Czytaj książkę: «Hilda van Suylenburg»
C. Goekoop-de Jong van Beek en Donk
Hilda van Suylenburg

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066404888
Inhoudsopgave
Omslag
Titelblad
Tekst
[Inhoud]
Hilda was juist aangekomen. Het laatste gedeelte van haar reis, tusschen Utrecht en den Haag, had ze alleen in den coupé gezeten, alleen met het steeds sterker wordend besef van een nieuw huis, een nieuwe vreemde omgeving die haar wachtte. Droomend en mat, in doffen weemoed had zij achterover geleund en gestaard naar buiten tot het haar was geweest als of zij stilstond en het landschap haar voorbij vloog in een rondende beweging van kromme lijnen. Een wee gevoel van iets onbekends, iets onbehagelijks had haar doorstokt bij het stilstaan van den trein en toen er niemand aan het station was geweest om haar af te halen dan de livreiknecht die haar naar het rijtuig had gebracht, was er een duizeling over haar gekomen van eenzaamheid, en bang terug-verlangen naar huis.
Moe, met het veerkrachtlooze dat komt na lang hartstochtelijk geween, zette ze zich neer in het zachte satijn der kussens, waarvan de glanzing haar gladde rouwkleedje nog doffer en zwarter maakte. Zij zag uit het raampje. Prachtig lag het groote Bosch in rijk najaars getint van goud en rood en bruinend groen vóór haar. Het was vier uur, de Octoberzon straalde met warm geel licht op het landschap neer en lange rijen wandelaars, vooral veel dames in nieuwe, elegante najaarstoiletten, brachten drukte en vroolijkheid langs den zoom van het Bosch en den Bezuidenhout. Maar Hilda zag het nauwelijks, lusteloos voelde ze zich voortdragen, en het feestelijk mooie dat den Haag op dat oogenblik voor elken vreemdeling bekoorlijk moest maken, vermeerderde door zijn contrast met haar stemming nog de onrust die in haar [2]was. Eindelijk, op het Nassauplein voor een van de grootste huizen, hield de equipage stil en zwijgend volgde Hilda den huisknecht langs de gang en de trap op met de mollige tapijten, die geheimzinnig elken voetstap onhoorbaar maakten, naar boven naar den salon. Hier, met een schel gevoel van pijn ontwaakte zij weer tot volkomen bewustzijn. De scherpe helderheid, waarmede in haar hoofd gewoonlijk elke indruk werd weerkaatst, keerde terug, nadat het doezelen in den trein, voorafgegaan van een langen nacht vol tranen haar de betrekkelijke weldaad had geschonken van eenige oogenblikken in dofheid niet voelen, niet denken. Zij zag om zich heen. Het was de schrijnende indruk van dat salon met grooten rijkdom maar zonder eenig kunstgevoel gemeubeld, die haar had geprikkeld tot wakker worden. Haar oog gleed langs de geel damasten behangsels en de gouden meubeltjes met rood peluche en een warreling van goud en rood kwam in haar oogen tot zij ze een oogenblik sluiten moest.
Toen echter voelde zij de warme zonnestralen, die nauwelijks door de kanten gordijnen getemperd, naar binnen stroomden en het geheele vertrek besprenkelden met een cascade van licht, met felle flikkeringen als van gouden tientjes. Onwillekeurig volgde haar blik een dier spelende zonnestraaltjes, dat door een trillenden nevel van goudstofjes recht neerschoot op de pendule, een groote bronzen negerknaap in rijk verguld gewaad, en dat zich vasthechtte aan zijn mutsje. Hilda zag het glinsteren, en het warm bruin gezicht van het beeld scheen onder den glans te gaan leven; brutaal staarden de oogen haar aan. Onrustig wendde zij toen het hoofd om, en nog jaren later als zij op dit zelfde uur, in deze kamer binnen ging en zij zag dit zelfde licht op het gouden mutsje vallen, beving haar dit zelfde gevoel van onrust. Kleuren evengoed als klanken spreken soms hun eigen taal en in dit vertrek vol goudglans en purper en kostbare smakeloosheid, en in de hol cynische oogen van het pendulebeeld lag een onbeschrijfelijke indruk van trotsche domheid en leegen, banalen rijkdom. [3]
Hilda stond nog onbewegelijk in het midden der kamer en met angst drong de gedachte in haar door: „En dit is nu voortaan mijn tehuis!” Toen gleed haar blik achter het beeld naar den grooten spiegel en zij zag zich zelve staan, heel vreemd in al dat goud. De oogen leken zoo groot en donker met de diepe, blauwige kringen er onder. Zij verslonden het heele gezichtje en ’t was als of het bleekrose van wangen en voorhoofd en daarboven het rouwkrip van het hoedje niets waren dan een lijst om die vragende, strakke oogen.
