Czytaj książkę: «De drie steden: Rome»

Czcionka:

Émile Zola

De drie steden: Rome


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066404253

Inhoudsopgave

EERSTE HOOFDSTUK

TWEEDE HOOFDSTUK

DERDE HOOFDSTUK

VIERDE HOOFDSTUK

VIJFDE HOOFDSTUK

ZESDE HOOFDSTUK

ZEVENDE HOOFDSTUK

ACHTSTE HOOFDSTUK

NEGENDE HOOFDSTUK

TIENDE HOOFDSTUK

ELFDE HOOFDSTUK

TWAALFDE HOOFDSTUK

DERTIENDE HOOFDSTUK

VEERTIENDE HOOFDSTUK

VIJFTIENDE HOOFDSTUK

ZESTIENDE HOOFDSTUK

DE MEULENHOFF-EDITIE

GEEFT EEN GOED BOEK IN EEN GOED KLEED VOOR WEINIG GELD.


DE DRIE STEDEN

ROME

ROMAN

DOOR

EMILE ZOLA

VERTALING VAN

W. J. A. ROLDANUS Jr.

UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF

TE AMSTERDAM AAN HET DAMRAK 88

EERSTE HOOFDSTUK

Inhoudsopgave

Door verschillende vertragingen tusschen Pisa en Civita-Vecchia kwam abbé Pierre Froment na een moeilijke en vermoeiende reis van vijf-en-twintig uur eerst tegen negen uur ’s ochtends te Rome aan. Hij had slechts een handkoffertje bij zich, sprong, te midden van het gedrang der aankomst, vlug uit de coupé, ontweek, daar hij gaarne alleen zijn en zien wilde, de op hem toeschietende witkielen en droeg zelf zijn lichte bagage. Voor het station, op het Plein der Vijfhonderd, stapte hij in een der langs het trottoir gestationneerde open rijtuigen, zette zijn handkoffertje naast zich en riep den koetsier het adres toe:

“Villa Giulia, palazzo Boccanera.”

Het was 3 September, een Maandag, de hemel was helder, mild en wondermooi-doorschijnend. De koetsier, een klein, rond mannetje, met schitterende oogen en witte tanden, glimlachte, toen hij aan het accent een Franschen priester herkende. Hij legde de zweep over zijn paard en het rijtuig schoot dadelijk voort in den vluggen gang, die deze zoo zindelijke en vroolijke Romeinsche rijtuigjes kenmerkt. Maar bijna onmiddellijk nadat zij de boompjes van het kleine pleintje voorbijgereden en op het plein der Thermen1 gekomen waren, keerde hij zich om en wees, nog steeds glimlachend, wet zijn zweep op de bouwvallen.

“De Thermen van Diocletianus,” zeide hij, als voorkomend koetsier, die er steeds op uit was bij de vreemdelingen in een goed blaadje te komen, ten einde zich van hun clientèle te verzekeren, in slecht Fransch.

Van de hoogten van den Viminalis, waarop het station staat, reed het rijtuigje in snelle vaart de sterk-hellende Via Nazionale af. En van dat oogenblik hield hij niet op, bij ieder monument zijn hoofd om te draaien en er met de zweep op te wijzen. In dat gedeelte van de lange straat waren slechts nieuwe gebouwen. Iets verderop rechts verhieven zich met groen bedekte heuvels, waarop een eindeloos geel en kaal gebouw, een klooster of een kazerne, oprees.

“Het Quirinaal, het paleis van den koning,” zeide de koetsier.

Sedert, een week geleden, tot de reis besloten was, had Pierre alle dagen ijverig op plattegronden en in boeken de topographie van Rome bestudeerd, zoodat hij zich uitstekend had kunnen oriënteeren, zonder naar den weg te vragen. De aanwijzingen van den koetsier had hij dan ook volstrekt niet noodig. Doch de plotselinge dalingen, de onophoudelijke stijgingen, die sommige wijken als in etagevormige terrassen verdeelden, brachten hem toch telkens even in de war. Maar de stem van den koetsier verhief zich, hoewel eenigszins ironisch, en zijn zweep beschreef een wijderen kring, toen hij den naam van een reusachtig, nieuw en nog vochtig gebouw aan den linkerkant wees, een reusachtig blok van steenen, overladen met beeldhouwwerk, gevelversieringen en beelden.

“De Nationale Bank.”

Lager, toen het rijtuigje een driehoekig plein opreed, zag Pierre, opkijkend, tot zijn verrukking op een hoogen, gladden muur een hangenden tuin, waarin het elegante en krachtige profiel van een honderdjarigen piniepijnboom zich in den helderen hemel verhief. Hij voelde den vollen trots en de volle bekoring van Rome.

“De villa Aldobrandini.”

Nog verder en lager deed een vlug en vluchtig visioen zijn geestdrift nog meer ontvlammen. Weer maakte de straat een plotselinge bocht, toen zich plotseling in den hoek een lichte opening toonde. Van boven naar beneden gezien was het een wit plein als een zonneschacht, gevuld met een verblindend goudstof; en in die ochtendpracht rees een reusachtige marmeren zuil, die aan den kant, waar de dagvorstin haar bij haar opkomst in haar stralen baadde, als verguld was. Hij was verrast, toen de koetsier hem den naam noemde, want hij had zich haar niet zoo voorgesteld in dat verblindend witte gat te midden der naburige schaduwen.

“De Trajanuszuil.”

Onder aan de helling maakte de straat een laatste kromming. Steeds weer noemde in de snelle vaart de koetsier nieuwe namen: den palazzo Colonna, welks tuin door slanke cypressen omgeven is; den palazzo Torlonia, voor de helft met den grond gelijk gemaakt ter wille van nieuwe verfraaiingen; den palazzo di Venezia kaal en angstaanjagend door zijn met kanteelen voorziene muren en zijn tragische strengheid van middeleeuwsche, in het hedendaagsche burgerlijke leven vergeten vesting. Tegenover dat onverwachte aspect der dingen nam Pierre’s verbazing steeds toe. Maar vooral werd hij getroffen, toen de koetsier hem triomphantelijk met zijn zweep den Corso wees, een lange, nauwe straat, nauwelijks zoo breed als de Parijsche rue Saint-Honoré, links in den vollen zonneschijn, rechts in donkere schaduwen liggend, terwijl in de verte de piazza del Popolo als het ware een ster van licht vormde: was dat nu het hart der stad, de beroemde promenade, de levende hoofdader, waarheen al het bloed van Rome stroomde?

Reeds sloeg het rijtuigje den corso Victor-Emanuele in, de voortzetting van de Via Nazionale; dat zijn de twee openingen, die van het eene einde der oude stad naar het andere, van het station tot de Heilige-Engelenbrug gesneden zijn. Links lag de ronde apsis van de kerk Il Gesù blond in de vroolijke ochtendzon. Tusschen de kerk en den loggen palazzo Altieri, dien men niet tegen den grond had durven werpen, werd de straat nauwer, kwam men in een vochtige, koude donkerte. Doch daar voorbij, vóór den gevel van de kerk Il Gesù, op het plein, scheen de zon weer verblindend en fel, terwijl in de verte, op den achtergrond van de Via d’Aracoeli, die eveneens in schaduw gehuld was, bezonde palmboomen opschoten.

“Daar ginds ligt het Capitool,” zeide de koetsier.

De priester boog zich uit het rijtuigje, maar hij zag niets dan een groene vlek aan het einde van de donkere steile helling. De plotselinge overgangen van warm licht in koude schaduw deden hem huiveren. Voor den palazzo di Venezia en voor de kerk Il Gesù had hij een gevoel gehad alsof de geheele nacht van lang vervlogen dagen op hem drukte; dan bij ieder plein, bij iedere verbreeding der nieuwe straten was het als een terugkeer in het licht, in de vroolijke, milde warmte van het leven. De stralen van de gele zon vielen langs de daken af en teekenden duidelijk de violette schaduwen af. Tusschen de gevels door zag men plekken diepblauwen, zeer helderen hemel. De lucht, die hij inademde, gaf hem een bijzonderen, onbestemden smaak, een vruchtensmaak, die in hem zijn reiskoorts verhoogde.

Ondanks zijn onregelmatigheid is de corso Victor-Emanuele een zeer mooie, moderne straat; en Pierre kon zich in de een of andere groote stad met groote huurkazernes wanen. Maar toen hij langs de Cancellaria, het meesterwerk van Bramante, het karakteristieke monument in Romeinsche Renaissance, reed, kwam zijn verwondering weer en keerde hij in zijn geest terug naar de reeds geziene paleizen, naar die kale, kolossale en plompe architectuur, die reusachtige steenkubussen, die denken deden aan hospitalen of gevangenissen. Nooit had hij zich de beroemde Romeinsche paleizen zoo zonder gratie of phantasie, zoo zonder uiterlijke pracht voorgesteld. Het was beslist heel mooi, hij zou het ten slotte wel begrijpen, maar hij moest er aan wennen, zich erin leven.

Plotseling verliet het rijtuigje den drukken corso Victor-Emanuele en sloeg kronkelende straatjes in, waarin het slechts met moeite vooruitkwam. Na de heldere zon in de drukte der nieuwe stad kwam de kalmte, de eenzaamheid der slapende en koude, oude stad. Hij riep de plattegronden, die hij bestudeerd had, in zijn geheugen terug en zeide tot zichzelf, dat hij nu in de nabijheid der Via Giulia zijn moest; en zijn steeds grooter geworden nieuwsgierigheid nam nu zelfs zoo toe, dat hij er pijn van begon te krijgen, wanhopig, dat hij er niet dadelijk meer van zag, meer van wist. Zijn verbazing de dingen niet zóó te vinden als hij ze verwacht had, en de schokken, die zijn phantasie kreeg, deden den koortsachtigen toestand, waarin hij zich sedert zijn vertrek bevond, nog erger worden, deden de vurige begeerte in hem ontstaan, om zijn nieuwsgierigheid onmiddellijk te bevredigen. Het was pas even over negenen, hij had den geheelen ochtend voor zich, om zich aan den palazzo Boccanera aan te melden: waarom zou hij zich niet dadelijk naar de klassieke plek, naar den heuveltop rijden laten, vanwaar men geheel Rome op zijn zeven heuvelen zag liggen? Toen die gedachte eenmaal bij hem opgekomen was, kwelde zij hem zóó, dat hij ten slotte eraan toegaf.

De koetsier keerde zich niet meer om en Pierre moest opstaan, om hem het nieuwe adres te geven.

“Naar San Pietro in Montorio.”

De man was verbaasd, scheen hem niet te begrijpen. Met zijn zweep wees hij, dat het daarginds, heel in de verte was. Toen echter de priester bleef volhouden, begon hij weer vriendelijk te glimlachen en knikte amicaal met zijn hoofd. Goed, goed, hij had er niets tegen.

Het paard draafde te midden van den doolhof der nauwe straten in sneller tempo verder. Eerst volgden zij er een, dat als beklemd lag tusschen hooge muren en waarin de zon als onder in een put scheen. Aan het einde ervan werd het plotseling weder licht en staken zij over de oude brug van Sixtus IV den Tiber over. Rechts en links strekten zich in den ravage en tusschen het nieuwe cement der bouwwerken de nieuwe kaden uit. Aan de overzijde was de Trastevere geheel tegen den grond geworpen; het rijtuigje reed langs een breeden weg, die zooals op groote borden te lezen was, den naam Garibaldi droeg, de helling van den Janiculus op. Voor de laatste maal maakte de koetsier zijn gemoedelijk-trotsch gebaar, toen hij den naam van de triomfstraat noemde.

“Via Garibaldi.”

Het paard moest zijn gang wat inhouden, en Pierre, aangegrepen door een kinderlijk ongeduld, keerde zich om, om te zien, naarmate achter hem de stad zich meer uitbreidde en ontrolde. Het stijgen duurde lang, steeds weer rezen tot aan de verre heuvels nieuwe stadswijken op. Dan vond hij in de toenemende opwinding, welke zijn hart deed kloppen, dat hij de bevrediging van zijn begeerte bedierf door haar in deze langzame en gedeeltelijke overwinning van den horizont te verbrokkelen. Hij wilde in eens alles zien, geheel Rome, de heilige stad, in één blik omvatten. En ondanks zijn hartstochtelijk verlangen had hij de kracht, niet meer om te kijken.

Boven bevindt zich een uitgestrekt terras. De kerk San Pietro in Montorio bevindt zich daar op de plaats, waar volgens de overlevering Petrus gekruisigd werd. De plaats is kaal en door te felle zomerzon roodachtig gebrand, terwijl iets verder daarachter het heldere, ruischende water der Acqua Paola in een eeuwige frischheid in dikke bellen uit de drie bekkens van de monumentale fontein stroomt. Tegen de borstwering, die langs het loodrecht op den Trastevere neerziende terras loopt, rijen zich steeds touristen, magere Engelschen, breedgeschouderde Duitschers, die, gapend van traditioneele bewondering, hun reisgids, dien zij raadplegen, om de monumenten te herkennen, in hun hand houden.

Pierre sprong vlug uit zijn rijtuig, liet zijn handkoffertje op het bankje liggen en gaf den koetsier een teeken om te wachten; deze bracht zijn rijtuigje in de rij en bleef in wijsgeerige kalmte op den bok zitten, in de volle zon, zijn hoofd voorovergebogen evenals zijn paard, beiden bij voorbaat berustend in het lange wachten, dat zij daar gewoonlijk doen moesten.

Reeds stond Pierre in zijn nieuwe zwarte soutane, zijn bloote handen zenuwachtig samengeknepen en brandend van koorts, tegen de borstwering en keek, keek met zijn geheele ziel. Rome! Rome! De Stad der Caesars, de Stad der Pausen, de Eeuwige Stad, die tweemaal de wereld veroverd heeft, de uitverkoren Stad van den vurigen droom, dien hij sedert maanden droomde! Daar was zij eindelijk, zag hij haar! De onweersbuien der vorige dagen hadden de groote Augustushitte verjaagd. De wondermooie Septemberochtend lag frisch onder den doorzichtig-blauwen, vlekkeloozen, eindeloozen hemel. Het was een in zachtheid badend Rome, een droom-Rome, dat zich in de heldere ochtendzon scheen te vervluchtigen. Een fijn, blauwachtig waas, maar nauwlijks zichtbaar en teer als gaas, zweefde over de dalen der lager gelegen wijken, terwijl de uitgestrekte Campagna en de verre bergen zich in een licht-rose verloren.

In den beginne kon hij niets onderscheiden, wilde hij zich tot geen enkele bijzonderheid bepalen, gaf hij zich aan geheel Rome, aan den levenden kolos, die daar op dezen door het stof van geslachten gevormden bodem voor hem lag. Iedere eeuw had als door de groeikracht van een onsterfelijke jeugd zijn roem hernieuwd. Maar wat hem vooral aangreep, wat zijn hart met groote slagen kloppen deed, dat was, dat hij Rome vond, zooals hij ernaar verlangd had: in zijn ochtend-frischheid en verjongd, licht en vroolijk, onlichamelijk bijna en in dezen helderen dageraad van een mooien dag glimlachend in de hoop op een nieuw leven.

Toen doorleefde Pierre, onbeweeglijk staande voor den verheven horizont, zijn brandende handen nog steeds saamgeknepen, in enkele minuten opnieuw de drie laatste jaren van zijn leven. O, welk een vreeselijk jaar was dat eerste geweest, dat hij in zijn klein huisje te Neuilly doorgebracht had, de deuren en ramen steeds gesloten; hij had zich ingegraven als een gewond dier, dat in doodsstrijd verkeert. Hij was met een gestorven ziel, met bloedend hart uit Lourdes teruggekomen; niets was in hem overgebleven dan asch. Stilte en nacht waren op de puinhoopen van zijn liefde en van zijn geloof neergedaald. Dagen en dagen verliepen zonder dat hij zijn aderen hoorde kloppen, zonder dat een licht opkwam, dat het duister van zijn verlatenheid verhelderde. Hij leefde als een machine, hij wachtte tot zijn moed terugkeeren zou, om het leven in naam van de souvereine rede, die hem alles had doen opofferen, weer op te vatten. Waarom was hij niet veerkrachtiger en sterker, waarom paste hij zijn leven niet kalm aan zijn nieuwe overtuigingen aan? Waarom wijdde hij zich, nu hij, trouw aan een innige liefde en met afschuw voor een meineed, de soutane niet wilde afleggen, niet aan een wetenschap, die den priester veroorloofd is, de sterrenkunde of de archaeologie? Maar iemand in hem weende, zijn moeder ongetwijfeld, een grenzenlooze teederheid die nog nooit bevredigd was en eraan wanhoopte ooit bevrediging te zullen vinden. Het was de voortdurende smart over zijn eenzaamheid, de opengebleven wond in zijn ziel, ondanks den eerbied, dien zijn herwonnen rede hem weer voor zichzelf had doen krijgen.

Dan, op een herfstavond, bij een sombere regenlucht, bracht het toeval hem in aanraking met een ouden priester, abbé Rose, vicaris aan de Sainte-Marguerite in de voorstad Saint-Antoine. Hij zocht hem op in zijn woning in de rue de Charonne, een vochtigen rez-de-chaussée, bestaande uit drie vertrekken, welke hij in een asyl voor kleine kinderen, die hij in de naburige straten vond, veranderd had. Van dat oogenblik af kwam er een geheele omkeer in zijn leven, een nieuw en machtig belang was er als het ware in binnengetreden, hij werd langzamerhand de hartstochtelijk-ijverige helper van den ouden priester. Van Neuilly naar de rue de Charonne was een lange weg. In den beginne ging hij slechts tweemaal per week, later dagelijks al ’s morgens vroeg, om ’s avonds pas naar huis terug te gaan.

De drie vertrekken waren niet voldoende meer, hij had er de eerste etage bij gehuurd en daar een kamer voor zich zelf gereserveerd, waar hij dikwijls slapen bleef. Zijn geheele kleine rente ging met deze hulp aan de arme kinderen, die onmiddellijk verleend moest worden, weg; en de oude priester, verrukt en tot tranen toe geroerd door deze jeugdige toewijding, die als het ware uit den hemel kwam vallen, omhelsde hem weenend en noemde hem een kind Gods.

Nu leerde Pierre de ellende, de misdadige, afschuwelijke ellende, kennen, leefde twee jaar lang met en bij haar. Het begon met kleine wezentjes, die hij op straat opraapte of die, nu het asyl in de geheele wijk bekend was, medelijdende buren bij hem brachten: jongetjes en meisjes, de allerkleinsten, die op straat terecht gekomen waren, terwijl de vaders en moeders werkten, dronken of stierven. Dikwijls was de vader verdwenen, gaf de moeder zich aan prostitutie over; dronkenschap en ontucht waren met den stilstand van het werk de woning binnengetreden. Dan kwam het nest op straat, de jongsten stierven van koude en honger in de goot, terwijl de oudsten wegvlogen, ontucht en misdaad tegemoet.

Op een avond had hij in de rue de Charonne twee kleine jongetjes, broertjes, die hem zelfs niet eens konden zeggen waar zij vandaan kwamen, onder de wielen van een zwaren lastwagen gehaald. Een anderen avond kwam hij met een klein meisje in zijn armen thuis, een blond engeltje van een jaar of drie, dat hij huilende op een bank, waar haar moeder haar te vondeling gelegd had, had gevonden. Later ging hij van die magere en jammerlijke uit het nest getuimelde vogeltjes als vanzelf tot de ouders over, drong hij van de straten de donkere holen binnen, waagde hij zich iederen dag verder in die hel, waarvan hij langzamerhand de vreeselijke verschrikking kennen leerde. Zijn hart bloedde van angst en ontzetting in het diep-treurige bewustzijn, dat zijn hulp vergeefsch was.

O, welke verschrikkelijke tochten maakte hij gedurende die twee jaar, welke zijn geheele wezen schokten, in die jammerlijke stad van ellende, den bodemloozen afgrond van menschelijk verval en menschelijke ellende! In deze wijk Sainte-Marguerite, midden in het hart van de drukke en bedrijvige voorstad Saint-Antoine ontdekte hij smerige huizen, geheele steegjes lucht- en lichtlooze woningen, vochtig als kelders, waarin, vergiftigd, een geheele bevolking ongelukkigen vervuilde en met den dood streed. Op de wankele trap gleed de voet in het opgehoopte vuil uit. Op iedere verdieping begon steeds weer dezelfde armoede, die tot de grootste onreinheid, tot de afschuwlijkste manier van samenleven vervallen was. Ramen ontbraken, de wind joeg door de vertrekken, de regen sloeg in stroomen binnen. Velen sliepen op den kalen grond zonder zich ooit uit te kleeden. Geen meubels, geen linnen, het was als het leven van dieren, zij zochten bevrediging en troost, waar zij die vinden konden.

Alle geslachten, alle leeftijden waren daar opgehoopt; al die menschen keerden door gebrek aan het allernoodzakelijkste, door zulk een armoede, dat men er om de kruimels, die van de tafels der rijken geveegd werden, vocht, tot het dierlijke terug. Het ergste daar was het zedelijk verval der menschelijke natuur: het was niet meer de vrije wilde, die in de oerwouden naakt rondliep, joeg en zijn buit opat, maar de geciviliseerde, weer tot het dier teruggekeerde mensch met al de brandmerken van zijn verval, bezoedeld, verliederlijkt, verzwakt te midden van de luxe en de verfijning van een stad, die de koningin der wereld is.

In iedere woning vond Pierre dezelfde geschiedenis terug. In den beginne was er jeugd en vroolijkheid geweest, was de wet van den arbeid moedig erkend. Daarna was de onvoldaanheid gekomen: waartoe diende het altijd te werken, als men toch niet rijk werd. De man begon te drinken, om ook zijn deel aan het geluk te hebben, de vrouw had haar huishouden veronachtzaamd, dronk soms zelfs ook, liet de kinderen in het wilde opgroeien. Het jammerlijke milieu, de onwetendheid en het op elkaar wonen hadden het overige gedaan. Nog meer was echter werkeloosheid de schuld van alles. Deze stelt er zich niet tevreden mede het overgespaarde geld op te maken, maar zij put ook den moed uit, went aan luiheid. Terwijl maandenlang de werkplaatsen leeg staan, worden de armen slap. Onmogelijk in dat zoo koortsachtig drukke en werkende Parijs het minste werk te vinden.

’s Avonds komt de man huilend thuis; overal heeft hij zijn armen aangeboden, het is hem zelfs niet gelukt voor straatveger in aanmerking te komen, want het baantje is gewild en je hebt er protectie voor noodig. Is het niet monsterachtig dat in deze groote stad, waar de millioenen op het plaveisel fonkelen en rinkelen, een man, die werk zoekt, dat niet vinden en daarom niet eten kan. De vrouw eet niet, de kinderen eten niet. Dan komt de zwarte honger, de verdierlijking, dan het verzet en de opstand; alle maatschappelijke banden worden onder die schandelijke onrechtvaardigheid tegenover arme schepsels, die hun zwakheid ter dood veroordeelde, verbroken. En op welk een lijdenssponde valt de oude werkman, wiens armen door vijftig jaren van zwaren arbeid geheel opgebruikt zijn, zonder dat hij een cent ter zijde heeft kunnen leggen, neer om te sterven? Of moest men hem op den dag, dat hij, daar hij niet meer werken kon, niet meer at, met een hamer moeten afmaken als een tot niets nut meer zijnd lastdier? Bijna allen sterven in het ziekenhuis. Anderen verdwijnen, zonder dat iemand zich om hen bekommert, medegesleept door den modderstroom der straat. Op een ochtend vond Pierre in een walgelijk krot op half vergaan stroo er een, die verhongerd was, daar, terwijl de ratten zijn gezicht afgeknaagd hadden, een week gelegen had, zonder dat iemand naar hem had omgekeken.

Maar op een avond van den laatsten winter vloeide zijn hart van medelijden over. ’s Winters wordt het lijden der ongelukkigen in die onverwarmde krotten, waar de sneeuw door de spleten dringt, afzichtelijk. De Seine kruit, de grond is met ijs bedekt, verschillende takken van industrie moeten stilliggen. In de wijken der voddenrapers, die tot niets doen gedwongen zijn, loopen benden jongens blootsvoets en nauwlijks gekleed, hongerig en hoestend rond en worden door plotselinge windvlagen der tering weggemaaid. Hij vond heele huisgezinnen, moeders met vijf of zes kinderen, op elkaar gedrukt, om het toch maar ’n beetje warm te hebben, en die in drie dagen niets gegeten hadden.

En toen kwam die vreeselijke avond, toen hij achter in een donkere gang doordrong in die jammerkamer, waar een moeder zich en haar vijf kinderen uit wanhoop en honger gedood had, een drama van ellende, waar heel Parijs eenige uren van zou huiveren. Geen meubelstuk meer, geen stuk linnengoed meer, alles was stuk voor stuk in de naastbijzijnde bank van leening gebracht. Alleen het fornuis rookte nog. Op een half ledigen stroozak was de moeder neergevallen, toen zij haar jongste, een zuigeling van drie maanden, voedde; een droppel bloed parelde nog op haar borst, waarnaar de gulzige lippen van den kleinen doode zich uitstrekten. De twee meisjes, drie en vijf jaar oud, twee aardige blondinetjes, sliepen daar ook naast elkaar haar eeuwigen slaap, terwijl van de beide oudere jongens de een met zijn hoofd tusschen zijn handen, tegen den muur aangedrukt lag en de andere op den grond zijn doodsstrijd gestreden had, als had hij zich op zijn knieën voortgesleept, om het raam open te maken.

Toegeschoten buren vertelden de alledaagsche, vreeselijke geschiedenis: een langzame ondergang, de vader, die geen werk meer vond en misschien aan den drank geraakt was; de huisbaas, die, het wachten moede, dreigde het huisgezin op straat te zetten; de moeder, die, het hoofd verliezend, wilde sterven en haar nest met haar sterven liet, terwijl de vader vergeefs half Parijs afliep om werk te vinden. Toen de commissaris van politie bezig was de doodsoorzaak vast te stellen, kwam de ongelukkige juist thuis; en nadat hij gezien, nadat hij begrepen had, sloeg hij als een gedold rund neer en begon hij te brullen met zulke jammerlijke doodskreten, dat de geheele straat, door ontzetting aangegrepen, mede weende.

Deze vreeselijke kreet van een ter dood veroordeeld ras, dat in ellende en honger ondergaat, bleef in Pierre’s ooren, bleef in zijn hart doorklinken; hij kon dien avond niet eten, den slaap niet vatten. Was het mogelijk, dat een dergelijke gruwel, een zoo volslagen armoede, een zoo zwarte, met den dood eindigende ellende voorkwam midden in het groote, met rijkdommen pronkende, van genietingen en genot dronken Parijs, dat voor zijn vermaak millioenen op straat smeet? Wat, aan den eenen kant zooveel groote fortuinen, zooveel nuttelooze, bevredigde grillen en luimen, zooveel levens vervuld met alle mogelijke geluk; en aan den anderen kant een zoo hardnekkige armoede, zelfs geen brood, geen enkele hoop, moeders, die zich dooden met haar zuigelingen, waaraan zij niets meer te geven hadden dan het bloed van haar uitgedroogde borsten!

Een woest verzet kwam in hem op; een oogenblik drong het bewustzijn tot hem door hoe belachelijk nutteloos weldadigheid en naastenliefde was. Waartoe diende het te doen wat hij deed, waartoe diende het de kleinen van de straat op te rapen, den ouders hulp te brengen, het lijden der ouden te verlengen? Het maatschappelijk gebouw was verrot tot in zijn grondvesten, alles moest in modder en bloed ten onder gaan. Slechts een groote daad van gerechtigheid kon de oude wereld wegvagen, om de nieuwe op te bouwen. En op dat oogenblik zag hij zoo duidelijk de onherstelbare breuk, de ongeneeslijke kwaal, den zeker doodelijken kanker der ellende, dat hij de heftige plannen van geweldenaren begreep, dat hij zelf bereid was te erkennen, dat een verwoestende en reinigende orkaan komen, dat de aarde door vuur en zwaard herboren worden moest, zooals vroeger, toen de vreeselijke God branden zond, om de vervloekte steden weer gezond te maken.

Toen abbé Rose hem dien avond hoorde snikken, ging hij naar boven, om hem op vaderlijke wijze te beknorren. Die man was een heilige vol oneindige zachtheid en vertrouwen. Wat, wanhopig zijn, lieve God, terwijl het Evangelie bestaat! Was de goddelijke grondstelling: “Hebt elkander lief!” niet voldoende voor het heil der menschheid? Hij had een afschuw van geweld en zeide, dat, hoe groot de ellende ook zijn mocht, er toch snel een einde aan zou komen, zoodra men terug zou keeren tot het tijdperk van eenvoud, deemoed en reinheid, toen de Christenen als schuldelooze broeders met elkaar leefden. Welk een heerlijke schildering gaf hij van de Evangelische maatschappij, welker terugkeer hij met een rustige vroolijkheid opriep, alsof deze zich den volgenden dag verwezenlijken zou. En Pierre moest ten slotte glimlachen, behagen scheppen in dat mooie troostende sprookje, in zijn behoefte om aan die vreeselijke nachtmerrie te ontkomen. Zij praatten tot laat in den nacht en zetten de volgende dagen het gesprek over dit onderwerp, dat den ouden priester zoo lief was, voort. Telkens weer weidde hij uit over nieuwe bijzonderheden, sprak hij van het komend koninkrijk van liefde en rechtvaardigheid met de ontroerende overtuiging van een goed man, die zeker was niet te zullen sterven zonder God op aarde gezien te hebben.

Toen vond in Pierre een nieuwe omwenteling plaats. De uitoefening der liefdadigheid in die arme wijk had hem met een eindelooze deernis vervuld: zijn hart was door het zien van die ellende, aan welker genezing hij wanhoopte, geschokt, verscheurd. En door het weder ontwaken van zijn gevoeligheid voelde hij dikwijls, dat zijn rede naar den achtergrond gedrongen werd; hij keerde tot zijn kindsheid terug, tot die behoefte aan universeele liefde, welke zijn moeder in hem gelegd had. Hij droomde van hersenschimmige opbeuring, verwachtte een hulp van onbekende machten. Zijn vrees, zijn haat voor de brutaliteit der feiten wierpen hem in een steeds grooter wordend verlangen naar redding door liefde. Het was de hoogste tijd, om de vreeselijke, onvermijdelijke catastrophe, den broederoorlog der klassen, die de oude wereld zou wegvagen, welke veroordeeld was onder de opeenhooping van misdaden te verdwijnen, te bezweren. Tot in het diepst van zijn ziel overtuigd, dat de ongerechtigheid haar toppunt bereikt had, dat het wraakuur spoedig slaan zou, waarop de armen de rijken dwingen zouden om te deelen, gaf hij zich van dat oogenblik over aan zijn droom van een vredige oplossing, van een broederkus tusschen alle menschen, van den terugkeer tot de zuivere moraal van het Evangelie, die Jezus gepredikt had.

In den beginne werd hij door twijfel gekweld: was die verjonging van het oude Katholicisme mogelijk, kon men tot de jeugd, tot de reinheid van het primitieve Christendom terugkeeren? Hij begon studies te maken, te lezen, te vragen, zich steeds meer op te winden voor die groote vraag van het Katholieke socialisme, die sedert eenige jaren zoo druk en luidruchtig besproken werd; en in zijn hem doorhuiverende liefde voor de armen en geheel voorbereid als hij was op het wonder der broederschap, verloor hij langzamerhand de scrupules van zijn rede, dwong hij zich tot de overtuiging, dat de Christus een tweede maal komen zou, om de lijdende menschheid te verlossen. Ten slotte formuleerde dit alles zich in zijn geest tot de zekerheid, dat het gelouterde Christendom, tot zijn oorsprong teruggebracht, de eenige macht was, die de tegenwoordige maatschappij zou kunnen redden, door de bloedige crisis, waarmede zij bedreigd werd, te bezweren.

Toen hij twee jaren geleden Lourdes vol verzet tegen dien lagen afgodendienst verlaten had, toen zijn geloof voor altijd gestorven was, maar zijn hart toch door de eeuwige behoefte aan het goddelijke, die alle schepselen kwelt, verontrust werd, was uit het diepst van zijn ziel een kreet in hem opgestegen: “Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst!” En nu meende hij dien nieuwen godsdienst of liever dien hernieuwden godsdienst ontdekt te hebben. Zijn doel was de maatschappelijke redding; tot het geluk der menschheid zou hij de eenige nog krachtige moreele autoriteit gebruiken, de ver om zich heen grijpende organisatie van het wonderbaarlijkste werktuig, dat men ooit voor het regeeren van volkeren gesmeed heeft.

Gedurende de langzame ontwikkelingsperiode, die Pierre doormaakte, hadden, behalve abbé Rose, twee mannen een grooten invloed op hem. Een goed werk had hem in aanraking gebracht met monseigneur Bergerot, een bisschop, dien de paus, ter belooning van een heel leven vol bewonderenswaardige liefdadigheid, onlangs tot kardinaal verheven had, niettegenstaande het heimelijk verzet van zijn omgeving, welke in den Franschen prelaat, die zijn diocees als vader regeerde, een vrijgeest vermoedde. Pierre geraakte door den omgang met dezen apostel, dezen zielenherder, een van die eenvoudige en goede leiders, zooals hij ze voor de toekomstige gemeenschap wenschte, nog meer in geestdrift. Maar zijn samenwerken met vicomte Philibert de la Choue, dien hij in Katholieke werkliedenvereenigingen ontmoet had, was nog beslissender voor zijn apostolaat.

De vicomte, een knappe man met militaire allures en een lang, edel gezicht, dat echter door een ingedrukten en te kleinen neus ontsierd werd, wat het eindéchec van een slecht geëquilibreerde natuur scheen aan te duiden, was een der ijverigste leiders van het Fransche Katholieke socialisme. Hij bezat groote domeinen en een groot fortuin, hoewel men beweerde, dat een mislukte landbouwonderneming het reeds bijna tot op de helft verminderd had. In zijn departement had hij getracht modelboerderijen op te richten, waar hij zijn denkbeelden in zake Christelijk socialisme in toepassing bracht. Maar het succes scheen hem ook daar niet aan te moedigen. Wel was het hem daardoor gelukt afgevaardigde te worden. Hij sprak dikwijls in de Kamer en zette in lange, schitterende redevoeringen het programma van zijn partij uiteen. Onvermoeibaar in zijn ijver trad hij bovendien als leider van pelgrimstochten naar Rome op, als voorzitter van vergaderingen, hield lezingen, gaf zich geheel aan het volk, welks verovering, zooals hij tot zijn vertrouwden zeide, alleen de triomf der Kerk verzekeren kon.

Op die wijze oefende hij een grooten invloed uit op Pierre, die naïevelijk in hem de eigenschappen bewonderde, welke hij voelde zelf niet te bezitten, een organisatietalent, een strijdbaren, eenigszins onrustigen wil, die er enkel en alleen op gericht was om in Frankrijk de Christelijke maatschappij te hervormen. De jonge priester leerde veel uit zijn omgang met dezen Christen-socialist, maar hij bleef toch de man van het gevoel, de droomer, die, zonder te letten op politieke noodzakelijkheden, regelrecht zijn vlucht nam naar de toekomststad van het algemeen geluk, terwijl de vicomte daarentegen de pretentie had de vernietiging der liberale idee van ’89 te willen voltooien door voor den terugkeer tot het verleden gebruik te maken van de desillusie en den toorn der democratie.

Pierre doorleefde eenige verrukkelijke maanden. Nog nooit had een neophyt zoo geheel en al voor het geluk van anderen geleefd. Hij was een en al liefde, hij brandde van hartstocht voor zijn apostolaat. Zijn bezoeken bij het ongelukkige volk, bij de mannen, die geen werk hadden, bij de moeders en kinderen zonder brood, gaven hem dagelijks een steeds grootere zekerheid, dat een nieuwe godsdienst ontstaan moest, om een ongerechtigheid te doen ophouden, waaraan de in opstand gekomen wereld een gewelddadigen dood zou moeten sterven. En aan dit ingrijpen van het goddelijke, aan die wedergeboorte van het primitieve Christendom was hij vast besloten mede te werken; hij wilde alle krachten van zijn geheele wezen geven, om die te verhaasten.

Zijn Katholiek geloof bleef dood; hij geloofde niet meer aan dogma’s, mysteriën en wonderen. Maar één hoop bleef hem bij, n.l. dat de Kerk nog iets goeds kon uitwerken, door de onweerstaanbare, moderne, democratische beweging te leiden, ten einde de volkeren voor de dreigende sociale catastrophe te behoeden. Sedert hij zich tot taak gesteld had het Evangelie weer terug te brengen in het hart van het hongerende en morrende volk der voorsteden, was in zijn ziel de rust teruggekeerd. Hij was nu werkzaam, hij leed minder onder het vreeselijk gevoel van het Niet, dat hij uit Lourdes had medegebracht, en daar hij zich niet meer met vragen kwelde, verteerde de angst der onzekerheid hem niet langer. Met de kalme opgewektheid, welke een eenvoudige plichtsvervulling met zich brengt, bleef hij de mis lezen. Zelfs begon hij tot de meening te komen, dat het mysterie, hetwelk hij aldus celebreerde, dat alle mysteriën en alle dogma’s ten slotte niets waren dan symbolen, kerkelijke gebruiken, die noodig waren voor de kindsheid der menschheid en waarvan men zich weer los zou kunnen maken, wanneer de grooter geworden, gelouterde en beschaafde menschheid in staat zijn zou den verblindenden glans der naakte waarheid te verdragen.

In zijn drang om nuttig te zijn, in zijn hartstochtelijk verlangen, om zijn geloof luide uit te schreeuwen, zette Pierre zich op een ochtend aan zijn tafel en begon een boek te schrijven. Het was zoo geheel natuurlijk gekomen; dat boek was als een hartekreet buiten iedere letterkundige idee om. In een nacht, dat hij niet slapen kon, was de titel in de duisternis plotseling voor hem opgevlamd: Het Nieuwe Rome. Dat zeide alles, want moest niet van Rome, het eeuwige en heilige Rome, de verlossing der volkeren uitgaan? De eenige, nog bestaande autoriteit was dáár; de verjonging kon slechts geboren worden uit de gewijde aarde, waarin de oude Katholieke eik opgegroeid was.

In twee maanden schreef hij dit boek, dat hij sedert een jaar, zonder er zich bewust van te zijn, door zijn studies over het hedendaagsche socialisme voorbereid had. Het was in hem als een dichterlijke opbruising; menigmaal scheen het hem toe alsof hij die bladzijden droomde, terwijl een innerlijke en als uit de verte klinkende stem ze hem dicteerde. Dikwijls gaf vicomte Philibert de la Choue, wanneer hij hem het den vorigen dag geschrevene voorlas, levendig uit een oogpunt van propaganda zijn goedkeuring te kennen, want, zeide hij, men moet het volk ontroeren, om het te kunnen leiden. Ook moest men vrome, maar tegelijk toch onderhoudende liederen componeeren, die in de werkplaatsen gezongen behoorden te worden.

Monseigneur Bergerot, dien het boek uit een oogpunt van dogmatiek vrij koud liet, was daarentegen diep getroffen door de vurige inspiratie van naastenliefde, die uit iedere bladzijde sprak. Ja zelfs beging hij de onvoorzichtigheid den auteur een brief met verlof, om het boek te drukken, te schrijven en hem toe te staan dien als voorwoord daarin af te laten drukken. Dit werk nu, dat in Juni verschenen was, had de Indexcongregatie verboden en ter verdediging van dat boek was de jonge priester vol verbazing en geestdrift naar Rome gesneld; hij brandde van verlangen om zijn overtuiging te doen zegevieren, vastbesloten zijn zaak te verdedigen voor den Heiligen Vader zelf, wiens denkbeelden hij meende uitgesproken te hebben.

Terwijl Pierre aldus zijn drie laatste jaren herleefde, had hij zich niet bewogen; hij stond nog steeds tegen de borstwering tegenover het Rome van zijn droomen en van zijn begeerte. Achter hem reden nog steeds rijtuigen af en aan; magere Engelschen en corpulente Duitschers liepen langs hem heen, na aan den klassieken horizont de vijf in den reisgids aangegeven minuten geschonken te hebben, terwijl de koetsier en het paard van zijn rijtuig kalm met gebogen hoofd in de zon wachtten, die het op het bankje staande handkoffertje stoofde. Pierre zelf scheen in zijn zwarte soutane nog slanker, teerder, fijner geworden te zijn, terwijl hij zich geheel onbeweeglijk overgaf aan het verheven schouwspel. Na zijn terugkeer uit Lourdes was hij vermagerd, zijn gezicht smaller geworden. Sedert zijn moeder weer de overwinning in hem behaald had, scheen het groote, rechte voorhoofd—de toren der rede, die hij aan zijn vader te danken had—af te nemen, terwijl de goedige, ietwat groote mond, de teere, oneindig liefderijke kin nu zijn gelaat beheerschten en zijn ziel verrieden, die ook in de milde vlam van zijn oogen brandde.

O, met welke liefderijke en vurige blikken aanschouwde hij het Rome van zijn boek, het nieuwe Rome, waarvan hij droomde. Had in den beginne in de eenigszins wazige zachtheid van den wondermooien ochtend het geheel hem aangegrepen, thans kon hij de bijzonderheden onderscheiden. Met een kinderlijke blijdschap herkende hij alle monumenten, die hij zoo lang op plattegronden en in photographieënverzamelingen bestudeerd had. Daar aan zijn voeten, beneden den Janiculus strekte de Trastevere zich uit met zijn chaos van zijn oude, roodachtige huizen, wier door de zon verbrande daken den loop van den Tiber verborgen. Het vlakke uitzicht op de stad verbaasde hem eenigszins. Van af dit hooge terras zag het er, zoo in vogelvlucht gezien, als het ware genivelleerd uit: de zeven beroemde heuvelen vormden slechts kleine kopjes, een ternauwernood merkbare deining in de breede zee der gevels.

Ja, daar ginds rechts, tegen het blauwachtig verschiet der Albaansche bergen donker-violet afstekend, lag wel de Aventinus met zijn drie tusschen het groen half verscholen kerken; lag daar ook de ontkroonde Palatinus, door een rij cypressen als met een donkere franje omzoomd. De Coelius daarachter ging als het ware verloren, liet slechts de in het goudstof der zon verbleekende boomen der villa Mattei zien. Slechts de slanke klokketoren en de beide kleine koepeltjes van Santa Maria Maggiore wezen heel in de verte aan den anderen kant der stad, den Esquilinus aan, terwijl hij op den top van den dichter bij gelegen Viminalis niets onderscheidde dan een in het zonlicht badend gewirwar van witachtige, met kleine bruine lijnen doorstreepte blokken, die denken deden aan een verlaten steengroeve.

Langen tijd zocht hij naar den Capitolinus, zonder dien te kunnen ontdekken. Hij trachtte zich te oriënteeren, en maakte zich ten slotte wijs, dat hij wel den campanile2 zag, daar in de laagte, vóór de Santa Maria Maggiore, dat vierkante, zóó bescheiden torentje, dat het te midden van de omgevende daken verloren ging. Links kwam dan de Quirinalis, herkenbaar aan den langen gevel van het koninklijk paleis, dien hospitaal- of kazernegevel, hardgeel, glad en met een eindeloos aantal kleine raampjes doorboord. Toen hij zich heelemaal omgekeerd had, deed een plotselinge aanblik hem onbeweeglijk staan. Buiten de stad, boven de boomen van den tuin Corsini rees de dom van St. Pieter voor hem op. Hij scheen op het groen te rusten en leek in den helderblauwen hemel zelf zóó teer hemelsblauw, dat hij met het eindelooze azuur scheen samen te smelten.

Pierre werd niet moede te kijken en zijn blikken gingen onophoudelijk van het eene einde van den horizont naar het andere. Lang staarde hij naar de edele, uitgetande randen en de trotsche gratie der met steden bezaaide Sabijnsche en Albaansche bergen, welker gordel den horizont afsloot. Kaal en majestueus, als een doode woestijn, en blauwgroen als een onbeweeglijke zee strekte de Campagna romana zich in reusachtige slaglichten uit; eindelijk onderscheidde hij den lagen en ronden toren van het graf van Caecilia Metella, waarachter een dunne, bleeke lijn de oude Via Appia aanwees. Puinhoopen van waterleidingen bestrooiden het gras met het stof van ingestorte werelden. Dan gingen zijn blikken weer terug—en weer zag hij de nieuwe stad, het gewirwar van gebouwen. Hier dichtbij herkende hij aan zijn naar de rivier gekeerde loggia den grooten roodgelen kubus van den palazzo Farnese. Die lage, nauwlijks zichtbare koepel daar verderop moest die van het Pantheon zijn.

Dan herkende hij, met plotselinge sprongen, de pas weer gewitte muren van San Paolo fuori le Mura, welke op die van een groote graanschuur geleken; dan de standbeelden van San Giovanni in Laterano, licht en nauwlijks zoo groot als insecten; vervolgens de ontelbare koepels, dien van del Gesù, dien van San Carlo, dien van San Andrea della Valle, dien van San Giovanni de Fiorentini; eindelijk zooveel andere met herinneringen vervulde gebouwen nog, het kasteel der Heilige Engelen met zijn fonkelend standbeeld, de villa Medici, die de geheele stad beheerschte, het terras van den Pincio, waar tusschen enkele boomen marmergroepen òplichtten, en in de verte de hooge loofdaken der villa Borghese, die met hun groene toppen den horizont afsloten.

Vergeefs zocht hij het Colosseum. Toch begon het zachte noordenwindje de ochtendnevelen uiteen te jagen. In de wazige verte teekenden geheele stadswijken zich krachtig af als voorgebergten in een door de zon beschenen zee. Hier en daar lichtte tusschen de onduidelijke massa der huizen een wit stuk muur òp, flikkerde een rij vensters, wierp een tuin een groote vlek; alles tezamen vormde een verrassende kleurenpracht. Het overige, het gewirwar van straten en pleinen, de tallooze, in alle richtingen gezaaide eilanden, vermengden zich en losten zich op in de levende glorie der zon, terwijl van de daken hooge, witte rookkolommen opstegen en langzaam door de oneindige reinheid der lucht trokken.

