallen, moet hij leed en pijn

gedoogend en verdragend zijn,

o schand der schanden?

Gebonden zie ’k hem henengaan,

gevonnist en verwezen aan

den galgeboom te sterven!

o Gij, die God zijt, laat gij nu

uw’ kinderen onterven

van ’t hemelsch licht?—Wij volgen u,

want, daar gij gaat en zal, gewis,

bedriegen ons de duisternis.

DE TWEEDE STONDE:

Inhoudsopgave

NAAR GOLGOTHA.

Inhoudsopgave

De vijanden ons Heeren:

Sla-dood!—Hij ga ter galgenstraf!

Biedt Barabbas het leven!

Sla-dood!—Hij wilt den tempel af,

en ’s keizers geld ontgeven.

Sla-dood!—Wij hebben Barabbas!

Geen hoofd en kent dit jodenras,

—hem...gaan wij galgenboomen!—

als ’t opperhoofd van Roomen.

Op ons zijn bloed, op onzen stam:

die ’t volk ontstak, die leeren kwam

dat hij—op ons, op ons zijn bloed!—

dat hij Gods zone is, sterven moet

hij, sterven!...

De vier heilige Evangelisten:

Zoo roept men, en men haalt, verwenschende overluid,

zachtmoedig als een lam, de vonnisdeuren uit,

Gods zoon, die sterven gaat, en blusschen, in zijn bloed,

de wilde ontuchtigheid van ’s wereld overmoed!

DE DERDE STONDE:

Inhoudsopgave

EERSTE VAL.

Inhoudsopgave

De vier heilige Evangelisten:

Gebannen, gaat en draagt hij, lijdende

langs de baan,

den boom, die, nagelvast hem dragende,

rood zal staan,

eer ’t heden noene is! Helpt!—Te late is het!—

Ach!...nu ligt

ter aarden neêrgeveld, ’t aanbiddelijk

aangezicht

des Heeren! ’t Vallend hout der ongenade...

och!—En ’t dwingt

hem, als een’ druive, daar de wijnman den

wijn uit wringt!

DE VIERDE STONDE:

Inhoudsopgave

MARIA.

Inhoudsopgave

Maria, de Moeder Gods:

Wach-arme, ik, in Jeruzalem u zoekende, eer veel jaren,

en vond u na drie dagen maar, bij de oude kerkleeraren;

ik vinde u heden al te ras,

en ’t eerste lang verlies mij nooit zoo leed en was

als dit, wanneer gij mij, hervonden, vaart verloren!

Mijn kind, mijn uitverkoren,

mijn herte kent, mijn ooge u niet,

die, moe van weenen, schemerziet,

en doolt, op uwe schreden!

Waar gaat gij heengetreden?

Komt hier! mijn alderliefste kind,

en zelve uws zelfs vrouw-moeder vindt!—

Doch neen: aan ’s Vaders wil, die u mij heeft geschonken,

blijft gij, blijve ik geklonken!

DE VIJFDE STONDE:

Inhoudsopgave

SIMOEN VAN CYRENEN.

Inhoudsopgave

De vrienden ons Heeren:

Simoen, van Cyrenen

nooit en zal ’t verdwenen,

nooit en zal ’t verloren gaan,

’t geen gij hebt om God gedaan.

Simoen, van Cyrenen,

Jesus is verschenen:

’t eigen volk en kent hem niet:

vreemdeling, gij, hulp’ hem biedt!

Simoen, van Cyrenen,

op de scherpe schenen

stoot hij, van de rotsen, aan:

Simoen, wilt hem bij gaan staan!

Simoen, van Cyrenen,

dragende gaan wij henen,

’t galgenhout met u; en hem

volgen wij, dóór Jerusalem.

DE ZESDE STONDE:

Inhoudsopgave

VERONICA.