Maar op dit oogenblik werd de deur geopend en een elegante vrouw van rijperen leeftijd kwam snel op Hilda toe, de beide handen uitgestrekt en op de lippen dat vleiend banale welkomstwoord, dat aangenaam kan aandoen als men een huis als gewone gast is ingekomen, maar dat als een kille tochtwind beroert wanneer het komt in de plaats van het hartewoord.
Maar Hilda overwon de huivering van haar impressie en vriendelijk kuste ze de toegestoken wang van haar tante, de eenige zuster van haar vader, die haar zoo lief had aangeboden om haar bij zich in huis te nemen nu ze door haar vaders dood alleen was achter gebleven.
„Ga zitten, lieve kind en vertel me eens hoe was je reis?” zeide Mevrouw van Starren in haar vriendelijken ijstoon. „Je hebt het toch niet kwalijk genomen niet waar? dat niemand je kon komen afhalen? Mijn man had een vergadering. Edward is in ’t zuiden, zooals je weet, ik zelf durf met dien kouden wind niet naar zoo’n tochtig station en de beide meisjes moesten verkoopen vandaag op den Zendingsbazaar.”
Hilda glimlachte beleefd. „O! nee, zeker niet. Ik zou het heel naar hebben gevonden als iemand zich voor mij gederangeerd had. Hoe is het met uw gezondheid tegenwoordig?”
„Dat gaat nog al. Mijn kuur van den zomer in Ems heeft me veel goed gedaan, maar ik moet toch nog altijd wel oppassen.”
Zij zwegen even en observeerden elkaar met glimlachende lippen en scherp kritische oogen. [4]
„Je ziet er een beetje moe en bleek uit, was het erg benauwd in den coupé?”
„Ja heel benauwd”, zeide Hilda, zonder te begrijpen wat zij eigenlijk zei. Het trof haar onaangenaam dat hare tante zoo volstrekt niet op hare vader leek en zulke fletse, rustelooze oogen had en zulke slappe handen, die voortdurend zenuwachtig met den zakdoek speelden.
„Heb je veel bagage meegebracht, behalve de twee koffers, die gisteren gekomen zijn?”
„Niet veel”, zij glimlachte even. „Toilet had ik natuurlijk in Suylenburg haast niet noodig. Maar u zult mij wel een beetje raad willen geven wat ik hier aanschaffen moet.”
„Zeker, beste kind. De meisjes zijn nu ook juist bezig om haar wintergarderobe te bedenken, je gaat toch zeker uit den rouw?”
Hilda kleurde even. „Ik heb eigenlijk nog niets geen lust in uitgaan en lichte kleeren, maar als u ’t bepaald liever hebt.…”
„Natuurlijk! Het zal ’n drukke winter zijn, en hier in huis kun je je moeilijk aan alles onttrekken. Ik zou nou maar gewoon met Eugénie en Corry mee doen, je zult zien dat het je erg mee zal vallen. Je bent eigenlijk nog nooit uitgeweest, is het niet? of heb je op reis met papa wel es een season meegemaakt?”
Hilda schudde het hoofd. „Nee, wij hebben wel met allerlei menschen kennis gemaakt, maar dat waren er die papa aardig vond om mee te praten, kunstenaars of geleerden of zoo, en naar opera’s en comedies ben ik ook veel geweest, maar ’n echt bal of ’n groote partij heb ik eigenlijk nog nooit bijgewoond.”
„Nee, dat dacht ik wel. Dat was niks voor je papa, maar dan wordt het toch ook wel hoog tijd dat je eindelijk eens wordt gepresenteerd. Hoe oud ben je nou?”
Koel, neerbuigend klonk de vraag, verwijtend bijna.
„Een en twintig”, zeide Hilda zacht, een beetje verlegen, want zij voelde in eens dat ze al heel oud en erg achterlijk zou worden gevonden. [5]
Mevrouw van Starren nam haar op een oogenblik met koude doordringende oogen.
Zij had haar broer nooit kunnen begrijpen, en voor kleine bekrompen zielen als de hare is niet begrijpen hetzelfde als dwaas en belachelijk vinden. Zij had hem in haar jeugd geminacht om zijn zwaarmoedig, terug getrokken karakter, waarvan haar elegante wereldzieltje zelfs de diepten niet vermoedde; zijn huwelijk en zijn ontroostbaar treuren na den dood van zijn jonge vrouw had zij overdreven genoemd—voor menschen als zij is elk sterk voelen overdreven—maar vooral in de opvoeding van Hilda had zij hem hoogst zonderling en verkeerd gevonden. Bijna nooit hadden zij elkaar meer ontmoet, maar wat zij nu en dan van hem en zijn dochtertje hoorde was genoeg om haar met ergernis, en in haar goedige oogenblikken met medelijden voor Hilda te vervullen.