Doch weldra concentreerde, door een heimlijk instinct, Pierre’s geheele aandacht zich op drie punten van den grenzenloozen horizont. De lijn der slanke cypressen, die den top van den Palatinus zwart omzoomden, ontroerde hem: daarachter was niets meer dan een ledige ruimte: de paleizen der Caesars waren verdwenen, ingestort, door den tijd met den grond gelijk gemaakt. Hij riep ze weer voor zijn geest op, hij meende ze zich weer te zien oprichten als onbestemde en trillende spoken van goud in het purper van den schitterenden ochtend. Dan keerden zijn blikken terug naar de Sint Pieter; daar stond de dom nog en beschermde het Vaticaan, dat, zooals Pierre wist, dicht tegen de zijde van den kolos rustte; hij vond hem zoo triomphantelijk, krachtig en groot, dat hij hem toescheen als een reuzenkoning, die over de stad heerschte en eeuwig van overal zichtbaar was. Vervolgens wendde hij zijn blikken weer naar den anderen heuvel tegenover zich, naar den Quirinalis, waar het paleis des konings niets meer dan een lage, platte, geel geverfde kazerne leek.

De geheele eeuwenoude geschiedenis van Rome met haar voortdurende omwentelingen, haar telkens weer terugkeerende wederopleving lag daar in dien symbolischen driehoek, in die drie toppen, welke elkaar over den Tiber heen aankeken, voor hem: het opbloeiende, oude Rome met zijn paleizen en tempels, de monsterbloesem van keizerlijke macht en pracht; het pauselijke Rome, dat in de Middeleeuwen de wereld beheerschte en deze reusachtige kerk in al haar herwonnen schoonheid op de Christenheid liet drukken; het hedendaagsche Rome, dat hij niet kende, dat hij tot nu toe veronachtzaamd had, welks zoo kaal en koud koninklijk paleis een armoedigen indruk op hem maakte, den indruk van een jammerlijke, heiligschennende moderniseeringspoging op een eenige stad, die men liever aan den droom der toekomst had moeten overlaten. Hij zette het bijna pijnlijke gevoel van een hinderlijk heden van zich af, hij wilde zich niet ophouden bij een geheel nieuwe wijk, een klein, kleurloos, blijkbaar nog in aanbouw zijnd stadje, dat hij duidelijk dicht naast de St. Pieter op den oever der rivier zag. Hij had van een geheel ander nieuw Rome gedroomd, droomde er nog van, zelfs tegenover den in het stof der eeuwen vernietigden Palatinus, tegenover den dom van St. Pieter, in welks breede schaduw het Vaticaan sliep, tegenover het paleis van den Quirinalis, dat geheel nieuw opgebouwd en geverfd was en echt burgerlijk heerschte over de nieuwe wijken, die overal opschoten en groote scheuren maakten in het lichaam der oude stad met haar roode, in de heldere ochtendzon schitterende daken.

Het Nieuwe Rome! Weer vlamde voor Pierre’s oogen de titel van zijn boek op en deed hem in een nieuwe overpeinzing wegzinken. Hij doorleefde nog eenmaal zijn boek, zooals hij daareven zijn leven doorleefd had. Hij had het met geestdrift geschreven en daarvoor van de op goed geluk af gemaakte aanteekeningen gebruik gemaakt. Een indeeling in drie deelen had zich als vanzelf opgedrongen, het verleden, het heden, de toekomst.

Het verleden was de buitengewone geschiedenis van het oorspronkelijke Christendom, van de langzame evolutie, die van dat Christendom het tegenwoordige Katholicisme gemaakt had. Hij toonde aan, dat onder iedere godsdienstige evolutie zich een economische quaestie verborg, en dat per slot van rekening de eeuwige kwaal niets anders is dan de eeuwige strijd tusschen de armen en de rijken. Bij de Joden breekt onmiddellijk na het nomadenleven, wanneer zij Kanaän veroverd hebben en het bezit ontstaan is, de klassenstrijd uit. Er zijn rijken en er zijn armen; van af dat oogenblik bestaat de sociale quaestie.

De overgang had plotseling plaats gehad, de nieuwe stand van zaken verergerde zoo snel, dat de armen, die zich nog de gouden eeuw van het nomadenleven herinnerden, er dubbel onder leden en met des te meer kracht hulp eischten. Tot aan Jezus toe zijn de propheten niets anders dan opstandelingen, die uit de ellende van het volk opkomen, die zijn lijden uitschreeuwen, de rijken met verwijten overstelpen, aan wie zij alle rampen voorstellen als straf voor hun onrechtvaardigheid en hun hardvochtigheid. Jezus zelf is slechts de laatste van hen; hij treedt als het ware op als de levende opvordering van het recht der armen. De propheten, socialisten en anarchisten, hadden de maatschappelijke gelijkheid gepredikt door de vernietiging der wereld, als zij niet rechtvaardig was, te eischen. Ook hij brengt den armen haat tegen de rijken bij. Zijn geheele leer is een bedreiging tegen den rijkdom, tegen het bezit; en wanneer men het Koninkrijk der Hemelen, dat hij beloofde, als den vrede en de broederschap op deze aarde opvat, dan zou het slechts een terugkeer zijn tot de gouden eeuw van het herdersleven, dan de droom der Christelijke gemeenschap, zooals hij na hem door zijn discipelen verwezenlijkt schijnt te zijn.

Gedurende de drie eerste eeuwen was iedere kerk een communistische poging, een echte gemeenschap, waarvan de leden alles gemeenschappelijk bezaten, behalve de vrouwen. De apologeten en de eerste Kerkvaders leggen er getuigenis van af; het Christendom was toen niets anders dan de godsdienst der nederigen en der armen, een democratie, een socialisme, dat de Romeinsche maatschappij bestreed. En toen deze eindelijk, door het geld verrot en vermolmd, instortte, toen bezweek zij meer nog dan onder den vloed der barbaren en het heimelijke termietenwerk der Christenen onder de wormstekige banken en den financieelen krach. De geldquaestie lag steeds aan alles ten grondslag. Daarvoor kreeg men een nieuw bewijs, toen het Christendom, dank zij de historische, maatschappelijke en menschelijke toestanden eindelijk triompheerde en tot staatsgodsdienst verklaard werd. Om zijn overwinning ten volle te verzekeren, zag het zich genoodzaakt steun te zoeken bij de rijken en de machtigen; en het zou, als het niet zoo treurig was, belachelijk zijn om te zien door welke spitsvondigheden en sophismen de Kerkvaders ertoe komen in het Evangelie van Jezus de verdediging van het bezit te ontdekken. Voor het Christendom was het een politieke bestaansnoodzakelijkheid; slechts ten koste van dezen prijs is het Katholicisme de universeele godsdienst geworden.

Van af dat oogenblik richt de vreeselijke machine zich als veroverings- en regeeringswapen steeds meer in de hoogte: bovenaan bevinden zich de rijken, de machtigen, wier plicht het is met de armen te deelen, maar die het niet doen; onderaan de armen, de werkers, wien men berusting en gehoorzaamheid leert door hun het Rijk der toekomst, de goddelijke en eeuwige schadeloosstelling te beloven. Het is een wonderbaar monument, dat eeuwen geduurd heeft, waarin alles gebouwd is op de belofte van het hiernamaals, op die onleschbare dorst naar onsterfelijkheid en rechtvaardigheid, waardoor de mensch verteerd wordt.

Dat eerste deel van zijn boek, die geschiedenis van het verleden, had Pierre aangevuld met een in groote trekken ontworpen studie over het Katholicisme tot aan onze dagen. Eerst was het de Heilige Petrus, een onwetende, onrustige geest, die door een genialen inval naar Rome kwam en de oude orakels, die den Capitolinus de eeuwigheid voorspeld hadden, in verwezenlijking gaan deed. Daarna waren het de eerste pausen, eenvoudige leiders van begrafenisvereenigingen. Hierna begon het langzame opklimmen van het almachtige pausdom in een eeuwigen veroveringsstrijd om de geheele wereld, zonder ophouden trachtend zijn droom van universeele heerschappij te verwezenlijken. In de Middeleeuwen onder de groote pausen geloofde het een oogenblik zijn doel te bereiken, de souvereine heerscher der volkeren te zijn. Was de absolute waarheid niet de paus, opperpriester en koning der aarde, heerschend, als God zelf, wiens vertegenwoordiger hij is, over de zielen en de lichamen van alle menschen. Deze bovenmatige, maar volkomen logische eerzucht verwezenlijkte zich in Augustus, keizer en pontifex, meester over de geheele wereld; en steeds weer is het de uit de ruïnen van het oude Rome oprijzende figuur van Augustus, die de pausen geen oogenblik losliet; het bloed van Augustus stroomde door hun aderen.

Maar daar na de instorting van het Romeinsche Rijk de macht zich gehalveerd had, moest de paus aan den keizer de wereldlijke heerschappij overlaten en kon hij voor zichzelf slechts het recht behouden hen in opdracht van God te zalven. Het volk behoorde aan God, de paus gaf in Gods naam het volk aan den keizer en kon het hem weer afnemen: een grenzenlooze macht, waarvan de excommunicatie het vreeselijke wapen was, een opperheerschappij, die voor het pausdom den weg tot de werkelijke en definitieve inbezitneming van het keizerrijk baande. In het kort, de eeuwige strijd tusschen paus en keizer ging om het volk, dat zij elkander betwistten, om de lijdelijk toeziende massa der eenvoudigen van geest en lijdenden, om het groote zwijgende volk, welks ongeneeslijk lijden zich slechts nu en dan door een dof gemor verried. Men beschikte, tot zijn welzijn, er over als over een kind; maar de Kerk droeg werkelijk tot de beschaving bij, bewees diensten aan de menschheid en gaf rijke aalmoezen. Steeds weer kwam, ten minste in de kloosters, de oude droom der Christelijke gemeenschap terug: een derde gedeelte der opgehoopte rijkdommen voor den eeredienst, een derde voor de priesters en een derde voor de armen. Werd daardoor het leven niet vereenvoudigd? Werd den geloovigen door het afstand doen van aardsche wenschen en door de belofte van ongehoorde, hemelsche vreugde het leven niet dragelijk gemaakt? Geeft ons de geheele wereld, dan zullen wij alle aardsche goederen in drie deelen verdeelen, dan zult gij zien welk een gouden eeuw te midden van aller berusting en gehoorzaamheid heerschen zal.

Maar vervolgens toonde Pierre aan hoe het pausdom bij het einde der Middeleeuwen, den tijd van zijn almacht, door de grootste gevaren bedreigd werd. De Renaissance met haar weelde en verwildering van zeden, met haar overstroomende levenskracht, die uit de eeuwige, gedurende eeuwen geminachte en voor dood verklaarde natuur ontsprong, sleepte het bijna met zich mede. Maar nog dreigender was het onbewust ontwaken van het volk, den grooten zwijger, wiens tong los scheen te geraken. De Hervorming barstte los als een protest van de rede en de gerechtigheid, als een herinnering aan de miskende waarheden van het Evangelie; en Rome kon van een volkomen verdwijnen slechts gered worden door de hardhandige verdediging der Inquisitie, het langzame en hardnekkige werken van het Concilie van Trente, dat het dogma sterker maakte en de wereldlijke macht bevestigde.

Toen trad het pausdom in twee eeuwen van vrede en van bescheiden op den achtergrond blijven, want de krachtige, absolute monarchieën, die Europa onderling verdeeld hadden, konden het buiten de pausen stellen, sidderden niet meer voor de onschadelijk geworden banbliksems, aanvaardden den paus slechts als een ceremoniemeester, aan wien sommige riten opgedragen waren. Onder de bezitters van het volk was het evenwicht verstoord: de koningen hadden nog steeds het volk Gods in hun macht, maar de paus moest er zich toe bepalen het geschenk voor eens en voor altijd te registreeren, zonder zich ooit, welke gelegenheid zich ook voordeed, in de regeering der staten te kunnen mengen.

Nooit was Rome verder verwijderd geweest van de verwezenlijking van zijn eeuwigen droom der wereldheerschappij. En toen de Fransche Revolutie uitbrak, kon men gelooven, dat de verkondiging der rechten van den mensch het pausdom, dat de bewaarder was van het goddelijk recht, hetwelk God het over de volkeren had opgedragen, dooden zou. Welk een angst in den beginne dan ook in het Vaticaan, welk een woede, welk een wanhopige verdediging tegen het denkbeeld van vrijheid, tegen het nieuwe Credo der bevrijde rede en der weer meesteres over zichzelf geworden menschheid. Het was een schijnbare ontknooping van den langen strijd tusschen keizer en paus om het bezit van het volk: de keizer verdween, en het volk, vrij in den vervolge over zichzelf te beschikken, wilde zich ook onttrekken aan den paus: een onvoorziene oplossing, waarbij de geheele oude stelling van het Katholicisme in puin scheen te moeten vallen.

Hier eindigde Pierre het eerste gedeelte van zijn boek met een herinnering aan het primitieve Christendom tegenover het hedendaagsche Katholicisme, dat de triomf der rijken en machtigen is. Had het Katholieke Rome de Romeinsche maatschappij, die Jezus in naam der armen en eenvoudigen van geest was komen verwoesten, na eeuwen met zijn geld- en hoogmoedspolitiek niet weer opnieuw opgebouwd? Welk een treurige ironie, wanneer men na achttien eeuwen van het Evangelie nog constateeren moest, dat de wereld voor de tweede maal instortte door wormstekige banken, door een financieelen krach, door de schreeuwende onrechtvaardigheid, dat een paar menschen zich vol konden proppen met rijkdommen, terwijl duizenden van hun broeders van honger omkwamen! Het geheele reddingswerk moest weer opnieuw begonnen worden. Maar Pierre zeide die vreeselijke dingen met zoo zachte, zoo medelijdende, zoo hoopvolle woorden, dat zij hun revolutionnair gevaar verloren hadden. Trouwens nergens viel hij het dogma aan. Zijn boek was in zijn sentimenteelen dichtvorm, waarin een vurige naastenliefde brandde, niets dan de kreet van een apostel.

Vervolgens kwam het tweede gedeelte van het werk, het heden, een studie van de tegenwoordige Katholieke maatschappij. Daarin gaf Pierre een vreeselijke beschrijving van de ellende der armen, van de ellende eener groote stad, die hij uit eigen aanschouwing kende, waarvan zijn hart nog bloedde, nu hij de vergiftigde wonden ervan aangeraakt had. De onrechtvaardigheid was niet langer meer te dulden, de liefdadigheid werd onmachtig, het lijden zoo verschrikkelijk, dat in het hart van het volk alle hoop stierf. Had het monsterachtige schouwspel, dat de Christenheid aan de wereld bood, er niet toe bijgedragen om het geloof in het volk te dooden? Haar gruwelen bedierven het, maakten het krankzinnig van haat en wraaklust.

En onmiddellijk na dat beeld van een verrotte, op het punt van instorten staande beschaving, vatte hij de geschiedenis weer op bij de Fransche Revolutie, bij den grenzenloozen hoop, die de vrijheidsidee aan de wereld gegeven had. Bij haar aan het bewind komen had de bourgeoisie, de groote, liberale partij, op zich genomen eindelijk het geluk van allen te verzekeren. Maar helaas schijnt de vrijheid, zooals de ervaring van een eeuw leert, den onterfden niet meer geluk gegeven te hebben. Op politiek gebied begint een desillusie te ontstaan. In ieder geval lijdt, al moge de derde stand zich, sedert hij regeert, voldaan verklaren, de vierde stand, de arbeiders, blijft nog altijd zijn deel opeischen. Men heeft hen vrij verklaard, men heeft hun politieke gelijkheid toegekend, maar dat zijn per slot van rekening belachelijke geschenken, want zij hebben evenals vroeger onder hun economische slavernij slechts de vrijheid om van honger te sterven. Alle socialistische eischen komen daaruit voort, van nu af aan is het verschrikkelijke probleem, welks oplossing de tegenwoordige maatschappij dreigt te vernietigen, tusschen arbeid en kapitaal gesteld.

Toen de slavernij uit de oude wereld verdween, om plaats te maken voor het loonstelsel, was de omwenteling ontzaglijk; en zonder eenigen twijfel was de Christelijke idee een der machtigste factoren, die de slavernij vernietigd hebben. Waarom zou dan thans, nu het er om gaat het loonstelsel door iets anders te vervangen, misschien door het deel krijgen van de arbeiders in de winst, het Christendom niet trachten een nieuw aandeel daarin te hebben? Deze naderende, niet tegen te houden opkomst der democratie is een nieuwe phase in de geschiedenis der menschheid, de maatschappij van morgen, die zich aan het vormen is. En Rome kan zich daartegenover niet lijdelijk houden, het pausdom moest in dien strijd partij kiezen, als het niet van de wereld wilde verdwijnen als een geheel en al nutteloos geworden raderwerk.

Daaruit ontstond de rechtmatigheid van het Katholieke socialisme. Toen van alle kanten de socialistische secten elkaar met hun oplossingen het volksgeluk betwistten, moest de Kerk de hare geven. Hier nu verscheen het nieuwe Rome, hier verbreedde de evolutie zich in een herleving van onbegrensde hoop. Het stond vast, dat de Katholieke Kerk in haar grondstellingen niets tegen de democratie had. Integendeel zij behoefde slechts de Evangelische traditie weer op te vatten, opnieuw de Kerk der armen en eenvoudigen van geest te worden, om de universeele Christelijke gemeenschap te herstellen. Haar wezen is democratisch, en dat zij zich aan de zijde der rijken en machtigen geschaard heeft, toen het Christendom het Katholicisme werd, is alleen een gevolg van het feit, dat zij, met opoffering van haar oorspronkelijke zuiverheid, gehoorzamen moest aan de noodzakelijkheid van zelfverdediging, zoodat zij, wanneer zij nu de zijde van de heerschende, maar tot ondergang gedoemde klassen verlaat, om terug te keeren tot het volk der ongelukkigen, zich eenvoudig dichter aansluit bij den Christus, een verjongingskuur ondergaat, zich bevrijdt van politieke compromissen, waaronder zij zich zoo lang heeft moeten bukken.

In alle tijden heeft de Kerk zich, zonder in één enkel opzicht afstand te doen van het absolute, weten te plooien naar de omstandigheden; zij behoudt haar volkomen souvereiniteit, zij duldt eenvoudig wat zij niet kan verhinderen, zij wacht, zelfs eeuwen lang, geduldig op het oogenblik, dat zij weer de meesteresse der wereld worden zal. En zou dat oogenblik niet nu, niet in de naderende crisis slaan? Weer betwisten alle machten zich het bezit van het volk. Sedert vrijheid en onderwijs het hebben opgevoed tot een macht, tot een wezen, dat met volle bewustzijn en krachtigen wil zijn deel opeischt, willen alle regeeringen het voor zich winnen, erdoor, ja zelfs ermede regeeren. Het socialisme is de toekomst, het nieuwe regeeringswerktuig; allen doen aan socialisme, de op hun troonen wankelende koningen, de bourgeois-leiders van onrustige, woelige republieken, de eerzuchtige volksmenners, die van macht droomen. Allen zijn het erover eens, dat de kapitalistische staat de terugkeer tot de heidensche wereld, tot de slavenmarkt is; allen willen de afschuwelijke ijzeren wet breken, die van den arbeid een aan de wetten van vraag en aanbod onderworpen koopwaar maakt, die het loon berekent naar het strikt noodzakelijke, dat de arbeider noodig heeft, om niet van honger om te komen.

Beneden verergeren de kwalen, worden de arbeiders door ellende en wanhoop gekweld, terwijl over hun hoofden heen de discussies worden voortgezet, de stelsels zich kruisen, de goede wil zich uitput in het beproeven van niets uitwerkende middelen. Het is het rondtrappelen op één plaats, het is de krankzinnige verbijstering, die aan naderende catastrophen voorafgaat. En tusschen de andere is het Katholieke socialisme, even vurig als het revolutionnaire socialisme, op zijn beurt in den strijd getreden en tracht te overwinnen.

Nu volgde een studie over de krachtsinspanning van het Katholieke socialisme in de geheele Christenheid. Daarbij was bijzonder opvallend, dat de strijd levendiger en succesvoller werd, zoodra hij geleverd werd op een terrein, dat nog niet geheel gewonnen was voor het Christendom, zooals bijvoorbeeld in die landen, waar het Katholicisme zich tegenover het Protestantisme bevond. Daar streden de priesters met eene ongewone heftigheid voor hun leven, betwistten zij den dominé’s het bezit van het volk door vermetel-democratische theorieën.

In Duitschland, het klassieke land van het socialisme was monseigneur Ketteler een der eersten, die den rijken belastingen wilde opleggen, stichtte hij later een uitgebreide beweging, die thans met behulp van talrijke vereenigingen en couranten door den geheelen clerus geleid wordt. In Zwitserland verdedigde monseigneur Mermillod de zaak der armen zoo krachtig, dat thans de bisschoppen bijna gemeene zaak maken met de democratische socialisten, ongetwijfeld in de hoop hen op den dag der verdeeling te bekeeren.

In Engeland, waar het socialisme zoo langzaam doordringt, behaalde kardinaal Manning belangrijke successen, koos hij tijdens een reusachtige staking de zijde der werklieden, riep hij een volksbeweging in het leven, die talrijke aanhangers kreeg. Maar vooral in Amerika, in de Vereenigde Staten vierde het Katholieke socialisme triomfen in die democratische omgeving, welke bisschoppen als monseigneur Ireland ertoe noodzaakte zich aan het hoofd der arbeiderseischen te stellen: een geheele nieuwe Kerk schijnt daar te ontkiemen, zonder vaste vormen nog, maar overvloeiend van levenskracht en bezield met grootsche verwachtingen, als stond zij reeds aan den dageraad van het verjongde Christendom. Als men dan naar Oostenrijk en België, Katholieke landen, oversteekt, ziet men, dat in het eerste het Katholieke socialisme zich vermengt met het anti-semitisme, en dat het in het tweede geen uitgesproken karakter bezit, terwijl de beweging minder wordt, ja zelfs verdwijnt, zoodra men in Spanje en in Italië, die oude landen van het geloof, komt; Spanje, geheel overgeleverd aan de gewelddaden van revolutionnairen, met zijn stijfhoofdige bisschoppen, die er zich mede vergenoegen als in de dagen der Inquisitie hun banbliksems naar de ongeloovigen te slingeren; Italië verstard in de traditie, zonder eenig initiatief, rondom den Heiligen Stoel tot zwijgen en eerbied gedwongen.

In Frankrijk echter bleef de strijd levendig, maar was het vooral een ideeënstrijd; de oorlog ging over het geheel tegen de Revolutie, en het scheen voldoende te zijn de oude organisatie der monarchistische tijden te herstellen, om tot de gouden eeuw terug te keeren. Op die wijze werd het vraagstuk der werkliedencorporaties het punt, waar alles om draaide, als ware dat de panacee voor alle kwalen der arbeidende klassen. Maar omtrent de oplossing was men het allesbehalve met elkaar eens: sommigen, de Katholieken, die de inmenging van den Staat afwezen en een zuivere moreele actie voorstonden, wilden vrije corporaties, terwijl anderen, de jongeren, de ongeduldigen, die tot handelen besloten waren, verplichte, door den Staat erkende en beschermde corporaties met voldoende eigen kapitaal wilden.

Vicomte Philibert de la Choue vooral had in woord en geschrift een vurige campagne ten gunste van de verplichte corporaties gevoerd; en zijn grootste verdriet was, dat hij er den paus nog niet toe had kunnen bewegen zich uit te spreken, of de corporaties open of gesloten moesten zijn. Zijns inziens hing het lot der maatschappij, de vreedzame oplossing der sociale quaestie of de gewelddadige catastrophe, die alles met zich mede slepen zou, daarvan af. In den grond der zaak was hij, hoewel hij het niet bekennen wilde, ten slotte overgegaan tot het staatssocialisme. Ondanks het gebrek aan overeenstemming bleef de agitatie bestaan, werden pogingen gedaan, die echter weinig succes hadden: coöperatieve verbruiksvereenigingen, arbeiderswoningvereenigingen, volksbanken, louter min of meer gemaskeerde pogingen, om tot de oude Christelijke gemeenschappen terug te keeren, terwijl te midden van de verwarring van den tegenwoordigen tijd, te midden van de onrust der geesten en de politieke moeilijkheden, die het land doormaakte, de militante Katholieke partij haar hoop met den dag grooter voelde worden, tot de blinde zekerheid toe, dat de wereldheerschappij spoedig weer in haar handen zijn zou.

Het tweede deel van het boek eindigde met een schildering van de intellectueele en moreele malaise, waartegen het einde der eeuw streed. De groote massa der arbeiders moge lijden onder de slechte verdeeling en eischen, dat men hun bij een nieuwe deeling ten minste het dagelijksch brood verzekert, de elite is evenmin meer tevreden: zij is wanhopig over de leegte, die haar bevrijde rede, haar zich uitgebreid hebbend begrip in haar achtergelaten hebben. Het is het beruchte bankroet van het rationalisme, van het positivisme, van de wetenschap zelf. De geesten, die verteerd worden door den drang naar het absolute, worden het langzame tasten van die wetenschap moede, welke alleen de bewezen waarheden aanvaardt; zij worden weer aangegrepen door den angst voor het mysterie; zij hebben een volkomen en onmiddellijke synthese noodig, om in vrede te kunnen slapen; en gebroken, razend gemaakt door de gedachte, dat zij nooit alles zullen weten, vallen zij onderweg weer op hun knieën, God, het in een geloofsformule onthulde onbekende, verkiezend.

Inderdaad ook thans nog stilt de wetenschap noch onzen dorst naar gerechtigheid, noch onze begeerte naar zekerheid, noch de eeuwenoude idee, die wij ons maken van het geluk, en die in een voortleven, in eeuwige genietingen bestaat. Zij laat de wereld alleen nog maar spellen, zij brengt voor een ieder slechts de strenge, solidaire verplichting te leven, een eenvoudige factor in den universeelen arbeid te zijn. Hoe begrijpelijk is dan ook de opstand, het verzet des harten, het verlangen naar den Christelijken hemel met zijn mooie engelen, vol licht en muziek en geuren. O, wanneer men zijn dooden kussen en tot zichzelf zeggen kan, dat men ze terug zal vinden, dat men met hen in een glorierijke onsterfelijkheid herleven zal! Wanneer men deze zekerheid van een opperste gerechtigheid bezit, om de afschuwlijkheden van dit aardsche bestaan te kunnen dragen! Wanneer men daardoor aan de verschrikkelijke gedachte aan het Niet, aan de vreeselijke voorstelling van het verdwijnen van het Ik ontsnappen en zoodoende eindelijk rust vinden kan in het onwankelbare geloof, dat de gelukkige oplossing van alle problemen van het levenslot verschuift naar den dag na den dood.

Dien droom zullen de volkeren nog lang droomen. Dat verklaart ook, waarom aan het einde dezer eeuw ten gevolge van de overwinning der geesten, ten gevolge ook van de groote onrust, waarin zich de van een nieuwe wereld zwanger gaande menschheid verkeert, het religieuse gevoel weer ontwaakt is. Het is onrustig, snakt naar het ideale en het oneindige, eischt een moreele wet en de zekerheid van een opperste gerechtigheid. De godsdiensten kunnen verdwijnen, het religieuse gevoel zal er nieuwe scheppen, zelfs met behulp van de wetenschap. Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst! En was het niet het oude Katholicisme, dat op het punt stond in deze hedendaagsche wereld, waar alles dat wonder scheen te begunstigen, opnieuw zou ontkiemen, weer groene loten zou doen ontspruiten en zich met een frisschen bloemenpracht tooien zou?

Eindelijk had, in het derde deel van zijn boek, Pierre met de vlammende woorden van een apostel geschilderd hoe de toekomst, het verjongde Katholicisme eruit zou zien, dat aan de in doodsangst verkeerende volkeren vrede en gezondheid, de vergeten gouden eeuw van het oorspronkelijke Christendom teruggeven zou. Hij begon met een roerende en verheerlijkende beschrijving van Leo XIII, den idealen paus, den uitverkorene, aan wien de redding der volkeren opgedragen was. Hij had hem zich zoo voor den geest geroepen, hij had hem zoo gezien in zijn brandend verlangen naar de komst van een herder, die een einde maken zou aan de ellende. Het was geen buitengewoon gelijkend portret, neen het was de onmisbare redder, de onuitputtelijke naastenliefde, het groote hart en de breede geest, zooals hij zich die droomde. Toch had hij de documenten, de encyclieken bestudeerd, de geheele figuur op feiten opgebouwd: op zijn religieuse opvoeding te Rome, de korte nuntiatuur te Brussel, zijn lang episcopaat in Perugia.

Nauwlijks is Leo XIII in den moeilijken, door Pius IX achtergelaten toestand, paus, of zijn dubbele natuur openbaart zich: hij is de onwankelbare hoeder van het dogma, de soepele politicus, vast besloten, de verdraagzaamheid zoo ver mogelijk door te drijven. Hij breekt onmiddellijk met de moderne philosophie, gaat over de Renaissance heen terug naar de Middeleeuwen, herstelt in de Katholieke scholen de Christelijke wijsbegeerte in den geest van Thomas van Aquino. Nadat het dogma op die wijze beschermd is, bereikt hij het evenwicht, geeft aan alle mogendheden onderpanden van den vrede, tracht hij alle gelegenheden te benutten. Men ziet hoe hij met ongekenden ijver een verzoening tot stand brengt tusschen den Heiligen Stoel en Duitschland, hoe hij toenadering zoekt tot Rusland, Zwitserland bevredigt, in vriendschappelijke verhouding met Engeland tracht te komen, aan den keizer van China vraagt de zendelingen en de Christenen in zijn rijk bescherming te verleenen. Later zal hij tusschenbeide komen in Frankrijk en de rechtmatigheid der Republiek erkennen. Van den beginne af is in al zijn daden één gedachte duidelijk merkbaar, de gedachte, die van hem een der eerste politieke personen maken zal. En deze gedachte is niets anders dan het eeuwenoude ideaal van het pausdom: alle zielen te veroveren, Rome het centrum en de meesteres der wereld. Hij heeft slechts één wil, één doel: werken aan de eenheid der Kerk, de afgescheiden gemeenten tot haar terugbrengen, om haar in den komenden socialen strijd onoverwinlijk te maken.

In Rusland tracht hij de moreele autoriteit van het Vaticaan tot erkenning te brengen; hij droomt ervan in Engeland de Anglicaansche Kerk te ontwapenen en haar tot een soort broedervrede te bewegen. Maar vooral in het Oosten streeft hij naar een hereeniging met de afvallige Kerken, die hij eenvoudig als gescheiden zusters behandelt, wier terugkeer zijn vaderhart zoo vurig wenscht. Over welke overwinnende kracht zou Rome niet beschikken, wanneer het zonder tegenspraak over alle Christenen der geheele wereld heerschen zou?

Hier kwam de sociale gedachte van Leo XIII terug. Nog als bisschop van Perugia had hij een herderlijken brief geschreven, waarin een nog wel vaag humanitair socialisme tot uiting kwam. Nauwlijks echter heeft hij zich de tiara opgezet, of hij verandert van meening, dreigt de revolutionnairen, wier vermetelheid toen geheel Italië schrik aanjoeg, met zijn banbliksems. Onmiddellijk echter wijzigt hij zijn koers, gewaarschuwd door de feiten, het doodelijk gevaar, om het socialisme in de handen van de vijanden van het Katholicisme te laten, inziende. Hij luistert naar de adviezen van de populaire bisschoppen in de propagandalanden, mengt zich niet meer in de Iersche quaestie, trekt den banvloek in, dien hij naar de Ridders van den Arbeid in de Vereenigde Staten geslingerd had, verbiedt de vermetele boeken van Katholiek-socialistische schrijvers op den Index te plaatsen. Deze omzwenking naar de democratie vindt men in zijn meest beroemde encyclieken terug: Immortale Dei over de constitutie der staten; Libertas over de menschelijke vrijheid; Sapientiae over de plichten van Christelijke burgers; Rerum novarum over den toestand der arbeiders. Met name deze laatste schijnt de Kerk verjongd te hebben. De paus constateert daarin de onverdiende ellende der arbeiders, den te langen werktijd, het onvoldoende loon. Ieder mensch heeft het recht om te leven; het door den honger afgeperste contract is onrechtvaardig.

Op een andere plaats verklaart hij, dat men den arbeider niet onbeschermd mag laten tegenover een uitbuiting, die de ellende der groote meerderheid in het geluk van enkele anderen verkeeren doet. Daar hij zich over de organisatiequaestie slechts zeer vaag kan uiten, bepaalt hij er zich toe de vereenigingsbeweging, die hij onder de bescherming van den Staat plaatst, aan te moedigen; en nadat hij aldus de gedachte van het burgerlijk gezag hersteld heeft, brengt hij God weer op zijn souvereine plaats terug. Hij verwacht voornamelijk heil van moreele maatregelen, van den ouden eerbied voor familie en eigendom.

Maar was deze hulpvaardige hand, die de verheven stedehouder van Christus openlijk aan de eenvoudigen van geest en de armen toestak, niet het zeker teeken van een nieuwen bond, niet de aankondiging van een nieuw koninkrijk van Jezus op aarde? Van nu af aan wist het volk, dat het niet verlaten was. En tot welk een glorie steeg van dat oogenblik af Leo XIII niet, wiens priester- en bisschopsjubilea door de gezamenlijke Christenheid gevierd werden onder den toevloed van een ontzaglijke menigte, van tallooze geschenken, van vleiende brieven, door alle souvereinen gezonden.

Vervolgens had Pierre de quaestie van de wereldlijke macht behandeld, wat hij vrijuit meende te mogen doen. Natuurlijk wist hij, dat de paus in zijn strijd met Italië even hardnekkig als op den eersten dag zijn rechten op Rome bleef handhaven; maar hij meende, dat dit slechts een noodzakelijke vormquaestie was, die door politieke overwegingen opgedrongen werd en verdwijnen zou, zoodra het uur daarvoor sloeg. Hij voor zich was overtuigd, dat de paus, die nog nooit zoo groot geweest was als thans, die uitbreiding van zijn autoriteit, die zuivere schittering van moreele almacht te danken had aan het verlies van zijn wereldlijke macht. Welk een lange reeks van misslagen en conflicten was sedert vijftien eeuwen niet de geschiedenis van het bezit van dit kleine Romeinsche koninkrijk! In de vierde eeuw verlaat Constantijn Rome, op den ledigen Palatinus blijven nog slechts enkele vergeten functionarissen achter; de paus maakt zich natuurlijk van de macht meester en het leven der stad gaat over naar den Lateranus. Maar eerst vier eeuwen later erkent Karel de Groote het fait accompli door aan den paus formeel den Kerkelijken Staat te schenken.

Van dat oogenblik af houdt de oorlog tusschen de geestelijke macht en de wereldlijke machten niet meer op, dikwijls in het verborgene, meestal echter hevig, vol bloed en vlammen. Is het niet onverstandig thans te droomen van een pausdom, dat te midden van het gewapende Europa tegelijk koning van een lapje grond was, waar het blootgesteld zou zijn aan alle kwellingen, waar het zich slechts met behulp van een vreemd leger zou kunnen handhaven? Wat zou er van het pausdom worden in het algemeene bloedbad, dat men dreigend naderen ziet? Hoeveel veiliger, hoeveel waardiger en hooger is zijn positie, wanneer het, bevrijd van alle aardsche zorgen, slechts over de wereld der zielen regeert!

In de eerste tijden der Kerk heeft het pausdom, oorspronkelijk geheel locaal en zuiver Romeinsch, zich langzamerhand gekatholiseerd, geüniversaliseerd, door zijn heerschappij over de geheele Christenheid uit te breiden. Eveneens heeft het Heilig College, dat oorspronkelijk niets anders was dan een voortzetting van den Romeinschen Senaat, zich geïnternationaliseerd, zoodat het heden ten dage de meest universeele van alle vereenigingen geworden is, waarin onderdanen van alle naties zitting hebben. En is het niet duidelijk, dat de paus, aldus door de kardinalen gesteund, de eenige groote internationale autoriteit geworden is, des te machtiger nu hij bevrijd is van monarchistische belangen en in naam der menschheid spreekt, ja zelfs boven het begrip vaderland staat. De zoo vurig gezochte oplossing, waarom zulke langdurige oorlogen gevoerd zijn, bestaat ongetwijfeld hierin: of men moet den paus de wereldlijke macht over de geheele aarde geven of hem slechts de geestelijke heerschappij laten. Wanneer hij, die reeds de meester der zielen is, niet door alle volkeren als de eenige meester der lichamen, als de koning der koningen erkend wordt, dan moet hij als stedehouder Gods, als absoluut en onfeilbaar souverein door goddelijke overdracht in zijn heiligdom blijven.

Maar welk een vreemd avontuur was dit nieuwe ontspruiten van het pausdom op het door de Fransche Revolutie bezaaide en bemeste veld! Misschien baant dit het den weg naar de heerschappij, het streven waarnaar het zooveel eeuwen staande gehouden heeft. Want nu staat het alleen voor het volk; de koningen zijn neergeworpen; aan het volk staat het thans vrij zich te geven aan wie het zelf wil; waarom zou het zich niet geven aan het pausdom? De zekere afbrokkeling, die de vrijheidsidee ondergaat, geeft het recht alles te hopen. Op economisch terrein schijnt de liberale partij overwonnen. De arbeiders, ontevreden over ’89, klagen over hun steeds grooter geworden ellende, roeren zich, zoeken wanhopig naar het geluk. Anderzijds hebben de nieuwe regeeringsvormen de internationale macht der Kerk doen toenemen; in de parlementen der republieken en constitutioneele monarchieën zitten talrijke Katholieken.

Alle omstandigheden schijnen dus het buitengewone geluk van het verouderende, maar tot nieuwe jeugdkracht ontwakende Katholicisme te begunstigen. Tot de wetenschap toe, die men bankroet verklaart, wat den Syllabus van belachelijkheid redt, maakte de geesten ongerust, opent weer het onbegrensde gebied van het mysterie en van het onmogelijke. En dan herinnert men zich een prophetie, volgens welke het pausdom meester der wereld zijn zou, zoodra het zich aan de spits der democratie zou stellen, na al de afvallige Oostersche Kerken met de apostolische Roomsch-Katholieke Kerk vereenigd te hebben. Die tijd was blijkbaar gekomen, nu de paus, de machtigen en rijken dezer aarde van zich stootend, de van hun troon gejaagde koningen in hun ballingschap liet, om zich, zooals Jezus, aan de zijde van de arbeiders zonder brood en de bedelaars te scharen. Misschien nog enkele jaren van vreeselijke ellende, van verontrustende verwarring—en dan zal het volk, de groote Zwijger, waarover men tot dusverre naar willekeur beschikt heeft, zijn mond openen, terugkeeren naar de wieg, naar de geünifieerde Kerk van Rome, om de dreigende verwoesting der menschelijke maatschappij te voorkomen.

En Pierre eindigde zijn boek met een hartstochtelijke evocatie van het nieuwe Rome, het geestelijke Rome, dat weldra heerschen zou over de verzoende, in een nieuwe gouden eeuw als broeders vereenigde volkeren. Hij zag daarin zelfs het einde van het bijgeloof in, hij had, zonder echter de dogma’s direct aan te vallen, zich in zijn dweperij zoozeer vergeten, dat hij van een uitgebreid, van alle ceremoniën bevrijd, geheel in de bevrediging der naastenliefde opgaand, religieus gevoel droomde. Nog gewond door zijn reis naar Lourdes, had hij toegegeven aan den drang, om zijn hart te bevredigen. Was dat zoo krasse bijgeloof van Lourdes niet het afschuwlijke symptoom van een tijdvak van al te groot lijden? Den dag, dat het Evangelie over de geheele wereld verbreid en in toepassing gebracht zou worden, zouden de lijdenden niet meer zoo ver en onder zoo tragische omstandigheden een illusoiren troost gaan zoeken, zeker als zij van af dat oogenblik zouden zijn thuis hulp te vinden, getroost en genezen te worden.

Te Lourdes had men een zondige verdraaiing van het lot, een voortdurende reden tot strijd, die aan God deed twijfelen, maar in de echt-Christelijke maatschappij van morgen verdwijnen zou. O, deze christelijke maatschappij, deze christelijke gemeenschap; het zwaartepunt van het geheele boek lag in het vurige verlangen naar de komst daarvan! O, mocht de tijd gauw komen, dat het Christendom weer de godsdienst van gerechtigheid en waarheid worden zou, die het vroeger geweest was, voor het zich had laten veroveren door de machtigen en rijken! De tijd, dat de kleinen en armen regeerden, de aardsche goederen onderling deelden en slechts gehoorzaamden aan de alles gelijk makende wet van den arbeid! De tijd, dat de paus alleen aan het hoofd van de federatie der volkeren staan zou, als een vredesvorst, wiens eenige en eenvoudige roeping was de regel der moraal, de band van liefde en barmhartigheid te zijn, die alle wezens samenbindt. Was dat niet de aanstaande verwezenlijking van Christus’ beloften. De tijden zouden in vervulling gaan, de burgerlijke maatschappij en de religieuse maatschappij zouden elkaar zóó volkomen dekken, dat zij er slechts één zouden vormen. Dat zou de door alle propheten voorspelde eeuw van triomf en geluk zijn: geen strijd meer, geen antagonisme tusschen lichaam en ziel, een wonderbaar evenwicht, dat de zonde zou dooden, dat op aarde het koninkrijk Gods brengen zou. Het nieuwe Rome, het centrum der wereld, dat aan de wereld den nieuwen godsdienst gaf!

Pierre voelde, hoe de tranen hem in de oogen kwamen. Met een onbewust gebaar en zonder de verbazing van de magere Engelschen en de corpulente Duitschers, die over het terras heen en weer liepen, op te merken, breidde hij zijn armen uit naar het werkelijke Rome, dat, badend in de mooie zon, zich aan zijn voeten uitstrekte. Zou het zijn droom goedgunstig gezind zijn? Zou hij, zooals hij gezegd had, werkelijk het geneesmiddel voor al ons ongeduld, voor al onze smart vinden? Kon het Katholicisme zich hernieuwen, tot den geest van het oorspronkelijke Christendom terugkeeren, de godsdienst der democratie zijn, het geloof, dat de in doodsgevaar verkeerende moderne maatschappij verwacht, om tot kalmte te komen en verder te leven? Hij was vol edelen hartstocht, vol geloof. Hij zag den goeden abbé Rose terug, zooals hij bij het lezen van het boek van ontroering weende; hij hoorde vicomte Philibert de la Choue tegen hem zeggen, dat een dergelijk boek met een leger gelijk stond; hij voelde zich vooral sterk door de goedkeuring van kardinaal Bergerot, den apostel van de onuitputtelijke naastenliefde.

Waarom dreigde dan de congregatie zijn werk op den Index te plaatsen? Sedert veertien dagen, sedert men hem officieus gewaarschuwd had naar Rome te gaan, als hij zich verdedigen wilde, stelde hij zich telkens weer die vraag, zonder te kunnen ontdekken, welke bladzijden van zijn boek aanstoot konden geven. Het kwam hem voor, dat in alle het zuiverste Christendom brandde. Maar hij kwam, bevend van geestdrift en moed, hij verlangde vurig neer te knielen aan de voeten van den paus, zich onder zijn verheven bescherming te stellen, hem te zeggen, dat hij geen regel geschreven had, die niet door zijn geest geïnspireerd was, die niet den triomf van zijn politiek beoogde. Was het mogelijk, dat men een boek op den Index plaatste, waarin hij in volle oprechtheid meende Leo XIII verheerlijkt te hebben door hem bij zijn werk van Christelijke eenheid en algemeenen vrede te helpen?

Een oogenblik bleef Pierre tegen de borstwering staan. Bijna een uur lang stond hij daar reeds, zonder zich te kunnen verzadigen aan den aanblik van Rome’s grootheid, dat hij dadelijk ondanks al het onbekende, dat het voor hem verborg, had willen bezitten. O, het te grijpen, het te kennen, oogenblikkelijk de waarheid te ervaren, die hij het vragen kwam! Het was een nieuw experiment, een nog ernstiger dan Lourdes, een beslissend experiment, waaruit hij òf gesterkt òf voor altijd verpletterd te voorschijn zou komen. Hij vroeg niet meer het naïeve, absolute kindergeloof, maar het hoogere geloof van den intellectueel, dat zich verheft boven ceremoniën en symbolen en werkt aan het grootst mogelijke geluk der menschheid, gebaseerd op zijn behoefte aan zekerheid. Zijn hart klopte in zijn keel: wat zou Rome’s antwoord zijn? De zon was verder geklommen, de hooger gelegen stadswijken teekenden zich scherper tegen den in vuur staanden achtergrond af. In de verte namen de heuvels gouden en purperen tinten aan, terwijl de dichtst bij zijnde gevels helder en duidelijk met hun duizenden vensters te zien waren.

Maar de ochtendnevels waren nog niet geheel opgetrokken, lichte sluiers schenen uit de lage straten op te stijgen en de toppen te omhullen, waar zij zich dan in den vurigen, eindeloos blauwen hemel vervluchtigden. Een oogenblik dacht hij, dat de Palatinus verdwenen was; hij zag nauwlijks den donkeren zoom der cypressen, alsof hij door het stof van zijn ruïnen verborgen werd. Voornamelijk echter was de Quirinalis niet te onderscheiden, het koninklijk paleis met zijn onbeteekenenden, vlakken en lagen gevel scheen zich teruggetrokken te hebben en zag er in de verte zoo onbestemd en vaag uit, dat hij het niet meer onderscheiden kon. Links echter, boven de boomen, stak de dom van St. Pieter nog hooger uit in het heldere goud van de zon—nam den geheelen hemel in, beheerschte de geheele stad.

O, met welk een onbegrensde hoop vervulde hem deze eerste aanblik van Rome—het ochtend-Rome, welks nieuwe wijken hij in de koorts van zijn aankomst niet eens opgemerkt had, het Rome, dat hij hoopte zóó te vinden als hij het gedroomd had. En toen hij daar in zijn dunne zwarte soutane op dezen schitterenden morgen in aanschouwing verzonken stond—toen meende hij een kreet van naderende verlossing uit de daken te hooren oprijzen, een belofte van wereldvrede te hooren weerklinken uit die heilige aarde, welke tweemaal koningin der wereld geweest was. Dit was het derde Rome, het nieuwe Rome, welks vaderlijke liefde over de grenzen heen uitging naar alle volkeren, om ze, getroost, in één omarming aan zijn borst te drukken. Hij zag het, hij hoorde het—het lag daar zoo verjongd, zoo kinderlijk-zacht onder den wijden blauwen hemel, als opgeheven in den heerlijk-frisschen ochtend en de hartstochtelijke reinheid van zijn droom.

Eindelijk rukte Pierre zich van het verheven schouwspel los. Het paard en de koetsier hadden zich niet bewogen, met gebogen hoofd stonden zij in de volle zon. Op het bankje brandde het handkoffertje in de stralen van de nu reeds hoog staande dagvorstinne. Hij stapte weer in zijn rijtuigje, riep den koetsier opnieuw het adres toe:

“Via Giulia, palazzo Boccanera.”