Inhoudsopgave

Magdalena, en de heilige Vrouwen:

Veronica, gedoekte en deernisvolle, die ’k het minnend aangezicht, het jammerbeeld des Heeren, met medelijdend herte en monde, omhelzen zie, Berenice, Veronica, een’ lesse zult ons leeren. Wij dragen ook een beeld op ons, een penningwerk, gemunt met ’s keizers hoofd, met ’s keizers zegelmerk, maar moeten dieper als in dunne doeken halen, en in ons herte diep zien af te malen, het wezen Gods, die ons uit stof en aarde schiep, en riep om eeuwig eens, met u en hem, te zegepralen, in ’s hemels zalen, Veronica,—die ’t beeld zijns lijdens heeft gedoogd te worden, langs den weg, door u hier afgedroogd.

DE ZEVENSTE STONDE:

Inhoudsopgave

TWEEDE VAL.

Inhoudsopgave

De vier heilige Evangelisten:

Hij ligt, door uwe schuld, o Lucifer, gevallen,

die, nijdig opgestaan, met honderd duizendtallen

der uwen, nedervielt voor Michaëls „Wie is

Gods weêrga?” in den poel der diepe duisternis!

—Gij stondt en wildet hem, gekropen vóór uw’ voeten,

eens, in de wildernis, met ’s werelds eere groeten:

hij brak uw’ boosheid dan. Gij vluchtet.—Neêr nu ligt

in ’t stof der aarden, ja, zijn Godlijk aangezicht.

Verkondt het al die u als opperheer aanschouwen,

verkondt het, en verheugt, is ’t mooglijk, uw getrouwen:

eer ’t morgen dag is, heeft hij u, in ’t voorgeborcht,

geroofd de zielen, die gij in uw’ strikken worgt.

—Van hier!—Gaat hangen hem, en galgen, op de rotse,

en weet wie—hij of gij—zal zegepralen,—trotse!

DE ACHTSTE STONDE:

Inhoudsopgave

DE WEENENDE VROUWEN.

Inhoudsopgave

Ons Heere Jesus-Christus:

Ach, moeders, moeders, moeders, en Jerusalemsche vrouwen,

wel mag het u berouwen,

die moeder zijt, of worden zult,

hetgene, eilaas, uw herten vult

met hope en met betrouwen!

Aanziet mij, schamel moeders eerste en laatste kind, van jaren,

zoo jong nog als de blâren,

die blinkende op de boomen staan,

verdorren en verbranden:—

hoe zal ’t dan met het droog hout gaan,

in ’s vijands wreede handen?

Gij weent op mij, maar, moeders, meer

moet op u zelven treuren,

en op uwe arme schapen teêr,

die ’t roomsche heer

zal kwetsen en verscheuren!

DE NEGENSTE STONDE:

Inhoudsopgave

DERDE VAL.

Inhoudsopgave

De vrienden ons Heeren:

Tot zevenmaal rechtveerdig man,

hoe vast hij sta, bezwijken kan,

op éénen dag; en even

zoo menigmaal herleven.

Gebroeder, gij vergeven zult,

geen zevenmaal, uw’ broeders schuld,

maar tzeventigmaal zeven

gebreken—hem vergeven.

De goede Herder driemaal is

gevallen, om vergiffenis

te biên u, en te geven,

om uwentwil, zijn leven.

o Herder, in uw eigen bloed,

hier kruipende, over hand en voet,

ach, wilt ’t gene ik bedreven

heb duizendmaal—vergeven!

DE TIENSTE STONDE:

Inhoudsopgave

ONTKLEED.

Inhoudsopgave

De vier heilige Evangelisten:

Aanschouwt, den wormen nu niet ongelijk, tot tegen

het kale bekkeneel van Golgotha gekregen,

den zone Gods; ontbloot van alles, moedernaakt

is hij, en ha’ de roe hem eenen rok gemaakt,

van roode wonden! Wie, wie kent hem? Van beneden

tot boven toe, geheel en is, in al zijn’ leden,

nu niets! Wie kent hem, wie, in ’t wisselverwig kleed

van Jacobs lieveling, die m’n in den steenput smeet?