1 Badhuizen der oude Romeinen.↑

2 Klokketorentje.↑

TWEEDE HOOFDSTUK

Inhoudsopgave

Op dat uur baadde de Via Giulia, die in een rechte lijn van ongeveer vijfhonderd meter van den palazzo Farnese naar de kerk San Giovanni de’ Fiorentini loopt, zich in het volle zonlicht. Het kleine vierkante plaveisel van den rijweg—een trottoir was er niet—leek geheel wit. Het rijtuigje reed bijna de geheele straat door tusschen de oude, grauwe, als in slaap gevallen en ledige huizen met hun groote getraliede vensters en hun diepe voorportalen, waardoor men op de sombere, op putten gelijkende binnenplaatsen zien kon. Geopend door paus Julius II, wiens droom het was haar met prachtige paleizen te omzoomen, had de straat, in dien tijd de regelmatigste en mooiste van Rome, in de zestiende eeuw als Corso gediend. Nu nog was te merken, dat het eens een mooie wijk geweest was; thans echter was het tot stille eenzaamheid vervallen en van een clericale rust en kalmte vervuld. De eene oude gevel volgde op den anderen; de ramen waren gesloten, een paar traliewerken met klimplanten begroeid, op de drempels zaten katten, in de bijgebouwen waren eenvoudige, donkere winkels ondergebracht, terwijl zich slechts weinig voorbijgangers lieten zien: vrouwen, die kinderen achter zich aan trokken, een met een muilezel bespannen hooiwagen, een monnik in een grove wollen pij, een geruischloos voorbijsnellende wielrijder, wiens rijwiel in de zon schitterde.

Eindelijk keerde de koetsier zich om en wees met zijn zweep op een groot vierkant gebouw op den hoek van een naar den Tiber loopend steegje.

“Palazzo Boccanera.”

Pierre keek op. Het streng-regelmatige, door den tijd zwart geworden, kale en massieve gebouw benauwde hem een weinig. Evenals de palazzo Farnese en de palazzo Sacchetti, zijn buren, was het omstreeks 1540 door Antonio da San Gallo gebouwd; ja zelfs beweerde men, dat, evenals voor het eerste, de architect voor den bouw uit het Colosseum en het Theatrum Marcelli gestolen steenen gebruikt had. De gevel, in verhouding tot de straat te groot en te vierkant, bestond uit drie verdiepingen, waarvan de eerste zeer hoog en voornaam was. Als eenige versiering rustten de hooge vensters van den rez-de-chaussée, die ongetwijfeld uit vrees voor een beleg met reusachtige, vooruitspringende tralies voorzien waren, op groote consoles en waren gekroond met attieken, die zelf weer op kleinere consoles steunden. Boven de monumentale ingangspoort met zijn bronzen deuren liep voor het middenraam een balcon. De gevel eindigde bovenaan in een prachtige lijst, waarvan de fries bewonderenswaardig zuivere en mooie versieringen had. Die fries, de consoles en de attieken waren, evenals de deurlijsten, van wit marmer, dat echter zoo vuil gevlekt en afgebrokkeld was, dat het er ruw en geel als zandsteen uitzag. Links en rechts van de poort stonden twee oude, door draken gedragen banken, eveneens van marmer; in een der hoeken zag men nog een in den muur ingemetselde, prachtige Renaissance-fontein, een op een dolfijn rijdende Amor, die echter nauwlijks meer te herkennen was, zoo was het relief in den loop der tijden weggevreten.

Maar Pierre’s blikken werden vooral getrokken door een gebeeldhouwd wapenschild boven een der ramen van de rez-de-chaussée: het wapenschild der Boccanera’s, een gevleugelde, vlammenspuwende draak; hij kon nog heel duidelijk het intact gebleven devies lezen: Bocca nera, Alma rossa—zwarte mond, roode ziel. Boven een ander raam bevond zich, als pendant, een van die kleine kapelletjes, die men nog zoo veel in Rome vindt, een in satijn gekleede Heilige Maagd, waarvoor in het volle daglicht een lantaarntje brandde.

De koetsier wilde, zooals dat gebruikelijk is, onder het donkere, openstaande voorportaal rijden, toen de jonge priester in zijn verlegenheid hem tegenhield:

“Neen, neen, niet inrijden. Het is niet noodig.”

Hij stapte uit, betaalde en ging met zijn valiesje in zijn hand eerst onder de poort door en dan de binnenplaats op, zonder een menschelijk wezen te zien.

Het was een vierkant, groot, als een klooster door een overdekte zuilengang omgeven binnenplaats. Onder de arcaden waren tegen de muren overblijfselen van opgedolven marmeren standbeelden geplaatst—een Apollo zonder armen, een Venus, waarvan alleen de romp nog over was; tusschen de kiezelsteenen, die den grond met een zwart en wit mozaïek plaveiden, was fijn gras opgeschoten. Nooit scheen de zon tot dit door vochtigheid verweerde plaveisel door te dringen. Er heerschte daar een duisternis en een zwijgen als van een doode grootheid en een eindelooze droefheid.

Verbaasd door het ledige van dit zwijgende paleis, zocht Pierre naar een portier of naar een knecht; toen hij een schim meende te zien voorbijglijden, vermande hij zich onder een tweede gewelf door te gaan, dat naar een klein aan den Tiber gelegen tuintje leidde. Aan die zijde liet de hier geheel vlakke en onversierde gevel slechts zijn drie rijen symmetrische vensters zien. Maar de totaal verwaarloosde tuin benauwde hem nog meer. In het midden, in een toegegooid bassin, waren groote taxisboomen opgeschoten. Tusschen het onkruid wezen slechts de oranjeappelboomen met hun gouden vruchten de lijn der paden aan. Tegen den rechtermuur stond tusschen twee reusachtige laurierboomen een sarcophaag uit de tweede eeuw; het relief stelde faunen voor, die vrouwen schoffeerden, een ongebreideld bacchanaal, een van die wellustige liefdetooneelen, zooals het decadente Rome uit dien tijd ze op de graven liet aanbrengen.

Deze in een trog veranderde, afgebrokkelde, groen geworden, marmeren sarcophaag ving het fijne waterstraaltje op, dat uit een in den muur gemetseld, tragisch masker stroomde. Vroeger kwam hier een soort loggia met een zuilengalerij op den Tiber uit, een terras, vanwaar een dubbele trap naar de rivier stroomde. Maar de kadewerken brachten ook een verhooging van den oever met zich mede; het terras lag nu al lager dan de nieuwe grond, te midden van puin en gehouwen steenen, die waren blijven liggen.

Ditmaal was Pierre er zeker van de schim van een rok gezien te hebben. Hij ging naar de binnenplaats terug en stond tegenover een vrouw, die tegen de vijftig zijn moest, maar nog geen grijs haar had; met haar wat korte gestalte maakte zij een vroolijken, levendigen indruk. Toch kwam bij het zien van den priester iets als wantrouwen op haar rond gezichtje met de kleine, heldere oogjes.

Hij maakte zich dadelijk bekend, terwijl hij zijn beetje slecht Italiaansch bij elkaar zocht.

“Madame, ik ben abbé Pierre Froment…”

Maar zij liet hem niet uitspreken, maar zeide in heel goed Fransch met het eenigszins dikke en sleepende accent van Ile-de-France:

“O, mijnheer de abbé, ik weet het, ik weet het… ik verwachtte u…”

En toen hij haar verbaasd aankeek:

“Ja, ik ben een Française… Ik woon hier nu al vijf-en-twintig jaar in dit land, maar ik heb me nog steeds niet kunnen wennen aan hun verduiveld koeterwaalsch.”

Toen herinnerde Pierre zich, dat vicomte Philibert de la Choue hem gesproken had over deze dienstbode, Victorine Bosquet, eene Beauceronnin uit Auneau, die op twee-en-twintigjarigen leeftijd met een teringachtige dame naar Rome gekomen was. Haar meesteres was plotseling gestorven en zij bleef wanhopig, als alleen midden in een land van wilden achter. Zij had zich dan ook met lichaam en ziel gegeven aan gravin Ernesta Brandini, geboren Boccanera, die pas bevallen was en haar van de straat opgenomen had als kindermeisje voor haar dochtertje Benedetta en in de hoop, dat zij haar zou helpen Fransch te leeren. Victorine, die nu vijf-en-twintig jaar in de familie was, had zich opgewerkt tot de rol van huishoudster, hoewel zij nog even onbeschaafd gebleven was en een zoo weinig ontwikkeld taalgevoel bezat, dat zij, wanneer zij voor het huishouden met het verdere dienstpersoneel spreken moest, nog slechts een afschuwlijk Italiaansch brabbelen kon.

“En maakt mijnheer de vicomte het goed?” vroeg zij met haar vrijmoedige familiariteit. “Hij is zoo aardig. Wij vinden het zoo prettig, dat hij telkens als hij in Rome is, hier komt logeeren. Ik weet, dat de prinses en de contessina gisteren een brief van hem gekregen hebben, waarin hij uw bezoek meldde.”

Inderdaad had vicomte Philibert de la Choue alles voor het verblijf van Pierre in orde gebracht. Van het oude, krachtige geslacht der Boccanera’s waren alleen nog over kardinaal Pio Boccanera, de prinses, zijn zuster, een ongetrouwde dame, die men uit eerbied donna Serafina noemde, hun nicht Benedetta, wier moeder, Ernesta, haar echtgenoot, graaf Brandini in het graf gevolgd was, en eindelijk hun neef, prins Dario Boccanera, wiens vader, prins Onofrio Boccanera gestorven en wiens moeder, een Montefiori, hertrouwd was. De vicomte was door een toevallig huwelijk aan deze familie geparenteerd: zijn jongste broer was met een Brandini, de zuster van Benedetta’s vader, getrouwd; op die wijze had hij als oom-titulair tijdens het leven van den graaf verschillende malen in het paleis in de Via Giulia gelogeerd. Hij had zich zeer aan diens dochter gehecht, vooral sedert het intieme drama van een ongelukkig huwelijk, dat zij thans ontbonden trachtte te krijgen.

Sedert zij weer naar haar tante Serafina en haar oom, den kardinaal, teruggekeerd was, schreef hij haar dikwijls en zond haar Fransche boeken. Onder andere had hij haar het boek van Pierre doen toekomen, en daar nam de heele geschiedenis haar oorsprong: er werden brieven over gewisseld, tot eindelijk Benedetta meldde, dat het werk bij de congregatie van den Index aangegeven was, den schrijver aanraadde onmiddellijk naar Rome te komen en hem op de allervriendelijkste wijze gastvrijheid in het paleis aanbood. De vicomte, die even verbaasd was als de jonge priester zelf, had de zaak niet goed begrepen, maar toch uit een oogpunt van goede politiek en omdat hij zich ook hartstochtelijk interesseerde voor een overwinning, die hij bij voorbaat tot een eigen overwinning maakte, er bij Pierre op aangedrongen om te gaan. Uit dit alles is zeer goed te begrijpen, dat Pierre zich weinig op zijn gemak gevoelde, toen hij, gewikkeld in een avontuur, waarvan de redenen en de voorwaarden hem onbekend waren, in dit voor hem vreemde huis kwam.

“Maar ik zou u zoo waar hier laten staan, mijnheer de abbé,” begon Victorine plotseling weer. “Ik zal u naar uw kamer brengen. Waar is uw koffer?”

Toen hij haar zijn handkoffertje, dat hij zoo lang naast zich neergezet had, gewezen en haar uitgelegd had, dat hij voor de veertien dagen, die hij blijven zou, alleen maar een schoone soutane en wat linnengoed meegebracht had, scheen zij zeer verbaasd.

“Veertien dagen? Denkt u maar veertien dagen te blijven? Enfin, we zullen wel zien.”

Zij riep een langen slungel van een bediende, die eindelijk te voorschijn gekomen was.

“Giacomo, breng dat naar de roode kamer… Als mijnheer de abbé zoo goed wil zijn mij te volgen.”

Pierre was door die onverwachte ontmoeting met een landgenoote, en bovendien nog zoo’n vriendelijke, hartelijke vrouw, in dit sombere Romeinsche paleis weer geheel opgevroolijkt en op zijn gemak gebracht. Terwijl zij de binnenplaats overstaken, vertelde zij hem, dat de prinses uit was en dat de contessina, zooals men ondanks haar huwelijk Benedetta uit liefde was blijven noemen, zich niet erg wel voelde en op haar kamer gebleven was. Maar men had haar opgedragen voor hem te zorgen.

De trap was in een hoek van de binnenplaats onder de zuilengang: een monumentale trap met breede, lage en zoo zacht oploopende treden, dat een paard haar makkelijk had kunnen opgaan; maar de steenen waren zoo kaal, de trapportalen zóó leeg en zóó deftig, dat een doodsche melancholie uit de hooge gewelven scheen te vallen.

Op de eerste verdieping glimlachte Victorine even, toen zij de gedachte van Pierre meende te raden. Het paleis scheen onbewoond te zijn, geen geluid kwam uit de gesloten zalen. Zij wees op een groote eikenhouten deur rechts.

“Zijne Eminentie bewoont hier den vleugel, die op de binnenplaats en op de rivier uitziet. O, nog niet het vierde gedeelte der verdieping… Alle ontvangsalons, die op de straat uitzien, zijn gesloten. Hoe zou men een dergelijke ruimte kunnen schoon houden? En waarom trouwens? Daarvoor zouden er meer menschen hier moeten wonen.”

Zij bleef met haar stevigen pas doorloopen; ongetwijfeld was deze omgeving haar nog steeds vreemd, was zij zelf te zeer verschillend ervan, om door het milieu beïnvloed te worden. Op de tweede verdieping begon zij weer:

“Kijk, daar links is het appartement van donna Serafina, en daar rechts dat van de contessina. Dit is het eenige hoekje van het huis, waar het een beetje warm is en waar je tenminste leven kan… Trouwens het is vandaag Maandag, de prinses ontvangt vanavond. U zult het dus zelf kunnen zien.”

Dan opende zij een deur, die op een breede, heel nauwe trap uitkwam, en zeide:

“Wij wonen op de derde verdieping… Als ik mijnheer den abbé voor mag gaan?”

De groote monumentale trap eindigde op de tweede verdieping. Victorine legde hem uit, dat de derde verdieping alleen langs deze trap te bereiken was, die beneden uitkwam in het steegje, dat langs het paleis naar den Tiber liep. Er was daar een afzonderlijke deur, wat heel makkelijk was.

Op de derde verdieping volgde zij een gang en wees zij hem opnieuw verschillende deuren.

“Dit is de kamer van don Vigilio, den secretaris van Zijne Eminentie… Dit is de mijne… En hier hebt u uw kamer. Mijnheer de vicomte wil, wanneer hij voor een paar dagen in Rome komt, nooit een andere hebben. Hij zegt, dat hij hier vrijer is, uit kan gaan en thuis kan komen, wanneer hij wil. Ik zal u, net als hem, een sleutel van de deur beneden geven… En u zult eens zien, wat een mooi uitzicht u hier hebt!”

Zij was naar binnen gegaan. De voor Pierre bestemde woning bestond uit twee vertrekken, een vrij grooten salon met een rood behang met veel bladwerk, en een kleiner kamer met een vlaskleurig behang bezaaid met verschoten blauwe bloemen. De salon lag op den hoek van het paleis en zag dus op het steegje en op den Tiber uit. Victorine ging dadelijk de beide ramen open zetten, waarvan het eene een ruim uitzicht gaf op de rivier stroomafwaarts, het andere op den Trastevere en den Janiculus aan de overzijde van het water.

“Ja, het is hier heel mooi,” zei Pierre, die haar gevolgd was en nu naast haar stond.

Zonder zich te haasten kwam Giacomo met het handkoffertje achter hem aan. Het was nu even over elf. Victorine, die zag, dat de priester moe was, en begreep, dat hij na zoo’n lange reis wel honger hebben zou, bood hem aan dadelijk in den salon een ontbijt te laten brengen. Dan zou hij daarna den namiddag hebben, om te rusten of uit te gaan; de dames zou hij eerst ’s avonds bij het diner zien. Hij protesteerde daartegen; neen, hij zou beslist uitgaan en niet een heelen middag verliezen. Maar heel graag wilde hij een ontbijt hebben, want hij stierf werkelijk bijna van honger.

Intusschen moest Pierre nog ruim een half uur geduld oefenen. Giacomo, wien Victorine opgedragen had voor het ontbijt te zorgen, maakte volstrekt geen haast. En deze verliet den gast niet eerder, voordat zij zich overtuigd had, dat het hem aan niets meer ontbrak.

“O, mijnheer de abbé, wat een menschen en wat voor een land! Daar kunt u zich geen denkbeeld van vormen. Al woonde ik hier honderd jaar, dan zou ik nog niet kunnen wennen… Maar de contessina is zoo mooi en zoo goed!”

En terwijl zij zelf een schotel met vijgen op tafel zette, deed zij hem versteld staan door haar opmerking, dat een stad, waarin niets dan geestelijken waren, geen goede stad zijn kon. Een ongeloovige, zij het dan ook levendige en vroolijke, huishoudster in dit paleis! Hij begon zich weer te verbazen.

“Wat, u bent toch niet ongodsdienstig?”

“Neen, neen, mijnheer de abbé, dat niet, maar van geestelijken moet ik niet veel hebben. Ik had er al een in Frankrijk gekend, toen ik nog klein was. En later, hier, heb ik er te veel gezien. Ik heb er meer dan genoeg van… O, ik spreek niet van Zijne Eminentie, die is een heilig en eerbiedwaardig man… En hier in huis weet men, dat ik een fatsoenlijk meisje ben; nog nooit heb ik me slecht gedragen. Waarom zou men mij ook niet met rust laten, daar ik heel veel van mijn meesters houd en voor mijn werk sta? Ja, zeker,” voegde zij er lachend aan toe, “toen ze me vertelden, dat er een priester komen zou—net alsof we er nog niet genoeg gehad hebben—toen heb ik vreeselijk in de hoekjes zitten brommen… Maar u lijkt me een aardige, jonge man, ik geloof, dat we het best zullen kunnen vinden… Ik weet waarachtig niet, waarom ik u dat allemaal vertel! Zeker, omdat u uit Frankrijk komt, en misschien ook wel, omdat de contessina zich voor u interesseert… U neemt het mij niet kwalijk mijnheer de abbé, maar heusch, ik zou u aanraden vanmiddag wat te rusten. Wees niet zoo dwaas in de stad te gaan rondloopen. Wat u te zien krijgt, is bovendien lang zoo aardig niet, als ze zeggen.”

Toen Pierre alleen was, voelde hij zich plotseling uitgeput. De vermoeienis van de lange reis was nog toegenomen door den ochtend, dien hij in koortsachtige geestdrift doorleefd had; en als bedwelmd door de twee eieren en de cotelette, die hij in groote haast opgegeten had, wierp hij zich, met het voornemen een half uurtje te rusten, op bed. Hij sliep echter niet dadelijk in, maar dacht aan de Boccanera’s, wier geschiedenis hij gedeeltelijk kende, en over wier intiem leven hij peinsde in dit verlaten en stille paleis, dat hem van een zoo vervallen en zoo melancholieke grootschheid scheen. De verrassing van de eerste oogenblikken deed hem alles nog grooter zien. Dan verwarden zich zijn gedachten; hij sluimerde in te midden van een geheele schaar van nu eens tragische, dan weer vriendelijke schimmen, van verwarde gezichten, die hem met hun raadselachtige oogen aankeken.

De Boccanera’s hadden twee pausen in de familie gehad, een in de dertiende en een in de vijftiende eeuw; en van deze twee uitverkorenen, deze almachtige meesters, was hun vroeger reusachtig vermogen afkomstig. Het bestond uit uitgestrekte landerijen in den omtrek van Viterbo, verschillende paleizen in Rome, kunstvoorwerpen, waarmede men musea, goud, waarmede men kelders zou kunnen vullen. De familie ging door voor de vroomste van het Romeinsche patriciaat; haar geloof was het vurigste en haar degen had zij altijd ter beschikking van de Kerk gesteld. Ja, zij was de geloovigste, maar ook de heftigste, de strijdlustigste, steeds in twist en oorlog, en zoo wild en woest, dat de toorn der Boccanera’s spreekwoordelijk geworden was. Vandaar was ook hun wapenschild afkomstig, de gevleugelde, vlammen spuwende draak, en ook het vurige devies, dat een woordspeling op hun naam vormde: Bocca nera, Alma rossa, zwarte mond, roode ziel—de mond, in het donker gehuld door gebrul, de ziel vlammend als een vuur van geloof en liefde.

Nog steeds waren legenden van krankzinnige hartstochten en vreeselijke wraaknemingen in omloop. Zoo vertelde men nog altijd van het duel van Onfredo, den Boccanera, die tegen het midden der zestiende eeuw op de plaats van een oud, vervallen gebouw het tegenwoordige paleis had laten zetten. Onfredo, die wist, dat zijn vrouw zich door den jongen graaf Costamagna op de lippen had laten kussen, liet hem ’s avonds ontvoeren en met touwen geboeid in zijn huis brengen; en in een groote zaal daarvan dwong hij den graaf, alvorens hem te bevrijden, aan een monnik te biechten. Daarna sneed hij de touwen met een dolk door, wierp alle lampen om, riep den graaf toe den dolk te houden en zich te verdedigen. Meer dan een uur lang zochten, vermeden, omvatten de beide mannen elkaar in het donker, in de met meubelen volgepropte zaal, en reten elkaar open met dolksteken. Toen men eindelijk de deuren intrapte, vond men, te midden van bloedplassen, van omgegooide tafels en gebroken stoelen, Costamagna met een afgereten neus en twee-en-dertig wonden in zijn dijen, terwijl Onfredo twee vingers van zijn rechterhand verloren had en zijn schouders gaten hadden als een schietschijf. Het wonder was, dat zij geen van beiden aan hun wonden stierven.

Honderd jaar later had, op dienzelfden oever van den Tiber, een Boccanera, een kind van zestien jaar nauwlijks, de mooie en hartstochtelijke Cassia, Rome met schrik en bewondering vervuld. Zij beminde Flavio Corradini, den zoon van een vijandige familie. Haar vader, prins Boccanera, had ruw zijn toestemming geweigerd, terwijl haar oudste broeder, Ercole, gezworen had hem te dooden, als hij hem ooit met haar samen mocht vinden. De jonge man kwam altijd in een bootje haar opzoeken en zij wachtte hem op bij het kleine trapje, dat naar de rivier voerde. Maar Ercole, die op hen loerde, sprong op een avond in het bootje en stak Flavio een mes in het hart. Eerst later kon men de feiten vaststellen en begreep men, dat Cassia, woedend van krankzinnigheid en wanhopig, en daar zij hem, dien zij liefhad, niet wilde overleven, zelf wraak genomen had, zich op haar broeder geworpen en het bootje had doen kantelen, terwijl zij den moordenaar en diens slachtoffer met dezelfde onweerstaanbare kracht omvatte. Toen men de drie lijken vond, hield Cassia nog steeds de beide mannen omkneld en drukte met haar bloote armen, die sneeuwwit gebleven waren, hun gezichten tegen elkaar.

Doch dit alles behoorde tot het verleden. Thans scheen, ook al was het geloof gebleven, bij de Boccanera’s het heftige, woest stroomende bloed tot kalmte gekomen te zijn. Hun groot fortuin was ook verdwenen in het langzame verval, dat sedert een eeuw het Romeinsche patriciaat met ondergang bedreigt. De landerijen moesten verkocht worden, het paleis was leeg geworden en nam langzamerhand het kleinburgerlijke karakter van de nieuwere tijden aan. Maar de Boccanera’s, trotsch op hun zuiver gebleven Romeinsch bloed, verzetten zich hardnekkig tegen ieder huwlijk met een vreemdeling. Armoede beteekende voor hen niets; zij hadden genoeg aan hun familietrots; zij leefden teruggetrokken, zonder een klacht, in de stilte en in de vergetelheid, waarin hun geslacht uitstierf. Aan prins Ascanio, die in 1848 gestorven was, had zijn vrouw, een geboren Corvisieri, vier kinderen geschonken: Pio, den kardinaal; Serafina, die niet getrouwd was, om bij haar broer te kunnen blijven; Ernesta, die slechts een dochter had nagelaten, zoodat de zoon van Onofrio, de thans dertigjarige Dario, de eenige mannelijke erfgenaam was. Met hem zou, als hij zonder nakomelingschap stierf, het krachtige geslacht der Boccanera’s, wier daden de geschiedenis vervuld hadden, uitsterven.

Van hun jeugd af hadden Dario en zijn nicht Benedetta elkaar met een glimlachenden, diepen en natuurlijken hartstocht lief gehad. Zij waren voor elkander geboren en konden zich niet voorstellen, dat zij voor iets anders op de wereld gekomen waren dan om man en vrouw te worden, zoodra zij den huwbaren leeftijd bereikt zouden hebben. Toen prins Onofrio, een beminlijk en in Rome zeer populair man, die het kleine fortuintje, dat hij nog bezat, naar hartelust uitgaf, op zijn veertigste jaar met de dochter van markiezin Montefiori, de kleine markiezin Flavia, wier trotsche schoonheid hem dol gemaakt had, trouwde, was hij in de villa Montefiori gaan wonen, het eenige bezit van die dames. Zij lag dicht bij de Santa Agnese fuori le Mura in een grooten tuin, een waar park met oude boomen, waarin de villa zelf, een vrij onaanzienlijk gebouw uit de zeventiende eeuw, in een staat van verval verkeerde. Allerlei praatjes deden over de dames de ronde: de moeder was na den dood van haar man geheel beneden haar stand geraakt; de te mooie dochter was veel te vrijmoedig in haar optreden.

Het huwlijk was dan ook door de zeer strenge Serafina en door zijn ouderen broeder Pio, die toentertijd geheim kamerheer van den Heiligen Vader en canonicus van de Vaticaansche Basilica was, ten sterkste afgekeurd. Alleen Ernesta was met haar broeder, dien zij om zijn betooverende charme aanbad, blijven omgaan, zoodat het later haar prettigste afleiding geworden was met haar dochter Benedetta iedere week een dag op de villa Montefiori te gaan doorbrengen. En wat een heerlijke dag was het altijd voor de tienjarige Benedetta en den vijftienjarigen Dario—welk een gelukkigen dag brachten zij dan door in den grooten, bijna verwaarloosden en verlaten tuin met zijn piniepijnen, zijn reusachtige taxisboomen, zijn groene eikenboschjes, waarin men als in een maagdelijk woud verdwalen kon.

De arme, in haar levenslust verstikte Ernesta was een hartstochtelijke lijdende ziel geworden. Zij was met een groote levenslust geboren en smachtte naar zonneschijn, naar een gelukkig, vrij en druk leven in het volle daglicht. Zij was beroemd om haar mooie, groote oogen, om het bekoorlijke ovaal van haar zacht gezichtje. Zeer onwetend, zooals alle jonge meisjes van den Italiaanschen adel, die het kleine beetje, dat zij nog kenden, in een Fransch nonnenklooster geleerd hadden, was zij, geheel afgesloten van het leven, opgevoed in den somberen palazzo Boccanera, kende zij de wereld alleen maar van den dagelijkschen wandelrit, dien zij met haar moeder over den Corso en den Pincio maakte. Op haar vijf-en-twintigste jaar sloot zij, reeds moede en wanhopig, het gewone huwlijk. Zij trouwde met graaf Brandini, den laatst geborene van een zeer oud, talrijk en arm geslacht, die in het paleis in de Via Giulia moest komen wonen, waar een geheele vleugel van de tweede verdieping ter beschikking van het jonge paar gesteld werd.

Verandering bracht dit niet met zich mede, Ernesta bleef in dezelfde koude donkerte, in dat doode verleden, waarvan zij het gewicht, als een zwaren grafsteen, steeds zwaarder op zich voelde drukken, voortleven. Verder was het van beide kanten een zeer eervol huwlijk. Graaf Brandini ging weldra voor den domsten en hoogmoedigsten man van Rome door. Hij was streng godsdienstig, op de vormen gesteld en onverdraagzaam, en hij triompheerde, toen het hem, na tallooze intriges en kunstgrepen, na zes jaar gelukte tot opperstalmeester van Zijne Heiligheid benoemd te worden.

Van af dat oogenblik scheen met zijn ambt tegelijk de geheele sombere majesteit van het Vaticaan in zijn huis gekomen te zijn. Onder Pius IX, tot in 1870, was het leven van Ernesta nog draaglijk: zij durfde de ramen, die op straat uitzagen, nog openen, ontving openlijk enkele vriendinnen, nam uitnoodigingen voor feestelijkheden aan. Maar toen de Italianen Rome veroverd en de paus zich tot gevangene verklaard had, werd het paleis in de Via Giulia een graf. De groote poort werd gesloten en gegrendeld, de deurvleugels ten teeken van rouw dichtgespijkerd; gedurende twaalf jaar ging alles langs het kleine trapje, dat naar het steegje leidde. Eveneens was het verboden de jaloezieën aan den voorkant te openen. Dit was het boudeeren, het protest der zwarte kringen. Het paleis zonk terug in de onbeweeglijkheid van den dood en in een volkomen geïsoleerdheid: recepties werden niet meer gehouden, en slechts zelden, op Maandagen, slopen schimmen, vrienden van donna Serafina, door de nauwe, openstaande deur. Gedurende die twaalf lugubere jaren weende de jonge vrouw iederen nacht, haar arme ziel verteerde in stilte van wanhoop over dit levend begraven zijn.

Ernesta had haar dochtertje Benedetta vrij laat gekregen, eerst toen zij al drie-en-dertig was. In den beginne was het kind een afleiding voor haar. Dan geraakte zij echter weer in den doodenden sleur van het geregelde leven; zij moest het meisje in het klooster bij de Fransche nonnen doen, die haar zelf ook opgevoed hadden. Benedetta kwam er op haar negentiende jaar als volwassen meisje vandaan met als eenige kennis: Fransch, orthographie, wat rekenen, den catechismus en een heel klein beetje geschiedenis. En het leven der beide vrouwen, een leven in het vrouwenvertrek, dat reeds iets Oostersch had, werd als altijd voortgezet: nooit ging de echtgenoot en vader met haar uit; zij brachten den geheelen dag in de afgesloten kamers door, de eenige afleiding was de dagelijksche verplichte wandelrit over den Corso en den Pincio.

Thuis heerschte er volkomen gehoorzaamheid; de familieband was nog sterk en deed haar beiden buigen onder den wil van den graaf, zonder dat verzet mogelijk was. Daarbij kwam nog de wil van donna Serafina en van den kardinaal, die krachtige verdedigers van de oude gewoonten waren. Sedert de paus in Rome niet meer uitging, had de graaf als opperstalmeester veel vrijen tijd, want de stallen waren sterk ingekrompen; toch bleef hij zijn dienst, die niet meer dan een vorm was, met een groot vertoon van vromen ijver waarnemen als een voortdurend protest tegen de usurpatorische monarchie, die zich op het Quirinaal gevestigd had. Benedetta was twintig jaar, toen haar vader op een avond hoestend en rillend van een ceremonie in de St. Pieter thuis kwam. Acht dagen later stierf hij, weggerukt door een longontsteking. Voor de beide vrouwen was het, ondanks haar rouw, een opluchting, die zij echter niet bekennen wilden; zij voelden zich nu vrij.

Van af dat oogenblik had Ernesta nog slechts één gedachte, haar dochter te vrijwaren voor dat vreeselijke, ingemetselde en begraven bestaan. Zij had zich te zeer verveeld, voor haar was het te laat weer op te leven, maar zij wilde niet, dat Benedetta op haar beurt een tegennatuurlijk leven in een vrijwillig graf leven zou. Trouwens bij enkele patricische families begonnen zich eveneens teekenen van moeheid en verzet te toonen; na de eerste tijden van wrokken en boudeeren gingen zij toenadering zoeken bij het Quirinaal. Waarom zouden de naar werkzaamheid, vrijheid en buitenleven snakkende kinderen eeuwig den strijd hunner ouders voortzetten? En zonder dat een verzoening tusschen de zwarte en de witte kringen tot stand kon komen, begonnen toch de nuances samen te smelten, werden onvoorziene huwlijken gesloten.

De politieke quaestie liet Ernesta totaal onverschillig; zij wist er eigenlijk niets van; het eenige wat zij hartstochtelijk begeerde, was, dat haar familie eindelijk dat vervloekte graf, dat stomme, donkere paleis Boccanera, waarin alle vreugden van haar vrouwenbestaan in een zoo lang sterven verstard waren, verlaten zou. Als jong meisje, als bruid, als echtgenoote had haar hart te veel geleden; zij gaf zich geheel over aan de woede over haar verloren leven, dat zij in domme berusting voorbij had laten gaan. Een nieuwe biechtvader, welken zij in dien tijd koos, had nog meer invloed op haar begeerte, want zij was heel vroom gebleven, vervulde trouw haar kerkelijke plichten en volgde de raadgevingen van haar biechtvader trouw op. Om zich nog vrijer te maken, biechtte zij niet meer bij den Jezuïetenpater, dien haar man voor haar gekozen had, maar bij abbé Pisoni, den pastoor van de Santa Brigittakerk op de piazza Farnese.

Het was een zeer zachte en goede man van een jaar of vijftig, voor Rome buitengewoon liefdadig, van wien de archaeologie en de liefde voor de steenen een vurig patriot gemaakt hadden. Men vertelde, dat hij ondanks zijn nederige positie meermalen in netelige quaesties als bemiddelaar tusschen het Vaticaan en het Quirinaal opgetreden was. Daar hij ook de biechtvader van Benedetta werd, sprak hij met moeder en dochter graag over de grootheid der Italiaansche eenheid, over de triompheerende heerschappij van Italië, wanneer de verzoening tusschen den paus en den koning tot stand zou zijn gekomen.

Benedetta en Dario hadden elkaar nog lief als op den eersten dag met die krachtige en rustige liefde, welke hun de zekerheid gaf, dat zij voor elkaar bestemd waren. Maar toen kwam Ernesta tusschen beide en verzette zich halsstarrig tegen het huwlijk. Neen, neen, niet Dario! Niet die neef, de laatste van den naam, die ook zijn vrouw zou opsluiten in het donkere graf van het paleis Boccanera. Dat zou het voortgezette begraven zijn beteekenen, een nog erger verval, dezelfde hoogmoedige ellende, het eeuwige, neerdrukkende en in slaap wiegende wrokken. Zij kende den jongen man goed, wist, dat hij een egoïst en een zwakkeling was, niet in staat om te denken of te handelen, dat hij voorbestemd was om zijn geslacht glimlachend te begraven en om de laatste steenen van het huis boven zijn hoofd te laten instorten, zonder een poging te doen om een nieuwe familie te stichten. En zij wilde juist een ander lot voor haar kind, wilde het rijk en in het leven van de overwinnaars en de machthebbers der toekomst tot nieuwen bloei zien ontluiken.

Van af dat oogenblik bleef de moeder er hardnekkig aan vasthouden haar dochter tegen haar wil gelukkig te maken; zij vertelde haar haar eigen lijden, bezwoer haar de jammerlijke geschiedenis niet opnieuw te beginnen. Toch zouden haar pogingen mislukt zijn, zouden zij gestrand zijn op den rustigen wil van het jonge meisje, dat zich voor altijd gegeven had, wanneer bijzondere omstandigheden haar niet in aanraking gebracht hadden met den schoonzoon van haar droomen. In dezelfde villa Montefiori, waar Benedetta en Dario elkaar trouw beloofd hadden, maakte zij kennis met graaf Prada, den zoon van Orlando, een der helden van de Italiaansche eenheid. Op achttienjarigen leeftijd was hij na de occupatie met zijn vader naar Rome gekomen en als eenvoudig ambtenaar bij het ministerie van Financiën in staatsdienst getreden, terwijl de oude held, die tot senator benoemd was, zeer bescheiden van een kleine rente leefde, de laatste overblijfselen van een in den dienst van het vaderland verdwenen kapitaal. Maar de edele krijgslust van Garibaldi’s ouden strijdmakker was, na de overwinning, bij den jongen man in een woeste begeerte naar buit veranderd, en hij was een der werkelijke veroveraars van Rome geworden, een der roofvogels, die de stad in stukken scheurden en verslonden. In reusachtige bouwspeculaties gewikkeld en, naar men beweerde, bovendien reeds zeer rijk, was hij in aanraking gekomen met prins Onofrio, wien hij het hoofd op hol gebracht had door hem het denkbeeld in te fluisteren het groote park van de villa Montefiori te verkoopen, om daar een geheele nieuwe wijk te doen verrijzen. Anderen beweerden, dat hij de minnaar der prinses, de mooie Flavia, was, die, hoewel negen jaar ouder dan hij, nog steeds een pracht van een vrouw bleef.

En inderdaad werd hij beheerscht door woeste begeerte, een drang om alles te veroveren, die hem voor niets deed terugdeinzen, als hij het goed of de vrouw van een ander wilde bezitten. Vanaf het eerste oogenblik wilde hij Benedetta. Haar kon hij niet als maîtresse nemen, met haar moest hij trouwen. Hij aarzelde geen oogenblik, brak op staanden voet met Flavia, plotseling hongerig naar die reine maagdelijkheid, naar het oude patricische bloed, dat in een zoo aanbiddelijk jong lichaam stroomde. Toen hij begreep, dat Ernesta, de moeder, voor hem was, vroeg hij, zeker van zijn overwinning, om haar hand. Het was een groote verrassing, want hij was vijftien jaar ouder dan zij; maar hij was graaf, droeg een reeds historischen naam, hoopte het eene millioen op het andere, was gezien op het Quirinaal en had de beste vooruitzichten. Heel Rome sprak erover.

Later heeft Benedetta zichzelf nooit kunnen verklaren, hoe zij ten slotte had toegestemd. Een half jaar vroeger of een half jaar later zou een dergelijk huwlijk wegens het vreeselijke schandaal, dat daardoor in de zwarte kringen ontstaan zou, niet tot stand zijn gekomen. Een Boccanera, de laatste van dit oude, pauselijke geslacht, gegeven aan een Prada, aan een van die Kerkroovers! Dit krankzinnige plan had juist moeten vallen op een zeer bijzonder en kortstondig oogenblik, juist toen een uiterste toenaderingspoging tusschen het Vaticaan en het Quirinaal gedaan werd. Het gerucht liep, dat men eindelijk tot overeenstemming zou komen, dat de koning erin zou toestemmen de souvereiniteit van den paus over de Leostad en over een smalle, tot aan de zee loopende strook gronds te erkennen. Werd daardoor het huwlijk van Benedetta en Prada als het ware niet het symbool van de nationale verzoening? Was dit mooie meisje, de reine lelie der zwarte kringen, niet het offer, het onderpand, dat men aan de witte kringen gaf?

Gedurende veertien dagen sprak men over niets anders. Maar het jonge meisje zelf bekommerde zich niet om die beweegredenen, luisterde slechts naar haar hart, waarover zij niet meer beschikken kon, omdat zij het reeds weggeschonken had. Doch van den vroegen ochtend tot den laten avond smeekte haar moeder haar, bezwoer haar het geluk, het leven, dat haar geboden werd, niet te weigeren. Vooral echter werd zij bewerkt door haar biechtvader, den goeden abbé Pisoni, wiens vaderlandslievende ijver bij deze gelegenheid tot volle uiting kwam: hij oefende door het geheele gewicht van zijn geloof aan de Christelijke bestemming van Italië een sterken druk op haar uit; hij dankte de Voorzienigheid, dat zij een zijner biechtkinderen uitverkoren had om een accoord te verhaasten, dat God in de geheele wereld zou doen triompheeren. En ongetwijfeld was de invloed van haar biechtvader een der beslissende oorzaken, die haar ten slotte deden toestemmen, want zij was zeer vroom en wijdde vooral een bijzonderen eerbied aan een Madonna, wier beeld zij iederen Zondag in de kleine kerk op de piazza Farnese ging vereeren.

Eén feit maakte vooral diepen indruk op haar: abbé Pisoni vertelde haar, dat de vlam van de lamp, die voor het beeld brandde, telkens wanneer hij zelf neerknielde, om de Heilige Maagd te smeeken zijn biechtkind het verlossing brengende huwlijk aan te raden, wit werd. Op die wijze werkten hoogere machten mede; en ten slotte gaf zij uit gehoorzaamheid aan haar moeder toe. De kardinaal en donna Serafina hadden zich eerst verzet, maar later, toen de religieuse quaestie tusschen beide kwam, hun tegenstand laten varen. Zij was in volkomen reinheid en in volkomen onschuld opgegroeid, wist niets van zichzelf en was zoo onwetend omtrent de wereld, dat het huwlijk met een ander dan Dario eenvoudig het verbreken van een lange belofte van gemeenschappelijk leven, geen physieke losscheuring van haar lichaam en van haar hart was. Zij weende veel en op een moedeloozen dag, toen haar de wilskracht ontbrak, zich tegen de haren en tegen de geheele wereld te verzetten, trouwde zij met Prada en sloot aldus een huwlijk, waaraan geheel Rome medeplichtig geworden was.

En toen, op den avond zelf van het huwlijk, sloeg plotseling de bliksem in. Toonde Prada, de Piemontees, de Noord-Italiaan en veroveraar, te veel de brutaliteit van den binnendringer, wilde hij de vrouw behandelen, zooals hij de stad behandeld had, als een meester, die zijn ongeduld, om zich te bevredigen, niet bedwingen kan? Of kwam de onthulling voor Benedetta te onverwacht, vond zij haar te bezoedelend van den kant van een man, dien zij niet lief had en aan wien zij zich niet onderwerpen kon? Nooit heeft zij zich daaromtrent duidelijk uitgesproken. Maar zij sloot heftig de deur van haar kamer, grendelde die en weigerde hardnekkig die weer voor haar echtgenoot te openen.

Een maand lang deed Prada, dien deze belemmering voor zijn hartstocht dol maakte, wanhopige pogingen. Hij was diep beleedigd, zijn trots bloedde, hij zwoer zijn vrouw te temmen, zooals men een onwillige merrie temt, met zweepslagen. En al die zinnelijke woede van den sterken man liep zich te pletter tegen den ontembaren wil, die in één avond achter het smalle, bekoorlijke voorhoofd van Benedetta opgeschoten was. De Boccanera’s waren in haar ontwaakt: zij wilde niet—heel eenvoudig—en niets ter wereld, zelfs de dood niet, zou haar hebben kunnen dwingen, om te willen. Bovendien voelde zij, in deze plotselinge kennis der liefde, de oude genegenheid voor Dario weer met verdubbelde kracht terugkeeren; zij kwam tot de niet aan het wankelen te brengen zekerheid, dat zij haar lichaam slechts aan hem geven mocht, omdat zij het aan hem alleen beloofd had. Sedert het huwlijk, dat hij, naar men zeide, als een sterfgeval had aanvaard, reisde de jonge man in Frankrijk. Zij verborg hem niets, schreef hem, dat hij terug moest komen, beloofde hem nogmaals nooit aan een ander te zullen toebehooren.

Haar vroomheid was nog grooter geworden; de hardnekkige gedachte om haar maagdelijkheid te bewaren voor den uitverkoren geliefde paarde zich, in haar aanbidding, aan een gedachte van trouw aan Jezus. Een vurig liefhebbend hart had zich in haar geopenbaard, bereid voor het gegeven woord den marteldood te sterven. En toen haar moeder, wanhopig, haar met gevouwen handen bezwoer zich aan haar echtelijke plichten te onderwerpen, antwoordde zij, dat zij niets verplicht was, omdat zij bij haar huwlijk niets wist. Bovendien waren de tijden weer veranderd, de overeenkomst tusschen het Vaticaan en het Quirinaal was mislukt, en wel in die mate, dat de bladen van beide partijen met nieuwe heftigheid hun laster- en scheldcampagne weer begonnen waren. Zoo stortte ook dit triomfhuwlijk, waartoe de geheele wereld medegewerkt had als aan een onderpand van den vrede, met de algemeene debacle in, was nog slechts een ruïne naast zoovele andere.

Ernesta stierf eraan. Zij had zich vergist, haar mislukt bestaan, haar vreugdeloos huwlijksleven vonden haar bekroning in deze laatste dwaling als moeder. Het ergste was, dat zij geheel alleen bleef, dat de geheele verantwoordelijkheid van de ramp op haar rustte, want haar broer, de kardinaal, en haar zuster, donna Serafina, overlaadden haar met verwijten. Haar eenige troost was de wanhoop van abbé Pisoni, die dubbel getroffen werd: door het verlies van zijn patriottische verwachtingen en door het berouw aan zulk een catastrophe medegewerkt te hebben. En op een morgen vond men Ernesta koud en wit in haar bed. Men sprak van een slagaderbreuk; maar het verdriet alleen zou reeds een voldoende oorzaak geweest zijn, want zij leed vreeselijk, in het geheim, zonder te klagen, zooals zij haar geheele leven geleden had.

Benedetta was nu reeds bijna een jaar getrouwd en weigerde zich nog steeds aan haar echtgenoot, maar zij had de echtelijke woning niet willen verlaten, om haar moeder den vreeselijken slag van een publiek schandaal te besparen. Haar tante Serafina echter wendde al haar invloed op haar aan, door haar hoop te geven op een mogelijke ongeldigverklaring van het huwlijk, als zij zich voor de voeten van den Heiligen Vader wilde werpen. Ten slotte gelukte het haar haar te overtuigen, nadat zij—zelf gehoor gevend aan den raad van anderen—haar in plaats van abbé Pisoni den Jezuïetenpater Lorenza, bij wien zij zelf ook biechtte, als biechtvader gegeven had. Deze nauwlijks vijf-en-dertigjarige Jezuïetenpater was een ernstig en vriendelijk man met heldere oogen en een groote overredingskracht. Benedetta nam echter eerst na den dood van haar moeder een besluit; eerst toen ging zij weer in het paleis Boccanera de kamer bewonen, waar zij geboren en haar moeder zoo juist gestorven was. Onmiddellijk werd het proces tot nietigverklaring van het huwlijk tot eerste instructie voor den kardinaal-vicaris, die met de leiding van het diocees Rome belast was, gebracht. Men vertelde, dat de contessina er eerst toe overgegaan was, nadat haar een geheime audiëntie verleend was bij den paus, die haar zijn aanmoedigende deelneming betuigd had.

Graaf Prada dacht er in den beginne over zijn vrouw met den sterken arm van het gerecht te dwingen naar de echtelijke woning terug te keeren. Op aandrang van zijn vader echter, die de geheele zaak met leede oogen aanzag, gaf hij ten slotte toe, dat het proces voor de kerkelijke autoriteit gevoerd werd. Het meest verbitterde hem het feit, dat de eischeresse aanvoerde, dat het huwlijk door impotentie van den man niet voltrokken was. Dat was een der motieven, die voor het Hof van Rome altijd groote kracht bezaten. In zijn memorie verzuimde de kerkelijke advocaat Morano, een der autoriteiten van de Romeinsche balie, eenvoudig te zeggen, dat de eenige reden van die impotentie de tegenstand van de vrouw was; een geheel debat ontspon zich over dit teere punt, dat zoo scabreus werd, dat het onmogelijk scheen de waarheid aan het daglicht te brengen; van beide zijden gaf men intieme bijzonderheden in het Latijn, riep men getuigen voor, die allerlei details over het samenwonen en de voorgevallen scènes moesten geven.

Het meest beslissende stuk was een door twee vroedvrouwen onderteekende verklaring, dat haar na onderzoek gebleken was, dat de maagdelijkheid van het jonge meisje ongerept was. De vicaris had dus in zijn qualiteit van bisschop van Rome, de zaak overgedragen aan de Conciliecongregatie, wat voor Benedetta een eerste succes beteekende. Zoo stonden thans de zaken; zij wachtte nu op de definitieve uitspraak van de congregatie in de hoop, dat de kerkelijke nietigverklaring van het huwlijk een onweerstaanbaar argument zou zijn tot verkrijging van echtscheiding van de burgerlijke autoriteiten. In het kille vertrek, waarin haar moeder Ernesta, onderworpen en wanhopig, gestorven was, had de contessina haar jongemeisjesleven weer opgevat. Zij was heel kalm en beheerschte volkomen haar hartstocht, want zij had gezworen, dat zij zich aan niemand zou geven dan aan Dario, en ook aan hem eerst op den dag, dat een priester hen heilig voor God verbonden had.

Ook Dario was een half jaar vroeger ten gevolge van den dood van zijn vader en van een catastrophe, die hem geruïneerd had, in het paleis Boccanera komen wonen. Prins Onofrio had zich namelijk, nadat hij op raad van Prada de villa Montefiori voor tien millioen aan een financieele maatschappij verkocht had, in plaats van verstandig zijn tien millioen in zijn zak te houden, zich laten medesleepen door de speculatiekoorts, die Rome toen verteerde; hij begon zelfs zoo te spelen, dat hij zijn eigen terrein terugkocht, en verloor alles in den verschrikkelijken krach, die het vermogen der geheele stad verslond. Geheel geruïneerd, ja zelfs niettegenstaande hij vele schulden had, bleef de prins toch als populair man glimlachend zijn wandelingen op den Corso voortzetten, totdat hij plotseling ten gevolge van een val van zijn paard stierf. Elf maanden later trouwde zijn weduwe, de nog steeds mooie Flavia—die het zoo had weten aan te leggen, dat zij uit de ramp een moderne villa en een rente van veertig duizend francs had opgevischt—met een prachtigen, tien jaar jongeren man, een Zwitser, Jules Laporte, oud-sergeant van de garde van St. Pieter, daarna beunhaas van een reliquieënhandel, en thans markies Montefiori, daar hij door een speciale breve van den paus tegelijk met de vrouw den titel veroverd had. Prinses Boccanera was weer markiezin Montefiori geworden.

Diep gekrenkt in zijn trots had kardinaal Boccanera toen van zijn neef Dario geëischt, dat hij een paar kleine appartementen op de eerste verdieping van het paleis in de Via Giulia zou betrekken. In het hart van den heiligen man, die voor de wereld afgestorven scheen te zijn, leefde nog de trots op den naam en een teedere liefde voor dezen tengeren knaap, den laatste van het geslacht, den eenige, door wien de oude wortel weer groen kon worden. Hij toonde zich volstrekt niet afkeerig van een huwlijk met Benedetta, die hij eveneens met vaderlijke toegenegenheid liefhad. Hij was zoo hooghartig en zoo ten volle overtuigd van hun vroomheid, dat hij zich, toen hij hen beiden bij zich aan huis nam, in het minst niet stoorde aan de gemeene praatjes, die de vrienden van graaf Prada onder de witte kringen rondstrooiden sedert neef en nicht onder één dak woonden. Donna Serafina waakte over Benedetta, zooals hij zelf over Dario waakte, en in de stilte en in de donkerte van het groote verlaten paleis, dat vroeger door zulke tragische en bloedige gewelddaden bevlekt was, leefden nu nog slechts deze vier met hun thans ingeslapen hartstochten—de laatste overlevenden van een wereld, die op den drempel van een nieuwe wereld ineenstortte.

Toen abbé Pierre Froment plotseling met een zwaar hoofd uit zijn benauwde droomen ontwaakte, zag hij tot zijn groote spijt, dat de dag al ver gevorderd was. Zijn horloge wees zes uur. Hij, die hoogstens een uur wilde rusten, had in een onoverwinnelijke uitputting bijna zeven uur geslapen. En hoewel hij nu wakker was, bleef hij toch op bed liggen, gebroken, als reeds overwonnen voor den strijd. Vanwaar kwam toch die uitputting, die ongemotiveerde ontmoediging, die huivering van twijfel, die zich in zijn slaap, hij wist niet hoe en waarom, van hem meester gemaakt had en zijn heerlijk-jonge geestdrift van dien ochtend geheel uitdoofde. Hadden de Boccanera’s iets met deze plotselinge zwakheid van ziel te maken? In het donker van zijn droomen had hij zulke verwarde, zulke verontrustende gestalten gezien; zijn angst bleef bestaan, hij riep ze zich nogmaals voor den geest, schrikkend zoo in deze vreemde kamer wakker te worden, bang voor het onbekende.

De dingen schenen hem zoo onbegrijpelijk toe; hij kon zich niet verklaren waarom juist Benedetta aan vicomte de la Choue geschreven en hem opgedragen had hem te zeggen, dat zijn boek bij de Indexcongregatie aangegeven was. Welk belang kon zij erbij hebben, dat de schrijver zich te Rome kwam verdedigen? Met welk doel had zij de vriendelijkheid zoo ver gedreven, dat zij wilde, dat hij hier logeeren zou? Zijn groote verbazing was, dat hij, een vreemdeling, zich in dit bed, in dit vertrek, in dit paleis bevond, waarvan hij de diepe, doodsche stilte om zich heen hoorde. Zijn ledematen waren als geradbraakt, zijn hoofd leeg; plotseling echter zag hij duidelijk, begreep hij, dat er dingen waren, die hem ontgingen, dat zich achter de schijnbaar eenvoudige feiten een geheele complicatie verbergen moest. Maar dat was slechts een lichtflits, zijn argwaan verdween weer; hij stond op, schudde zich eens flink, zeide tot zichzelf, dat die trieste schemering de eenige oorzaak van dien angst en die wanhoop was, waarover hij zich nu reeds schaamde.

Om zijn gedachten wat afleiding te geven, begon Pierre in zijn twee kamers rond te kijken. Zij waren eenvoudig, bijna armoedig, van ongelijksoortige mahoniehouten meubelen uit het begin der vorige eeuw voorzien. Het bed had, evenmin als de ramen en deuren, geen gordijnen. Op den kalen, roodgeverfden en geboenden grond lagen alleen voor de stoelen kleine matjes. Bij het zien van die kille kaalheid dacht hij terug aan de kamer, waarin hij, als kind, te Versailles bij zijn grootmoeder geslapen had, die daar onder Louis Philippe een garen- en bandwinkeltje gehad had. Maar aan den muur van het bed hing tusschen kinderachtige en waardelooze gravures een oud doek, dat zijn aandacht trok. Het stelde, nauwlijks door den stervenden dag verlicht, een vrouwefiguur voor, die op den drempel van een groot en streng gebouw zat, waaruit men haar weggejaagd scheen te hebben. De bronzen vleugeldeuren hadden zich voor altijd achter haar gesloten en zij zat daar, in een eenvoudig wit linnen kleed gehuld, terwijl andere kleedingstukken, ruw weggeworpen, her en der op de granieten treden lagen. Haar voeten en haar armen waren bloot, het gelaat rustte in haar van smart krampachtig verwrongen handen—een gezicht, dat men niet zag, dat, door de golven van haar prachtige lokken overstroomd, als door een dofgouden sluier omhuld was.

Welk een naamlooze smart, welk een vreeselijke schande, welk een afschuwlijk aan haar lot overgelaten zijn verborg deze uitgestootene, deze hardnekkig liefhebbende vrouw, over wier geschiedenis—de geschiedenis van een heftig hart—men tot in het oneindige peinzen kon? Men raadde, dat zij in haar ellende, in die om haar schouders geworpen flarden linnen, aanbiddelijk jong en mooi was; maar al het overige van haar—haar hartstocht en misschien haar ongeluk en haar schuld wellicht—was gehuld in mysterie. Tenzij zij het symbool was van alles, dat, zonder een eigen gelaat, rillend en weenend voor de eeuwig gesloten deur van het onzienlijke staat. Lang keek hij naar haar, zóó strak, dat hij zich ten slotte verbeeldde haar goddelijk rein, lijdend profiel te onderscheiden. Doch het was slechts een illusie, want het doek had veel geleden, was zwart geworden en verwaarloosd, en hij vroeg zich af van welken onbekenden meester dit paneel, dat hem zoo ontroerde, wel zijn kon? Aan den anderen kant irriteerde een Heilige Maagd, een slechte copie van een doek uit de achttiende eeuw, hem door haar banalen glimlach.

Het daglicht werd al zwakker en zwakker. Pierre opende het raam en ging er op zijn ellebogen uit liggen. Tegenover hem, aan de overzijde van den Tiber, verhief zich de Janiculus, vanwaar hij ’s ochtends Rome gezien had. Maar thans, in dit doffe licht, was het niet meer de stad van jeugd en droomen, die zich ophief in de ochtendzon. De avond omsluierde alles met een aschgrauw: de horizont, onduidelijk en droefgeestig-dof, zonk weg. Daarboven links, over de daken, raadde hij nog den Palatinus: daarbeneden rechts stak de dom van de St. Pieter nog steeds leikleurig tegen den loodgrijzen hemel af, terwijl achter hem de Quirinalis, dien hij niet zien kon, ook wel in den mist zou wegsomberen. Een paar minuten verliepen, en alles werd nog waziger; hij voelde Rome verdwijnen, zich verliezen in zijn hem onbekende onmetelijkheid. Opnieuw grepen twijfel en onrust hem zoo pijnlijk aan, dat hij niet langer aan het raam kon blijven staan; hij sloot het weer, ging zitten, liet zich door de duisternis met een eindelooze triestheid omhullen. En aan zijn droef gepeins kwam eerst een einde, toen de deur zacht openging en het schijnsel van een lamp het vertrek opvroolijkte.

Het was Victorine, die voorzichtig het licht binnen bracht.

“Zoo, mijnheer de abbé, al op! Om vier uur ben ik ook wezen kijken, maar ik heb u laten slapen. Heel verstandig van u, om eens goed uit te slapen!”

Maar toen hij over pijn in zijn ledematen en over koude rillingen klaagde, begon zij ongerust te worden.

“Pas maar op, dat u die afschuwlijke koortsen niet krijgt. Dat vlak bij de rivier wonen is niet gezond. Don Vigilio, de secretaris van Zijne Eminentie, heeft ze ook, en ik verzeker u, dat dat alles behalve lollig is.”

Zij gaf hem dan ook den raad niet naar beneden te gaan, maar weer zijn bed op te zoeken. Zij zou hem wel excuseeren bij de prinses en de contessina. Hij liet haar praten en doen wat zij wilde, want hij was niet in staat zelf iets te willen. Op haar raad at hij echter wel wat; hij gebruikte een bord soep, een stukje kip en appelmoes, die Giacomo, de knecht, voor hem boven bracht. Dat deed hem goed; hij voelde zich weer zoo veel beter, dat hij weigerde naar bed te gaan en met alle geweld de dames vanavond nog voor haar hartelijke gastvrijheid wilde bedanken. Daar donna Serafina ’s Maandagsavonds ontving, zou hij zich voorstellen.

“Goed, goed!” zeide Victorine. “Als u u weer goed voelt, zal dat een uitstekende afleiding voor u zijn… Het beste zal zijn dat don Vigilio, die hiernaast zijn kamers heeft, u om negen uur komt halen en met u naar beneden gaat. Wacht maar op hem!”

Pierre had zich juist gewasschen en zijn nieuwe soutane aangetrokken, toen er precies om negen uur bescheiden op de deur geklopt werd. Een kleine, nauwlijks dertigjarige, magere en ziekelijk uitziende priester met een lang, gerimpeld en saffraankleurig gelaat kwam binnen. Nu al twee jaar lang werd hij dagelijks op hetzelfde uur door de koorts verteerd. Maar in zijn geel gezicht brandden, door zijn vurige ziel ontstoken, de vlammen van zijn zwarte oogen, wanneer hij vergat die uit te dooven.

Hij maakte een buiging en zeide, eenvoudig, in heel zuiver Fransch:

“Mag ik mij even voorstellen, mijnheer de abbé? Don Vigilio, en geheel tot uw dienst!… Als u het goed vindt, kunnen we naar beneden gaan.”

Pierre dankte hem voor zijn vriendelijkheid en volgde hem dadelijk. Don Vigilio zeide echter verder niets meer en antwoordde alleen maar met een glimlachje. Zij waren de kleine trap afgegaan en bevonden zich nu op het groote portaal van de eeretrap. Pierre voelde zich bij de armzalige verlichting droef te moede; op grooten afstand van elkaar flikkerden enkele vleermuizen als in een verdacht hôtel garni; de gele vlekken verlichtten nauwlijks de diepe duisternis van de hooge, eindelooze gangen. Het was iets gigantisch en doodsch tegelijk. Zelfs op het portaal, waarop, tegenover die van haar nicht, de appartementen van donna Serafina uitkwamen, wees niets erop, dat het de ontvangavond van de oude dame was. De deur bleef dicht, geen geluid drong uit de vertrekken in de doodelijke stilte, die uit het geheele paleis opsteeg. Zonder te bellen opende don Vigilio na een nieuwe buiging de deur.

Een enkele, op de tafel staande petroleumlamp verlichtte de antichambre, een groot vertrek met kale muren, waarop al fresco een behang in rood en goud geschilderd was. Op de stoelen lagen een paar jassen en twee mantels, terwijl een wandtafeltje met hoeden bedekt was. Tegen den muur zat een huisknecht te dommelen.

Toen don Vigilio ter zijde trad, om Pierre den eersten salon, een met rood brocaat behangen, half donker, schijnbaar leeg vertrek, te laten binnengaan, stond deze plotseling tegenover een zwarte gedaante, een in het zwart gekleede vrouw, wier trekken hij niet dadelijk onderscheiden kon. Gelukkig hoorde hij, hoe don Vigilio met een buiging zeide:

“Contessina, mag ik de eer hebben u abbé Pierre Froment, die vanochtend uit Frankrijk gekomen is, voor te stellen?”

Hij bleef een oogenblik alleen met Benedetta in het slapende licht der twee met kant omsluierde lampen van den verlaten salon. Maar dan kwam een geroezemoes van stemmen uit den salon ernaast, een grooten salon, welks deur, waarvan de beide vleugels open stonden, een vierkant van helderder licht afteekende.

De jonge vrouw begroette hem met eenvoudige hartelijkheid.

“Het is mij een groot genoegen u te zien, mijnheer de abbé! Ik was werkelijk bang, dat u ernstig ongesteld zoudt zijn. Maar nu voelt u zich weer beter, niet waar?”

Dadelijk kwam hij onder de bekoring van haar langzame, ietwat brouwende stem, waarin een diepe, bedwongen hartstocht over scheen te gaan in veel gezond verstand. Nu eindelijk zag hij haar met haar zware, bruine lokken, met haar witte, ivoorwitte huid. Zij had een rond gezicht, eenigszins dikke lippen, een zeer fijngeteekenden neus en bijna kinderlijk-zachte trekken. Maar vooral haar oogen leefden, groote, eindeloos diepe oogen, waarin niemand met zekerheid lezen kon. Sliep zij? Droomde zij? Verborg zij onder de onbeweeglijkheid van haar gelaat de vurige spankracht der groote heiligen en der groote amoureuses? Zij was zoo blank, zoo jong, zoo rustig, haar bewegingen waren harmonisch, haar geheele manier van doen weloverwogen, zeer edel en rhythmisch. In haar ooren droeg zij twee groote parelen van het zuiverste water, parelen afkomstig van een beroemden collier van haar moeder en die geheel Rome kende.

Pierre excuseerde zich en dankte haar.

“Madame, u maakt mij werkelijk verlegen, ik had u vanochtend al willen zeggen, hoe zeer ik uw te groote goedheid op prijs stel.”

Hij had een oogenblik geaarzeld haar “Madame” te noemen, daar hij zich het in haar eisch tot nietigverklaring van het huwlijk aangevoerde motief herinnerde. Maar blijkbaar noemde iedereen haar zoo. Trouwens haar gelaatsuitdrukking was kalm en welwillend gebleven, en zij wilde hem op zijn gemak stellen.

“U doet hier precies alsof u thuis was, mijnheer de abbé. Het is voor ons voldoende, dat u de vriend bent van mijnheer de la Choue en dat hij zich voor uw werk interesseert. Zooals u waarschijnlijk weten zult, koester ik voor hem een groote genegenheid…”

Zij hield verlegen op, begreep, dat zij over het boek moest spreken, de eenige reden van de reis en de aangeboden gastvrijheid.

“Ja, de vicomte heeft mij uw boek gezonden. Ik heb het met heel veel genoegen gelezen. Het heeft mij zelfs zeer getroffen. Maar ik ben slechts een onwetend meisje en heb zeker niet alles goed begrepen. Wij moeten er samen eens over spreken en dan wilt u mij zeker uw denkbeelden wel eens nader uitleggen, niet waar?”

In haar groote, heldere oogen, die niet liegen konden, las hij de verbazing, de ontroering van een kinderziel, die in aanraking gebracht wordt met verontrustende problemen, welke zij nog nooit onder de oogen gezien had. Zij was het dus niet, die zich voor zijn boek geïnteresseerd had, die hem in haar nabijheid wilde hebben, om hem te steunen, om zijn bondgenoot te zijn in de overwinning? Hij vermoedde, en ditmaal zeer beslist, een geheimen invloed, iemand, wiens hand alles naar een onbekend doel leidde. Maar hij kwam onder de bekoring van zooveel eenvoud en zooveel openhartigheid in een zoo mooi, zoo jong en zoo edel wezen; hij gaf zich geheel aan haar na de eerste woorden, die zij tot hem gericht had. Hij wilde haar juist zeggen, dat zij geheel over hem beschikken kon, toen hij daarin gestoord werd door de komst van een andere, eveneens in het zwart gekleede vrouw, wier hooge, slanke gestalte scherp tegen de lichte lijst der wijd openstaande deur van den salon ernaast afstak.

“Heb je aan Giacomo gezegd, dat hij boven moet gaan kijken, Benedetta? Don Vigilo is juist gekomen, en hij is alleen. Dat past niet.”

“Wel neen, tante, mijnheer de abbé is hier.”

En vlug stelde zij voor.

“Mijnheer de abbé Pierre Froment… Prinses Boccanera!”

Een ceremonieele begroeting volgde. Zij moest niet ver meer van de zestig zijn, maar zij reeg zich zoo sterk, dat men haar van achteren voor een jonge vrouw zou hebben aangezien. Dat was echter haar laatste coquetterie; haar haar, nog dik en vol, was geheel grijs, slechts de wenkbrauwen in haar lang gezicht met de diepe plooien en den grooten, eigenzinnigen familieneus, waren nog zwart. Zij was nooit mooi geweest en maagd gebleven; nooit was de wonde, welke de keus van graaf Brandini, die zijn oog op Ernesta, haar jongere zuster, had laten vallen, haar toegebracht had, genezen; van dat oogenblik af had zij besloten al haar vreugde te zoeken in de bevrediging van den overgeërfden trots op den naam, dien zij droeg. De Boccanera’s hadden reeds twee pausen in de familie gehad, en zij hoopte niet te sterven, voordat haar broeder, de kardinaal, de derde was. Zij was zijn geheime huishoudster geworden, zij had hem nooit verlaten, waakte over hem, was zijn raadsvrouw, deed wonderen, om het langzame verval, dat de plafonds van het huis boven hun hoofden deed ineenstorten, te verbergen. Uit hooge politiek, om den salon van de zwarte kringen, om een macht en een gevaar te blijven, ontving zij sedert dertig jaar iederen Maandag enkele intieme vrienden, die allen tot de partij van het Vaticaan behoorden.

Uit haar ontvangst begreep Pierre onmiddellijk, hoe weinig hij, de kleine vreemde priester, die niet eens prelaat was, voor haar beteekende. En dat deed zijn verwondering nog grooter worden, deed opnieuw de vraag in hem opkomen: waarom had men hem hier uitgenoodigd, wat moest hij in deze voor de nederigen gesloten wereld doen? Hij wist, dat zij uiterst vroom was, en meende ten slotte te moeten begrijpen, dat zij hem alleen uit égard voor den vicomte ontving, want op haar beurt wist zij niets anders te zeggen dan:

“Het doet ons zoo’n genoegen goede berichten van mijnheer de la Choue te ontvangen! Twee jaar geleden is hij hier met zoo’n mooien pelgrimstocht geweest!”

Zij ging den jongen priester voor naar den salon ernaast. Het was een groot vierkant vertrek met oud, geel brocaat met groote Louis XIV-bloemen behangen. Het zeer hooge plafond had een prachtige bekleeding van gesneden en beschilderd hout en vakken met gouden rosetten. De meubileering was zeer gemengd. Hooge spiegels, twee prachtige, vergulde wandtafeltjes, een paar mooie fauteuils uit de zeventiende eeuw; maar al het overige was jammerlijk-leelijk, een zware empire-guéridon van God weet waarvandaan, allerlei vreemde dingen, die uit den een of anderen bazar afkomstig moesten zijn, afschuwlijke photographieën op het kostbare marmer der wandtafeltjes. Er was geen enkel interessant kunstvoorwerp. Aan de muren hingen oude middelmatige schilderijen, uitgezonderd een prachtige onbekende primitief: een Visitatie uit de veertiende eeuw: de Heilige Maagd was heel klein en had de teere reinheid van een tienjarig kind, terwijl de Engel zeer groot en schitterend was en haar deed baden in de golven van een verblindende, bovenmenschelijke liefde. Daartegenover hing een oud familieportret, een zeer mooi jong meisje met een tulband op het hoofd voorstellend, waarschijnlijk Cassia Boccanera, die zich met haar broeder Ercole en het lijk van haar geliefde, Flavio Corradini, in den Tiber geworpen had. Vier lampen verlichtten met haar sterk, rustig licht het verwelkte, als door een melancholieken zonsondergang geel bestraalde, ernstige, ledige en kale vertrek, waarin geen enkele bloem te zien was.

Dadelijk stelde donna Serafina Pierre met enkele woorden voor. In de onmiddellijk daarop volgende stilte en het plotselinge staken der gesprekken voelde hij hoe aller blikken zich tot hem wendden als naar een beloofde en verwachte curiositeit. Er waren hoogstens een tiental personen bijeen, waaronder Dario, die stond te praten met de kleine prinses Celia Buongiovanni, welke hier gebracht was door een oude bloedverwante, die in een donker hoekje zat te fluisteren met een prelaat, monsignor Nani. Pierre was echter het meest getroffen door den naam van den kerkelijken advocaat Morano, van wiens bijzondere positie in dit huis de vicomte, toen hij Pierre naar Rome zond, gemeend had hem op de hoogte te moeten brengen, opdat hij geen verkeerde dingen zeggen of doen zou.

Morano was sedert dertig jaar de vriend van donna Serafina. Deze verhouding was vroeger strafbaar, daar de advocaat vrouw en kinderen had, maar nadat hij weduwnaar geworden was en vooral onder den invloed van den tijd werd het een door allen geëxcuseerde en aanvaarde liaison, een van die langdurige natuurlijke huwlijken, welke door de verdraagzaamheid der wereld gewijd worden. Daar beiden zeer vroom waren, hadden zij zich ongetwijfeld van de noodige aflaten verzekerd. Zoo zat Morano op de plaats, die hij sedert meer dan een halve eeuw innam, naast den haard, hoewel er nog geen vuur brandde. Toen donna Serafina zich van haar plicht als gastvrouw gekweten had, ging zij op haar eigen plaatsje aan den anderen kant van den haard tegenover hem zitten.

Terwijl Pierre, zwijgend en bescheiden op een stoel naast don Vigilio plaats nam, vertelde Dario op luideren toon het verhaal, dat hij aan Celia deed, verder. Hij was een knappe jonge man van middelbare grootte, slank en elegant, met een bruinen, zeer gesoigneerden baard, een lang gezicht en den grooten neus der Boccanera’s; maar zijn gelaatstrekken waren zachter, als door de eeuwenlange verarming van het bloed verslapt.

“O, een schoonheid!” herhaalde hij met nadruk; “een buitengewone schoonheid!”

“Wie bedoel je toch?” vroeg Benedetta, die zich bij hen voegde.

Celia, die op de boven haar hoofd hangende kleine Maagd van den primitief leek, begon te lachen.

“O, een arm meisje—een arbeidster, die Dario vandaag gezien heeft.”

En Dario moest zijn verhaal opnieuw beginnen. Hij liep in een smal straatje, dicht bij de piazza Navona, toen hij op de treden van een bordes een groot, krachtig meisje van een jaar of twintig zag, dat vreeselijk zat te snikken. Getroffen door haar schoonheid, was hij naar haar toegegaan en had eindelijk begrepen, dat zij in het huis, een fabriek van wasparelen, werkte, maar dat de fabriek gesloten was en zij nu niet naar huis durfde gaan, omdat daar toch al zoo’n armoede heerschte. Onder den zondvloed van haar tranen had zij zulke mooie oogen naar hem opgeslagen, dat hij ten slotte wat geld uit zijn zak gehaald had. Toen was zij echter, rood en verlegen, opgesprongen, had haar handen onder haar rok verborgen en niets willen aannemen; als hij wilde, kon hij met haar medegaan en het aan haar moeder geven. Vervolgens was zij weggeloopen in de richting van de Engelenbrug.

“O, een schoonheid,” herhaalde hij met geestdriftige extase; “een buitengewone schoonheid!… Grooter dan ik, maar desniettemin toch slank, met een hals als van een godin! Een echte antieke, een twintigjarige Venus—de kin iets te krachtig, mond en lippen zeldzaam regelmatig, oogen—o, die reine, groote oogen! En blootshoofds, niets dan de kroon van haar zware, zwarte lokken—een stralend gezicht, als verguld door de zon!”

Allen luisterden verrukt in dien hartstocht voor de schoonheid, welken Rome trots alles bewaart.

“Die mooie meisjes uit het volk beginnen zeldzaam te worden,” zeide Morano. “Je kan heel Trastevere doorloopen, zonder er een tegen te komen. Maar dit bewijst, dat er tenminste nog één is.”

“En hoe heet je godin?” vroeg Benedetta, die even verrukt was als de anderen, glimlachend.

“Pierina,” lachte hij terug.

“En wat heb je gedaan?”

Maar het gelaat van den jongen man kreeg een uitdrukking van onbehagen en angst, als dat van een kind, dat onder het spelen een leelijk dier ziet.

“Praat me daar niet over, ik heb er spijt genoeg van… Een ellende, een ellende, om er ziek van te worden.”

Hij was haar uit nieuwsgierigheid gevolgd naar den anderen kant van de Engelenbrug tot in de nieuwe wijk, die op de oude Prati del Castello gebouwd werd; en daar, op de eerste verdieping van een der verwaarloosde, nauwlijks droge en toch reeds in verval verkeerende huizen, was hij getuige geweest van een vreeselijk tooneel, waar hij nu nog van walgde: een heele familie, vader, moeder, een oude zwakke oom, kinderen, die bijna stierven van honger en in het vuil vervuilden. Hij gebruikte bij zijn schildering de mooiste woorden, verjoeg het vreeselijk visioen met een verschrikte handbeweging.

“Enfin, ik maakte, dat ik wegkwam, en ik verzeker je, dat ik niet meer terug ga.”

In de koude en verlegen stilte, die volgde, schudden allen afkeurend hun hoofd. Morano verklaarde met bittere woorden, dat de roovers, de mannen van het Quirinaal, de eenige oorzaak van al die ellende van Rome waren. Liep niet het gerucht, dat men den afgevaardigde Sacco, dien in allerlei verdachte zaken gecompromitteerden intrigant, minister wilde maken? Dat zou het toppunt van onbeschaamdheid zijn, het onvermijdelijke en nabije bankroet.

Alleen Benedetta, wier blik zich op Pierre richtte, prevelde, denkend aan zijn boek:

“Die arme menschen! Hoe vreeselijk! Maar waarom niet naar hen teruggaan?”

Pierre, in den beginne verstrooid en zich niet op zijn gemak voelend, was diep ontroerd door het verhaal van Dario. Hij doorleefde weer zijn apostolaat te midden der ellenden van Parijs, en een innig medelijden maakte zich van hem meester, nu hij bij zijn aankomst in Rome weer dezelfde ellende terugvond. Zonder het te willen, verhief hij zijn stem en zeide luid:

“O, madame, laten we er samen heengaan! Breng mij er! Die quaesties interesseeren mij zoo.”

De aandacht van allen werd daardoor weer op hem gevestigd. Men begon hem vragen te stellen; hij voelde, dat zij nieuwsgierig waren naar zijn eersten indruk, naar wat hij over hun stad en over hen zelf dacht. Vooral moest hij Rome niet naar den uiterlijken schijn beoordeelen. Wat had hij gezien, hoe vond hij de stad? Doch hij verontschuldigde zich beleefd, zeide, dat hij daarop geen antwoord geven kon, daar hij nog niets gezien had, zelfs nog niet uit geweest was. Maar toch bleef men bij hem aandringen; hij kreeg het zeer besliste gevoel, dat men een druk op hem wilde uitoefenen, hem met geweld tot bewondering en liefde dwingen wilde. Men gaf hem van alle kanten raad, bezwoer hem zich niet door teleurstellingen, die niet uit konden blijven, te laten beïnvloeden, doch vol te houden, te wachten, tot Rome hem zijn ziel openbaarde.

“Hoe lang denkt u hier te blijven, mijnheer de abbé?” vroeg een beleefde, zachte en heldere stem.

Het was monsignor Nani. Hij zat nog steeds in hetzelfde donkere hoekje en sprak nu voor het eerst met luide stem. Meermalen meende Pierre reeds opgemerkt te hebben, dat de prelaat zijn blauwe, zeer levendige oogen niet van hem af had, terwijl hij aandachtig scheen te luisteren naar het langzame gepraat van Celia’s tante. Voor hij antwoordde, keek hij hem aan. In zijn soutane met de smalle karmijnroode zoom en de violetzijden sjerp om zijn middel, zag hij er met zijn nog blond haar, zijn rechten, fijngeteekenden neus, zijn krachtigen mond en zijn schitterend-witte tanden, nog jong uit, ofschoon hij de vijftig reeds gepasseerd was.

“Een veertien dagen, monsignor, drie weken misschien.”

De geheele salon protesteerde. Wat? Drie weken? En verbeeldde hij zich heusch Rome in drie weken te leeren kennen? Daar waren zes maanden, een jaar, tien jaar voor noodig! De eerste indruk was altijd ongunstig, en om dien te overwinnen was een langer verblijf beslist noodzakelijk.

“Drie weken!” herhaalde donna Serafina met een minachtend gebaar. “Kan men elkaar in drie weken leeren kennen en lief hebben?”

Om de lippen van Nani, die zich met de anderen opgewonden had, speelde slechts een flauw glimlachje. Met zijn fijne hand, die zijn aristocratische geboorte verried, maakte hij een klein gebaar. En toen Pierre zeer bescheiden uitlegde, dat hij alleen gekomen was, om enkele stappen te doen, en weer terug zou gaan, zoodra die gedaan waren, zeide de prelaat nog steeds glimlachend:

“O, mijnheer de abbé zal langer blijven dan drie weken. Ik hoop, dat we het genoegen zullen hebben hem nog lang in ons midden te zien.”

Hoewel deze woorden met rustige beleefdheid uitgesproken werden, maakten zij op Pierre toch een zeer onaangenamen indruk. Wat wist de prelaat? Wat wilde hij daarmede zeggen? Hij vroeg zacht aan don Vigilio, die nog steeds zwijgend naast hem zat:

“Wie is toch die monsignor Nani?”

Maar de secretaris antwoordde niet dadelijk. Zijn koortsachtig gelaat kreeg een nog grauwere tint. Zijn vurige oogen zagen rond, vergewisten zich, dat niemand naar hem keek. Dan fluisterde hij:

“De assessor van het Heilig College!”

Die inlichting was voldoende, want Pierre wist heel goed, dat de assessor, die zwijgend de vergaderingen van het Heilig College bijwoonde, zich iederen Woensdagavond na de zitting naar den Heiligen Vader begaf, om hem op de hoogte te brengen van de dien middag behandelde zaken. Die wekelijksche audiëntie, dat vertrouwlijke uurtje bij den paus, dat het mogelijk maakte allerlei onderwerpen te bespreken, gaf aan den functionaris een bijzondere positie en zeer uitgebreide macht. Bovendien leidde dit ambt tot de kardinaalswaardigheid; de assessor kon later nog slechts tot kardinaal benoemd worden.

Monsignor Nani, die een zeer eenvoudig en vriendelijk man scheen te zijn, bleef den jongen priester zoo aanmoedigend aankijken, dat deze zich verplicht voelde plaats te nemen op den stoel, dien de oude tante van Celia eindelijk naast hem vrij gemaakt had. Was deze kennismaking, dadelijk op den eersten dag, met een machtig prelaat, wiens invloed misschien alle deuren, voor hem zou openen, niet een voorteeken voor de overwinning? Hij was dan ook zeer ontroerd, toen deze hem dadelijk na de eerste woorden op zeer belangstellenden toon vroeg:

“Dus hebt gij, mijn waarde zoon, een boek het licht doen zien?”

En Pierre, weer geheel medegesleept door zijn geestdrift en geheel vergetend, waar hij was, vertelde hem, hoe hij door de lijdenden en ongelukkigen ingewijd was in brandende naastenliefde, droomde hardop van den terugkeer tot de Christelijke gemeenschap, juichte over het verjongde Katholicisme, dat de godsdienst der universeele democratie geworden was. Langzamerhand was hij met stemverheffing gaan spreken en in den ouden strengen salon ontstond een stilte; allen luisterden te midden van een toenemende verbazing, een ijzige koude, die hij echter niet voelde.

Eindelijk viel Nani hem zacht in de rede met zijn eeuwig glimlachje, waarin het ironisch trekje zelfs niet op te merken was:

“Zeker, zeker, mijn waarde zoon, het is heel mooi, ongetwijfeld heel mooi, de reine en edele phantasie van een Christen volkomen waardig… Maar wat wilt ge nu doen?”

“Regelrecht naar den Heiligen Vader gaan, om mij te verdedigen.”

Een zacht, onderdrukt lachje volgde en donna Serafina drukte aller gevoelen uit, door te zeggen:

“Maar dat gaat zoo maar niet!”

Doch Pierre wond zich op.

“Maar ik hoop hem toch te spreken. Heb ik geen uitdrukking gegeven aan zijn denkbeelden? Heb ik zijn politiek niet verdedigd? Kan hij mijn boek laten veroordeelen, waarin ik volgens mijn overtuiging door het beste in hem zelf geïnspireerd ben?”

“Zeer zeker, zeer zeker,” haastte Nani zich te herhalen, alsof hij bang was, dat men te heftig te werk ging met dezen jongen enthousiast. “De Heilige Vader heeft zulke hooge en verheven denkbeelden! Ge moet hem spreken… Maar, mijn lieve zoon, ge moet u niet zoo opwinden, denk een weinig na en wacht uw tijd af.”

En zich dan tot Benedetta wendend:

“Zijne Eminentie heeft mijnheer den abbé nog niet gezien, wel? Het zou goed zijn, indien Zijne Eminentie hem morgenochtend zou willen ontvangen, om hem met zijn wijze raadgevingen te leiden.”

Kardinaal Boccanera woonde nooit de ontvangavonden van zijn zuster bij. Maar in den geest was hij altijd als afwezige, opperste gebieder aanwezig.

“Maar ik ben bang,” antwoordde de contessina aarzelend, “dat mijn oom niet medegaat met de denkbeelden van mijnheer den abbé.”

Nani begon weer te glimlachen.

“Juist daarom zal hij hem des te beter kunnen raden.”

En onmiddellijk werd met don Vigilio afgesproken, dat deze Pierre voor een audiëntie zou inschrijven voor den volgenden ochtend om tien uur.

Doch op dat oogenblik kwam een kardinaal binnen, gekleed met den rooden gordel en de roode kousen en de zwarte, roodomzoomde simarra1 met roode knoopen, de gewone dracht, die de kardinalen bij bezoeken dragen. Het was kardinaal Sarno, een zeer oud vriend der Boccanera’s. Terwijl hij zich verontschuldigde, dat hij zoo laat kwam, omdat hij lang had moeten werken, zwegen allen en omgaven hem vol eerbied. Pierre echter, die voor het eerst een kardinaal zag, voelde zich zeer teleurgesteld, want het was niet de majestueuze verschijning, de mooie decoratieve aanblik, dien hij verwacht had. Deze kardinaal leek klein en een weinig mismaakt, de linkerschouder was hooger dan de rechter, het gezicht uitgeteerd en vaal, de oogen als dood. Hij maakte op hem den indruk van een zeer afgeleefden, zeventigjarigen ambtenaar, die, door een halve eeuw van bekrompen bureauleven afgestompt, zwaar en misvormd geworden was, daar hij nooit den ronden leeren stoel verlaten had, waarop hij zijn geheele leven doorgebracht had.

En inderdaad was zijn geheele geschiedenis in het kort aldus weer te geven: hij was het ziekelijke kind van een kleinburgerlijke familie, werd in het Roomsche Seminarie opgevoed, was later tien jaar professor in het kanonnieke recht aan datzelfde Seminarie, daarna secretaris van de Propaganda en eindelijk sedert vijf-en-twintig jaar kardinaal. Kort geleden had hij zijn kardinaalsjubileum gevierd. Te Rome geboren, had hij nooit een enkelen dag buiten Rome doorgebracht; hij was het type van den priester, opgegroeid in de schaduw van het Vaticaan. Hoewel hij nooit een diplomatieke functie bekleed had, had hij aan zijn methodische werkwijze aan de Propaganda te danken, dat hij president geworden was van een der beide commissies, die onderling het bestuur van de uitgestrekte, nog niet Katholieke landen in het Westen verdeelden. Zoo kwam het, dat op den bodem van deze uitgestorven oogen, in dezen lagen schedel de uitgebreide kaart der Christenheid lag.

Zelfs Nani was vol heimelijken eerbied voor dien weinig op den voorgrond tredenden en verschrikkelijken man opgestaan, die, zonder ooit zijn bureau verlaten te hebben, tot in de verste hoeken der aarde zijn invloed gelden liet. Hij wist, dat hij, ondanks zijn schijnbare onbeduidendheid, door zijn langzamen, methodischen en goed geregelden veroveringsarbeid een macht was, die rijken aan het wankelen brengen kon.

“Is de verkoudheid van Uwe Eminentie weer beter?”

“Neen, neen, ik hoest nog altijd… Het is een gevaarlijke corridor. Ik ril van de koude, zoodra ik uit mijn kabinet kom.”

Van af dat oogenblik voelde Pierre zich heel klein en nietig. Men vergat zelfs hem aan den kardinaal voor te stellen. En hij moest nog bijna een uur blijven, alleen rondkijkend en opmerkend. De geheele, verouderde wereld kwam hem zoo kinderlijk voor, als waren zij allen in een treurige kindsheid teruggevallen. Hij wist nu, dat zich onder de trotsche terughoudendheid, onder de hoogmoedige ingetogenheid een werkelijke schuchterheid, het onuitgesproken wantrouwen van een groote onwetendheid verborg. Dat het gesprek niet algemeen werd, was het gevolg van het feit, dat niemand durfde. In de hoeken echter hoorde hij kinderachtige, eindelooze gesprekken, de onbeteekenende historietjes van de week, de praatjes der sacristieën en salons. Men zag elkaar slechts zelden, de kleinste gebeurtenissen namen ontzaglijke afmetingen aan.

Ten slotte kreeg hij het zeer duidelijke gevoel, dat hij verplaatst was in een Franschen salon in een der groote bisschoppelijke provinciesteden onder de regeering van Karel X. Ververschingen werden niet rondgediend. De oude tante van Celia had zich meester gemaakt van kardinaal Sarno, die haar geen antwoord gaf, doch slechts nu en dan zijn kin optrok. Don Vigilio had den geheelen avond geen mond opengedaan! Nani en Morano voerden reeds eenigen tijd een fluisterend gesprek, terwijl donna Serafina, die zich over hen heen boog om te kunnen luisteren, telkens goedkeurend knikte. Ongetwijfeld spraken zij over de scheiding van Benedetta, want zij keken nu en dan met een ernstig gezicht naar haar. En in het groote, door de lampen rustig verlichte vertrek scheen alleen de door Benedetta, Dario en Celia gevormde groep te leven. Zij praatten halfluid en hadden soms moeite hun lachen in te houden.

Plotseling viel Pierre de groote gelijkenis op, die hij zag tusschen Benedetta en het aan den muur hangend portret van Cassia. Het was dezelfde kinderlijke teerheid, dezelfde hartstochtelijke mond, dezelfde groote oogen in hetzelfde kleine ronde, verstandige en gezonde gezichtje. Beiden hadden ongetwijfeld een rechtschapen ziel en een vurig hart. Dan flitste een herinnering door zijn brein: de herinnering aan een portret van Guido Reni, de aanbiddelijke kuische kop van Beatrice Cenci, waarvan het portret van Cassia hem op dat oogenblik de nauwkeurige reproductie scheen te zijn. Die dubbele gelijkenis ontroerde hem en deed hem met bange deelneming naar Benedetta kijken, als zou het geweldige noodlot van het land en van het ras op haar neerstorten. Maar zij was zoo kalm, zag er zoo vastberaden en gelaten uit. Sedert hij in den salon was, had hij tusschen haar en Dario geen ander dan een zuiver broederlijke en geestelijke en opgewekte teederheid kunnen opmerken, vooral van haar kant; haar gelaat behield de vroolijke uitdrukking van een groote liefde, die voor de wereld niet verborgen behoefde te blijven. Eenmaal had Dario schertsend haar handen in de zijne genomen en die gedrukt; doch toen hij eenigszins zenuwachtig begon te lachen en vluchtige vlammen onder zijn wimpers òplichtten, had zij kalm zijn vingers losgemaakt als bij een spel van oude kameraden. Zij had hem lief, het was duidelijk te zien, met haar geheele wezen, voor het geheele leven.

Maar nadat Dario een geeuw onderdrukt, op zijn horloge gekeken en zich uit de voeten gemaakt had, om naar zijn vrienden te gaan, die bij een dame speelden, gingen Benedetta en Celia op een canapé zitten naast den stoel van Pierre, die, zonder het te willen, enkele woorden van haar gesprek opving. De kleine prinses was de oudste dochter van prins Matteo Buongiovanni, vader van vijf kinderen reeds en getrouwd met eene Mortimer, een Engelsche, die hem vijf millioen aangebracht had. Trouwens de Buongiovanni’s gingen door voor een der weinige patricische families te Rome, die nog rijk waren en zich staande hadden weten te houden te midden van de van alle kanten instortende ruïnes van het verleden. Ook zij hadden twee pausen in de familie gehad, wat echter voor Matteo geen beletsel geweest was zich bij het Quirinaal aan te sluiten, zonder daarom nog met het Vaticaan te breken. In zijn aderen vloeide, daar hij zelf de zoon van een Amerikaansche was, niet meer het zuivere Romeinsche bloed; zijn politiek was soepeler; ook zeide men, dat hij gierig was. Hij streed om als een der laatsten den vroegeren rijkdom en de vroegere almacht, die, zooals hij voelde, ten doode gedoemd waren, te behouden. In deze trotsche familie nu, wier glans nog steeds de stad vervulde, was plotseling iets gebeurd, dat eindelooze praatjes veroorzaakte: de plotselinge liefde van Celia voor een jongen luitenant, dien zij nog nooit gesproken had; de hartstochtelijke eensgezindheid der twee, die elkaar dagelijks op den Corso zagen en alleen maar door hun blikken met elkaar spreken konden; de taaie vasthoudendheid van het jonge meisje, dat aan haar vader verklaard had, dat zij nooit een anderen man wilde hebben, en nu onwrikbaar wachtte in de vaste overtuiging, dat men haar den man van haar keuze geven zou. Het ergste was, dat deze luitenant, Attilio Sacco, de zoon was van den afgevaardigde Sacco, een parvenu, dien de zwarte kringen minachtten als verkocht aan het Quirinaal en tot de gemeenste dingen in staat.

“Dat gezegde van Morano daareven was natuurlijk voor mij bestemd,” fluisterde Celia Benedetta in. “Ja zeker, daarnet, toen hij den vader van Attilio naar aanleiding van het ministerschap, waar men het zoo druk over heeft, zoo uitmaakte… Hij heeft mij een lesje willen geven.”

De twee jonge meisjes hadden elkaar in het nonnenklooster een eeuwige vriendschap gezworen. Benedetta, die vijf jaar ouder was dan Celia, speelde een beetje moedertje over haar.

“Ben je nu nog niet verstandig geworden? Denk je nog altijd aan dien jongen man?”

“Begin jij nu ook al mee te doen? Attilio bevalt me en ik wil hem hebben. Hem, versta je, en geen ander! Ik wil hem hebben en ik zal hem hebben, omdat hij van mij houdt en ik van hem… Het is zoo eenvoudig mogelijk.”

Pierre keek haar verbaasd aan. Met haar zacht, jonkvrouwelijk gezicht was zij een witte, gesloten lelie. Een voorhoofd en een neus, zoo rein als een bloem; een onschuldige mond, welks lippen zich vastberaden over de witte tanden sloten; oogen, helder als bronwater en zonder grond. Geen rilling liep over de als zijde zoo zachte wangen, niet de minste onrust was in den naïeven blik te bespeuren. Dacht zij? Wist zij? Wie zou het hebben kunnen zeggen? Zij was de maagd in al haar angstig makende verborgenheid.

“Kom, lieve kind,” begon Benedetta weer, “ga mijn treurige geschiedenis niet herhalen. Het gaat nu eenmaal niet, paus en koning trouwen niet samen.”

“Maar,” zeide Celia in alle kalmte, “jij hieldt niet van Prada en ik wel van Attilio. En leven is nu eenmaal liefhebben.”