Gods zone is ’t!—Schande op u, wier dertel vleesch geboren

uit Adams vleesch, u ook, als Adam, liet bekoren

tot zonde en schande! Aanschouwt,—want gij het hebt gedaan,—

’t Lam Gods, onschuldig, om uw’ schuld hier schande uitstaan!

DE ELFSTE STONDE:

Inhoudsopgave

GEKRUIST.

Inhoudsopgave

Spotlied. De oversten des Volks:

Verloochend en verlaten,

daar hangt hij,—onze Koning! hij!—

ten spotliede, achter straten,

—Eli! Eli! Sabacthani,— van elkendeen!—Eli! Eli!

De Schriftgeleerden:

Die alleman, voordezen,

genaast, nu wilt genezen

u zelven, zoo Gods zoon gij zijt;

en leert ons, eer de dood u bijt,

wach!—ons—geloovig wezen!

De joodsche Priesters:

Eli! Eli!—Wat wilt de man, die ’s Heeren bidsteê breken kan en maken, na drie dagen, —Gods zone is hij!—wat wilt hij dan der dieven dood verdragen?

’t Roomsch krijgsvolk:

„Mij dorst!”—Laat ons Elias zien —haalt edik!—hem nu hulpe bien; en, kan ’t, zoo moge ’t nu geschiên, hetgeen hij zei, voordezen, volbracht, dat ’t al ging wezen!

Jesus:

o Vader, gij die alles ziet

hetgeen zij doen, ze’n weten ’t niet:

vergeeft het hun!

De vrienden des Heeren, 3 maal slaande op hunne borst:

’t Is onze schuld:

Lam Gods, aleer gij sterven zult,

vergeeft het ons!—’t Wordt middernacht...—

Lam Gods!...—Lam Gods!...

Jesus:

’t Is al volbracht!

DE TWAALFSTE STONDE:

Inhoudsopgave

GESTORVEN.

Inhoudsopgave

De vier heilige Evangelisten:

—’t Dondert onder grond.—De graven gapen.—’t Splijt

een klove, die tot in de moergebinten bijt

der bergen.—Zonne en mane en sterren houdt de Dood,

—al ’t licht van dezen dag,—geborgen in den schoot

van heure afschuwlijkheid.—Zij nadert tot den stam,

daar overwonnen, hij, die haar verwinnen kwam,

uit vrijen halze, en eer zij hem aan ’t lijf besteelt,

—bij ’t deinzen van de dood,—zijn’ ziele aan God beveelt

en—sterft.

DE DERTIENSTE STONDE:

Inhoudsopgave

DE VII WEE’N.

Inhoudsopgave

De heilige Vrouwen, de vrienden ons Heeren:

o Moeder van die lange en leede en scherpe zieledolken,

die ’t spreken van één woord u in de zijde bracht,

geheugt u nog die nacht,

als de Engelen, in de wolken,

geboren in uw’ schoot, aanbaden hem,

onzalig moederherte,—o Zalig Bethlehem!—

daar nu ligt, ontlijfd?—o Moeder van veel smerten,

Maria, hadt gij meer als één, als honderd herten,

in ieder zou, doordoornd, doorgeeseld en doorgaan,

het zevenhandig zweerd van uwe droefheid staan!

o Moeder, bidt voor ons,—daar bij den boom gezeten,—

die einde aan uwe smerte, aan uwe liefde en weten!

o Moeder, bidt voor ons, die Jezus’ Moeder zijt

en onze Moeder nu,—nu—bidt voor ons—altijd...!

Darmowy fragment się skończył.

8,78 zł

Gatunki i tagi

Ograniczenie wiekowe:
0+
Data wydania na Litres:
11 października 2024
Objętość:
81 str. 2 ilustracji
ISBN:
4064066311940
Wydawca:
Właściciel praw:
Bookwire
Format pobierania:

Podobne książki