Dit woord uit den mond van dit onschuldige kind trof Pierre zóó zeer, dat hij de tranen in zijn oogen voelde komen. De liefde, ja, dat was de oplossing van alle geschillen, de band tusschen de volkeren, de vrede en de vreugde in de geheele wereld. Maar donna Serafina, die het gesprek van de twee vriendinnen niet geheel scheen te vertrouwen, was opgestaan. Zij wierp don Vigilio een blik toe, dien deze dadelijk scheen te begrijpen, want hij ging heel zacht tegen Pierre zeggen, dat het tijd was om te gaan. Het sloeg elf uur, Celia vertrok met haar tante. Blijkbaar wilde advocaat Morano, dat kardinaal Sarno en Nani nog even bleven, om in den familiekring nog even te spreken over de een of andere moeilijkheid, die zich ten opzichte van de echtscheiding voorgedaan had. Toen Benedetta Celia op beide wangen gekust had, nam zij in den eersten salon hartelijk afscheid van Pierre:

“Morgenochtend zal ik den vicomte antwoorden en hem schrijven, hoe prettig we het vinden u bij ons te hebben, en voor heel wat langer dan u zelf gelooft… En vergeet vooral niet morgenochtend om tien uur uw opwachting bij mijn oom, den kardinaal, te maken.”

Toen boven op de derde verdieping Pierre en don Vigilio, ieder met een blaker, dien een knecht hun gegeven had, in de hand, elkaar voor hun deuren goeden nacht zeiden, kon de eerste zich niet weerhouden den ander een vraag te doen, die hem kwelde.

“Is die monsignor Nani een invloedrijk iemand?”

Don Vigilio schrok opnieuw. Hij maakte slechts een gebaar, waarbij hij zijn beide armen uitbreidde, als wilde hij de wereld omarmen.

“U hebt hem vroeger reeds gekend, niet waar?” vroeg hij zonder te antwoorden.

“Ik? Geen quaestie van!”

“Dan begrijp ik er niets van!… Hij kent u heel goed. Ik heb hem verleden Maandag over u hooren spreken in zulke termen, dat het mij toescheen alsof hij op de hoogte was van de kleinste bijzonderheden van uw leven en van uw karakter.”

“Ik heb zelfs zijn naam nooit hooren noemen.”

“Dan zal hij zeker naar u geïnformeerd hebben.”

Don Vigilio groette en ging zijn kamer binnen, terwijl Pierre, die tot zijn verbazing de deur van zijn kamer open vond, er Victorine op haar rustige manier uit zag komen.

“O, mijnheer de abbé, ik heb mij persoonlijk willen overtuigen, dat er niets ontbrak. U hebt uw kaars, u hebt suiker, water en lucifers… Wat gebruikt u ’s ochtends? Koffie? Neen? Alleen melk met een broodje. Goed! Om acht uur zeker?… En rust u nu maar eens goed uit! Ik heb de eerste nachten in dit oude paleis een vreeselijken angst voor spoken gehad! Maar ik heb er nooit één gezien. Wanneer je dood bent, dan ben je veel te blij, dat je het bent, en rust je lekker uit.”

Eindelijk was Pierre alleen. Hij was blij, dat hij uit de plooi kon komen, dat hij kon ontsnappen aan het onbehaaglijk gevoel, dat die onbekende omgeving, die salon, die menschen, welke zich in het rustige licht der lampen als spoken vermengden en weer verdwenen, hem gaven. De spoken, dat zijn de oude dooden van vroeger, wier onrustige zielen terugkwamen om lief te hebben en te lijden in het hart der levenden van thans. Ondanks zijn lange dagrust had hij zich nooit zoo moe gevoeld, nooit zoo’n behoefte aan slaap; zijn hoofd was geheel verward, hij was bang niets begrepen te hebben. Toen hij zich begon uit te kleeden, maakte de verwondering, dat hij hier was, dat hij hier naar bed ging, zich opnieuw met zulk een heftigheid van hem meester, dat hij een oogenblik meende een ander te zijn. Wat dachten al die menschen van zijn boek? Waarom had men hem in dit kille huis laten komen, dat hem—hij voelde het—vijandig gezind was? Was het om hem te helpen of om hem te overwinnen? En hij zag in het gele licht van den salon niets meer dan donna Serafina en advocaat Morano, ieder aan een kant van den haard, terwijl achter het hartstochtelijke en rustige hoofd van Benedetta, het glimlachende gezicht van monsignor Nani met zijn listige oogen en zijn van ontembare energie getuigende lippen verscheen.

Hij ging liggen, maar stond al heel gauw weer op; hij had het benauwd, voelde zoo’n behoefte aan frissche, vrije lucht, dat hij het raam geheel openzette en eruit leunde. Maar de nacht was inktzwart, de horizont lag in het duister gedompeld. De sterren aan het firmament werden waarschijnlijk door nevels bedekt, het ondoorzichtige hemelgewelf hing loodzwaar neer. De huizen van den tegenoverliggenden Trastevere sliepen reeds lang; geen enkel raam was meer verlicht; slechts flikkerde in de verte een lantaarn als een verloren ster. Vergeefs zocht hij den Janiculus. Alles ging in dit meer van Niets onder, de vier-en-twintig eeuwen van Rome, de oude Palatinus, de moderne Quirinalis, de reusachtige dom van de St. Pieter, die in de schaduwgolf van den hemel verdrongen werd. En onder zich zag hij zelfs niet, hoorde hij zelfs niet den Tiber, de doode rivier in de doode stad.

1 Een lang kleed.↑

DERDE HOOFDSTUK

Inhoudsopgave

Den volgenden ochtend om kwart voor tienen ging Pierre naar de eerste verdieping van het paleis, om zich aan te melden voor de audiëntie van kardinaal Boccanera. Vol moed was hij wakker geworden, vol naïeve geestdrift van zijn geloof; niets was er meer overgebleven van zijn ongewone terneergeslagenheid van den vorigen dag, van den twijfel, van den argwaan, die hem na de vermoeienis van de reis bij het eerste contact met Rome hadden aangegrepen. Het weer was zoo mooi, de hemel zoo helder, dat zijn hart weer vol hoop was gaan kloppen.

De op het groote portaal uitkomende deur van de eerste antichambre stond wijd open. De kardinaal, een der laatste kardinalen van het Romeinsche patriciaat, had, hoewel hij de op de straat uitkomende, van ouderdom wegrottende gala-salons had gesloten, den ontvangsalon van een zijner oud-ooms, die tegen het einde der achttiende eeuw eveneens kardinaal geweest was, behouden. Het was een reeks van vier groote, zes meter hooge vertrekken, die op het hellend, naar den Tiber loopend steegje uitzagen. De zon, waaraan door de zwarte huizen aan den overkant de weg versperd werd, drong er nooit in door. De inrichting met al haar pracht en praal, die de vroegere hoogwaardigheidsbekleeders der Kerk ten toon spreidden, was intact gebleven. Maar hersteld of gerepareerd of onderhouden was er niets. Het behang hing aan flarden, het stof vrat de meubelen op; in de volkomen verwaarloozing voelde men den hautainen wensch den tijd tegen te houden.

Toen Pierre het eerste vertrek, de antichambre der bedienden, binnenging, werd hij door een lichte ontroering aangegrepen. Vroeger stonden daar voortdurend twee pauselijke gendarmes in hun uniform te midden van een groote schaar lakeien; thans echter verhoogde één enkele bediende door zijn spookachtige aanwezigheid nog de melancholie van dit groote, half donkere vertrek. In het bijzonder viel tegenover het raam een met rood gedrapeerd altaar op onder een eveneens rooden baldakijn met het wapen der Boccanera’s, den gevleugelden, vlammenspuwenden draak en het devies: Bocca nera, Alma rossa. Ook de roode kardinaalshoed van den oud-oom, de oude, groote, voor plechtige gelegenheden bestemde hoed, bevond zich hier, evenals de twee kussens van roode zijde en de twee aan den muur hangende parasols, die vroeger bij iederen uitgang in de karos werden medegenomen. In de volkomen stilte meende men het zachte leven van de maden te hooren, die sedert een eeuw aan dat geheele doode verleden knaagden, dat door één streek van een plumeau in stof gevallen zou zijn.

De tweede antichambre, waarin vroeger de secretaris zijn verblijf hield, was leeg; Pierre vond don Vigilio eerst in de derde, de eere-antichambre. Daar het personeel tot het strikt noodzakelijke beperkt was, gaf de kardinaal er de voorkeur aan zijn secretaris vlak bij de hand te hebben, dicht bij de deur van de voormalige troonzaal, waarin hij audiënties verleende. Don Vigilio, zoo mager, zoo geel, zoo rillend van koorts, zat daar als verloren aan een heel klein, armoedig, zwart, met paperassen beladen tafeltje. Verdiept in een dossier, keek hij op, herkende den bezoeker en zeide op fluisterenden toon, zoodat het in de stilte als een gemompel klonk:

“Zijne Eminentie is bezig… Wees zoo goed te wachten.”

Dan verdiepte hij zich weer in zijn lectuur, blijkbaar om iedere poging tot een gesprek af te snijden.

Pierre, die niet durfde gaan zitten, keek het vertrek rond. Het verkeerde misschien in een nog meer vervallen toestand dan de twee andere met zijn door ouderdom versleten behang van groen damast, dat denken deed aan verkleurd mos op oude boomen. Maar het plafond was nog prachtig, een schitterende decoratie, een fries met geschilderde en vergulde versieringen, die een Triomf van Amphitrite, een fresco van een van Raffaël’s leerlingen, omgaven. Volgens oud gebruik lag in dit vertrek de kardinaalshoed op een wandtafeltje aan den voet van een groot crucifix van ebbenhout en ivoor.

Toen Pierre wat aan het halfdonker gewend geraakt was, werd zijn aandacht plotseling getrokken door een kort geleden geschilderd levensgroot portret van den kardinaal. Hij was er afgebeeld in groot gala, de soutane van rood moiré, het kanten koorhemd, de kappa koninklijk om de schouders geworpen. En deze grijsaard van zeventig jaar had in dat kerkelijke gewaad zijn trotsche, vorstelijke houding bewaard: hij was geheel geschoren, zijn grijs haar was nog zóó dik, dat het in zware lokken om zijn schouders golfde. Het was het majestueuze gezicht der Boccanera’s—de krachtige neus, de groote mond met de dunne lippen, het lange, diepgerimpelde gezicht. Vooral de oogen van zijn geslacht verhelderden het bleeke gezicht—bruine, vurige oogen onder de dikke, nog zwarte wenkbrauwen. Wanneer zijn hoofd met een lauwerkrans omgeven geweest was, zou men hem voor een Romeinsch keizer gehouden hebben; hij was verheven en gebiedend, alsof het bloed van Augustus in zijn aderen klopte.

Pierre kende zijn geschiedenis, en zijn portret riep hem die weer voor den geest. Opgevoed in het adellijke College, had Pio Boccanera slechts éénmaal Rome verlaten, toen hij nog maar heel jong en pas diaken was, om als pauselijk gezant een kardinaalshoed naar Parijs te brengen. Daarna had zijn kerkelijke carrière zich zeer geleidelijk ontwikkeld; de eere-ambten vielen hem als op natuurlijke wijze ten deel, zooals trouwens in verband met zijn voorname afkomst te verwachten was. Hij werd door Pius IX persoonlijk gewijd, later tot canonicus aan de Vaticaansche Basilica en tot geheim kamerheer, na de Italiaansche occupatie tot majordomo en eindelijk in 1874 tot kardinaal benoemd. Sedert vier jaar was hij kardinaal-voorzitter van de apostolische kamer, en men vertelde, dat Leo XIII hem voor dit ambt uitverkoren had, zooals Pius IX hem zelf vroeger daartoe uitverkoren had, om hem van de opvolging op den pauselijken troon uit te sluiten, want, al was het conclave bij zijn keuze afgeweken van de traditie, volgens welke de kardinaal-voorzitter niet tot paus gekozen kon worden, voor een nieuwe inbreuk daarop zou het waarschijnlijk toch terugschrikken.

Ook vertelde men, dat, evenals onder de vroegere regeering, de heimelijke strijd tusschen den paus en den kardinaal-voorzitter voortgezet werd; deze laatste veroordeelde de politiek van den Heiligen Stoel, was in alles van precies tegenovergestelde meening en wachtte in de feitelijke onbeduidendheid van zijn ambt op den dood van den paus, die hem tot aan de keuze van den nieuwen paus de interimaire macht zou geven, de plicht om het conclave bijeen te roepen en over den goeden tijdelijken gang van zaken der Kerk te waken. Lag het eerzuchtige verlangen naar het pausschap, de droom, om het avontuur van kardinaal Pecci, die kardinaal-voorzitter en toch paus was, te herhalen, achter dit hooge, strenge voorhoofd, in de vlam zelf van die donkere oogen. Zijn Romeinsche prinsentrots kende niets dan Rome; hij stelde er bijna een eer in niets van de moderne wereld te weten. Overigens was hij zeer vroom, streng godsdienstig, onwankelbaar in zijn geloof, niet in staat den geringsten twijfel te koesteren.

Maar een fluisteren rukte Pierre uit zijn overpeinzingen. Don Vigilio vroeg hem te gaan zitten.

“Het zal misschien een tijdje duren; neemt u zoo lang een tabouret.”

En hij begon een groot, geelachtig vel papier met een fijn schrift te beschrijven, terwijl Pierre machinaal op een der eikenhouten tabouretjes, die in een rij langs den muur tegenover het portret stonden, plaats nam. Hij viel weer in zijn overpeinzingen terug en meende om zich heen de vorstelijke pracht der vroegere kardinalen te zien herleven en schitteren. In de eerste plaats gaf de kardinaal op den dag, dat hij benoemd werd, groote feesten, volksvermaken, waarvan er sommige thans nog door hun pracht en praal bekend zijn. Gedurende drie dagen blijven de deuren der ontvangsalons wijd openstaan; iedereen, die wilde, mocht binnenkomen, van zaal tot zaal riepen de deurwachters elkaar de namen toe—namen van patriciërs, van gezeten burgers, van het gewone volk, in het kort geheel Rome, dat de kardinaal met de welwillendheid van een souverein ontving, zooals een koning zijn onderdanen.

Vervolgens werd een geheele koninklijke hofhouding georganiseerd, sommige kardinalen brachten vroeger meer dan vijfhonderd personen met zich mede, hadden een huishouding, die zestien bureaux telde, leefden te midden van een waar Hof. Zelfs in lateren tijd, toen het leven reeds veel eenvoudiger geworden was, had een kardinaal, als hij van vorstelijken bloede was, het recht op een galastoet van vier met zwarte paarden bespannen rijtuigen. Vier knechts, in de livrei van zijn kleuren, gingen hem vooraf en droegen den hoed, de kussens en de parasols. Bovendien was hij vergezeld van zijn secretaris in een violetzijden mantel, van den sleepdrager in zijn croccia, een soort gewatteerde jas van violette wol met zijden revers, en van den gentiluomo in de kleederdracht van Henri II, die den kardinaalshoed in zijn gehandschoende handen droeg.

Hoewel reeds verminderd, omvatte de huishouding nog den auditor, die met het werk der congregatie belast was, den secretaris, die zich alleen met de correspondentie bezig hield, den kamerheer, die de bezoekers aandiende, den gentiluomo, die den kardinaalshoed droeg, den sleepdrager, den kapelaan, den hofmeester, den kamerdienaar, ongerekend de schaar ondergeschikt personeel, koks, koetsiers en stalknechten, een geheele bevolking, waarvan de reusachtige paleizen gonsden. En met deze bevolking vulde Pierre in zijn gedachte de drie groote antichambres van de troonzaal; deze vloed van lakeien in blauwe livrei met tressen in de kleuren van het wapen, die wereld van abbé’s en prelaten in zijden mantels herleefde weer voor hem, bracht weer een hartstochtelijk en schitterend leven onder de hooge, ledige plafonds, in het halfdonker, dat zij met hun weder opgestane pracht lichter maakten.

Maar thans, vooral na den intocht der Italianen in Rome, waren bijna alle groote vermogens van den Italiaanschen adel en de pracht en de praal van de hoogwaardigheidsbekleeders der Kerk verdwenen. Het ten gronde gerichte patriciaat onttrok zich aan de geestelijke ambten, die slecht betaald werden en slechts weinig roem meer gaven; het liet die over aan de eerzucht der kleine burgerij. Kardinaal Boccanera, de laatste met het purper bekleede prins van ouden adel, had niet meer dan ongeveer dertig duizend francs, om zijn rang op te houden—de twee-en-twintig duizend francs van zijn salaris, vermeerderd met wat enkele andere functies nog opbrachten; en nooit zou hij daarmede alle kosten hebben kunnen bestrijden, indien donna Serafina hem niet geholpen had met de kruimpjes van het vaderlijk erfdeel, waarvan hij vroeger ten gunste van zijn beide zusters en zijn broeder afstand gedaan had. Donna Serafina en Benedetta hielden beiden haar eigen huishouden, hadden haar eigen personeel en droegen de kosten van haar persoonlijke uitgaven.

De kardinaal had alleen zijn neef Dario bij zich en gaf nooit een diner of een receptie. Zijn grootste uitgave was zijn eenig rijtuig, de zware karos met twee paarden, die het ceremonieel hem oplegde, want een kardinaal kan in Rome niet te voet gaan. Zijn koetsier, een oude knecht, spaarde hem ook nog een stalknecht uit, daar hij er beslist op stond alleen voor de karos en de twee paarden te zorgen, die, evenals hij, in de familie oud geworden waren. Verder waren er twee lakeien, vader en zoon, van wie de laatste in het paleis geboren was. De vrouw van den kok hielp in de keuken mede. Maar de inkrimping betrof voornamelijk de eere-antichambre en de eerste antichambre, het vroeger zoo schitterende en talrijke personeel bepaalde zich thans tot twee priesters, don Vigilio, den secretaris, die tegelijk auditor en majordomo was, en abbé Paparelli, den sleepdrager, die tevens als kapelaan en kamerheer fungeerde. Waar vroeger een schaar van bezoldigd personeel rondgeloopen en de zalen met hun schittering vervuld had, daar zag men thans slechts die twee zwarte soutanes geruischloos rondsluipen, twee bescheiden schimmen, die in de diepe duisternis der doode vertrekken verloren gingen.

Hoe begrijpelijk kwam Pierre thans de hooghartige zorgeloosheid van den kardinaal voor, die den tijd zijn werk van verwoesting liet volbrengen in dit paleis zijner voorvaderen, waaraan hij het glorierijke leven van vroeger niet teruggeven kon. Gebouwd voor den hofstaat van een vorst uit de zestiende eeuw, viel thans het huis, verlaten en donker, in op het hoofd van zijn laatsten meester, die niet genoeg personeel meer had om het te vullen, die niet geweten zou hebben, waar hij het geld had moeten vinden voor de voor de reparatie benoodigde kalk. Waarom zou men dus niet, nu de moderne wereld zich vijandig toonde, nu de religie geen koningin meer was, nu de maatschappij veranderd was en men, te midden van den haat en de onverschilligheid der nieuwe generaties, het onbekende tegemoet ging, waarom zou men nu niet de oude wereld met haar onzinnigen trots op haar eeuwenouden roem, in stof laten vallen? Slechts helden stierven staande, zonder iets van het verleden prijs te geven, tot aan hun laatsten ademtocht trouw aan hetzelfde geloof, zonder iets anders te bezitten dan den smartelijken moed om den langzamen doodsstrijd van hun God aan te zien. En in het majestueuse portret van den kardinaal, op zijn bleek, zoo trotsch, zoo wanhopig-dapper gelaat was de hardnekkige wil te lezen liever onder de puinhoopen van het oude, sociale gebouw begraven te worden dan er één steen aan te veranderen.

Het ritselen van heimelijke voetstappen, zacht muizengetrippel, deed den priester uit zijn gepeins opschrikken en omkijken. In het behang was een deur opengegaan en tot zijn verbazing zag hij een gezetten en korten, ongeveer veertigjarigen abbé voor zich staan; men zou hem voor een oude in het zwart gekleede jongejuffrouw hebben kunnen aanzien, heel oud reeds, zoo was zijn slap gezicht met rimpels doorgroefd. Het was abbé Paparelli, de sleepdrager, de kamerheer, die in deze laatste functie de bezoekers moest aandienen. Toen hij den jongen priester zag, wilde hij hem zijn naam vragen, maar don Vigilio kwam tusschenbeide, om hem op de hoogte te brengen.

“O, ja, prachtig! Mijnheer de abbé Froment, wien het Zijne Eminentie behaagt een audiëntie te verleenen… Wees zoo goed te wachten, wees zoo goed te wachten!”

En met zijn glijdenden, onhoorbaren stap ging hij weer terug naar de tweede antichambre, waar hij zich gewoonlijk ophield.

Pierre beviel dit door het celibaat verbleekte, door al te harde godsdienstige oefeningen verwoeste, oude vromebesjesgezicht niet; en daar don Vigilio, wiens hoofd moe was en wiens handen van koorts brandden, niet weer aan het werk gegaan was, waagde hij het hem het een en ander te vragen. O, abbé Paparelli! Een buitengewoon geloovig man, die alleen uit eenvoud en deemoed op zijn bescheiden post bij Zijne Eminentie bleef. Trouwens het behaagde dezen hem daarvoor te beloonen, daar hij zich een enkele maal verwaardigde naar zijn adviezen te luisteren. Bij die woorden lag er in de vurige oogen van don Vigilio een heimelijke ironie, een nog bedekte woede. Hij bleef Pierre aankijken; zijn gelaat kalmeerde zich wat; de zichtbare rechtschapenheid van dezen vreemdeling, die blijkbaar tot geen partij behoorde, stelde hem gerust. Hij liet dan ook zijn gewoon, ziekelijk wantrouwen varen, ja vergat zich zelfs zoozeer, dat hij een oogenblik bleef praten.

“Ja, ja, er is soms veel en dikwijls moeilijk werk… Zijne Eminentie heeft zitting in verscheidene congregaties: de Inquisitie-, de Index-, de Riten- en de Consistoriecongregatie. En al die dossiers gaan door mijn handen. Ik moet iedere zaak bestudeeren en een rapport daarover samenstellen, om alles voor hem in orde te maken… En bovendien heb ik voor de geheele correspondentie te zorgen. Gelukkig is Zijne Eminentie een heilige, die noch voor de eene, noch voor de andere partij intrigeert, zoodat we wat afgezonderd kunnen leven.”

Pierre interesseerde zich zeer voor die intieme bijzonderheden uit het leven van een Kerkvorst, dat dikwijls zoo verborgen is en door de legende misvormd wordt. Hij wist, dat de kardinaal, winter en zomer, om zes uur opstond. Hij las de mis in zijn kapel, een klein vertrek met een altaar van beschilderd hout, dat nooit iemand betrad. Verder bestonden zijn particuliere appartementen slechts uit een slaapkamer, een eetkamer en een studeerkamer, alle drie bescheiden, eenvoudige vertrekken, die men door middel van beschotten uit een grooten salon gemaakt had. Hij leefde er zeer teruggetrokken, zonder eenige luxe, als een matig en arm man. Om acht uur ontbeet hij met een glas koude melk. Vervolgens begaf hij zich op de zittingsdagen naar de congregaties, waar hij lid van was, of wel bleef hij thuis, om audiëntie te verleenen.

Hij dineerde om één uur, dan volgde tot vier, in den zomer zelfs tot vijf uur, de siësta, de Romeinsche siësta, het heilige oogenblik, waarin geen bediende het gewaagd zou hebben zelfs maar op de deur te kloppen. Daarna maakte hij op mooie dagen een wandelrit in den omtrek van de oude Via Appia, waarvan hij bij het luiden van het Angelus terug kwam. Na van zeven tot negen uur ontvangen te hebben, soupeerde hij, trok zich in zijn kamer terug en vertoonde zich niet meer; hij werkte alleen of begaf zich ter ruste. De kardinalen begaven zich twee of drie maal per maand op vaste dagen naar het Vaticaan, om dienst te doen. Doch nu in bijna een jaar al was den kardinaal-voorzitter geen particuliere audiëntie verleend, wat een teeken van ongenade, een bewijs van oorlog was, waarover in de zwarte kringen zacht en voorzichtig gesproken werd.

“Zijne Eminentie is wat stroef,” ging don Vigilio, die blij was zich eens te kunnen uiten, zacht voort: “maar u moet hem zien glimlachen, wanneer zijn nicht, de contessina, die hij aanbidt, hem komt omhelzen… Wanneer u goed ontvangen wordt, dan hebt u dat alleen aan de contessina te danken.”

Op dat oogenblik werd hij in de rede gevallen. Uit de tweede antichambre kwam een geroezemoes van stemmen. Hij stond vlug op en maakte een diepe buiging, toen hij een dikken man in een zwarte soutane met een rooden gordel, en een zwarten hoed met roode en gouden troedels op, binnen zag komen, dien abbé Paparelli met tal van nederige buigingen begeleidde. Hij had Pierre een teeken gegeven eveneens op te staan en vond nog juist tijd, om hem in te fluisteren:

“Kardinaal Sanguinetti, de praefect van de Indexcongregatie.”

Abbé Paparelli putte zich uit in dienstvaardigheid en herhaalde telkens weer met een vroom-tevreden gebaar:

“Uwe Eminentie wordt verwacht. Ik heb order Uwe Eminentie dadelijk binnen te brengen… Zijne Eminentie, de groot-penitentiarius is er reeds!”

Sanguinetti, een man met een harde stem en een dreunenden stap, kreeg plotseling een aanval van vertrouwelijkheid.

“Ja, ja, ik ben ook zoo opgehouden; al die menschen waren zoo lastig. Je kan nooit doen wat je wilt. Enfin, ik ben er nu!”

Het was een man van zestig jaar, ineengedrongen en dik, met een rond, opgeblazen gezicht, een grooten neus, dikke lippen, altijd even onrustige oogen. Vooral echter viel hij op door zijn jeugdig, bijna stormachtig-jong uiterlijk, zijn nog bruine haren, waarin nauwelijks een grijs haartje te ontdekken viel en die in dikke lokken om zijn slapen vielen. Hij was geboren te Viterbo, en had op het seminarie van die stad gestudeerd, alvorens zijn studiën aan de Gregoriaansche universiteit te Rome te gaan voltooien. Zijn geestelijke staat van dienst bewees voldoende zijn vlugge opklimming, zijn soepelen geest: eerst was hij secretaris van de nuntiatuur te Lissabon, daarna titulair-bisschop van Thebe geweest en had men hem een moeilijke zending naar Brazilië opgedragen.

Na zijn terugkeer werd hij nuntius te Brussel, vervolgens te Weenen en eindelijk kardinaal, ongerekend nog, dat hij het in de nabijheid van Rome gelegen bisdom van Frascati gekregen had. Zeer ervaren in allerlei zaken, daar hij geheel Europa afgereisd had, had hij alleen zijn eerzucht tegen zich, die hij te veel blijken liet, en de intriges, die hij steeds spon. Het heette thans, dat hij onverzoenlijk was en van Italië de overgave van Rome eischte, hoewel hij vroeger toenadering getoond had tot het Quirinaal. In zijn vurigen hartstocht om paus te worden, veranderde hij ieder oogenblik van meening, gaf hij zich eindelooze moeite, om menschen voor zich te winnen, die hij dan later weer losliet. Reeds tweemaal had hij onaangenaamheden gehad met Leo XIII, maar had het ten slotte politiek geoordeeld zich te onderwerpen. De waarheid was, dat hij, de bijna erkende candidaat naar het pausschap, zich uitputte in zijn voortdurende krachtinspanning, door zich met te veel dingen en te veel menschen te bemoeien.

Maar Pierre had in hem slechts den praefect der Indexcongregatie gezien; slechts één gedachte hield hem bezig, n.l. dat deze man over het lot van zijn boek zou beschikken. Hij kon zich dan ook, toen de kardinaal verdwenen en abbé Paparelli teruggekeerd was in de tweede antichambre, niet weerhouden te zeggen:

“Zijn Hunne Eminenties de kardinaal Sanguinetti en kardinaal Boccanera erg bevriend?”

Een glimlach kwam om de lippen van den secretaris spelen, terwijl in zijn oogen een ironie flikkerde, die hij nu niet meer verbergen kon.

“Zeer bevriend? Neen, neen!… Zij bezoeken elkaar, wanneer het niet anders kan!”

En hij legde uit, dat men eerbied toonde voor de hooge geboorte van kardinaal Boccanera, zoodat men zich gaarne vereenigde bij hem, wanneer een ernstige zaak, zooals dien dag, een samenkomst buiten de gewone zittingen noodzakelijk maakte. Kardinaal Sanguinetti was de zoon van een geneesheer te Viterbo.

“Neen, neen, Hunne Eminenties zijn in het geheel niet bevriend… Wanneer men niet dezelfde denkbeelden en hetzelfde karakter heeft, dan gaat dat zoo makkelijk niet. En vooral als daar nog bijkomt, dat men elkaar in den weg staat.”

Hij had het zachter, als tot zichzelf gezegd. Trouwens Pierre, die geheel met zichzelf bezig was, hoorde het nauwlijks.

“Komen zij misschien voor de een of andere Index-aangelegenheid bij elkaar?” vroeg hij.

Don Vigilio moest weten waarom er vergaderd werd. Maar hij vergenoegde zich met te antwoorden, dat voor een zaak van den Index de bijeenkomst gehouden zou zijn bij den praefect der congregatie. In zijn ongeduld kon Pierre zich niet weerhouden een directe vraag te stellen.

“U kent mijn aangelegenheid—de zaak van mijn boek—niet waar? Daar Zijne Eminentie deel uitmaakt van de congregatie en de dossiers door uw handen gaan, zoudt u mij misschien een nuttige inlichting kunnen geven. Ik weet er niets van en ik zou zoo gaarne wat willen weten!”

Onmiddellijk werd don Vigilio weer door zijne angstige ongerustheid aangegrepen.

“Ik verzeker u, dat er nog geen stuk door mijn handen gegaan is. Ik weet er absoluut niets van.”

Toen Pierre wilde aandringen, gaf hij hem een teeken te zwijgen en begon weer te schrijven, terwijl hij telkens heimlijk een blik in de tweede antichambre wierp, ongetwijfeld bang, dat abbé Paparelli luisterde. Blijkbaar had hij reeds veel te veel gezegd. En hij maakte zich weer klein aan zijn tafeltje, verdween als het ware geheel in zijn donker hoekje.

Pierre viel nu weer in zijn gepeins terug; weer maakte al dat onbekende, de oude, ingeslapen triestheid, die hem omgaf, zich geheel van hem meester. Eindeloos verliep de eene minuut na de andere, het was bijna elf uur. Het opengaan van een deur, het geluid van stemmen maakte hem weer wakker. Hij boog eerbiedig voor kardinaal Sanguinetti, die weg ging met een anderen, zeer mageren en langen kardinaal met een grauw, lang asketengezicht. Maar geen van beiden scheen zelfs dien eenvoudigen, vreemden priester, die zoo voor hen boog, op te merken. Zij spraken luid en vertrouwelijk met elkaar.

“Ja, de wind gaat liggen, het is warmer dan gisteren.”

“We zullen morgen zeker een sirocco krijgen.”

Plechtig viel de stilte weer in het groote, donkere vertrek terug. Don Vigilio schreef nog altijd, zonder dat men het gekras van zijn pen op het harde, geelachtige papier hoorde. Het zachte tingelen van een gebarsten belletje weerklonk. Abbé Paparelli kwam uit de tweede antichambre toegesneld, verdween een oogenblik in de troonzaal en kwam dan terug, om Pierre met een handgebaar te roepen.

“Mijnheer de abbé Pierre Froment,” diende hij met zachte stem aan.

Ook deze groote zaal was een ruïne. Onder het prachtige plafond van gebeeldhouwd en geschilderd hout hing het roode behang, geheel van brocaat met groote palmen, in flarden. Op sommige plaatsen was het als bijgewerkt, maar door het lange gebruik vlamde het donkere purperrood der zijde, dat vroeger zoo schitterend geweest was, met bleeke tinten. Het merkwaardige van het vertrek was de oude troon, de fauteuil van rood fluweel, waarin vroeger de Paus, wanneer hij een bezoek bracht aan den kardinaal, plaats nam. Een baldakijn, ook van rood fluweel, stond erover heen, waaronder eveneens het portret van den regeerenden paus hing. Volgens het voorschrift stond de fauteuil naar den muur toe gekeerd, ten teeken, dat niemand er op mocht gaan zitten. Verder waren er in het groote vertrek slechte canapés, fauteuils, stoelen en een prachtige Louis XIV-tafel van verguld hout met een mozaïekblad, voorstellend de ontvoering van Europa.

Maar Pierre zag in den beginne niets dan kardinaal Boccanera, die bij een andere tafel, welke hij als bureau gebruikte, stond. In zijn eenvoudige zwarte soutane met roode zoomen en knoopen, scheen hij hem nog grooter en trotscher toe dan op het portret in zijn gala-kostuum. Het was wel hetzelfde grijze haar, hetzelfde lange gezicht met de diepe rimpels, den grooten neus en de dunne lippen; het waren dezelfde vurige oogen, die het bleeke gezicht onder de dichte, zwart gebleven wenkbrauwen verhelderden. Maar het portret gaf niet het van deze hooge gestalte uitgaande verheven en rustige geloof weer, de vaste overtuiging te weten waar de waarheid lag, den onwankelbaren wil zich daar eeuwig aan te houden.

Boccanera bewoog zich niet, toen hij met zijn donkeren blik den bezoeker naar zich toe zag komen; de priester, die het ceremonieel goed kende, knielde neer en kuste den grooten smaragd, dien de kardinaal aan zijn vinger droeg. Maar bijna onmiddellijk richtte de kardinaal zich op.

“Wees welkom bij ons, mijn lieve zoon… Mijn nicht heeft mij met zooveel sympathie over u gesproken, dat ik mij gelukkig voel u te ontvangen…”

Hij was bij de tafel gaan zitten, zonder Pierre te vragen ook plaats te nemen; hij bleef hem aankijken, terwijl hij op langzamen, zeer beleefden toon verder sprak.

“U is gisterenochtend gearriveerd, niet waar? En zeker heel moe?”

“Uwe Eminentie is te vriendelijk… Ja, ik was gebroken, zoowel van emotie als van vermoeienis. Deze reis is voor mij van zooveel beteekenis.”

De kardinaal scheen niet dadelijk op die ernstige quaestie in te willen gaan.

“Zeker, dat begrijp ik. En bovendien is het een lange reis van Parijs naar Rome. Tegenwoordig gaat het vrij snel, maar vroeger was het een eindelooze reis!”

Hij begon langzamer te spreken.

“Ik ben éénmaal in Parijs geweest, o, al heel lang geleden, vijftig jaar bijna al, en ik ben er geen week gebleven… Een groote, mooie stad, ja zeker! Veel menschen in de straten, zeer goed opgevoede menschen, een volk, dat wonderbare dingen gedaan heeft. Men mag het zelfs in dezen droevigen tegenwoordigen tijd niet vergeten, Frankrijk is de oudste dochter der Kerk geweest… Na die eenige reis heb ik Rome nooit meer verlaten!”

Met een gebaar van kalme minachting voltooide hij zijn gedachte. Waarom reizen te ondernemen naar het land van twijfel en rebellie? Was Rome niet voldoende, Rome, dat de wereld beheerschte, de eeuwige stad, die eens, wanneer de tijden in vervulling zouden gaan, weer de hoofdstad der wereld zou worden?

Pierre, die zwijgen bleef, riep zich den gewelddadigen, strijdlustigen prins weer voor den geest, die er thans toe genoodzaakt was deze eenvoudige soutane te dragen; hij vond hem mooi in zijn trotsche overtuiging, dat Rome aan zichzelf genoeg had. Maar deze koppige onwetendheid, deze eigenzinnigheid, om andere naties slechts als vazallen te beschouwen, maakten hem ongerust, toen hij weer dacht aan het motief, dat hem hier bracht. Daar er een stilzwijgen ontstaan was, meende Pierre met een paar eerbiedig-huldigende woorden op het onderwerp te moeten terugkomen.

“Alvorens verdere stappen te doen, heb ik mijn hulde aan de voeten van Uwe Eminentie willen leggen, want Uwe Eminentie is mijn eenige hoop, en ik smeek Uwe Eminentie mij wel te willen raden en leiden.”

Met een handbeweging noodigde Boccanera hem uit op een stoel tegenover hem te gaan zitten.

“Zeker, mijn lieve zoon, ik weiger volstrekt niet u met mijn raad ter zijde te staan. Ik ben dat verschuldigd aan alle Christenen, die het goede willen. Maar ge zoudt verkeerd doen op mijn invloed te rekenen: die beteekent niets. Ik leef volkomen afgezonderd, ik kan en ik wil niets vragen… Maar dat belet ons niet wat te praten.”

Hij ging zonder eenigen omweg op de quaestie in. Zijn onafhankelijke, moedige geest schrikte voor de verantwoordelijkheid niet terug.

“Ge hebt een boek geschreven, niet waar? Het nieuwe Rome, als ik mij goed herinner; en ge zijt hierheen gekomen om dit boek, dat men bij de Indexcongregatie aangegeven heeft, te verdedigen… Ik heb het nog niet gelezen. Ge begrijpt, ik kan niet alles lezen. Ik lees alleen de boeken, die de congregatie, waarvan ik sedert verleden jaar deel uitmaak, mij zendt; en dikwijls stel ik mij zelfs tevreden met het rapport, dat mijn secretaris voor mij opstelt… Maar mijn nicht Benedetta heeft uw boek gelezen en mij gezegd, dat het niet oninteressant is. Eerst was zij er een beetje verbaasd over geweest, maar later heeft het haar zeer geroerd… Ik beloof u dus, dat ik het door zal lezen en de geïncrimineerde passages met groote zorg bestudeeren zal.”

Pierre greep de gelegenheid aan, om zijn zaak te verdedigen. Hij meende, dat het maar het beste zou zijn zijn aanbevelingen uit Parijs mede te deelen.

“Uwe Eminentie zal begrijpen hoe verbaasd ik was, toen ik hoorde, dat mijn boek vervolgd werd. Mijnheer de vicomte de la Choue, die mij welwillend gezind is, zegt steeds weer, dat een dergelijk werk voor den Heiligen Stoel even veel waard is als het beste leger.”

“O, de la Choue, de la Choue,” herhaalde de kardinaal welwillend-spottend; “ik weet heel goed, dat de la Choue denkt een goed Katholiek te zijn… Hij is nog eenigszins aan ons geparenteerd, zooals u niet onbekend zal zijn. Wanneer hij hier in het paleis logeert, dan ontvang ik hem heel graag, op voorwaarde echter, dat over bepaalde onderwerpen, waarover we het toch nooit eens zouden worden, niet gesproken wordt. Maar per slot van rekening is het Katholicisme van dien voortreffelijken en goeden de la Choue met zijn corporaties, zijn werkliedenvereenigingen, zijn gezuiverde democratie en zijn vaag socialisme niets anders dan litteratuur.”

Het woord trof Pierre onaangenaam, want hij voelde in de woorden van den kardinaal zeer duidelijk de minachtende ironie, die ook op hemzelf sloeg. Hij haastte zich dan ook zijn anderen repondant1, dien hij voor een onaantastbare autoriteit hield, te noemen.

“Zijne Eminentie kardinaal Bergerot is wel zoo goed geweest zijn volkomen goedkeuring aan mijn boek te hechten.”

Plotseling veranderde het gezicht van Boccanera heelemaal. Het was niet meer de spottende blaam, het medelijden, dat de ondoordachte en van te voren tot mislukking gedoemde daad van een kind te voorschijn roept. Een vlam van woede lichtte op in zijn donkere oogen; zijn gezicht werd hard van strijdlust.

“Zeker,” zeide hij langzaam; “kardinaal Bergerot heeft in Frankrijk den naam heel vroom te zijn. Hier in Rome weten wij weinig van hem. Persoonlijk heb ik hem éénmaal gezien, toen hij den kardinaalshoed kwam halen. En ik zou mij niet veroorloven een oordeel over hem te vellen, indien onlangs zijn geschriften en zijn handelingen mijn ziel als geloovige niet hadden bedroefd. En, helaas, sta ik in dat opzicht niet alleen; ge zult in het Heilig College niemand vinden, die zijn daden goedkeurt.”

Hij hield even op en zeide dan op zeer beslisten toon:

“Kardinaal Bergerot is een revolutionnair.”

Ditmaal kon Pierre van verbazing een oogenblik niet spreken. Een revolutionnair, lieve God, die zachte zielenherder met zijn onuitputtelijke naastenliefde, wiens droom-ideaal het was, dat Jezus weer op aarde zou nederdalen, om eindelijk gerechtigheid en vrede te doen heerschen! De woorden hadden dus niet overal dezelfde beteekenis! En in welk een godsdienst kwam hij terecht, dat de godsdienst der armen en lijdenden een verdoemenswaardige, eenvoudig opstandige hartstocht werd?

Zonder het nog duidelijk te begrijpen, voelde hij, dat een discussie onbeleefd en nutteloos zijn zou; hij koesterde nog slechts den wensch zijn boek te vertellen, het uit te leggen, het te rechtvaardigen. Maar onmiddellijk na zijn eerste woorden viel de kardinaal hem al in de rede.

“Neen, neen mijn lieve zoon. Dat zou te veel tijd in beslag nemen, en bovendien wil ik de passages lezen… Trouwens het is een regel zonder uitzondering: ieder boek, dat het geloof aantast, is verderfelijk en verdoemenswaardig. Eerbiedigt uw boek ten volle het dogma?”

“Ik meen van wel, en ik verzeker Uwe Eminentie, dat het geen oogenblik mijn bedoeling geweest is het dogma of het geloof te verloochenen.”

“Dat is zeer prijzenswaardig. En wanneer dat zoo is, zou ik met u mede kunnen gaan… Doch in het tegenovergestelde geval zou ik u maar één raad kunnen geven: uit eigen beweging uw boek terug te nemen, te vernietigen, zonder te wachten, dat een besluit van de Indexcongregatie u daartoe dwingt. Wie ergernis gegeven heeft, moet die onderdrukken en ervoor boeten door in zijn eigen vleesch te snijden. Een priester heeft geen andere plicht dan deemoed en gehoorzaamheid, de volkomen vernedering en vernietiging van zijn eigen Ik, een geheel opgaan in den wil der Kerk. Ja, ik vraag u, waartoe eigenlijk überhaupt te schrijven? In de uiting van een eigen meening ligt in zekeren zin al opstand en verzet; het is altijd een verzoeking van den duivel, die u de pen in de hand drukt. Waarom de risico te loopen zichzelf te verdoemen door toe te geven aan den hoogmoed van den geest… Uw boek, mijn waarde zoon, is ook weer litteratuur, litteratuur!”

Hij herhaalde het woord met zoo’n minachting, dat Pierre het gevaar, dat de arme apostelbladzijden, welke hij geschreven had, liepen, wanneer zij onder de oogen van dezen prins, die een heilige geworden was, kwamen, onmiddellijk begreep. Hij luisterde naar hem en meende, door toenemenden angst en bewondering aangegrepen, hem grooter te zien worden.

“O, het geloof, mijn lieve zoon, het onvoorwaardelijke, onbaatzuchtige geloof, dat alleen gelooft voor het geluk om te gelooven! Welk een rust, wanneer men zich voor de mysteries buigt, zonder te trachten die te doorgronden, met de rustige overtuiging, dat men, door ze te aanvaarden, eindelijk het zekere en het definitieve bezit! Is de meest volkomen intellectueele bevrediging niet die, welke door het goddelijke gegeven wordt, terwijl het de rede verovert, schoolt en vermeerdert, zoodat zij als het ware gevuld en zonder verdere begeerte is? Wanneer het onbekende niet door het goddelijke verklaard wordt, is er voor den mensen geen duurzame vrede mogelijk. Men moet de waarheid en de gerechtigheid in Gods hand geven, als men wil, dat zij op aarde heerschen zullen. Wie niet gelooft is als een slagveld, dat bloot staat aan alle rampen. Het geloof alleen bevrijdt en geeft vrede!”

Pierre bleef een oogenblik zwijgen tegenover deze hooge gestalte, die zich oprichtte. Te Lourdes had hij de lijdende menschheid zich zien storten op de genezing van het lichaam en de vertroosting der ziel. Hier was het de intelligente geloovige, de zekerheid verlangende geest, die bevrediging vond door de hoogste genieting te vinden in het niet meer twijfelen. Nog nooit had hij zoo’n kreet van vreugde gehoord, om te leven in gehoorzaamheid en zonder vrees voor dat wat na den dood volgt. Hij wist, dat Boccanera een eenigszins hartstochtelijke jeugd gehad en zinnelijke crisissen doorgemaakt had, waarin het heete bloed zijner voorouders opvlamde; en hij verwonderde zich over de kalme majesteit, die het geloof dezen afstammeling van een zoo heftig ras verleend had. Hoogmoed en trots waren zijn eenige hartstochten gebleven.

“En toch,” waagde hij het eindelijk met zachte stem te zeggen: “ook al blijft het wezen van het geloof onveranderlijk, is het mogelijk, dat de vormen wisselen… Van uur tot uur ontwikkelt alles zich, verandert de wereld.”

“Maar dat is juist niet waar!” riep de kardinaal uit, “de wereld is onwrikbaar, eeuwig onwrikbaar!… Zij trappelt heen en weer, zij verdwaalt, zij geraakt op de afschuwelijkste banen, men moet haar ieder oogenblik weer op den rechten weg terugbrengen. Dat is de waarheid… Moet de wereld, opdat de beloften van Christus in vervulling kunnen gaan, niet terugkeeren tot haar punt van uitgang, tot haar oorspronkelijke schuldeloosheid? Is het einde der dagen niet vastgesteld op den triompheerenden dag, dat de menschen in het volle bezit zijn der geheele waarheid, die het Evangelie gebracht heeft?… Neen, neen, de waarheid ligt in het verleden. Men moet zich steeds houden aan het verleden, wanneer men zich niet in het verderf wil storten. Al die mooie nieuwigheden, die fata morgana van den beroemden vooruitgang zijn niets anders dan valstrikken voor de eeuwige verdoemenis. Waartoe nog meer te zoeken, waartoe onophoudelijk het gevaar van dwalingen te loopen, waar de waarheid reeds sedert achttien eeuwen bekend is? De waarheid, maar die ligt in het roomsch-apostolisch Katholicisme, zooals de lange reeks van generaties het geschapen heeft! Welk een dwaasheid het te willen veranderen, daar zoovele groote geesten, zoovele vrome zielen er het wonderbaarlijkste van alle gedenkteekenen, er het eenige middel tot orde in deze en tot redding in de andere wereld van gemaakt hebben!”

Pierre protesteerde niet meer. Zijn hart kromp ineen, want thans kon hij niet langer meer twijfelen of hij had een onverzoenlijk vijand van zijn liefste en dierbaarste denkbeelden tegenover zich. Hij boog eerbiedig, maar tot een ijskoude verstard, hij voelde een zachten ademtocht over zijn gelaat strijken, een wind, die van verre kwam en de doodende hitte der graven met zich voerde. De kardinaal echter richtte zijn hooge gestalte op en ging op zijn eigenzinnigen toon, waaruit een trotsche moed klonk, door:

Hij was steeds langzamer gaan spreken, in zijn stem klonk een hoogmoedige droefheid, terwijl hij met een breed gebaar naar het oude, verlaten, zwijgende paleis wees, waaruit het leven zich iederen dag iets meer terugtrok. Was het een onwillekeurig voorgevoel, streek de zachte, koude ademtocht, die van de puinhoopen kwam, ook langs hem heen? Dat zou verklaren, waarom de groote zalen zoo verwaarloosd waren, het zijden behang in flarden hing, de wapenschilden door stof verbleekt, de roode hoed door maden weggevreten werd. En deze prins en kardinaal, deze intransigente Katholiek, die zich zoo in de toenemende duisternis van het verleden terugtrok en met een dapper soldatenhart de onvermijdelijke instorting der oude wereld trotseerde, stond te midden van dit alles als iets wanhopig-grootsch en verhevens.

Ontroerd wilde Pierre afscheid nemen, toen een kleine deur in het behang openging. Boccanera maakte een ongeduldig gebaar.

“Wat is er nu weer? Kan men mij dan geen oogenblik met rust laten?”

Maar abbé Paparelli, de dikke, stille sleepdrager, kwam toch binnen, zonder zich een oogenblik op te winden. Hij ging naar den kardinaal toe en fluisterde hem iets in het oor.

“Welke pastoor?… O, ja, Santobono, de pastoor van Frascati. Ik weet het… Zeg, dat ik hem nu niet ontvangen kan.”

Weer begon Paparelli met zijn zacht stemmetje te fluisteren. Toch kon Pierre enkele woorden hooren: een dringende zaak, de pastoor moest weer vertrekken, hij had maar één woord te zeggen. En zonder de toestemming van den kardinaal af te wachten, bracht hij den bezoeker, een protégé van hem, dien hij achter de kleine deur gelaten had, binnen. Dan verdween hij zelf met de kalmte van een ondergeschikte, die, ondanks zijn nederige positie, zijn groote macht kent.

Pierre, die geheel vergeten werd, zag een reusachtig langen priester binnenkomen, grof gebouwd, een echten boerenzoon, die nog steeds in nauwe aanraking met de aarde was. Hij had groote voeten, vingers vol knobbels, een verweerd gezicht met litteekens, dat door donkere, zeer heldere oogen verlevendigd werd. Voor zijn vijf-en-veertig jaar zag hij er nog krachtig uit en geleek met zijn slecht verzorgden baard en zijn mantel, die te wijd om zijn zware, vooruitspringende beenderen hing, eenigszins op een vermomden bandiet. Maar zijn gelaatsuitdrukking was trotsch gebleven, zonder iets gemeens. Hij had een klein mandje bij zich, dat zorgvuldig met vijgeblaadjes toegedekt was.

Onmiddellijk knielde Santobono neer en kuste den ring, doch met een snel gebaar, als was het een eenvoudige, gewone beleefdheid. Dan zeide hij met de eerbiedige familiariteit van het mindere volk tegenover de grooten:

“Ik smeek Uwe eerwaardige Eminentie om vergiffenis, dat ik zoo indringerig ben. Er wachten nog vele anderen, en ik zou niet ontvangen zijn, indien mijn oude vriend Paparelli niet op het denkbeeld gekomen was mij door deze deur te laten gaan… Ik heb Uwe Eminentie een grooten dienst te vragen, een zoo grooten dienst… Maar voor alles veroorlove Uwe Eminentie mij, U een klein geschenk aan te bieden.”

Boccanera luisterde ernstig naar hem. In vroegere tijden, toen hij den zomer ging doorbrengen in de villa, die de familie te Frascati bezat, had hij hem goed gekend. Die villa was een in de zestiende eeuw gerestaureerd huis met een prachtig park, waarvan het beroemde terras uitzag op de uitgestrekte en als een zee zoo kale Campagna romana. Thans was de villa verkocht en in de wijngaarden, die bij de boedelscheiding aan Benedetta ten deel gevallen waren, was graaf Prada, vóór den eisch tot echtscheiding, begonnen een geheele nieuwe wijk van kleine lusthuizen te bouwen. Vroeger had de kardinaal het niet beneden zijn waardigheid geacht op zijn wandelingen een oogenblik te gaan uitrusten bij Santobono, die, buiten de stad in een oude aan Santa Maria dei Campi gewijde kapel dienst deed. De priester bewoonde een naast die kapel staand, half vervallen huisje, waarvan een door muren omgeven tuin de grootste aantrekkelijkheid vormde. Dien tuin onderhield hij zelf met den hartstocht van een echten boer.

“Ik zou graag willen, dat Uwe Eminentie, zooals andere jaren, mijn vijgen proefde,” ging hij voort, terwijl hij het mandje op tafel zette. “Het zijn de eerste vijgen van het seizoen, die ik vanochtend voor Uwe Eminentie geplukt heb. Eminentie at ze zoo graag, toen het Eminentie nog behaagde ze van den boom te komen eten. Eminentie was dan wel zoo goed mij te zeggen, dat geen vijgeboom in de wereld zulke vijgen droeg!”

De kardinaal kon een glimlach niet onderdrukken. Hij was dol op vijgen, en het was waar: de vijgeboom van Santobono was in het geheele land beroemd.

“Dank je zeer, mijn waarde pastoor; je herinnert je mijn kleine gebreken nog goed… En wat kan ik voor je doen?”

Hij was onmiddellijk weer ernstig geworden, want tusschen hem en den pastoor bestonden oude meeningsverschillen, die hem hinderden. Santobono, die uit Nemi, een zeer woeste streek, en uit een heftige familie, waarvan de oudste zoon door een messteek gedood was, afkomstig was, had zijn vurig-patriottische denkbeelden nooit onder stoelen of banken gestoken. Men vertelde, dat het heel weinig gescheeld had, of hij had zich bij de troepen van Garibaldi aangesloten; en op den dag, dat de Italianen Rome binnentrokken, had men hem moeten beletten de vlag der Italiaansche eenheid op zijn dak te planten. Zijn hartstochtelijke droom was, Rome als meesteres der wereld te zien, wanneer paus en koning, na zich verzoend te hebben, gemeenschappelijk zouden optreden. De kardinaal hield hem voor een gevaarlijken revolutionnair, een afvallig priester, die het Katholicisme in gevaar bracht.

“O, wat Uwe Eminentie voor mij doen kan? Wat Uwe Eminentie voor mij doen kan, als het haar behaagt,” herhaalde Santobono op vurigen toon, terwijl hij zijn grove, knokkelige handen vouwde.

Doch dan zich bedenkend:

“Heeft Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti niet met een enkel woord met Uwe eerwaardige Eminentie over mijn zaak gesproken?”

“Neen, de kardinaal heeft mij alleen gezegd, dat ge me iets te vragen hadt.”

Boccanera wachtte met een strenge gelaatsuitdrukking. Hij wist heel goed, dat de priester een protégé van Sanguinetti geworden was, sedert deze, als bisschop van Frascati, daar jaarlijks eenige weken ging doorbrengen. Iedere kardinaal, die het pausschap ambieert, heeft een aantal van die vrienden achter zich, die de geheele eerzucht van hun leven op zijn mogelijke verkiezing stellen: wanneer hij eens paus is, wanneer zij hem helpen het te worden, is de kans groot, dat zij in de groote pauselijke huishouding opgenomen worden. Het gerucht ging, dat Sanguinetti Santobono reeds uit een zeer moeilijk geval gered had. Hij had een kind, dat fruit wilde stelen, juist op het oogenblik, dat het over zijn muur klom, gesnapt, en het zoo’n geduchte afstraffing toegediend, dat het aan de gevolgen gestorven was. Maar tot eer van den priester moet gezegd worden, dat zijn fanatieke toewijding aan den kardinaal voornamelijk het gevolg was van de hoop, dat hij de verwachte paus zijn zou, de paus, die voorbestemd was om van Italië de eerste natie te maken.

“Nu, dan zal ik mijn ongeluk vertellen… Uwe Eminentie kent mijn broer Agostino, die twee jaar tuinman bij u in de villa geweest is. Het is een heele fatsoenlijke, zachte jongen, op wien nooit iemand iets te zeggen gehad heeft… Nu is hem—niemand kan zich verklaren hoe—een vreeselijk ongeluk overkomen; hij heeft in Genzano op een avond, dat hij op straat aan het wandelen was, een man met een messteek gedood. Ik vind het iets verschrikkelijks en ik zou graag twee vingers van mijn hand geven, om hem uit de gevangenis te houden. En nu had ik gedacht, dat Uwe Eminentie niet weigeren zou mij een getuigschrift te geven, waarin staat, dat Agostino bij Uwe Eminentie in dienst geweest is, en dat Uwe Eminentie altijd zeer tevreden over hem geweest is.”

“Ik ben heelemaal niet tevreden over Agostino geweest,” protesteerde de kardinaal. “Hij had een krankzinnig-heftige en opvliegende natuur, en juist omdat hij altijd met de andere bedienden overhoop lag, heb ik hem weg moeten sturen.”

“O, wat doet Uwe Eminentie mij een verdriet met dat te zeggen. Het is dus waar, dat het karakter van mijn armen kleinen Agostino bedorven is! Maar de zaak is toch wel te schikken, niet waar? Uwe Eminentie kan mij daarom toch wel een getuigschrift geven—in andere woorden vervat. Een getuigschrift van Uwe Eminentie zou voor de rechtbank zoo’n goeden indruk maken.”

“Dat begrijp ik heel goed,” antwoordde de kardinaal. “Maar ik geef geen getuigschrift.”

“Wat? Uwe eerwaarde Eminentie weigert?”

“Absoluut… Ik weet, dat gij een priester zijt, op wiens moraliteit niets te zeggen valt, dat gij uw heilig ambt met ijver vervult, dat gij een zeer aanbevelenswaardig iemand zijn zoudt zonder uw politieke denkbeelden. Doch uw broederliefde brengt u op een dwaalspoor, ik kan niet liegen, om u ter wille te zijn.”

Santobono keek hem verbaasd aan, begreep niet, dat een prins, een almachtig kardinaal, zich met zulke onbeteekenende gewetensbezwaren ophield, wanneer het om een messteek ging, de meest gewone en ieder oogenblik voorkomende zaak in de nog woeste streken der Romeinsche Kasteelen.

“Liegen, liegen,” prevelde hij; “wanneer je alleen het goede, dat iemand heeft, zegt, is toch geen liegen! En Agostino heeft toch wel wat goeds. In een getuigschrift hangt alles af van de zinnen, waarin het gekleed is.”

Hij had het zich nu eenmaal in het hoofd gezet en hij kon niet begrijpen, dat iemand weigeren kon den rechter door een handige voorstelling van de zaken op een dwaalspoor te brengen. Toen hij eindelijk inzag, dat hij niets krijgen zou, maakte hij een wanhopig gebaar; zijn vaal gelaat kreeg een uitdrukking van heftigen wrok, terwijl zijn donkere oogen vlamden van ingehouden toorn.

“Goed, goed! Iedereen ziet de waarheid op zijn manier. Ik zal het aan Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti gaan vertellen. En ik smeek Uwe eerwaarde Eminentie mij niet kwalijk te nemen, dat ik haar voor niets gestoord heb… Misschien zijn de vijgen nog niet heelemaal rijp, maar ik zal de vrijheid nemen tegen het eind van het seizoen, wanneer zij heelemaal goed en zoet zijn, nog een mandje te brengen… Duizendmaal dank en duizendmaal heil en zegen aan Uwe eerwaarde Eminentie.”

Achteruit loopend ging hij weg met buigingen, die zijn knokige gestalte in tweeën vouwden. Pierre, die met groote belangstelling het tooneel gevolgd had, vond in hem de belichaming van de lagere geestelijkheid van Rome en omgeving, waarover men hem voor zijn reis zoo dikwijls gesproken had. Dat was niet de scagnozzo, de arme, hongerige priester, die ten gevolge van de een of andere minder mooie geschiedenis uit de provincie komt en zoekend naar zijn dagelijksch brood door Rome zwerft. Deze soort vormt een schaar van bedelaars in soutane, die in de kruimels der Kerk hun geluk zoeken, elkaar gulzig de missen bestrijden en met het mindere volk in de meest beruchte kroegen zitten. Ook was het niet de priester uit de ver afgelegen provincies, die, volmaakt onwetend en kras bijgeloovig, boer met de boeren was, die door zijn biechtkinderen als huns gelijke behandeld werd, welke in hun groote vroomheid hem nooit verwisselden met God en neerknielden voor den heilige van hun parochie, maar niet voor den man, die van hem leefde. In Frascati kreeg de pastoor van een kleine kerk negenhonderd francs en had geen andere uitgaven dan voor vleesch en brood, wanneer hij den wijn, de vruchten en de groenten uit zijn eigen tuin haalde. Deze priester was niet onontwikkeld, wist iets van theologie, van geschiedenis, vooral de geschiedenis van Rome’s vroegere grootheid, die zijn patriotisme ontvlamd had, zoodat hij steeds weer van de nabije wereldheerschappij droomde, die voor het wedergeboren Rome, de hoofdstad van Italië, weggelegd was. Maar welk een onafzienbare afstand nog tusschen deze dikwijls zeer waardige en intelligente lagere geestelijkheid en den hoogeren clerus, de hoogwaardigheidbekleeders van het Vaticaan! Alles wat niet minstens prelaat was, bestond niet.

“Duizendmaal dank en moge alles naar wensch van Uwe eerwaarde Eminentie gaan.”

Toen Santobono eindelijk weg was, wendde de kardinaal zich weer tot Pierre, die eveneens boog, om afscheid te nemen.

“In één woord, mijnheer de abbé, het komt mij voor, dat de zaak van uw boek slecht staat. Ik zeg u nog eens, dat ik niets precies weet, dat ik het dossier niet gezien heb. Maar daar het mij bekend was, dat mijn nicht Benedetta zich voor u interesseert, heb ik er met kardinaal Sanguinetti, die daareven hier was, over gesproken. Maar hij zelf weet er niet meer van dan ik, want het dossier bevindt zich nog in handen van den secretaris. Het eenige, dat hij mij mededeelen kon, was, dat de aanklacht van aanzienlijke, zeer invloedrijke personen uitging, en dat zij liep over talrijke bladzijden, waarin men de aanstoot gevende passages zoowel wat betreft de kerkelijke tucht als het dogma naar voren gebracht heeft.”

Zeer ontroerd door de gedachte, dat verborgen vijanden hem in het donker vervolgden, riep hij uit:

“O, aangeklaagd, aangeklaagd! Als Uwe Eminentie eens wist, hoe dat woord mij pijn doet. En aangeklaagd voor beslist onwillekeurige misdaden, omdat ik enkel en alleen vurig den triomf der Kerk gewild heb… Ik zal mij voor de voeten van den Heiligen Vader werpen en mij verdedigen.”

Boccanera richtte zich plotseling in zijn volle lengte op. Een diepe plooi groefde zich in zijn voorhoofd.

“Zijne Heiligheid kan, wanneer het Haar goeddunkt, alles, zelfs u ontvangen en u absolutie geven… Maar luister naar mij, ik raad u nogmaals aan uit eigen beweging uw boek terug te nemen, het eenvoudig en dapper te vernietigen, voor u te storten in een strijd, die u slechts de schande brengen zal verpletterd te worden… Denk er over na!”

Onmiddellijk had Pierre berouw gehad, dat hij van een bezoek aan den Paus gesproken had, want hij voelde, dat dit beroep op het hoogste gezag den kardinaal moest kwetsen. Twijfel was echter niet meer mogelijk: de kardinaal zou tegen zijn werk zijn. Hij had geen andere hoop meer dan door zijn omgeving druk op hem uit te oefenen, door hem te smeeken neutraal te blijven. Hij had hem openhartig, vrijmoedig gevonden, ver verheven boven de heimelijke intriges, die, zooals hij hoe langer hoe meer begon te begrijpen, om zijn boek gespannen werden. Hij nam dan ook met grooten eerbied voor den persoon van den kardinaal afscheid.

“Ik dank Uwe Eminentie uit den grond van mijn hart en beloof alles, wat Uwe Eminentie zoo goed is geweest tegen mij te zeggen, ernstig te zullen overwegen.”

In de antichambre zag Pierre vijf of zes personen, die gedurende zijn audiëntie gekomen waren en nu wachtten. Er waren een bisschop, een prelaat en twee oude dames; en toen hij, alvorens weg te gaan, don Vigilio wilde begroeten, zag hij dien tot zijn groote verbazing in gesprek met een langen, blonden jongen man, een Franschman, die even verbaasd uitriep:

“Wat, u hier, mijnheer de abbé? U hier in Rome?”

De priester aarzelde een oogenblik.

“O, mijnheer Narcisse Habert, neem me niet kwalijk, dat ik u niet dadelijk herkende. Het is werkelijk onvergeeflijk van mij, want ik wist, dat u sinds een jaar aan het gezantschap geattacheerd bent.”

Slank, flink gebouwd, zeer elegant had Narcisse een mooien tint, lichtblauwe, bijna malvekleurige oogen, een blonden, kroezenden baard en droeg zijn blonde lokken op Florentijnsche wijze over het voorhoofd weggeknipt. Hij stamde uit een zeer rijke, militant-Katholieke rechtersfamilie en had een oom, die tot de diplomatie behoorde, wat over zijn carrière beslist had. Zijn plaats te Rome was als het ware aangewezen, waar hij over invloedrijke bloedverwanten beschikken kon: hij was de aangetrouwde neef van kardinaal Sarno, wiens zuster te Parijs getrouwd was met zijn oom, een notaris; germain neef van den geheimen kamerheer, monseigneur Gamba del Zoppo, een zoon van een zijner tantes, die in Italië met een kolonel getrouwd was. Om die redenen had men hem geattacheerd aan het gezantschap bij den Heiligen Stoel, waar men zijn eenigszins fantastische allures, zijn vurigen hartstocht voor de kunst, die hem steeds weer tot zwerftochten door Rome aanspoorde, duldde. Verder was hij een zeer beminlijk man en zeer gedistingeerd, bovendien in den grond der zaak zeer practisch en buitengewoon ervaren in financieele quaesties. Soms gebeurde het, zooals dien ochtend, dat hij met zijn moede, eenigszins geheimzinnige manier van doen in opdracht van den gezant bij een kardinaal over een ernstige zaak kwam spreken.

Onmiddellijk nam hij Pierre mede in een der groote vensternissen, om op zijn gemak met hem te kunnen praten.

“Mijn waarde abbé, wat ben ik blij u te zien! Herinnert u zich onze prettige gesprekken nog uit den tijd, dat we elkaar bij kardinaal Bergerot ontmoetten? Ik heb u nog schilderijen aangewezen voor uw boek, miniaturen uit de veertiende en vijftiende eeuw. Voor vandaag leg ik beslag op u; ik zal u Rome laten zien, zooals niemand anders dat kan. Ik heb alles gezien, alles doorsnuffeld. Schatten zijn hier, schatten! Doch feitelijk is er maar één ding hier, daar ga je altijd weer naar terug: de Botticelli in de Sixtijnsche kapel!”

Zijn stem stierf als het ware uit; hij maakte een uitgeput gebaar van bewondering. En Pierre moest beloven zich aan hem toe te vertrouwen, met hem naar de Sixtijnsche kapel te gaan.

“U weet toch zeker wel, waarom ik hier ben?” zeide deze eindelijk. “Men vervolgt mijn boek, men heeft het bij de Indexcongregatie aangegeven.”

“Uw boek? Dat is niet mogelijk!” riep Narcisse uit. “Een boek, waarvan sommige bladzijden aan den verrukkelijken Franciscus van Assisi herinneren.”

Hij stelde zich welwillend ter beschikking van den priester.

“Maar onze gezant zal u van groot nut kunnen zijn. Er bestaat geen beter mensch op de wereld; hij is zeer vriendelijk en welwillend, vol oude Fransche bravoure. Vanmiddag of op zijn allerlaatst morgenochtend zal ik u aan hem voorstellen, en daar u zoo spoedig mogelijk een audiëntie bij den paus verlangt, zal hij probeeren die voor u te verkrijgen… Maar ik moet eraan toevoegen, dat het niet altijd even makkelijk is. De Heilige Vader doet hem gaarne een genoegen, maar toch lukt het hem niet altijd, zoo moeilijk is het dikwijls hem te naderen.”

In werkelijkheid had Pierre er nog niet aan gedacht gebruik te maken van de hulp van den ambassadeur; in zijn onnoozelheid had hij gemeend, dat een aangeklaagde priester, die zich kwam verdedigen, van zelf alle deuren voor zich zou zien open gaan. Hij was verrukt over het aanbod van Narcisse en dankte hem zoo hartelijk alsof de audiëntie reeds verkregen was.

“En mochten er zich onverhoopt moeilijkheden voordoen,” ging de jonge man voort, “dan heb ik nog altijd bloedverwanten op het Vaticaan. Ik bedoel niet mijn oom den kardinaal, die ons toch niet zou kunnen helpen, want hij komt nooit uit zijn bureau van de Propaganda en wil nooit een gunst vragen. Maar mijn neef, monsignor Gamba del Zoppo, die tot de vertrouwde omgeving van den paus behoort en door zijn dienst ieder oogenblik met hem in aanraking komt, is een zeer welwillend man; als het noodig is, gaan we naar hem toe, en hij zal ongetwijfeld wel een middel weten, om een audiëntie voor u te verkrijgen, hoewel zijn groote voorzichtigheid hem een enkele maal bang doet zijn, dat hij zich zal compromitteeren… Dus, dat is afgesproken, vertrouw in alle dingen maar op mij.”

“Niets liever dan dat, waarde heer,” riep Pierre verlicht en gelukkig uit; “u weet niet welk een balsem u mij geeft, want sedert ik hier ben, tracht iedereen mij te ontmoedigen; u bent de eerste, die mij weer wat kracht geeft door de zaken op zijn Fransch te behandelen.”

Fluisterend vertelde hij hem zijn onderhoud met kardinaal Boccanera, van wien hij niet de minste hulp te verwachten had, de slechte tijdingen, die kardinaal Sanguinetti gebracht had, en ten slotte den wedijver, die, zooals hij voelde, tusschen de beide kardinalen bestond. Narcisse luisterde glimlachend naar hem en liet zich ook tot vertrouwlijke mededeelingen bewegen. Die wedijver, die voorbarige twist om de tiara, waarnaar beiden hartstochtelijk streefden, bracht reeds lang de zwarte kringen in opwinding. Het waren allerlei gecompliceerde dessous, niemand zou met zekerheid kunnen zeggen wie de uitgebreide intriges leidde. In het algemeen wist men, dat Boccanera het intransigente Katholicisme vertegenwoordigde, dat van geen compromis met de moderne maatschappij weten wilde, rustig afwachtte, dat God over Satan regeeren, het koninkrijk Rome aan den Heiligen Vader teruggegeven worden, Italië berouwvol voor zijn heiligschennis boete doen zou; Sanguinetti daarentegen, een zeer soepel en politiek man, zou voorstander zijn van even nieuwe als vermetele combinaties, een soort republikeinsche federatie van alle oude kleine Italiaansche staten onder protectoraat van den paus. In één woord het was de strijd tusschen twee tegengestelde richtingen: de eene wilde de Kerk redden door een volmaakten eerbied voor de oude traditie; de andere kondigt haar onvermijdelijken ondergang aan, indien zij weigert de evolutie der komende eeuw mede te maken. Maar dit alles was zoo vaag, zoo onbestemd, dat ten slotte de meening post vatte, dat, wanneer de tegenwoordige paus nog eenige jaren leefde, noch Boccanera, noch Sanguinetti hem zouden opvolgen.

Plotseling viel Pierre Narcisse in de rede.

“En monsignor Nani, kent u dien? Gisterenavond heb ik met hem gesproken… Kijk, daar komt hij juist binnen!”

Inderdaad kwam Nani met zijn eeuwigen glimlach en zijn blozend, vriendelijk prelatengezicht binnen. Zijn fijne soutane en zijn gordel van violette zijde schitterden in een voornaam-luxueusen en zachten glans. Hij was zeer hoffelijk tegenover abbé Paparelli, die hem eerbiedig te gemoet ging en hem vroeg wel te willen wachten tot Zijne Eminentie hem ontvangen kon.

“O,” fluisterde Narcisse, die ernstig geworden was; “monsignor Nani is iemand, dien men te vriend moet houden.”

Hij kende zijn geschiedenis en vertelde die Pierre half fluisterend. Te Venetië uit een adellijk, maar geruïneerd geslacht, dat verscheidene helden onder zijn leden geteld had, geboren, was hij, na zijn eerste onderricht bij de Jezuïeten ontvangen te hebben, naar Rome gekomen, om aan het Romeinsch College, dat onder leiding der Jezuïeten stond, in de theologie en wijsbegeerte te studeeren. Op zijn drie-en-twintigste jaar tot priester gewijd, was hij dadelijk als particulier secretaris met een nuntius naar Beieren gegaan en vandaar als auditor naar Brussel en Parijs, in welke laatste stad hij vijf jaar had gewoond. Alles, zijn schitterend debuut, zijn vlug begrip—hij was een der veelzijdigste en meest ontwikkelde geesten, die men zich denken kan—scheen hem voor de diplomatie te bestemmen, toen hij plotseling naar Rome teruggeroepen werd, waar men hem bijna onmiddellijk na zijn aankomst tot assessor bij het Heilig College benoemde. Toenmaals ging het gerucht, dat dit op uitdrukkelijk verlangen van den paus geschied was, die, daar hij zijn capaciteiten kende en gaarne iemand bij het Heilig College had, op wien hij kon vertrouwen, hem teruggeroepen had onder voorwendsel, dat hij te Rome veel meer diensten bewijzen kon dan bij een nuntiatuur. Nani, reeds sedert langen tijd huisprelaat, was sedert korten tijd kanunnik van de St. Pieter en apostolisch protonotarius en had, wanneer op een dag de paus een assessor vinden kon, die nog meer in zijn smaak viel, groote kans kardinaal te worden.

“O,” ging Narcisse voort, “monsignor Nani! Een superieur man, die het moderne Europa buitengewoon goed kent, en daarenboven een heilig priester, een oprecht geloovige, volkomen toegewijd aan de Kerk, maar van een geloof, dat geheel verschillend is van het bekrompen en vage theologische geloof, zooals wij dat in Frankrijk kennen! Daarom zal het u moeilijk vallen de menschen en dingen hier te begrijpen. Zij laten God in Zijn heiligdom, zij regeeren in Zijn naam, ten volle overtuigd, dat het Katholicisme de menschelijke organisatie van het Godsbestuur, de eenige, eeuwige en volmaakte is, buiten welke er slechts leugen en sociaal gevaar bestaat. Terwijl wij in onze godsdienstige twistgesprekken nog steeds hartstochtelijk over het bestaan van God discussieeren, geven zij niet eens toe, dat aan dat bestaan getwijfeld worden kan, omdat zij de door God gezonden ministers zijn; zij gaan geheel in hun rol van onafzetbare ministers op, oefenen hun macht uit tot het grootst mogelijke welzijn der menschheid, gebruiken al hun intelligentie, al hun energie om de door de volken aanvaarde meesters te blijven. Bedenk eens, een man als monsignor Nani is, na met de politiek der geheele wereld te doen gehad te hebben, sedert tien jaar te Rome met de meest kiesche en moeilijke opdrachten belast en daardoor met de meest verschillende en belangrijke zaken vertrouwd. Hij blijft heel Europa, dat in Rome komt, zien, weet alles, heeft in alles de hand. Daarenboven is hij buitengewoon bescheiden en welwillend, zóó volmaakt bescheiden schijnbaar, dat men zich onwillekeurig afvraagt, of hij met zijn zachten stap niet naar het hoogste doel van ’s menschen eerzucht, naar de tiara, schrijdt.”

“Nog een candidaat voor den Heiligen Stoel!” dacht Pierre, die zeer aandachtig geluisterd had, want deze Nani interesseerde hem, gaf hem een soort instinctieve onrust, alsof hij achter het blozende en glimlachende gezicht iets beangstigend oneindigs voelde. Bovendien begreep hij de verklaringen van zijn vriend maar half; de angst, die hem bij zijn aankomst in deze nieuwe wereld, een wereld, wier onverwachte aanblik al zijn verwachtingen den bodem insloeg, aangegrepen had, maakte zich ook nu weer van hem meester.

Maar monsignor Nani had de twee jonge mannen gezien en kwam hartelijk en met uitgestoken hand naar hen toe.

“Zoo, mijnheer de abbé Froment! Het is mij aangenaam u weer te zien. Ik behoef u niet te vragen, of u goed geslapen hebt, want men slaapt te Rome altijd goed… Dag, mijnheer Habert, nog altijd even gezond als toen ik u vol bewondering aantrof voor de Heilige Theresia van Bernini?… En ik zie, dat u elkaar kent. Prachtig! Mijnheer de abbé, ik mag u zeker wel verraden, dat mijnheer Habert een van de vurigste bewonderaars onzer stad is, die u de mooiste plekjes zal kunnen laten zien.”

Dan wilde hij dadelijk weer hooren over het onderhoud tusschen Pierre en den kardinaal. Hij luisterde zeer aandachtig naar het verhaal, terwijl hij bij sommige bijzonderheden zijn hoofd schudde en dikwijls zijn fijn glimlachje onderdrukken moest. De strenge ontvangst van den kardinaal en de overtuiging van den priester, dat hij van dezen geen hulp behoefde te verwachten, verwonderden hem in het minst niet, als had hij geen ander resultaat verwacht. Maar bij den naam van kardinaal Sanguinetti en toen hij hoorde, dat deze aan kardinaal Boccanera gezegd had, dat die quaestie van het boek zeer ernstig was, scheen hij zich een oogenblik te vergeten en sprak met plotselinge heftigheid:

“Dan ben ik te laat gekomen, mijn waarde zoon! Zoodra ik van die vervolging hoorde, ben ik dadelijk naar Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti gegaan, om hem te zeggen, dat men voor uw werk een groote reclame zou maken. Is dat verstandig? Waar is dat goed voor? Wij weten, dat u wat geëxalteerd, geestdriftig en strijdlustig is. Wat zouden wij erbij winnen, indien wij een jongen priester, die met een boek, waarvan reeds duizenden exemplaren verkocht zijn, tegen ons in het krijt zou kunnen treden, tegen ons in het harnas joegen? Van den beginne af aan heb ik gewild, dat men het boek met rust liet, en ik moet eerlijk zeggen, dat de kardinaal, die een verstandig man is, dezelfde meening toegedaan is. Hij hief zijn armen ten hemel en riep opgewonden uit, dat men hem nooit raadpleegde, dat de dwaasheid nu begaan was en dat het onmogelijk was het proces tegen te houden, nu het eenmaal ten gevolge van beschuldigingen, die van de meest bevoegde zijden en om de ernstigste motieven ingebracht waren, aanhangig gemaakt was. …Enfin, zooals hij zeide, de domheid was begaan, en ik moest iets anders bedenken.”

Maar hij hield op; hij zag, dat de vurige oogen van Pierre op de zijne gericht waren en trachtten te begrijpen. Een bijna onmerkbare blos kleurde zijn gezicht, terwijl hij, zonder het onaangename gevoel, dat hij te veel gezegd had, te laten blijken, zeer onbevangen voortging:

“Ja, ik wilde u met mijn zwakken invloed helpen, om u de onaangenaamheden, waarin deze geschiedenis u ongetwijfeld brengen zal, te besparen.”

In Pierre steeg bij het heimelijke besef, dat men misschien met hem speelde, een verzet op. Waarom zou hij zijn geloof, dat zoo rein, zoo geheel onbaatzuchtig, zóó brandend van Christelijke naastenliefde was, niet bekennen?

“Nooit,” zeide hij, “nooit zal ik uit eigen beweging mijn boek terugnemen of vernietigen, zooals men mij aanraadt. Het zou een lafheid en een leugen zijn, want ik heb nergens berouw over, loochen niets. Waar ik geloof, dat mijn werk eenige waarheid brengt, daar kan ik het niet vernietigen, zonder een misdaad te begaan tegenover mezelf en de anderen… Nooit, verstaat u, nooit!”

Er volgde een stilte. En bijna onmiddellijk ging hij voort:

“Aan de voeten van den Heiligen Vader zal ik hetzelfde zeggen. Hij zal mij begrijpen, hij zal het met mij eens zijn!”

Nani glimlachte niet meer. Zijn gelaat was thans onbeweeglijk en als gesloten. Hij scheen de plotselinge heftigheid van den priester, dien hij dan door zijn rustige welwillendheid trachtte te kalmeeren, aandachtig te bestudeeren.

“Zeker, zeker… Gehoorzaamheid en ootmoed hebben hun groote bekoring. Maar ik begrijp heel goed, dat u vóór alles met Zijne Heiligheid zoudt willen spreken. En dan kunt u verder zien, niet waar, dan kunt u verder zien?”

En hij interesseerde zich opnieuw voor de audiëntie. Hij betreurde het zeer, dat Pierre de aanvrage niet van uit Parijs gedaan had, vóór hij naar Rome kwam; dat zou de zekerste manier geweest zijn, om die toegestaan te krijgen. Men hield in het Vaticaan niet van lawaai, en wanneer het bericht van de aankomst van den jongen priester zich verspreidde, en er over de motieven, die hem hier brachten, gesproken werd, zou alles verloren zijn.

Maar toen Nani hoorde, dat Narcisse aangeboden had Pierre voor te stellen aan den Franschen gezant bij den Heiligen Stoel, scheen hij weer ongerust te worden en protesteerde daar krachtig tegen.

“Neen, neen, doe dat niet! dat zou uiterst onverstandig en onvoorzichtig zijn!… In de eerste plaats loopt u gevaar den gezant, wiens positie in die soort van zaken steeds zeer delicaat is, in ongelegenheid te brengen. En als het hem mislukt, zou het uit zijn, zoudt ge niet de minste kans hebben de gevraagde audiëntie door bemiddeling van anderen te verkrijgen, want men zou de eigenliefde van den gezant niet willen kwetsen door aan een ander wel toe te staan wat men hem weigert.”

Angstig keek Pierre Narcisse aan, die weifelend en aarzelend zijn hoofd schudde.

“Inderdaad,” begon Narcisse eindelijk, “hebben we onlangs voor een hoogen Franschen politicus een audiëntie gevraagd, die geweigerd is. Dat heeft een zeer onaangenamen indruk op ons gemaakt… Monseigneur heeft gelijk. Wij moeten den gezant in reserve houden en hem slechts gebruiken, wanneer alle andere middelen uitgeput zijn.”

En toen hij de teleurstelling van Pierre zag, ging hij met zijn gewone welwillendheid voort:

“Ons eerste bezoek zal dus aan mijn neef op het Vaticaan zijn.”

Verbaasd keek Nani den jongen man opnieuw aan.

“Op het Vaticaan? Hebt u daar een neef?”

“Ja zeker, monsignor Gamba del Zoppo.”

“Gamba!… Gamba!… Ja, ja, neem me niet kwalijk, nu herinner ik het me… Wilt u probeeren door Gamba toegang te krijgen bij den paus? Het is ongetwijfeld een idee… We zullen zien… we zullen zien…”

Verscheidene malen herhaalde hij den zin om zich tijd te geven het denkbeeld bij zichzelf te overwegen. Monsignor Gamba del Zoppo was een braaf man, speelde in het geheel geen rol; in het Vaticaan was het reeds een legende geworden, dat hij een nul was. Hij amuseerde met zijn praatjes den paus, dien hij op overdreven wijze vleide en die graag aan zijn arm in de tuinen wandelde. Op die wandelingen kreeg hij makkelijk allerlei kleine gunsten. Maar hij was buitengewoon bang, hij vreesde zoo zeer zijn invloed te compromitteeren, dat hij geen verzoek waagde, zonder lang en breed overwogen te hebben of er geen schade voor hem zelf uit kon voortvloeien.

“Het idee is niet kwaad,” verklaarde Nani eindelijk. “Gamba zal zeker een audiëntie voor u kunnen verkrijgen, als hij wil… Ik zal ook met hem gaan spreken en hem de zaak uitleggen…”

Ten slotte gaf hij nogmaals den raad uiterst voorzichtig te zijn. Hij waagde het zelfs te zeggen, dat men tegenover de omgeving van den paus niet wantrouwend genoeg kon zijn. Ach ja, Zijne Heiligheid was zoo goed, geloofde zoo blindelings in het goede, dat zij niet altijd haar vertrouwde gekozen had met die kritische zorgvuldigheid, welke daartoe eigenlijk noodig was. Nooit wist men tot wien men zich wendde noch in welke val men zijn voet zetten kon. Zelfs gaf hij te verstaan, dat men zich in geen geval direct tot Zijne Eminentie den Staatssecretaris wenden moest, omdat deze zelf niet vrij was en zich in het middelpunt bevond van een haard van intriges, die zijn beste bedoelingen verlamde. Terwijl hij langzaam en zalvend zoo sprak, rees het Vaticaan voor de beide anderen op als een land, dat door ijverzuchtige en verraderlijke draken bewaakt wordt, een land, waarin men geen drempel overschrijden, geen pas wagen, geen hand uitsteken kon, zonder zich van te voren vergewist te hebben, dat men er niet zijn geheele lichaam bij verliezen zou.

Meer en meer verkild en weer in onzekerheid terugvallend, bleef Pierre naar hem luisteren.

“Lieve God!” riep hij uit; “ik weet heusch niet meer wat ik doen moet… U beneemt mij allen moed, monseigneur!”

Nani vond zijn hartelijk glimlachje terug.

“Ik, mijn waarde zoon? Dat zou mij zeer spijten… Ik wil u slechts herhalen: wacht, denk na! En vooral geen overijling! Er is niets geen haast bij, dat bezweer ik u, want eerst gisteren is een deskundige benoemd, die rapport over uw boek moet uitbrengen. U hebt nog een heele maand voor u… Vermijd zooveel mogelijk alle gezelschappen, leef zonder dat men van uw bestaan iets weet, bezoek Rome kalm en rustig, dat is de beste manier om uw zaak te bevorderen.”

En terwijl hij de hand van den priester in zijn beide aristocratische, volle en zachte handen nam:

“U begrijpt wel, dat ik mijn redenen heb, om zoo met u te spreken… Ik zou mezelf aangeboden hebben, het zou me een eer geweest zijn u regelrecht naar Zijne Heiligheid te brengen. Maar ik wil er mij op dit oogenblik nog niet in mengen, ik geloof, dat zulks op dit oogenblik nog niet goed zijn zou. Later, wanneer niemand geslaagd is, zal ik voor u een audiëntie weten te verkrijgen. Daar verbind ik me plechtig toe… Maar vermijd, wat ik u bidden mag, intusschen woorden als nieuwe godsdienst, die ongelukkigerwijze in uw boek voorkomen en die ik u gisterenavond nog heb hooren uitspreken. Er kan geen nieuwe godsdienst zijn, mijn waarde zoon, er is slechts één eeuwige godsdienst, waarbij geen compromis of vergelijk mogelijk is, de Katholieke, Apostolische, Roomsche godsdienst. Laat eveneens uw Parijsche vrienden waar zij zijn, en reken niet al te zeer op kardinaal Bergerot, wiens groote godsvrucht hier te Rome niet genoeg gewaardeerd wordt… Ik verzeker u, dat ik dat zeg als uw vriend.”

Toen hij echter zag, dat Pierre geheel overstuur en als gebroken was en niet meer wist van welken kant hij de zaak moest aanvatten, troostte hij hem opnieuw.

“Kom, kom, het zal wel gaan. Alles zal zich ten goede schikken tot heil van de Kerk en van u zelf. Maar nu moet ik u verlaten, ik zal Zijne Eminentie vandaag niet meer zien, want het is mij onmogelijk langer te wachten.”

Abbé Paparelli, dien Pierre loerend achter hen had zien rondsluipen, snelde toe en zeide tot monsignor Nani, dat er nog slechts twee personen voor hem waren. Maar de prelaat antwoordde zeer vriendelijk, dat hij terug zou komen: de zaak, waarover hij Zijne Eminentie spreken wilde, had volstrekt geen haast. En met een beleefden groet aan allen ging hij heen.

Bijna onmiddellijk daarna kwam de beurt aan Narcisse. Voor hij de troonzaal binnenging, drukte hij Pierre de hand en zeide nogmaals:

“Dus dat is afgesproken. Ik zal morgen met mijn neef op het Vaticaan gaan spreken; en zoodra ik een antwoord heb, zal ik het u doen weten. Tot ziens!”

Het was over twaalven, er was niemand meer dan een der twee oude dames, die ingeslapen scheen te zijn. Aan zijn klein tafeltje schreef don Vigilio nog steeds met zijn krabbelschrift op de groote, geelachtige vellen. Slechts nu en dan keek hij van het papier op als om zich in zijn voortdurend wantrouwen te vergewissen, dat er geen gevaar voor hem was.

In de droefgeestige stilte, die weer neerviel, bleef Pierre nog een oogenblik onbeweeglijk in de groote vensternis staan. Hoe vol angst was zijn arme, gevoelige dwepersziel. Toen hij Parijs verliet, had hij alles zoo eenvoudig, zoo natuurlijk gevonden! Men beschuldigde hem onrechtvaardig: welnu, hij ging zich verdedigen, kwam aan, wierp zich voor de voeten van den paus, die welwillend naar hem luisterde. Was de paus niet de levende godsdienst, de geest, die begrijpt, de gerechtigheid, die de waarheid maakt! En was hij niet vóór alles de Vader, de afgezant van de eindelooze vergiffenis, van de goddelijke barmhartigheid, wiens armen geopend bleven voor alle kinderen der Kerk, zelfs de meest schuldigen? Moest hij zijn deur niet wijd open laten staan, opdat de nederigsten van zijn kinderen zouden kunnen binnentreden, om hem hun leed te klagen, hun schuld te bekennen, hun gedrag te verklaren, uit de bron der eeuwige goedheid te drinken? En op den eersten dag van zijn aankomst sloten zich alle deuren, viel hij in een vijandige wereld, bezaaid met valstrikken en versperd door afgronden. Allen riepen hem toe op zijn hoede te zijn, alsof hij de ernstigste gevaren liep, wanneer hij zich daarin waagde. De wensch den paus te spreken was een exorbitante aanmatiging, een zoo moeilijke zaak, dat zij de belangen, de hartstochten en de invloeden van het Vaticaan in beweging bracht. Het waren raadgevingen zonder eind, handigheden, die lang besproken werden, taktieken van generaals, die een leger ter overwinning leiden, onophoudelijk nieuw ontstaande verwikkelingen te midden van duizenden intriges, die men onder zich voelde voortwoekeren! Groote God, wat was dat alles heel anders dan de verwachte liefderijke ontvangst, dan het huis van den herder aan den weg, dat voor alle schapen, de gedweeë en de verdwaalde, openstaat!

Wat Pierre echter het meest bang maakte was, dat hij voelde, dat zich in de donkerte iets slechts bewoog. Kardinaal Bergerot verdacht, aangezien voor een revolutionnair, zoo compromitteerend, dat men hem aanried zijn naam niet meer te noemen! Hij zag weer den minachtend-spottenden trek om den mond van kardinaal Boccanera, wanneer hij over zijn collega sprak. En monsignor Nani, die hem waarschuwde woorden als nieuwe godsdienst niet meer te gebruiken, alsof het voor allen niet duidelijk was, dat die woorden den terugkeer van het Katholicisme tot de oorspronkelijke reinheid van het Christendom beteekenden? Was dat dan een der misdaden, die bij de Indexcongregatie aangegeven waren? Hij begon langzamerhand te vermoeden, wie die aanklagers waren, en hij werd bang, want hij was zich thans bewust, dat een onderaardsche aanval, een krachtige poging gedaan werd om zijn werk neer te slaan en te vernietigen. Alles wat hem omgaf, scheen hem nu verdacht toe. Hij wilde zijn krachten verzamelen, om zich heen zien en die zwarte kringen in Rome, die hij nooit verwacht had daar te zullen aantreffen, bestudeeren. Maar in het verzet van zijn apostelgeloof zwoer hij zichzelf een plechtigen eed, dat hij, zooals hij reeds gezegd had, nooit zou wijken of toegeven, niets zou veranderen, geen bladzijde, geen regel van zijn boek, dat hij in het openbaar als het onwankelbare getuigenis van zijn geloof zou handhaven. Wanneer het moest, zou hij de Kerk verlaten, een afvallige worden, den nieuwen godsdienst blijven prediken, een nieuw boek schrijven—het ware Rome thans, zooals hij het nu vaag begon te zien.

Inmiddels was don Vigilio opgehouden met schrijven en keek Pierre met zulk een strakken blik aan, dat deze eindelijk uit beleefdheid naar hem toe ging, om afscheid te nemen. Ondanks zijn angst toegevend aan een drang om te spreken, fluisterde de secretaris:

“U begrijpt zeker wel, dat hij voor u alleen gekomen is, hij wilde alleen het resultaat van uw onderhoud met Zijne Eminentie weten.”

De naam van monsignor Nani behoefde niet uitgesproken te worden.

“Gelooft u dat werkelijk?”

“Daaraan valt niet te twijfelen… En indien u van mij een goeden raad wilt aannemen, doe dan onmiddellijk uit eigen beweging wat hij van u verlangt, want het is absoluut zeker, dat u het later toch doen zult.”

Dat maakte Pierre nog angstiger en wanhopiger. Met een uitdagend gebaar ging hij weg. Zij zouden wel merken, of hij gehoorzaamde. En de drie antichambres, die hij weer doorging, schenen nu nog donkerder, nog lediger, nog doodscher. In de tweede groette abbé Paparelli hem met een kleine, zwijgende buiging; in de eerste scheen de ingedommelde knecht hem zelfs niet te zien. Onder den baldakijn weefde tusschen de kwasten van den grooten rooden hoed een spin zijn net. Zou het niet beter geweest zijn het houweel te zetten in dat geheele rottende, in puin vallende verleden, opdat de zon vrij binnen schijnen en aan den gereinigden bodem de vruchtbaarheid der jeugd teruggeven kon?

1 Iemand, die zich borg stelt voor een leerling, een boek enz.↑

VIERDE HOOFDSTUK

Inhoudsopgave

Den middag van dienzelfden dag wilde Pierre, daar hij toch niets anders te doen had, onmiddellijk zijn zwerftochten door Rome beginnen met een bezoek, dat hem na aan het hart lag. Onmiddellijk na de verschijning van zijn boek had een brief, dien hij uit deze stad kreeg, hem diep ontroerd en geïnteresseerd—een brief van den ouden graaf Orlando Prada, den held der Italiaansche onafhankelijkheid en eenheid, die hem, zonder hem te kennen, onder den indruk van de eerste lezing spontaan geschreven had; en die vier bladzijden bevatten een vurig protest, een kreet van het in dezen grijsaard nog jeugdige patriottische geloof, hij beschuldigde hem in zijn werk Italië vergeten te hebben, eischte Rome, het nieuwe Rome voor het één geworden en eindelijk vrije Italië op. Daarop was een heele briefwisseling gevolgd, en de priester had, hoewel hij zijn ideaal van een nieuw Katholicisme, dat de wereld redden moest, niet opgaf, den man, die hem deze brieven schreef, waarin een zoo groote vaderlands- en vrijheidsliefde brandden, van verre leeren liefhebben. Hij had hem van zijn reis op de hoogte gebracht en beloofd hem een bezoek te zullen brengen. Maar nu was de gastvrijheid, die hij in het paleis Boccanera had aangenomen, daarvoor een sta-in-den-weg, want het scheen hem na de zoo hartelijke ontvangst door Benedetta moeilijk toe, den eersten dag reeds, zonder haar te waarschuwen, den vader van den man te gaan bezoeken, van wien zij gevlucht was en tegen wien zij een eisch tot echtscheiding had ingesteld; en dit te meer, omdat de oude Orlando bij zijn zoon woonde in het kleine paleis, dat deze in de Via Venti Settembre had laten bouwen.

Vóór alles wilde Pierre dus zijn bezwaren aan de contessina zelf mededeelen. Hij had trouwens van vicomte Philibert de la Choue gehoord, dat zij voor den held een met bewondering vermengde dochterlijke liefde behouden had. En inderdaad, toen hij haar na het ontbijt de verlegenheid, waarin hij verkeerde, mededeelde, protesteerde zij onmiddellijk.

“Maar mijnheer de abbé, ga toch, ga toch gauw! U weet, dat de oude Orlando een onzer nationale sieraden is. Verwonder u er niet over, als u mij hem ook zoo hoort noemen, geheel Italië geeft hem uit liefde en dankbaarheid dezen liefkoozenden bijnaam. Ik ben opgegroeid in een wereld, die hem vervloekte, hem voor een Satan hield. Eerst later heb ik hem leeren kennen en liefhebben. Hij is de zachtste en rechtvaardigste man, die op aarde rondwandelt.”

Zij was begonnen te glimlachen, terwijl tranen haar oogen bevochtigden, ongetwijfeld bij de herinnering aan het stormachtige jaar, dat zij in dat huis doorgebracht had, waarin zij, behalve bij den ouden man, geen rustig uur had gekend. En zachter en met eenigszins bevende stem voegde zij eraan toe:

“Als u toch naar hem toegaat, zeg hem dan uit mijn naam, dat ik hem nog altijd liefheb en dat ik nooit, wat er ooit gebeuren moge, zijn goedheid vergeten zal.”

Terwijl Pierre naar de Via Venti Settembre reed, riep hij zich de geheele heldengeschiedenis van den ouden Orlando, die hij zich vroeger had laten vertellen, voor den geest. Zij was een waar heldendicht en voerde hem terug naar het geloof, de dapperheid en de onbaatzuchtigheid van een ander tijdperk.

Graaf Orlando Prada, de afstammeling van een oud-adellijk Milaneesch geslacht, werd reeds in zijn jeugd door zulk een haat tegen den vreemdeling verteerd, dat hij op zijn vijftiende jaar al deel uitmaakte van een geheim genootschap, een der vertakkingen van het oude carbonarisme. Die haat tegen de Oostenrijksche overheersching was oud, stamde nog uit den tijd van de opstanden tegen de knechtschap, toen de samenzweerders zich vereenigden in verlaten hutten diep in de bosschen. En deze haat werd nog aangewakkerd door het oude ideaal van een bevrijd, aan zichzelf teruggegeven Italië, dat eindelijk weer de groote, heerschende natie, de waardige dochter van de oude veroveraars en meesters der wereld worden zou.

O, welk een vurige en heerlijke droom, om dat roemrijke land van vroeger, dat verbrokkelde en versnipperde Italië, dat aan een menigte kleine tyrannen was prijsgegeven en onophoudelijk door naburige volkeren bezet en bezeten werd, uit zijn lange schande te rukken. Den vreemdeling verslaan, de despoten wegjagen, het volk wekken uit de vernederende ellende van zijn slavernij, Italië vrij, Italië één verklaren, dat was de hartstocht, die toen in de geheele jeugd met onbluschbare vlammen oplaaide, die het hart van den jongen Orlando van geestdrift kloppen deed. Hij doorleefde zijn jeugd in een heilige verontwaardiging, in het vurige ongeduld om zijn bloed aan zijn vaderland te geven en daarvoor te sterven, als hij het niet bevrijden kon.

Orlando leefde teruggetrokken in zijn familiepaleis te Milaan, bevende onder het juk en zijn tijd met nuttelooze samenzweringen verspillend. Hij was juist getrouwd en vijf-en-twintig jaar, toen de tijding kwam van de vlucht van Pius IX en de revolutie te Rome. Onmiddellijk liet hij alles, huis en vrouw, in den steek, om, als geroepen door de stem van zijn lot, naar Rome te snellen. Het was de eerste maal, dat hij zoo uittrok, om de onafhankelijkheid te veroveren. Hoe dikwijls zou hij dat nog moeten doen, zonder ooit moe te worden. Toen leerde hij Mazzini kennen en geraakte een oogenblik in geestdrift voor de mystieke figuur van dezen unitaristischen republikein. Zelf droomend van een algemeene republiek, nam hij het devies van Mazzini: “Dio e popolo”1 aan, volgde hij de processie, die met groote pracht en praal door het oproerige Rome trok.

Het was een tijd vol grootsche verwachtingen, die reeds door de behoefte aan een hernieuwing van het Katholicisme gekweld werd en in afwachting leefde van een menschelijken Christus, wiens taak het was de wereld een tweede maal te redden. Maar weldra trok een man, Garibaldi, die aan den dageraad van zijn epischen roem stond, hem geheel tot zich en maakte van hem een soldaat der vrijheid en eenheid. Orlando hield van hem als van een God, streed als held aan zijn zijde, maakte de overwinning bij Rieti op de Napolitanen mede, volgde den hardnekkigen patriot op zijn terugtocht, toen hij, gedwongen om Rome over te laten aan het Fransche leger van generaal Oudinot, die er Pius IX kwam herstellen, Venetië te hulp snelde. En welk een vermetel, dolzinnig waagstuk was dat! Dit Venetië, dat Manin, een tweede groote patriot, een martelaar, weer tot republiek gemaakt had en dat nu al maanden lang weerstand bood aan de Oostenrijkers!

En Garibaldi, die met een handvol mannen uittrekt, om het te ontzetten, en dertien visschersschepen huurt en er acht in de handen van zijn vijand laten moet, is verplicht naar den Romeinschen oever terug te keeren en verliest daar op jammerlijke wijze zijn vrouw Anita, wier oogen hij sluit alvorens terug te keeren naar Amerika, waar hij in afwachting van het uur van den opstand reeds gewoond had. O, die Italiaansche bodem, waarin toen allerwegen het inwendige vuur van het patriotisme gromde, waaruit in iedere stad mannen vol geloof en moed opschoten, waaruit overal oproeren en opstanden losbarstten als vulkanische erupties, en die ondanks alle tegenspoeden en tegenslagen, toch, onoverwinlijk, den triomf tegemoet ging!

Orlando keerde naar Milaan en naar zijn jonge vrouw terug en leefde daar twee jaar lang in het verborgen, verteerd door zijn ongeduldig verlangen naar den glorierijken dag, welks aanbreken zich zoo lang wachten liet. Eén geluk stilde een weinig zijn vurige begeerte: een zoon, Luigi, werd hem geboren, maar het kind kostte zijn moeder het leven. Orlando werd daardoor met diepe droefheid vervuld, en daar hij niet langer te Milaan blijven kon, waar de politie al zijn gangen naging, en hij de overheersching door de vreemdelingen niet langer dragen kon, besloot Orlando de overblijfselen van zijn vermogen te realiseeren en begaf zich naar Turijn, naar een tante van zijn vrouw, die het kind onder haar bescherming nam. Graaf Cavour, de groote politicus, werkte vanaf dat oogenblik aan de onafhankelijkheid, bereidde Piemont voor op de beslissende rol, die het spelen moest. Het was het tijdperk, waarin koning Victor Emanuel met vleiende vriendelijkheid de uit alle deelen van Italië toestroomende vreemdelingen opnam, zelfs hen, van wie hij wist, dat zij republikeinen waren en ten gevolge van opstanden de vlucht hadden moeten nemen.

De droom, de Italiaansche eenheid ten gunste van de Piemonteesche monarchie te verwezenlijken, bestond in het sluwe Huis van Savoye reeds lang en rijpte sedert jaren. Orlando wist heel goed onder welken heer hij dienst nam, maar reeds stond in zijn hart de republikein achter bij den patriot: hij geloofde niet meer aan een in naam der republiek geschapen en onder de bescherming van een liberalen paus geplaatst Italië, zooals het een oogenblik Mazzini’s ideaal geweest was. Was het geen hersenschim, die generaties zou verslinden, indien men dat ideaal bleef nastreven? Zelfs wanneer de vrijheid er gevaar bij liep, wilde hij het vaderland weder opbouwen en het zijn plaats onder de zon geven. Hoe koortsachtig gelukkig was hij dan ook, toen hij bij het uitbreken van den oorlog in 1859 dienst nam; hoe klopte zijn hart tot barstens toe, toen hij na Magenta met het Fransche leger Milaan binnentrok, hetzelfde Milaan, dat hij acht jaar vroeger als wanhopig balling verlaten had. Na Solferino was het verdrag van Villafranca een bittere teleurstelling: Venetië bleef gevangen. Maar Milaan en omgeving was toch heroverd, en ook Toscane, Parma en Modena traden toe. Eindelijk vormde zich de kern van de ster, het vaderland bouwde zich om het overwinnende Piemont op.

Het volgend jaar keerde Orlando in het epos terug. Garibaldi was weer uit Amerika terug, omgeven door een geheele legende, de verhalen van zijn ridderlijke heldendaden in de pampa’s van Uruguay, een buitengewonen tocht van Canton naar Lima, gingen hem vooruit; hij kwam terug, om in 1859 te vechten, het Fransche leger voor te zijn, een Oostenrijksch maarschalk onder den voet te loopen, de steden Como, Bergamo en Brescia binnen te trekken. Plotseling hoorde men, dat hij met slechts duizend man te Marsala was—de duizend van Marsala, het beroemde handjevol dapperen. Orlando streed in de voorste gelederen. Palermo bood drie dagen tegenstand, werd dan genomen. Als lievelingsluitenant van den dictator, hielp Orlando hem bij het organiseeren van het bestuur, stak vervolgens met hem de landengte over en nam aan zijn rechterhand deel aan den triomphantelijken intocht in Napels, waaruit de koning gevlucht was.

Het was een dolzinnig-vermetele en -dappere daad, de uitbarsting van het onvermijdelijke; allerlei verhalen van bovenmenschelijke daden deden de ronde: Garibaldi onkwetsbaar, beter door zijn rood hemd beschermd dan door het dikste harnas; Garibaldi, die de vijandelijke legers op de vlucht sloeg alleen door als een aartsengel zijn vlammend zwaard te zwaaien. Van hun kant hadden de Piemonteezen, na generaal Lamoricière bij Castelfidardo verslagen te hebben, de Romeinsche staten veroverd. En Orlando was erbij, toen de dictator, afstand doende van zijn macht, het besluit van de annexatie der beide Siciliën bij de Kroon van Italië onderteekende; evenals hij bij den heftigen kreet: “Rome of de dood!” deelnam aan de wanhopige poging, die zoo tragisch bij Aspromonte eindigde: het kleine legertje verstrooid door de Italiaansche troepen, Garibaldi gewond, gevangen genomen, verbannen naar de eenzaamheid van zijn eiland Caprera, waar hij nog slechts een eenvoudig landman bleef.

De zes daarop volgende jaren van wachten bracht Orlando te Turijn door, zelfs toen Florence als nieuwe hoofdstad gekozen werd. De senaat had Victor Emanuel tot koning van Italië uitgeroepen, en inderdaad Italië was geschapen, alleen Venetië en Rome ontbraken. Van dat oogenblik af schenen de groote slagen geëindigd te zijn, was het tijdperk der epiek afgesloten. Venetië werd aan Italië door een nederlaag geschonken. Orlando maakte den ongelukkigen slag bij Custozza mede, waarin hij tweemaal gewond werd; doch zijn hart werd nog pijnlijker getroffen door de smartelijke gedachte, dat Oostenrijk zou kunnen overwinnen. Maar in hetzelfde oogenblik verloor Oostenrijk, verslagen bij Sadowa, Venetië, en vijf maanden later wilde hij in den triomfroes te Venetië zijn, toen Victor-Emanuel onder het geestdriftige gejubel van het volk zijn intocht deed.

Rome alleen ontbrak nu nog, een koortsachtig ongeduld drong geheel Italië daarheen, en slechts de eed van het bevriende Frankrijk den paus te zullen handhaven, hield dien drang terug. Ten derden male wilde Garibaldi de legendarische heldendaden hernieuwen; vrij van alle banden wierp hij zich als een door vaderlandsliefde gedreven vrijbuitershoofdman op Rome. En ten derden male nam Orlando deel aan dien heldenwaanzin, die zich bij Mentana tegen de door een klein Fransch corps geholpen pauselijke zouaven te pletter liep. Weer gewond, keerde Orlando, bijna stervend, naar Turijn terug. Met bloedend hart moest men berusten: de quaestie was niet op te lossen. Dan kwam plotseling de donderslag van Sedan, de verplettering van Frankrijk; de weg naar Rome werd vrij. Orlando, in het staand leger teruggekeerd, maakte deel uit van de troepen, die stelling namen in de Campagna romana, om, overeenkomstig de woorden in den brief van Victor Emanuel aan Pius IX, de veiligheid van den Heiligen Stoel te verzekeren.

Het was overigens slechts een schijngevecht: de pauselijke zouaven onder generaal Kanzler moesten zich terugtrekken en Orlando was een der eersten, die door de bres in de Porta Pia de stad binnendrong. O, die twintigste September, die dag, waarop hij het grootste geluk van zijn leven ondervond, een dag van geestdrift, een dag van volkomen triomf, waarop de droom van zoovele jaren van bitteren strijd verwezenlijkt werd, de droom, waarvoor hij zijn rust, zijn vermogen, zijn geest en zijn lichaam gegeven had.

Hierop volgden nog tien gelukkige jaren in het veroverde Rome, in het Rome, dat als een vrouw, waarop men al zijn hoop gezet heeft, aangebeden, ontzien en gevleid werd. Van Rome verwachtte hij een zoo groote nationale kracht, een zoo wonderbaarlijke herleving van sterkte en jeugd voor de jonge natie! De voormalige republikein, de voormalige insurgent, die hij toch was, moest zich bukken en een senaatszetel aannemen: ging Garibaldi zelf, zijn afgod, geen bezoek afleggen bij den koning en zijn plaats innemen in het Parlement? Alleen de intransigente Mazzini had niets van een onafhankelijk Italië, dat niet tevens republiek was, willen weten. Ook een ander motief had Orlando tot toegeven bewogen: de toekomst van zijn zoon Luigi, die den dag na den intocht in Rome achttien geworden was. Al was hij ook tevreden met de kruimels van zijn vroeger vermogen, dat geheel opgegaan was in den dienst van het vaderland, hij droomde van een beter lot van het kind, dat hij aanbad.

Hij voelde heel goed, dat het heldentijdvak geëindigd was; hij wilde van hem een groot staatsman, een groot bestuurder maken, een man, die nuttig zijn zou voor de souvereine macht van morgen; en daarom had hij het koninklijk gunstbewijs, het loon voor zijn lange toewijding, niet geweigerd; hij wilde Luigi helpen, over hem waken, hem leiden. Was hij dan zelf zoo oud, zoo afgeleefd, dat hij zich niet nuttig meer maken kon bij de organisatie, zooals hij het meende geweest te zijn bij de verovering? Hij had den jongen man ambtenaar laten worden aan het Ministerie van Financiën, daar hem zijn vlug begrip van financieele quaesties opgevallen was en ook misschien omdat hij intuïtief voelde, dat de strijd thans voortgezet zou worden op financieel en economisch gebied. En weer leefde hij in een droom, steeds geestdriftig geloovend in een heerlijke toekomst; vol grenzenlooze verwachtingen zag hij hoe de bevolking van Rome verdubbelde, hoe het zich door het dolzinnige opschieten van nieuwe stadswijken uitbreidde. In zijn verrukte minnaarsoogen werd de stad weer de koningin der wereld.

Plotseling sloeg bij helderen hemel een bliksemstraal neer. Toen Orlando op een ochtend naar beneden ging, werd hij door een beroerte getroffen; zijn beide beenen waren als dood en zwaar als lood. Men had hem naar boven moeten dragen en nooit zette hij meer een voet op straat. Hij was toen zes-en-vijftig; sedert veertien jaar had hij zijn fauteuil niet meer verlaten. Hij, die vroeger zoo dapper de slagvelden van Italië afgeloopen had, was nu tot volslagen onbeweeglijkheid gedoemd. Het was jammerlijk om aan te zien—de val van een held. En het ergste was, dat de oude soldaat van uit de kamer, waarin hij gevangen zat, getuige zijn moest van het langzame ineenstorten van al zijn verwachtingen en in zijn onuitgesproken angst voor de toekomst door een vreeselijke droefgeestigheid en zwaarmoedigheid aangegrepen werd.

Sedert hij door den roes van het bezig zijn niet meer verblind werd en hij zijn lange, ledige dagen met nadenken vulde, zag hij eindelijk alles helder en duidelijk. Italië, dat hij zoo gaarne machtig in zijn triomphantelijke eenheid gezien had, handelde dwaas, snelde zijn ondergang, zijn bankroet misschien, tegemoet. Rome, dat voor hem steeds de noodwendige hoofdstad, de roemrijke stad, die haars gelijke niet had, geweest was, scheen de rol van groote moderne hoofdstad te weigeren; het was zwaar als een doode, drukte met het gewicht der eeuwen op de borst van de jonge natie. Bovendien bracht zijn zoon, zijn Luigi, hem tot wanhoop; hij verzette zich tegen iedere leiding, hij wierp zich als een der kinderen, die de verovering verslinden, op den nog warmen buit, dit Italië, dit Rome, die zijn vader alleen gewild scheen te hebben, opdat hij zelf het zou kunnen plunderen en er zich mede vetmesten.

Tevergeefs had hij zich verzet tegen het verlaten van het ministerie, tegen het ongebreidelde speculeeren in bouwterreinen, dat door het opschieten van al die nieuwe wijken ontstaan was. Toch bleef hij hem aanbidden, was hij tot zwijgen gedoemd, vooral nadat hem de meest gewaagde financieele operaties gelukt waren, zooals bijv. de metamorphose van de villa Montefiori in een werkelijke stad, een reusachtige zaak, waarin de rijksten zich geruïneerd hadden, doch waaruit hij met millioenen tevoorschijn gekomen was. Maar zwijgend en wanhopig had Orlando in het kleine paleis, dat Luigi Prada in de Via Venti Settembre had laten bouwen, niet meer dan een klein kamertje willen hebben, waarin hij zijn dagen in kloosterachtige afzondering doorbracht met één enkelen knecht; hij wilde van zijn zoon niets anders aannemen dan die gastvrijheid en leefde verder armzalig van zijn kleine rente.

Toen Pierre in die nieuwe, op de helling en den top van den Viminalis aangelegde Via Venti Settembre kwam, werd hij getroffen door de zware pracht der nieuwe huizen, waarin de overgeërfde smaak voor het ontzaglijke duidelijk sprak. In het purperen goud van de warme namiddagzon verried deze breede triomfstraat, deze dubbele rij eindelooze en witte gevels de trotsche toekomstverwachtingen van het nieuwe Rome, de begeerte naar overheersching, die deze reusachtige gebouwen uit den grond had doen oprijzen. Doch vooral viel het ministerie van Financiën hem op, een gigantische massa, een cyclopische kubus, waarin zuilen, balkons, gevelversieringen en beeldhouwwerken zich ophoopten, een geheele, onmatige wereld, op een dag van overmoedigen trots door steenenwaanzin gebouwd. En iets verder, aan de overzijde, voor men aan de villa Bonaparte kwam, stond het kleine paleis van graaf Prada.

Toen hij zijn koetsier betaald had, bleef hij een oogenblik verlegen staan. Daar de deur openstond, was hij de vestibule binnengegaan, maar hij zag daar niemand, geen conciërge en geen knecht. Hij liep naar de eerste verdieping. De monumentale trap met marmeren leuning was een nabootsing in het klein van de overdreven afmetingen der eeretrap van het paleis Boccanera; het was dezelfde koude, kale naaktheid, getemperd door een rooden looper en roode portières, die schel afstaken tegen de witte kalk der muren. Op de eerste verdieping bevonden zich de vijf meter hooge receptievertrekken; door een half open staande deur zag hij twee in elkaar loopende salons, die, met moderne pracht, met een overvloed van fluweel en zijde, vergulde meubels, hooge spiegels, welke de weelderige consoles en tafels weerkaatsten, ingericht waren. En nog steeds zag hij geen mensch, geen levende ziel in dat verlaten huis, waarin nergens de invloed der vrouw te bespeuren viel. Hij wilde weer naar beneden gaan om te bellen, toen zich eindelijk een knecht vertoonde.

“Ik zou gaarne graaf Prada spreken.”

De knecht keek den kleinen priester zwijgend aan en verwaardigde zich te vragen:

“Vader of zoon?”

“De vader, graaf Orlando Prada!”

“Gaat u dan maar naar de derde verdieping.”

Dan was hij nog wel zoo goed een naderen uitleg te geven:

“De kleine deur rechts op het portaal. U moet hard kloppen, anders doet men niet open.”

Inderdaad moest Pierre tweemaal kloppen. Een kleine, uitgedroogde militair, een voormalig soldaat van den graaf, die in zijn dienst gebleven was, kwam open doen en zeide bij wijze van verontschuldiging niet eerder de deur geopend te hebben, daar hij juist bezig was de beenen van zijn meester in de goede houding te leggen. Onmiddellijk diende hij den bezoeker aan, en deze werd, toen hij een kleine donkere antichambre doorgeloopen had, door het vertrek, dat hij binnenging, ten zeerste getroffen. Het was een betrekkelijk kleine, geheel kale kamer, die met een eenvoudig, blauwgebloemd papiertje behangen was.

Achter een scherm stond een ijzeren ledikant, een echt soldatenbed; verder was er geen meubelstuk te zien behalve de fauteuil, waarin de invalide zijn dagen doorbracht, een zwarte houten tafel, die bedekt was met couranten en boeken, en twee oude stoelen met stroozittingen voor de enkele bezoekers. Tegen een der muren deden enkele planken dienst als boekenkast. Maar het breede raam, waar geen gordijn voor hing, zag uit op het prachtigste panorama van Rome, dat men zich denken kon.

Dan verdween als het ware de kamer; Pierre zag in een plotselinge en diepe ontroering niets meer dan den ouden Orlando. Hij geleek op een ouden, witharigen, nog prachtigen, sterken, grooten leeuw. Een bosch van grijze haren op een krachtigen kop met een dikken mond, een dikken, platten neus, groote, donkere, fonkelende oogen. Een lange witte, nog jeugdig-krachtige baard, kroezend als die van een god. Men zag, dat in dezen leeuwenkop vreeselijke hartstochten gewoed moesten hebben; maar al deze hartstochten, de zinnelijke zoowel als de geestelijke, hadden hun uitbarsting gevonden in patriotisme, in dolzinnige bravoure en in een onmatige onafhankelijkheidsliefde. En de oude, door den bliksem getroffen held zat daar nu op zijn fauteuil genageld, de doode beenen door een zwarten plaid bedekt. Alleen de armen, de handen leefden; alleen het gelaat straalde van lichaams- en geestkracht.

Orlando wendde zich tot zijn oppasser en zeide zacht:

“Je kan wel gaan, Batista. Kom over een paar uur maar terug.”

Dan keek hij Pierre strak aan en riep met een ondanks zijn zeventig jaar nog krachtige stem:

“Eindelijk dus, beste mijnheer Froment; nu kunnen we eens op ons gemak praten… Neem dien stoel daar en kom voor mij zitten.”

Maar hij had den verbaasden blik, waarmede de priester het kale vertrek rond keek, gemerkt, en voegde er vroolijk aan toe:

“Je moet me niet kwalijk nemen, dat ik je in mijn cel ontvang. Ja, ik leef hier als een monnik, als een gepensionneerd oud soldaat, die thans buiten het leven staat… Mijn zoon valt me nog steeds lastig met zijn verlangen, dat ik een van de mooie kamers beneden neem. Maar waarom zou ik dat doen? Ik heb geen enkele behoefte, ik houd niet van veeren bedden, want mijn oude botten zijn gewend aan den harden grond… En bovendien heb ik hier zoo’n prachtig uitzicht! Geheel Rome komt naar mij—nu ik het niet meer bezoeken kan.”

Met een gebaar naar het raam had hij de verlegenheid en den lichten blos verborgen, die steeds op zijn gelaat kwam, wanneer hij zijn zoon op die wijze verontschuldigde, zonder de ware reden te willen bekennen, die hem in zijn armelijke inrichting deed blijven.

“Het is prachtig mooi!” verklaarde Pierre, om hem een genoegen te doen. “Ook ik voel mij zoo gelukkig u eindelijk eens te zien; zoo gelukkig uw dappere handen, die zooveel heldendaden verricht hebben, te kunnen drukken.”

Met een nieuw gebaar scheen Orlando het verleden weg te willen schuiven.

“Kom, kom, dat alles ligt achter den rug en is begraven… Laten we liever over u spreken, mijn waarde mijnheer Froment, over u, die nog zoo jong is en het heden zijt, en laten we gauw over uw boek spreken, dat de toekomst is… O, als u eens wist hoe woedend ik mij in den beginne gemaakt heb over uw boek, over uw: Nieuw Rome!”

Hij lachte nu en nam het boek, dat toevallig naast hem op de tafel lag. Met zijn breede reuzenhand sloeg hij op den omslag.

“Neen, u kunt u niet voorstellen hoe dikwijls ik onder het lezen tegen u uitgevaren ben!… De paus, nog eens de paus, en altijd de paus! Het nieuwe Rome voor den paus en door den paus! Het triompheerende Rome, dat morgen, dank zij den paus, ontstaat, gegeven aan den paus, zijn roem samensmeltend met dien van den paus!… En wij dan? En Italië? En al de millioenen, die wij uitgegeven hebben, om van Rome een grootsche hoofdstad te maken? Ja, men moet een Franschman, en nog wel een Parijsche Franschman zijn, om zoo’n boek te schrijven. Maar laat ik het u dan zeggen, als u het niet weet, waarde heer, dat Rome de hoofdstad van het koninkrijk Italië geworden is; er is hier een koning Humbert, en er zijn Italianen, een geheel volk, dat Rome, het glorierijke, opgestane Rome, voor zich behouden wil!”

Het jeugdige vuur van den grijsaard deed Pierre op zijn beurt lachen.

“Ja, ja, dat heeft u mij geschreven. Maar wat heeft dat eigenlijk met mijn standpunt te maken? Naar mijn meening is Italië slechts een natie, een deel der menschheid, en ik wil de eendracht, de broederschap der volkeren, een verzoend, geloovig, gelukkig menschdom. Wat komt de regeeringsvorm, een monarchie of een republiek er op aan? Wat komt het denkbeeld van een éénig en onafhankelijk vaderland erop aan, als er nog slechts een vrij, in gerechtigheid en waarheid levend volk bestaat!”

Van dezen geheelen geestdriftigen kreet had Orlando slechts één woord in zich opgenomen.

“De republiek! Ik heb er in mijn jeugd innig naar verlangd!” ging hij zacht en met een peinzend gelaat voort. “Ik heb voor haar gestreden, ik heb samengezworen met Mazzini, een heilige, een geloovige, die zich tegen het absolute te pletter geloopen heeft. En daarna? Men moest de praktische noodzakelijkheid aanvaarden, zelfs de meest intransigenten hebben zich aangesloten… Zou thans de republiek ons redden? In ieder geval zou zij maar weinig verschillen van onze parlementaire monarchie: zie maar wat er in Frankrijk gebeurt. Waarom dan een revolutie te wagen, die de macht misschien brengen zou in de handen van de uiterste revolutionnairen, van de anarchisten? Daar zijn wij allen bang voor, daar is onze berusting het bewijs voor… Ik weet wel, dat sommigen de redding zien in een republikeinsche federatie; alle oude kleine staatjes omgezet in even zoovele republieken onder leiding van Rome. Het Vaticaan zou daarbij misschien heel wat kunnen winnen. Men kan niet zeggen, dat het daarvoor werkt, het ziet alleen niet zonder welgevallen de mogelijkheid ervan onder de oogen. Maar het is een droom, een droom!”

Hij vond zijn vroolijkheid, waarin zelfs een zweempje ironie doorklonk, terug.

“Weet u wat mij in uw boek zoo aangetrokken heeft? Want, ondanks al mijn bedenkingen heb ik het tweemaal gelezen… Welnu, dat Mazzini zelf het bijna geschreven kon hebben. Ja, ik heb er mijn jeugd in teruggevonden, al de overdreven-dolle verwachtingen, die ik op mijn vijf-en-twintigste jaar koesterde, de hoop, dat Christus’ godsdienst de pacificatie der wereld door het Evangelie tot stand brengen zou… Wist u wel, dat, lang vóór u, Mazzini de hernieuwing van het Katholicisme gewild heeft? Hij schoof het dogma en de discipline ter zijde, hield slechts de moraal over. En het nieuwe Rome, het Rome van het volk, gaf hij aan de algemeene Kerk, waarin alle andere Kerken van het verleden zouden samensmelten: Rome, de eeuwige, de gepraedestineerde Stad, de moeder en de koningin, wier heerschappij opnieuw ontstond tot het definitieve geluk der menschheid!… Is het niet zonderling, dat het tegenwoordige neo-Katholicisme, de nog onbestemde spiritualistische herleving, de idee der Christelijke gemeenschap en der Christelijke naastenliefde, waarover men het thans zoo druk heeft, in den grond der zaak niets anders is dan een terugkeer tot de mystieke en humanitaire denkbeelden van 1848? Ach, ik heb dat alles medegemaakt, ik heb erin geloofd en ervoor gestreden, en ik weet in welk een treurige verwarring die vluchten in het blauw van het mysterieuse ons gebracht hebben! Wat zal ik u zeggen? Ik heb mijn vertrouwen verloren!”

En toen Pierre zich van zijn kant ook opwond en antwoorden wilde, viel hij hem dadelijk in de rede:

“Neen, laat mij uitpraten… Ik heb u alleen willen overtuigen hoe beslist noodzakelijk het voor ons was, Rome te veroveren en tot hoofdstad van Italië te maken. Zonder Rome kon het nieuwe Italië niet bestaan. Rome was de oude glorie; Rome bevatte in zijn stof de souvereine macht, die wij herstellen wilden, het gaf aan hem, die het bezat, kracht, schoonheid, eeuwigheid. In het middelpunt van het land gelegen, was het het hart daarvan, moest het er het leven van worden, zoodra men het uit den langen slaap van zijn puinhoopen gewekt zou hebben… O, wat hebben wij ernaar verlangd te midden van onze overwinningen en nederlagen, gedurende de jaren van afschuwlijk ongeduldig wachten! Ik, ik heb het meer dan eenige vrouw liefgehad en begeerd; mijn bloed brandde, ik werd wanhopiger naar mate ik ouder werd. En toen wij het in ons bezit hadden, waren wij zoo dwaas het weelderig, grootsch, tot heerscheres, tot de gelijke van andere groote hoofdsteden, Berlijn, Parijs en Londen te willen maken… Kijk er naar. Het is nog steeds mijn eenige liefde, mijn eenige troost, nu ik dood ben, daar niets meer in mij leeft dan mijn oogen.”

Met hetzelfde gebaar had hij weer naar het raam gewezen. Onder den diepen hemel strekte Rome, purper en goud in de schuin vallende zonnestralen, zich in het oneindige uit. Heel in de verte sloten de boomen van den Janiculus den horizont met hun groenen, helder smaragdgroenen gordel af, terwijl meer naar links de dom van de St. Pieter, bleek-blauw, op een in het felle licht doffen saphier geleek. Dan kwam de lager gelegen stad, de oude stad, rood, als verbrand door eeuwen van heete zomers; zij was zoo zacht voor het oog, zoo mooi in het diepe leven van het verleden, een grenzenlooze chaos van daken, gevelmuren, torens, campaniles en koepels. Maar op het eerste plan, onder het raam, lag de nieuwe stad, die men in de laatste vijf-en-twintig jaar gebouwd had, op elkaar gehoopte, nog krijtachtige kubussen van metselwerk, die noch de zon noch de geschiedenis in haar purper gehuld hadden. Vooral de daken van het reusachtige ministerie van Financiën strekte zich in zijn afschuwlijke leelijkheid als eindelooze, troosteloos-vale steppen uit. En op die nieuwe gebouwen waren ten slotte de blikken van den ouden soldaat uit den veroveringstijd blijven rusten.

Er ontstond een stilte. Pierre voelde de lichte koude van de verborgen, onuitgesproken droefheid langs zich strijken en wachtte beleefd.

“Neem me niet kwalijk, dat ik u in de rede gevallen heb,” ging Orlando voort. “Maar ik geloof, dat we niet met vrucht over uw boek kunnen spreken, zoolang u Rome niet van nabij gezien en bestudeerd hebt. U bent gisteren pas hier gekomen, niet waar? Welnu, loop de stad door, kijk en vraag, en ik geloof, dat vele van uw denkbeelden veranderen zullen. Ik verwacht vooral veel van den indruk, dien het Vaticaan op u maken zal, daar u toch alleen gekomen zijt om den paus te zien en een werk voor de Indexcongregatie te verdedigen. Waarom zouden wij ons thans in een nuttelooze discussie begeven, waar de feiten zelf u tot geheel andere denkbeelden brengen zullen, veel beter, dan ik het door de mooiste redevoeringen zou kunnen?… Dus afgesproken, u komt nog eens terug, en dan zullen we weten waarover we spreken moeten, en het misschien eens worden kunnen.”

“Zeker,” antwoordde Pierre. “Ik was vandaag alleen maar gekomen, om u dank te zeggen, dat u mijn boek met belangstelling gelezen hebt, en om in u een der sieraden van Italië te begroeten.”

Orlando, verstrooid, luisterde niet, zijn blikken waren nog altijd op Rome gevestigd. Hij wilde niet, dat erover gesproken werd, maar ondanks zichzelf begon hij, geheel door een heimelijke onrust beheerscht, met fluisterende stem als in een onwillekeurige biecht weer te spreken:

“Ongetwijfeld zijn wij te hard van stapel geloopen. Er waren onvermijdelijke, nuttige uitgaven: straten, havens, spoorwegen. En gewapend moest het land ook worden; in den beginne heb ik me dan ook tegen de zware militaire lasten niet verzet… Maar later, dat zware oorlogsbudget—de lasten van een oorlog, die niet kwam, het wachten waarop ons geruïneerd heeft. O, ik ben altijd een vriend van Frankrijk geweest; het eenige, dat ik het verwijt, is, dat het den toestand, die ons opgedrongen was, de beweegredenen, die wij hadden voor ons verbond met Duitschland, niet begrepen heeft… En de milliarden, die Rome ingeslikt heeft! Dat was waanzin; wij hebben gezondigd uit geestdrift en hoogmoed. In de droomen, die ik, eenzame oude, hier kon droomen, ben ik een der eersten geweest, die den afgrond, de verschrikkelijke financieele crisis, het bankroet, waarin de natie zou ondergaan, vooruitgezien heb. Ik heb het mijn zoon en allen, die bij mij kwamen, toegeschreeuwd, maar wat hielp het? Zij luisterden niet naar mij, zij waren krankzinnig, kochten, verkochten, bouwden in hun speculatiewoede en hersenschimmige geldwoede. U zult het zien, u zult het zien… Het ergste is, dat wij niet, zooals u, in een dichte landbevolking een reserve aan goud en menschen hebben, een spaarkas, die steeds gereed staat, om de door de catastrophes geslagen gaten weer te vullen. Bij ons hernieuwt het opstijgen van het volk, dat nog niets beteekent, het sociale bloed niet door een gestadigen toevloed van nieuwe menschen, het is arm, het heeft geen oude wollen kousen, die het ledigen kan. De ellende is vreeselijk, waarom het te ontkennen? Zij, die geld hebben, verteren het liever kleinzielig in de steden dan het te wagen in landbouw- en industrieele ondernemingen. Fabrieken worden zoo goed als niet gebouwd. De bodem wordt nog op dezelfde barbaarsche wijze als twee duizend jaar geleden bebouwd… Daar ligt Rome, Rome, dat geen Italië geschapen heeft, dat Italië door zijn vurigen hartstocht tot hoofdstad gemaakt heeft; Rome, dat nog slechts het schitterende decor van den roem der eeuwen is, Rome, dat ons met zijn ontaarde, hoogmoedige en nietsdoende pauselijke bevolking niets gegeven heeft dan de schittering van dat decor! Ik heb het te lief gehad, ik heb het nog te lief, dan dat ik er spijt over kan hebben hier te zijn. Maar, groote God, tot welk een waanzin heeft het ons gebracht, hoeveel millioenen heeft het ons gekost, wat drukt het ons met zijn triomphantelijk gewicht!… Zie zelf, zie zelf slechts!”

En hij wees op de kleurlooze daken van het ministerie van Financiën, de eindelooze, troostelooze steppe, als had hij daar den bij voorbaat gemaaiden oogst van roem, de afschuwlijke kaalheid van het dreigend bankroet gezien. Zijn oogen werden omsluierd door heimelijke tranen; hij zag er trotsch uit in zijn aan het wankelen gebrachte hoop, in zijn hem pijnigenden angst, met zijn grooten, witharigen leeuwenkop. Nu was hij machteloos, vastgenageld in die zoo kale en lichte, zoo hoogmoedig armelijke kamer, die een protest scheen te zijn tegen den monumentalen rijkdom van het geheele kwartier. Dat was het dus wat men uit de verovering gemaakt had! En hij was nu door den bliksem getroffen, niet in staat nog eenmaal zijn bloed en zijn ziel te geven.

“Ja, ja,” riep hij opnieuw uit; “wij gaven alles, ons hart en ons hoofd, ons geheele bestaan, zoolang het erom ging het vaderland één en onafhankelijk te maken. Maar wie interesseert zich, nu het vaderland geschapen is, voor de reorganisatie van zijn financiën! Dàt is geen ideaal! En dat is de reden, waarom, terwijl de ouden sterven, geen nieuwe man onder de jongeren opstaat!”

Plotseling hield hij, eenigszins verlegen en glimlachend over zijn eigen onstuimigheid, op.

“Neem me niet kwalijk, dat ik zoo doorsla! Ik ben nu eenmaal onverbeterlijk… Maar nu zullen we er werkelijk over uitscheiden; u komt terug, wanneer u alles gezien hebt, en dan praten we verder.”

Vanaf dat oogenblik was hij een innemend gastheer, en Pierre begreep uit de vriendelijkheid en welwillendheid, waarmede hij hem omgaf, hoe het hem speet te veel gesproken te hebben. Hij bezwoer hem lang te Rome te blijven, het niet te vlug te veroordeelen, overtuigd te zijn, dat Italië in den grond der zaak Frankrijk nog altijd liefhad; hij wilde ook, dat men Italië liefhad, een ware angst greep hem aan bij de gedachte, dat men het misschien niet meer liefhad. Evenals den vorigen avond in het paleis Boccanera was de priester zich bewust, dat men een soort druk op hem uitoefende om hem tot bewondering en liefde te dwingen. Evenals een vrouw, die voelt, dat zij niet mooi is, aan zich twijfelt en prikkelbaar is, was Italië bang voor den indruk, dien het op zijn bezoekers zou maken, trachtte het ondanks alles al hun liefde te behouden.

Toen Orlando hoorde, dat Pierre in het paleis Boccanera logeerde, wond hij zich opnieuw op; hij maakte een gebaar van levendige ergernis, toen hij juist op hetzelfde oogenblik op de deur hoorde kloppen. Hij riep binnen, maar hield tevens den priester terug.

“Neen, ga niet weg, ik wil weten…”

Een dame kwam binnen. Zij was de veertig gepasseerd, was klein en rond, knap nog met haar poppengezichtje en haar vriendelijke glimlachjes, blond en had groene, als bronwater heldere oogen. Tamelijk goed gekleed zag zij er in haar reseda-kleurig toilet aardig, bescheiden en bezadigd uit. “Ha, ben jij het, Stefana?” zeide de grijsaard, terwijl hij zich liet omhelzen.

“Ja, oom, ik kwam langs en wilde even zien hoe u het maakte.”

Het was mevrouw Sacco, een nicht van Orlando. Zij was te Napels geboren, haar moeder een Milaneesche, was getrouwd met den Napolitaanschen bankier Pagani, die later geheel geruïneerd werd. Na de ruïne was Stefana getrouwd met Sacco, toen nog slechts een laag ambtenaar bij de posterijen. Van dat oogenblik af had Sacco, die het huis van zijn schoonvader weer in de hoogte wilde brengen, zich in vreeselijke, gecompliceerde en verdachte zaken geworpen en ten slotte het onverwachte geluk gehad tot Kamerlid gekozen te worden. Sedert hij naar Rome gekomen was, om dat op zijn beurt te veroveren, had zijn vrouw hem in zijn verterende eerzucht moeten helpen, toilet maken en een salon openen; en al gedroeg zij zich daarbij wat onbeholpen, toch bewees zij hem diensten, die niet te verachten waren, daar zij zeer spaarzaam en voorzichtig was, en het huishouden op uitnemende wijze bestuurde, alle uitstekende en goede Noord-Italiaansche eigenschappen, die zij van haar moeder geërfd had en die een scherp contrast vormden met het onrustige karakter en de liederlijkheid van haar man, in wien Zuid-Italië met zijn wellustige hartstochten steeds weer opvlamde.

De oude Orlando, die Sacco verachtte, had voor zijn nicht, in wie hij zijn eigen bloed terugvond, een zekere toegenegenheid behouden. Hij dankte haar voor haar vriendelijkheid en begon bijna onmiddellijk over het bericht in de ochtendbladen, daar hij heel goed begreep, dat de afgevaardigde zijn vrouw gezonden had om te hooren, hoe hij erover dacht.

“En hoe staat het met het ministerschap?”

Zij was gaan zitten en keek, zonder zich te haasten, naar de couranten, die op de tafel slingerden.

“O, daaromtrent is nog niets bepaald, de couranten hebben te vroeg gesproken. Sacco is bij den minister-president ontboden en zij hebben samen een onderhoud gehad. Maar hij aarzelt, hij is bang niet genoeg op de hoogte te zijn van Landbouw. O, als het Financiën was!… En bovendien, hij zou nooit een besluit nemen zonder u te raadplegen. Hoe denkt u erover, oom?”

Hij viel haar met een heftig gebaar in de rede.

“Neen, neen, met zulke zaken bemoei ik mij niet.”

Het vlugge succes van dien avonturier Sacco, die altijd in troebel water vischte, was een gruwel in zijn oogen, het begin van het eind. Zijn zoon Luigi bracht hem tot vertwijfeling; maar als men bedacht, dat Luigi met zijn levendig begrip en zijn altijd nog goede eigenschappen, niets was, terwijl Sacco, dat warhoofd, deze eeuwige wellusteling, zich in de Kamer had weten te werken en nu op het punt stond een portefeuille te bemachtigen! Een klein, donker, uitgedroogd mannetje met groote, ronde oogen, uitstekende jukbeenderen en kin, altijd dansend en schreeuwend, zeldzaam welsprekend, met een krachtige, machtige en tevens streelende stem! Indringerig, van alles gebruik makend, verleidend en heerschzuchtig!

“Versta me goed, Stefana, zeg aan je man, dat de eenige raad, dien ik hem geef, is zoo gauw mogelijk weer ambtenaar bij de Posterijen te worden, waar hij misschien diensten bewijzen kan.”

Den oud-soldaat ergerde het voornamelijk, dat een kerel als Sacco als een bandiet Rome binnengevallen was, Rome, welks verovering zooveel edele krachtsinspanning gekost had. Op zijn beurt veroverde Sacco het, ontnam het aan hen, die het zoo duur gekocht hadden, nam er bezit van, doch alleen om er zijn ongebreideld verlangen naar macht te bevredigen. Onder een vriendelijk uiterlijk was hij besloten alles te verslinden. Na de overwinning waren, nu de buit daar nog warm lag, de wolven gekomen. Het Noorden had Italië geschapen, het Zuiden ijlde nu op den buit af, wierp zich daarop, leefde ervan als van een prooi. En aan de woede van den verpletterden held lag vooral ten grondslag het zich steeds duidelijker openbarende antagonisme tusschen het Noorden en het Zuiden: het Noorden arbeidzaam en spaarzaam, politiek voorzichtig, ontwikkeld en open voor moderne denkbeelden; het Zuiden onwetend en lui, genotzuchtig, met de hinderlijke onordelijkheid in daden en den ledigen glans van mooie, welluidende woorden.

Stefana glimlachte kalm, terwijl zij naar Pierre, die bij het raam was gaan staan, keek.

“O, oom, dat zegt u wel, maar toch houdt u van ons, en meer dan eens hebt u mij een goeden raad gegeven, waarvoor ik u nog dankbaar ben… Onder andere in die geschiedenis met Attilio…”

Zij bedoelde haar zoon, den luitenant, en zijn liefdesavontuur met Celia, de kleine prinses Buongiovanni, waarover alle zwarte en witte salons spraken.

“Attilio—dat is heel wat anders!” riep Orlando uit. “Evenals jij, is hij van mijn bloed, en het is wonderlijk, zooals ik mij in dien kwajongen terugvind. Ja, hij is precies eender als ik, toen ik zoo oud was, en mooi en dapper en enthousiast… Je ziet, dat ik mezelf complimentjes maak. Maar werkelijk, ik mag Attilio heel graag, hij ligt me aan het hart, want hij is de toekomst, hij geeft mij mijn hoop terug… En hoe staat het met zijn geschiedenis?”

“Och oom, die quaestie bezorgt ons heel wat verdriet. Ik heb er al eens met u over gesproken, maar u haalde uw schouders op en zeide, dat de ouders in dergelijke quaesties de jongelui hun liefdeszaken zelf maar in orde moesten laten brengen… Maar wij willen toch niet, dat men overal zegt, dat wij onzen zoon aansporen de kleine prinses te schaken, om dan later haar geld en haar titel te trouwen.”

Orlando lachte hartelijk.

“Dat is me ook een bezwaar! Je man heeft je zeker opgedragen dat tegen me te zeggen? Ja, ik weet, dat hij in deze quaestie graag den fijngevoelige speelt. Maar ik zeg je nog eens, ik houd me voor minstens zoo netjes als hij is, en als ik een zoo openhartigen, zoo goed en zoo naïef-verliefden zoon had als den jouwe, dan zou ik hem laten trouwen met wie en zooals hij wilde… De Buongiovanni’s! Lieve God, het zou voor de Buongiovanni’s met al hun adel en al het geld, dat zij nog hebben, een groote eer zijn om een knappen jongen met zoo’n goed hart tot schoonzoon te hebben.”

Weer kreeg Stefana’s gelaat een uitdrukking van kalme voldaanheid. Zij kwam zeker alleen, om dat te hooren.

“Goed, oom, ik zal het aan mijn man zeggen en hij zal daar zeker rekening mede houden, want, al is u streng voor hem, hij heeft een ware vereering voor u. En wat dat ministerschap aangaat, daar komt misschien niets van. Sacco zal naar omstandigheden handelen.”

Zij was opgestaan en nam afscheid van den grijsaard, terwijl zij hem, evenals bij haar komst, teeder omarmde. Zij maakte hem een complimentje over zijn goed uitzien, vond hem nog knap en deed hem glimlachen door te zeggen, dat zij een dame kende, die nog dol op hem was. Na met een kleine buiging den zwijgenden groet van den jongen priester beantwoord te hebben, ging zij op haar bescheiden en kalme manier weg.

Een oogenblik bleef Orlando zwijgen en hield, in zijn droefgeestige stemming terugvallend, zijn blik gericht op de deur; hij dacht ongetwijfeld aan het verdachte en pijnlijke heden, dat zoo zeer verschillend is van het roemrijke verleden. Plotseling wendde hij zich weer tot Pierre, die nog steeds wachtte.

“Dus logeer je in het paleis Boccanera, vriendlief. Wat een ongeluk ook daar!”

Maar toen de priester hem zijn gesprek met Benedetta verteld had en dus ook zei, dat zij nog altijd van hem hield en nooit zijn goedheid vergeten zou, wat er ook gebeuren mocht, maakte een ontroering zich van hem meester. Zijn stem beefde.

“Ja, zij is een goede ziel, zij is niet slecht. Maar wat zal je eraan doen? Zij hield niet van Luigi en hij zelf is misschien een beetje heftig geweest… Die dingen zijn geen geheim meer, ik praat er vrij met u over, daar tot mijn groot verdriet de geheele wereld ze kent.”

Orlando gaf zich geheel aan zijn herinneringen over en vertelde, hoe gelukkig hij zich vóór het huwlijk gevoeld had bij de gedachte aan het wondermooie schepseltje, dat zijn dochter worden en jeugd en bekoring om zijn ziekestoel brengen zou. Hij had altijd een vereering gehad voor de schoonheid, de hartstochtelijke vereering van een minnaar, wiens eenige liefde steeds de vrouw gebleven zou zijn, indien het vaderland niet het beste van zijn wezen tot zich getrokken had. En Benedetta aanbad hem, vereerde hem, kwam steeds weer bij hem zitten in zijn klein armoedig kamertje, dat dan schitterde door den glans van goddelijke charme, die zij met zich bracht. Hij herleefde in haar frisschen adem, in den zuiveren geur en de stralende teederheid, waarmede hij haar omringde. Maar welk een vreeselijk drama onmiddellijk daarna, wat had zijn hart gebloed, toen hij niet wist, hoe hij de echtgenooten verzoenen moest. Hij kon zijn zoon geen ongelijk geven, dat hij de erkende echtgenoot wilde zijn.

In den beginne, na den eersten rampzaligen nacht, na die botsing tusschen de beide echtgenooten, die beiden hardnekkig aan hun recht vasthielden, had hij gehoopt Benedetta in de armen van haar man terug te kunnen brengen. Maar toen zij hem weenend alles vertelde, hem haar oude liefde voor Dario bekende, hem haar afschuw tegen de daad, tegen het geven van haar maagdelijkheid aan een anderen man, zeide, toen begreep hij, dat zij nooit toegeven zou. Een geheel jaar was verloopen, hij had een jaar vastgenageld op zijn ziekestoel doorgebracht, terwijl onder hem, in die weelderige vertrekken, waarvan de geluiden zelfs niet tot zijn ooren doordrongen, dat hartverscheurende drama afgespeeld werd. Hoe dikwijls had hij getracht te luisteren, bang voor twisten, wanhopig zich niet meer nuttig te kunnen maken. Van zijn zoon, die zweeg, vernam hij niets; hij hoorde slechts nu en dan bijzonderheden van Benedetta. En dit huwlijk, waarin hij eens den zoo vurig verlangden band tusschen het oude en het nieuwe Rome gezien had, dat niet voltrokken huwlijk maakte hem wanhopig; het was het echec van al zijn verwachtingen, de definitieve ontgoocheling van zijn levensdroom. Hij zelf was ten slotte naar een echtscheiding gaan verlangen, zoo ondragelijk was het lijden onder een dergelijken toestand.

“Ach, lieve vriend, nog nooit heb ik het fatale van zekere tegenstellingen zoo goed begrepen—en hoe men met het meest liefhebbende hart en het oprechtste karakter zijn ongeluk en dat van anderen bewerken kan.”

Maar de deur ging opnieuw open en ditmaal kwam, zonder geklopt te hebben, graaf Prada binnen. Onmiddellijk nam hij, na den bezoeker, die opgestaan was, vluchtig gegroet te hebben, zacht de handen van zijn vader en betastte die, bang, dat hij ze te warm of te koud vinden zou.

“Ik kom juist van Frascati, waar ik heb moeten overnachten, zoo druk heb ik het met dat onderbroken bouwen. Ze hebben me gezegd, dat u een slechten nacht gehad hebt.”

“Wel neen, geen quaestie van.”

“O, u zoudt het nooit bekennen… Waarom blijft u er zoo hardnekkig bij om hier te wonen, zonder eenig gemak? Dat gaat op uw jaren niet meer. U zoudt me er zoo’n groot pleizier mede doen, als u een meer comfortabele kamer nam, waar u beter zoudt kunnen slapen.”

“Neen, hoor, ik denk er niet aan… Ik weet, dat je het goed met mij meent, beste Luigi. Maar laat ik mijn eigen zin nou maar doen. Dat is de eenige manier, om mij gelukkig te maken.”

Pierre werd diep getroffen door de innige liefde, die uit de blikken der beide mannen straalde, terwijl zij elkaar oog in oog aankeken. Het scheen hem zoo aandoenlijk, zoo prachtig mooi toe, daar toch zooveel tegenstrijdige denkbeelden en handelingen, zooveel verschillen, die een moreele breuk veroorzaakt hadden, hen scheidden.

Hij vergeleek hen met belangstelling. Graaf Prada, die korter en gezetter was, had denzelfden energieken, krachtigen kop met borstelig zwart haar, dezelfde openhartige, eenigszins harde oogen in een blozend gezicht met dikke snor. Maar de mond verschilde, een zinnelijke, vraatzuchtige mond met een wolfsgebit, een bloeddorstige mond, als geschapen voor den avond na den slag, wanneer het er slechts nog om gaat in de overwinning van anderen te bijten. Dat was dan ook de reden, waarom men, wanneer zijn vrijmoedige oogen geprezen werden, zeide: “Ja, maar zijn mond bevalt mij niet.” Zijn voeten waren groot, zijn handen dik en te breed, maar mooi.

Pierre verwonderde er zich over, dat hij precies zoo was als hij verwacht had. Hij kende zijn geschiedenis nauwkeurig genoeg, om zich een beeld van den heldenzoon te kunnen vormen, dien de overwinning bedorven had, die met vollen mond den door het roemrijke zwaard van zijn vader gemaaiden oogst verslindt. Hij ging vooral na hoe de deugden van zijn vader van den rechten weg afgeweken waren, zich in het kind tot ondeugden vervormd hadden; de edelste eigenschappen waren ontaard, de heldhaftige, onbaatzuchtige energie was woeste genotzucht, de man van den slag de man van den buit geworden, sedert de grootsche gevoelens van geestdrift sliepen, sedert men niet meer vocht en te midden van den opgehoopten buit in alle kalmte plunderde en roofde. En de held, de met lamheid geslagen, tot onbeweeglijkheid gedoemde vader moest getuige zijn van de ontaarding van zijn zoon, den met millioenen volgepropten zakenman.

Maar Orlando stelde Pierre voor.

“Mijnheer de abbé Pierre Froment, over wien ik je zoo dikwijls gesproken heb, de schrijver van het boek, dat ik je heb laten lezen.”

Prada was dadelijk zeer vriendelijk en begon onmiddellijk met een intelligenten hartstocht over Rome te spreken als iemand, die er een groote moderne hoofdstad van maken wil. Hij had het na het tweede keizerrijk gemetamorphoseerde Parijs, het na de overwinningen van Duitschland vergroote en verfraaide Berlijn gezien; en volgens hem werd Rome, als het zich bij die beweging niet aansloot, als het niet een groote stad werd, die een groot volk bewonen kon, met een spoedigen dood bedreigd. Of een ineenstortend museum of een nieuw-geschapen, herboren stad.

Vol belangstelling, reeds bijna gewonnen luisterde Pierre naar dezen welsprekenden man, wiens krachtige en heldere geest hem inpalmde. Hij wist hoe handig hij gemanoeuvreerd had in de zaak van de villa Montefiori, waarbij hij rijk geworden was en zoovele anderen zich geruïneerd hadden, daar hij ongetwijfeld de onvermijdelijke catastrophe reeds voorzien had op het oogenblik, waarop de agiowoede de geheele natie nog het hoofd op hol bracht. Toch ontdekte hij op dit wilskrachtige, energieke gezicht reeds teekenen van moeheid, vroegtijdige rimpels, afhangende lippen, alsof de man uitgeput raakte van het voortdurende strijden tusschen al die instortingen om hem heen, welke den grond ondermijnden en door den terugslag ook de best belegde fortuinen dreigden mede te sleepen. Men vertelde, dat Prada in den laatsten tijd ernstige zorgen gehad had; niets stond meer vast, alles kon opgeslokt worden ten gevolge van de financieele crisis, die van dag tot dag dreigender werd. Bij dezen ruwen zoon van Noord-Italië ontstond onder den verweekelijkenden, verderfelijken invloed van Rome een soort verval, een langzame verrotting. Al zijn hartstochten hadden hun bevrediging gezocht, hij putte er zich in uit door alles—zijn zucht naar geld, zijn passie voor vrouwen—hun volle maat te geven. Vandaar de groote, zwijgende droefheid van Orlando, als hij dit snelle verval van zijn veroveraarsras zag, terwijl Sacco, de Zuid-Italiaan, door het klimaat geholpen en als geschapen voor die wellustige lucht en voor die door de zon verbrande steden vol oud stof, er zich ontwikkelde als de natuurlijke vegetatie van den door de misdaden der geschiedenis gedrenkten bodem en zich er langzamerhand van alles, van rijkdom en macht, meester maakte.

Toen de naam Sacco genoemd werd, vertelde de vader den zoon van Serafina’s bezoek. Zonder verder iets te zeggen, keken zij beiden elkaar met een glimlach aan. Het gerucht liep, dat de overleden minister van Landbouw misschien niet dadelijk vervangen zou worden, dat een andere minister het departement ad interim zou leiden en men de opening der Kamer afwachten zou.

Daarna kwam het gesprek op het paleis Boccanera, waarbij Pierre dubbel aandachtig toeluisterde.

“Zoo, logeert u in de Via Giulia,” zeide de graaf tegen hem. “Daar slaapt het heele oude Rome in de stilte der vergetelheid.”

Onbevangen sprak hij over den kardinaal en zelfs over Benedetta, de contessina, zooals hij zeide, wanneer hij over zijn vrouw sprak. Hij deed alles om geen toorn te laten blijken. Maar de jonge priester voelde, dat hij inwendig beefde, dat zijn hart nog bloedde en gromde van wrok. Bij hem brak de begeerte naar de vrouw los met de heftigheid van een behoefte, die onmiddellijk bevredigd moest worden; ongetwijfeld was dat weer een der ontaarde deugden van zijn vader: de dwepende geestdrift, die op het doel toesnelde en tot onmiddellijk handelen aanzette. Toen hij, na zijn liaison met prinses Flavia, Benedetta, de goddelijke nicht van een zoo mooi gebleven tante, bezitten wilde, had hij zich dan ook in alles geschikt; in een huwelijk, in den strijd tegen dat jonge meisje, dat hem niet lief had, in het zekere gevaar zijn geheele leven te bederven. Liever had hij Rome in brand gestoken dan van haar afgezien. En dat, waaraan hij thans zonder hoop op genezing leed, de steeds weer opengaande wonde in zijn borst was het bewustzijn, dat hij haar niet bezeten had, dat hij zeggen moest, dat zij de zijne was en zich aan hem geweigerd had.

Nooit zou hij den smaad kunnen vergeten; de wond bleef in zijn onbevredigden hartstocht, waar de minste ademtocht het branden weer aanwakkerde. En onder het correcte uiterlijk verborg zich een razende, jaloersche en wraakzuchtige wellusteling, die tot een misdaad in staat was.

“Mijnheer de abbé is op de hoogte,” prevelde de oude Orlando met zijn droevige stem.

Prada maakte een gebaar als om te zeggen, dat iedereen op de hoogte was.

“O, vader, als ik niet naar u geluisterd had, zou ik mij nooit tot dat nietigverklaringsproces geleend hebben. De contessina zou dan wel verplicht geweest zijn weer in de echtelijke woning terug te keeren, en zich thans niet met haar liefje, dien neef Dario van haar, vroolijk over ons maken.”

Op zijn beurt wilde Orlando nu met een gebaar protesteeren.

“Maar natuurlijk, vader. Waarom denkt u, dat zij van hier gevlucht zou zijn als het niet is, om thuis in de armen van haar minnaar te leven? En ik vind zelfs, dat het paleis in de Via Giulia met zijn kardinaal vrij vuile zaakjes verbergt.”

Deze strafbare, volgens hem publieke, schaamtelooze liaison was het gerucht, dat hij verspreidde, de beschuldiging, die hij overal inbracht tegen zijn vrouw. Feitelijk geloofde hij er zelf niet aan, daar hij het koele verstand van Benedetta, het bijgeloovige, bijna mystieke begrip, dat zij in haar maagdelijkheid legde, haar vasten wil om alleen toe te behooren aan den man, dien zij liefhad en die haar echtgenoot voor God was, maar al te goed kende. Doch hij vond, dat een dergelijke beschuldiging een goede en zeer handige politiek was.

“Tusschen twee haakjes,” riep hij plotseling uit, “weet u al, vader, dat ik inzage gehad heb van de memorie van Morano. Het staat nu vast: als het huwelijk niet voltrokken is kunnen worden, dan is dat ten gevolge van de impotentie van den echtgenoot.”

Hij barstte in een luiden lach uit, als wilde hij daardoor te kennen geven, dat hij dit het toppunt van het komische vond. Maar hij was onder zijn heimelijke verbittering bleek geworden, zijn lachende mond had een harden, wreed-moorddadigen trek; blijkbaar had slechts deze valsche, voor een man van zijn viriliteit zoo smadelijke beschuldiging van impotentie hem er toe gebracht zich in dit proces te verdedigen, iets, waarvan hij in den beginne niets had willen weten. Hij zou zich dus verzetten. Overigens was hij overtuigd, dat zijn vrouw de nietigheidsverklaring niet verkrijgen zou. En nog altijd lachend gaf hij enkele vrij brutale bijzonderheden over het gebeurde en legde uit, dat het niet zoo gemakkelijk was met een vrouw, die zich verzet en bijt en krabbelt, maar dat hij er geen eed op zou durven doen, dat het hem niet gelukt was. In ieder geval zou hij het bewijs vragen, het Godsoordeel, zooals hij, nog harder lachend om zijn grap, zeide, en wel voor de verzamelde kardinalen.

“Luigi,” zeide Orlando zacht met een blik op den jongen priester.

“Ja, ik zwijg al, u hebt gelijk, vader. Maar werkelijk het is zoo afschuwlijk, zoo belachelijk… U weet toch wat Lisbeth gezegd heeft: “Arme jongen, dan moet ik dus zeker van een kleinen Jezus bevallen.””

Orlando kon wederom zijn misnoegen niet onderdrukken, want hij hield er niet van, dat zijn zoon, wanneer er een bezoeker was, zoo openlijk over zijn liaison sprak. Lisbeth Kauffmann, nauwlijks dertig jaar, hoogblond, zeer blozend en steeds even lachend en vroolijk, behoorde tot de vreemdelingenkolonie; zij was weduwe, haar man was twee jaar te voren te Rome, waar hij genezing was komen zoeken voor een borstkwaal, overleden. Daar zij rijk genoeg was, om niemands hulp noodig te hebben, was zij, een hartstochtelijke kunstliefhebster en zelf een vrij goede schilderes, te Rome gebleven; zij had in de Via Principe Amadeo, in een der nieuwere wijken, een klein paleis gekocht, waarvan de groote, in een atelier veranderde, in alle jaargetijden met bloemen doorgeurde en met oude stoffen behangen zaal op de tweede verdieping aan de beau monde van Rome heel goed bekend was. Daar bewoog zij zich in lange blouses gekleed, in haar voortdurende vroolijkheid; zij was een beetje overmoedig en kon gewaagde grappen vertellen, doch had zich, behalve met Prada, nog niet gecompromitteerd.

Hij viel blijkbaar in haar smaak en zij had zich eenvoudig aan hem gegeven, toen zijn vrouw hem verliet. Zij was thans in de zevende maand van haar zwangerschap, die zij volstrekt niet trachtte te verbergen; integendeel zij zag er zoo kalm en gelukkig uit, dat haar uitgebreide vriendenkring haar bleef bezoeken, als was dat in dit vrije leven van groote kosmopolitische steden van geen beteekenis. In de omstandigheden, waarin hij verkeerde, was Prada met die zwangerschap natuurlijk ten zeerste ingenomen; zij was in zijn oogen het beste argument tegen de beschuldiging, waaronder zijn manlijke trots leed. Maar zonder dat hij het zichzelf bekennen wilde, bloedde de ongeneeslijke wond in zijn hart er niet minder om; want noch dit aanstaande vaderschap, noch het vleiende bezit van de knappe Lisbeth wogen op tegen de bitterheid van Benedetta’s weigering: haar wilde hij met al den hartstocht, die in hem was, bezitten, haar had hij vreeselijk willen straffen, omdat hij haar niet bezeten had.

Pierre, die van deze liaison niet op de hoogte was, begreep niets van het gesprek. Daar hij zich verlegen voelde en zich een houding wilde geven, had hij een dik boek van de tafel genomen en zag tot zijn verwondering, dat het een Fransch onderwijsboek was, een van die handboeken voor het baccalaureaat, die een samenvatting van de in het programma vereischte kennis bevatten. Het was slechts een eenvoudig en practisch boek voor het lager onderwijs, maar het handelde over de geheele wiskunde, de natuur- en scheikunde, zoodat het een korte samenvatting was van de veroveringen der eeuw en van den tegenwoordigen stand van het menschelijk weten.

“Zoo,” riep Orlando, blij over de afleiding, uit, “kijkt u het boek van mijn ouden vriend Théophile Morin in. Zooals u wel weten zult, was hij een der duizend van Marsala en heeft hij met ons Sicilië en Napels veroverd. Een held!… En nu al meer dan dertig jaar geleden is hij naar Frankrijk teruggekeerd als eenvoudig leeraar, wat hem ook al niet rijk gemaakt heeft. Hij heeft dan ook een boek geschreven, dat, naar het schijnt, zóó goed verkocht wordt, dat hij op het denkbeeld gekomen is daar ook nog een voordeeltje uit te slaan door vertalingen, o. a. een Italiaansche… Wij zijn broeders gebleven, en hij heeft gedacht van mijn invloed, dien hij voor zeer gewichtig houdt, gebruik te maken. Maar hij vergist zich, helaas; ik geloof niet, dat het mij gelukken zal een uitgever ervoor te vinden.”

Prada, die weer correct en voorkomend geworden was, haalde zijn schouders op, vol van het scepticisme van zijn tijdgenooten, die er alleen maar op uit zijn de bestaande dingen te handhaven, om er zooveel mogelijk nut uit te trekken.

“Waarom ook?” prevelde hij. “Er zijn al veel te veel boeken.”

“Neen, neen, er zijn niet te veel boeken,” antwoordde de oude man hartstochtelijk. “We hebben boeken, steeds meer boeken noodig. Door het boek en niet door het zwaard, zal de menschheid de leugen en de ongerechtigheid overwinnen, den definitieven broedervrede tusschen alle volkeren veroveren… Ja, je lacht, ik weet, dat je dat mijn denkbeelden van 48 noemt, “vieille barbe”, zooals men bij u in Frankrijk zegt, nietwaar mijnheer Froment? Maar daarom staat het niet minder vast, dat Italië dood is, als men zich niet haast het probleem van onderen aan te vatten, dat wil zeggen, wanneer men het volk niet maakt; en er bestaat maar één manier, om een volk te maken en menschen te scheppen, en die is, dat men ze onderwijst, dat men door het onderwijs de groote, verloren kracht ontwikkelt, die thans in onwetendheid en luiheid ten onder gaat… Ja, ja, Italië is geschapen, laten we thans Italianen scheppen. Boeken, boeken en nog eens boeken! En steeds verder voorwaarts, steeds dieper de wetenschap, de helderheid in, indien wij leven, goed, gezond en sterk zijn willen!”

De oude Orlando, die zich half opgericht had, was met zijn machtigen leeuwenkop heerlijk om aan te zien; het schitterende wit van zijn baard en zijn hoofdhaar scheen te vlammen. En zijn kreet van hoop had door dit reine, in zijn gewilde armoede zoo aandoenlijke vertrek met zulk een hartstochtelijk vertrouwen weerklonken, dat de jonge priester een andere gestalte voor zich zag oprijzen, die van kardinaal Boccanera, geheel zwart, slechts het haar wit als sneeuw, eveneens bewonderenswaardig in zijn heldhaftige schoonheid, hoog opgericht midden in zijn in puin vallend paleis, waarvan de vergulde balken op zijn schouders dreigden neer te storten. O, deze groote stijfkoppen, die geloovigen, die ouders, die manlijker, hartstochtelijker blijven dan de jongen! Deze twee stonden aan twee tegenover elkaar liggende einden van meeningen, daar zij niet één gemeenschappelijke idee, niet één gemeenschappelijke liefde hadden, en toch schenen zij alleen in dit oude Rome, waar alles in stof vervloog, onverwoestbaar en als twee gescheiden broeders onbeweeglijk aan den horizont te staan en over de stad heen hun protest uit te schreeuwen. De aanblik van deze beiden in hun grootschheid, in hun eenzaamheid, in hun verheven zijn boven de dagelijksche laagheid, vulde een dag met een droom der eeuwigheid.

Prada had dadelijk met kinderlijk-bezorgden druk de handen van den ouden man in de zijne genomen, om hem te kalmeeren.

“Ja, ja, vader, u hebt gelijk, gelijk zooals altijd, en ik ben een domkop, om u tegen te spreken. Maar ik smeek u, beweeg u niet zoo, uw plaid valt af en uw voeten zullen weer koud worden.”

Hij knielde naast zijn vader neer en legde de plaid met oneindige zorg weer goed; daar bleef hij ondanks zijn vier-en-veertig jaar als een kleine jongen op den grond zitten en sloeg zijn vochtige, in zwijgende vereering smeekende oogen naar hem op, terwijl de oude man, kalm nu en ontroerd, met bevende vingers zijn haar streelde.

Pierre was langer dan twee uur daar geweest, toen hij eindelijk, zeer getroffen en ontroerd door alles wat hij gezien en gehoord had, afscheid nam. Opnieuw moest hij beloven terug te komen, om langer te praten. Buiten gekomen, liep hij op goed geluk verder. Het was nog geen vier uur; hij wilde in dit heerlijke uur, waarin de zon aan den verfrischten, onmetelijk blauwen hemel daalde, zonder een vooraf vastgesteld plan dwars door Rome slenteren. Maar bijna onmiddellijk bevond hij zich in de Via Nazionale, die hij den vorigen dag bij zijn aankomst doorgereden had; hij herkende de groene, naar het Quirinaal loopende tuinen, de witachtige, buitensporig groote Bank, de pijnboomen van de villa Aldobrandini; dan zag hij bij de kromming, toen hij staan bleef, om de Trajanuszuil, die nu als een donkere schacht tegen den achtergrond van het reeds door de schemering gevulde lage plein afstak, nog eens te zien, plotseling tot zijn groote verbazing een victoria stilhouden, waaruit een jonge man hem beleefd riep, terwijl hij hem met zijn hand wenkte.

“Mijnheer de abbé Froment! Mijnheer de abbé Froment!”

Het was de jonge prins Dario Boccanera, die zijn dagelijkschen wandelrit op den Corso ging maken. Bijna altijd à court d’argent, leefde hij nog slechts van de vrijgevigheid van zijn oom, den kardinaal. Maar evenals alle Romeinen zou hij, als het noodig was, droog brood gegeten hebben, om zijn rijtuig, zijn paard en zijn koetsier te kunnen houden. In Rome is een rijtuig een onontbeerlijke luxe.

“Als u wilt instappen, mijnheer de abbé, zal het mij een genoegen zijn u iets van onze stad te laten zien.”

Ongetwijfeld wilde hij, door voorkomend te zijn jegens haar protégé, Benedetta een pleizier doen. En bovendien vond hij het, daar hij niets anders te doen had, aardig den jongen priester, die, naar men zeide, zoo intelligent was, in te wijden in wat hij voor de bloem van Rome, het onnavolgbare leven hield.

Pierre moest het wel aannemen, ofschoon hij liever alleen zijn wandeling voortgezet had. Toch interesseerde hem de jonge man, deze laatstgeborene van een uitgeput ras; van wien hij voelde, dat hij niet tot denken of handelen in staat was. doch die verder ondanks zijn trots en zijn indolentie zeer innemend was. Veel meer Romein dan patriot, had hij nooit de geringste neiging gehad zich te rallieeren, hij leefde liever in afzondering en niets doen. Ondanks zijn hartstochtelijk karakter deed hij geen dwaasheden, daar hij zeer practisch en overleggend was, zooals trouwens de meesten van zijn stadgenooten niettegenstaande hun schijnbare onstuimigheid. Zoodra het rijtuig, na de piazza de Venezia overgestoken te zijn, op den Corso gekomen was, liet hij zijn kinderlijke ijdelheid, zijn liefde voor het gelukkige en vroolijke leven buitenshuis onder den mooien hemel blijken. En dat alles drukte hij zoo duidelijk uit in het eenvoudige gebaar, waarmede hij zeide:

“De Corso!”

Evenals den vorigen dag was Piere één en al verbazing. Weer strekte de lange en smalle straat zich uit tot de piazza del Popolo, geheel wit van licht, slechts met dit onderscheid, dat nu de huizen aan den rechterkant in de zon baadden, terwijl die aan de linkerzijde in de schaduw lagen. Wat, was dat de Corso? Deze halfdonkere, tusschen hooge, zware gevels ingedrukte loopgraaf! Deze armoedige weg, waar hoogstens drie rijtuigen naast elkaar konden rijden, die door dicht op elkaar gedrongen winkels met hun etalages van klatergoud omzoomd werd. Geen vrije ruimte, geen wijde horizonten, geen schaduwgevend, verfrisschend groen. Niets dan een stooten, een dringen en een bijna verstikken langs de kleine trottoirs onder een kleine reepje hemel. Vergeefs noemde Dario hem de historische en weelderige paleizen: palazzo Bonaparte, palazzo Doria, palazzo Odelscachi, palazzo Sciarra, palazzo Chigi; vergeefs wees bij hem de piazza Colonna met de zuil van Marcus Aurelius, het drukste plein der stad, waar steeds een groote menigte pratend en kijkend rondslentert; vergeefs deed hij hem, tot aan de piazza del Popolo, de kerken, de huizen, de dwarsstraten, de via Candotti, aan het einde waarvan in de glorie van de ondergaande zon, de Santa Trinità dei Monti als goud boven de triomphantelijke Spaansche trap oprees, bewonderen,—Pierre bleef den teleurstellenden indruk houden van een straat zonder breedte en zonder licht. De paleizen schenen hem droefgeestige ziekenhuizen of kazernes toe; de piazza Colonna toonde een jammerlijk gemis aan boomen; alleen de Santa Trinità dei Monti had hem door haar schittering als in een verre apotheose betooverd.

Maar nu ging het van de piazza del Popolo weer naar de piazza de Venezia terug, en weer terug, en nogmaals terug, twee-, drie-, viermaal, onvermoeibaar. Dario was in zijn element, liet zich zien, keek rond, groette, werd gegroet. Op de twee trottoirs slenterde een dicht op elkaar gedrongen menigte, wier oogen zich tot achter in de rijtuigen boorden, wier handen de handen van hen, die erin zaten, hadden kunnen drukken. Langzamerhand werd het aantal rijtuigen zóó groot, dat de ononderbroken, vast aaneengesloten dubbele rij verplicht was stapvoets te gaan. Bij het voortdurend langs elkaar gaan van degene, die heen-, en van degene, die terugreden, kon men elkaar aanraken, elkaar goed opnemen. Geheel Rome drong zich hier samen, hoopte zich op in de kleinst denkbare ruimte; het waren menschen, die elkaar kenden en elkaar hier weer vonden als in de vertrouwelijkheid van een salon; menschen, die niet op vertrouwelijken voet met elkaar stonden en tot tegenovergestelde kringen behoorden, maar hier tegen elkaar aan stieten en elkaar tot in de ziel kijken konden. Nu ging Pierre een licht op; hij begreep den Corso, de oeroude gewoonte, den hartstocht en de glorie der stad. Ja, het genot lag juist in de nauwte van de straat, in dat gedwongen tegen elkaar stooten, waardoor onverwachte ontmoetingen, de bevrediging van nieuwsgierigheid, het ten toon spreiden van ijdelheid, het voeren van eindelooze gesprekken mogelijk werd. De geheele stad zag hier elkaar dagelijks terug, liet zich zien, loerde op elkaar, het was een op den duur zoo dringende behoefte geworden om elkaar zóó te zien, dat een man van goede familie, die den Corso meed, als een wilde beschouwd werd, die buiten zijn kringen, zonder couranten leefde.

Dario glimlachte steeds door, boog steeds weer ten groet; hij noemde Pierre prinsen en prinsessen, hertogen en hertoginnen, klinkende namen, wier glans de geschiedenis vulde, wier klankrijke lettergrepen het op elkaar botsen van wapenrustingen in den slag, de pauselijke processies met haar purper ornaat, haar gouden tiara’s, haar heilige, van juweelen fonkelende gewaden voor den geest riepen. Maar Pierre zag tot zijn wanhoop dikke dames, kleine heeren, opgeblazen of ziekelijke wezens, die door de moderne kleeding nog leelijker werden. Toch vielen enkele knappe vrouwen op, vooral jonge meisjes, zwijgend, met groote, heldere oogen. Toen Dario, hem het paleis Buongiovanni wees, een grooten gevel uit de zeventiende eeuw met door lofwerk omgeven ramen, voegde hij er lachend aan toe:

“Kijk, daar staat Attilio op het trottoir… U weet wel, de jonge luitenant Sacco!”

Met een hoofdknikje antwoordde Pierre, dat hij op de hoogte was. Attilio, in zijn uniform, jong met zijn levendig en flink uiterlijk en zijn open gezicht, waarin de blauwe oogen van zijn moeder liefdevol glansden, nam hem dadelijk voor zich in. Hij was inderdaad de jeugd en de liefde in hun geestdriftige en zich om de toekomst niet bekommerde hoop.

“U zult zien,” ging Dario voort, “dat hij, wanneer we terugkomen, er nog staat. Let maar op, dan zal ik u tevens nog op iets anders opmerkzaam maken ook.”

Hij sprak vroolijk over de jonge meisjes, die in den Sacré-Coeur in zoo strenge afzondering opgevoede en verder meestal zoo onwetende jonge prinsessen en hertoginnen, die daarna haar opvoeding voltooiden in de rokken van haar moeder, met haar den verplichten wandelrit op den Corso maakten en de eindelooze dagen verder leefden in de afzondering der sombere paleizen. Maar welke stormen woedden in deze zwijgende zielen, waarin niemand nog was afgedaald! Hoe wies onder die passieve gehoorzaamheid, onder die schijnbare onwetendheid omtrent dat, wat haar omringde, soms haar wilskracht op! Hoevelen wilden hardnekkig haar leven zelf maken, den man, die in haar smaak vallen zou, zelf kiezen, hem hebben tegen de geheele wereld in. En de geliefde werd onder den stroom van jonge mannen op den Corso gezocht en uitverkoren; de geliefde werd onder de wandeling met de oogen gevischt, met de reine oogen, die spraken, wier blik voor de bekentenis, voor de algeheele overgave voldoende waren, zonder dat één ademtocht over de kuisch gesloten lippen behoefde te komen. Ten slotte kwamen dan de in de kerk heimelijk overhandigde liefdesbrieven, maakte de omgekochte kamenier de in den beginne zoo onschuldige ontmoetingen makkelijk. Ten slotte volgde dan aan het eind dikwijls een huwlijk.

Celia nu had Attilio gewild vanaf het eerste oogenblik, dat hun blikken elkaar ontmoet hadden op een doodelijk vervelenden dag, dat zij hem voor het eerst uit een raam van het paleis Buongiovanni had gezien. Hij keek toevallig op en zij had, terwijl zij zichzelf met haar groote, reine oogen, die in de zijne rusten bleven, gaf, hem voor eeuwig gevangen. Zij was slechts een liefhebbende vrouw—niets meer. Hij viel in haar smaak, zij wilde hèm, hèm en geen ander. Zij zou desnoods twintig jaar op hem gewacht hebben, maar zij hoopte hem door de kalme hardnekkigheid van haar wil dadelijk te veroveren. Allerlei verhalen omtrent vreeselijke uitbarstingen van woede van haar vader, die zich echter te pletter liepen tegen haar eerbiedig en halsstarrig zwijgen, deden de rondte. De prins, van gemengd bloed, de zoon van een Amerikaansche en zelf de echtgenoot van een Engelsche, streed slechts, om te midden van de instortingen om hem heen, zijn naam en zijn vermogen intact te houden.

Het gerucht liep, dat tengevolge van een woordenwisseling, waarin hij haar voor de voeten wierp niet voldoende over haar dochter gewaakt te hebben, de prinses met al den hoogmoed en al het egoïsme van een vreemdelinge, die vijf millioen medegebracht had, in verzet gekomen was. Was het niet voldoende, dat zij hem vijf kinderen geschonken had? Zij bracht haar dagen in aanbidding van zichzelf door, bemoeide zich niet met Celia, liet het huishouden, waarin de storm woedde, aan zichzelf over.

Maar het rijtuig reed opnieuw langs het paleis en Dario waarschuwde Pierre.

“Ziet u, daar is Attilio weer… En kijk nu eens naar boven naar het derde raam van de eerste verdieping.”

Het was een kort, maar charmant tooneeltje. Pierre zag een hoekje van het gordijn wat ter zijde trekken en het zachte gezichtje van Celia, een reine, gesloten lelie, werd zichtbaar. Zij glimlachte niet, zij bewoog zich niet. Niets was uit dien kuischen mond en die heldere oogen te lezen. Toch trok zij Attilio tot zich, gaf zij zich onvoorwaardelijk aan hem. Het gordijn viel weer neer.

“Die kleine heks!” prevelde Dario. “Wie kan ooit weten, wat er achter zooveel onschuld verborgen ligt?”

Toen Pierre omkeek, zag hij Attilio daar nog steeds met opgeheven hoofd staan; ook zijn gezicht was bewegingloos en bleek, zijn mond gesloten, zijn oogen wijd geopend. En deze grenzenlooze liefde in haar plotselinge almacht, de ware, eeuwige en jonge liefde, die zich verhief boven de eerzucht, en de berekeningen van de omgeving, trof hem diep.

Dan gaf Dario zijn koetsier bevel naar den Pincio te rijden: den op mooie middagen verplichten rit naar den Pincio. Eerst kwamen zij de piazza del Popolo over, het ruimste en regelmatigste plein van Rome, met zijn in aanleg zijnde straten, zijn symmetrische kerken, zijn obelisk in het midden, zijn twee boomgroepen, die aan beide zijden van den kleinen, witten rijweg, tusschen de ernstige, door de zon vergulde gebouwen tegenover elkaar staan. Dan reed het rijtuig rechts den oprit van den Pincio op, een prachtigen, met bas-reliefs, standbeelden en fonteinen versierden zigzagweg, een apotheose van marmer, een herinnering aan het oude Rome, die zich tusschen het groen opricht. Maar de tuin bovenop kwam Pierre klein voor, niet veel meer dan een groot plein, een vierkant met vier lanen, die noodig waren, om de equipages eindeloos te kunnen laten keeren en draaien. Een ononderbroken rij borstbeelden van beroemde mannen uit het oude en nieuwe Italië liep langs de alleeën heen. Pierre bewonderde vooral de boomen, de zeldzaamste, met groote zorg gekozen en onderhouden boomsoorten, bijna alle met altijd groen loof, waardoor hier zoowel in den zomer als in den winter een heerlijke, in alle tinten van groen genuanceerde schaduw verkregen werd. Het rijtuig begon nu door de mooie frissche lanen achter de andere equipages, die één onafgebroken stroom vormden, te rijden.

Pierre merkte in een donkerblauwe, elegant bespannen victoria een jonge dame alleen op. Zij was knap, klein, kastanjebruin met een matte tint, groote zachte oogen, en zag er bescheiden en verleidelijk eenvoudig uit. Bij haar streng costuum van feuille-morte-zijde droeg zij een grooten, eenigszins extravaganten hoed. Toen Dario haar vrij onbeschaamd opnam, vroeg de priester hem haar naam, wat den jongen prins deed glimlachen. O, niemand, Tonietta, een van de weinige demi-mondaines, waarover Rome sprak.

Dan vertelde hij, met de openhartige vrijmoedigheid van zijn ras in liefdesquaesties, bijzonderheden: haar afkomst was niet met volkomen zekerheid bekend; sommigen beweerden, dat zij de dochter van een kroegbaas in Tivoli was, anderen daarentegen beweerden, dat een Napolitaansche bankier haar vader was. Doch hoe dit zij, in ieder geval was het een zeer intelligent meisje, dat zich een zekere beschaving eigen gemaakt had en uitstekend wist te ontvangen in haar klein paleis in de Via dei Mille, dat zij van den ouden, thans overleden markies Manfredi gekregen had. Zij afficheerde zich niet, had nooit meer dan één amant tegelijk, en de prinsessen en hertoginnen, die dagelijks op den Corso door haar in onrust geraakten, vonden haar fatsoenlijk. Een bijzondere eigenschap had haar vooral beroemd gemaakt; meermalen maakte een zoo hartstochtelijke passie zich van haar meester, dat zij zich voor niets aan haar geliefde gaf en alleen iederen ochtend een ruiker witte rozen van hem wilde hebben, zoodat de menschen, wanneer zij haar dikwijls weken achtereen met deze reine rozen, dezen witten bruidsbouquet op den Pincio zagen, met liefdevol welgevallen naar haar keken.

Maar Dario viel zichzelf in de rede om plechtig een dame, die alleen in gezelschap van een heer in een grooten landauer voorbij reed, te groeten. En hij zeide eenvoudig tot den priester:

“Mijn moeder.”

Pierre kende haar, althans vicomte de la Choue had hem het een en ander over haar verteld: haar tweede huwelijk op vijftigjarigen leeftijd na den dood van prins Onofrio Boccanera; de manier, waarop de nog altijd mooie vrouw precies als een jong meisje op den Corso, een knappen, vijftien jaar jongeren man, die in haar smaak viel, met haar blikken gevischt had; en wie die man, die Jules Laporte, was, een oud-sergeant der Zwitsersche garde, naar men beweerde, een voormalige commis-voyageur in reliquieën, die gecompromitteerd was geweest in een geruchtmakende zaak van valsche reliquieën; hoe zij van hem een markies Montefiori gemaakt had van statig voorkomen—de laatste van de geluksridders in het legendarische land, waar de herders met koninginnen trouwen.

Toen een volgende maal de groote landauer weer voorbij reed, nam Pierre hen beiden goed op. De markiezin was werkelijk nog verbazingwekkend in haar tot vollen bloei gekomen, klassiek-Romeinsche schoonheid, groot, flink gebouwd, hoogblond, met een godinnekop met regelmatige, eenigszins domme trekken; alleen het lichte dons, waarmede haar bovenlip bedekt was, verried haar leeftijd. De markies, deze geromaniseerde Zwitser uit Genève, maakte met zijn breede, krachtige officiersschouders en zijn opgedraaide snor werkelijk een imposanten indruk; hij was niet dom, heel vroolijk en plooibaar en zeer onderhoudend in gezelschap van dames. Zij was zóó trotsch op hem, dat zij hem overal medesleepte en ten toon stelde; zij was met hem het leven opnieuw begonnen, alsof zij twintig jaar was, en verteerde in zijn armen het kleine, uit de catastrophe van de villa Montefiori geredde vermogen. Zij vergat haar zoon zóó volkomen, dat zij hem menigmaal slechts op den wandelrit zag en als een toevallige kennis groette.

“Laten we naar den zonsondergang achter de St. Pieter gaan kijken!” zeide Dario in zijn rol van consciëntieus vreemdelingengids.

Het rijtuig keerde naar het terras terug, waar een militaire kapel met vreeselijke uitbarstingen der koperinstrumenten speelde. Verschillende equipages stonden reeds stil om te luisteren, terwijl een steeds grooter wordende menigte voetgangers, eenvoudige wandelaars, zich om de tent opgehoopt hadden. Van dat bewonderenswaardige, zeer hooge en zeer breede terras ontrolde zich een der heerlijkste panorama’s van Rome. Aan de overzijde van den Tiber, boven den vaalbleeken chaos van de nieuwe wijk der Prati del Castello, verrees de St. Pieter tusschen het groen van den Monte Mario en den Janiculus. Dan kwam links de geheele oude stad, een eindelooze vlakte van daken, een deinende, onafzienbare zee van gebouwen. Doch steeds weer keerden de blikken terug naar de St. Pieter, die in reine en majestueuse grootschheid in het azuur troonde. En de langzame zonsondergangen achter den kolos, achter in den grenzenloozen hemel maken, van af dit terras gezien, een verheven indruk.

Nu eens is het een ineenstorten van bloedroode wolken, zijn het veldslagen van reuzen, die met bergen tegen elkander strijden en onder de monsterachtige ruïnes van brandende steden verpletterd worden. Dan weer teekenen zich tegen een donker meer slechts roode scheuren af, alsof een lichtnet uitgeworpen was, om tusschen de algen de verdwenen dagvorstin weer op te visschen. Weer een ander maal is het een rose nevel, een zacht stof, dat een regenbui in de verte, waarvan het gordijn over het mysterie van den horizont getrokken is, met paarlen doorstreept heeft. Weer een ander maal is het een triomftocht van purper en goud, wolkenwagens, die over een vuurstraat rijden, galeien, die over een azuren zee trekken, prachtvolle en phantastische stoeten, die in den geleidelijk dieper wordenden afgrond der schemering afdalen.

Maar dien avond ontvouwde zich voor Pierre het schouwspel in een kalme, verblindende grootschheid. Eerst, juist boven den dom van de St. Pieter, was de zon, in een smetteloozen, diepblauwen hemel ondergaande, nog zóó schitterend, dat het oog haar glans niet verdragen kon. In die flikkering scheen de dom als witgloeiend, als een dom van vloeibaar zilver, terwijl de wijk ernaast, de daken van den Borgo, als in een zee van gloed veranderd was. Dan, naarmate de zon verder daalde, nam haar gloed af, kon men haar aanschouwen; en weldra gleed zij majestueus langzaam achter den dom, die zich diepblauw afteekende; tot, geheel erachter schuilgaand, de dagvorstinne niets meer was dan een aureool, een lichtkring, waaruit kroonvormige, vlammende stralen schoten. En dan begon het droombeeld, de zeldzame belichting der ramenrij, die zich onder den koepel uitstrekt; het licht veranderde ze in de roodgloeiende openingen van een smeltoven, zoodat men had kunnen gelooven, dat de dom een in de lucht hangend, door het geweld der vlammen opgeheven en gedragen kolenvuur was. Dat duurde nauwlijks drie minuten. Beneden doken de reeds niet meer duidelijk te onderscheiden daken van den Borgo weg in violette dampen, terwijl de horizont zich van den Janiculus tot den Monte Mario in een duidelijk zwarte lijn afteekende; nu werd op zijn beurt de hemel purper en goud, een oneindige rust van bovenaardsche helderheid over de verdwijnende aarde. Het laatst gingen de ramen uit, ging de hemel uit, bleef alleen nog in den invallenden nacht de onbestemde, steeds vager wordende ronding van den dom van de St. Pieter.

En door een heimelijke gedachtenverbinding zag Pierre op dat oogenblik nogmaals de hooge, droefgeestige en ten ondergang neigende gestalten van kardinaal Boccanera en den ouden Orlando voor zich oprijzen. Op den avond van dien dag, waarop hij na elkaar deze in hun verwachtingen zoo groote mannen had leeren kennen, stonden zij beiden aan den horizont boven hun vernederde stad, aan den rand van den hemel, dien de dood scheen te grijpen. Zou dan alles zoo met hen instorten, alles in den nacht van den afgeloopen tijd uitgaan en verdwijnen?

1 God en volk.↑

Darmowy fragment się skończył.

8,75 zł
Ograniczenie wiekowe:
0+
Data wydania na Litres:
16 stycznia 2025
Objętość:
951 str. 2 ilustracji
ISBN:
4064066404253
Wydawca:
Właściciel praw:
Bookwire
Format pobierania:

Podobne książki