Zoo’n meisje dat grieksch en latijn kende, maar nooit had leeren dansen, dat met Italianen en Spanjaarden over kunst had gesproken, maar nooit een bal had bijgewoond of in goede kringen was verschenen, dat over allerlei dingen had gelezen en gehoord waar een vrouw best buiten kan, maar dat misschien nooit in haar leven een handwerkje had gemaakt, moest volgens haar idee zoo’n zonderling wezen zijn geworden, dat zij niet zonder stille verbazing de bekoorlijk jonge verschijning tegenover haar kon aanzien.
Maar Hilda’s half jongensachtige opvoeding buiten, van paardrijden en stoeien met groote honden, en rondloopen in wijde, grove kleeren, en al de geleerdheid uit de boeken, schenen niets te hebben weggenomen van de bijzondere gratie in elke beweging van haar lang slank lichaam, niets te hebben uitgewischt van den glans van haar wazig krullend, zwaar goudbruin haar of van het teer rose satijn van haar huid.
„Ze valt me erg mee!” dacht Mevrouw van Starren. „Wel een nichtje om mee voor den dag te kunnen komen. Misschien zijn haar oogen zelfs wel wat al te mooi. Maar tenminste een rust dat ze er niet geëmancipeerd uitziet.” [6]
Op dit oogenblik rolde het rijtuig vóór.
„Daar zul je de meisjes hebben.”
En Hilda stond op om aan het raam haar nichtjes te zien uitstappen. Zij was blij dat het alleen zijn met haar tante voorbij was. Er lag zoo iets beklemmends in die koude onderzoekende oogen, in die slappe handen, in het kraken van het nauwsluitende zwart satijnen kleed. Het vervulde haar met heimwee naar ’t eenzame buitenleven.
De deur vloog open en de beide meisjes snelden binnen, Hilda begroetend met een zenuwachtige vroolijkheid die haar pijn deed. Zij verlangde zoo naar een enkel woord van ware sympathie. Maar giegelend, druk pratend, met een klein beetje verlegenheid onder de opgewonden lachjes, stonden zij voor haar en Hilda kreeg een angstig besef van stijfheid en onhandigheid toen zij zich zoo stil voelde staan tusschen die twee bewegelijke figuurtjes.
„Heb je een prettige reis gehad, en niet al te warm? Op den Bazaar was de hitte vreeselijk, maar toch was het er amusant. O ja, mama, weet u nog wel dat zijden vuurscherm met zilver geborduurd? Dat heeft Tilie van Heemeren nog gekocht voor vijftig gulden. We hebben er vreeselijk om moeten lachen, o! we hebben het uitgeproest!” En Corry praatte maar door, heel snel sprekend, blijkbaar om maar iets te zeggen, want waarom zij zoo gelachen had, bleek nergens uit, en misschien wist zij het zelve niet. Maar onder het vertellen van al dat lachen stonden haar oogen koel en namen Hilda van ’t hoofd tot de voeten op. Bijna iets vijandigs lag in dien onderzoekenden blik. Zoo zien sommige vrouwen elke nieuwelinge aan, die zich in haar kring komt bewegen. In één blik trachten zij te ontdekken wat in den grooten wedkamp der ijdelheid van haar te vreezen is.
„Vondt je ’t niet naar om afscheid van buiten te nemen en van die ouwe huishoudster, hoe heet ze ook weer? juffrouw Betje? Dat is immers zoo’n trouw familiestuk?”
Eugénie zei het lachend, zonder eenig vermoeden hoe teer het onderwerp voor Hilda zijn moest. En Hilda dwong zich om rustig [7]te glimlachen. Ze voelde hoe de tranen, die in eens opzwollen, belachelijk zouden zijn in zoo’n omgeving.
Eugénie was de oudste, een elegante verschijning, heel aristocratisch met haar fijn besneden kopje, het cameeachtige teint, de bleek blauwe oogen en het wazige blond der krulletjes. Zij liet denken aan een lief miniatuurtje uit het einde der vorige eeuw, maar over het geheel lag zoo iets afgemats en looms, zoodra ze zich niet tot febriele bewegelijkheid opwond, dat zij meestal veel ouder scheen dan haar acht en twintig jaren.
Corry daarentegen met het zachte donkerblonde haar, de witte tandjes heel klein, tusschen de dikke roode lipjes parelend, de blozende volle wangen, de heldere diepblauwe oogen met hun kinderlijken opslag, heel haar type van vleiend schalksch tooneelpagetje, ofschoon zij vijf uitgaansjaren achter den rug had, zag er jong uit als een kostschoolmeisje. Op haar sterk gestel hadden de drukke winters geen sporen nagelaten.
„Kinderen, ’t is al bij zessen, en ’t zal hoog tijd worden dat je je gaat verkleeden voor ’t eten,” zeide Mevrouw van Starren. „Hilda zal haar kamer ook wel eens graag willen zien, nietwaar? Wil jij haar den weg wijzen Eugénie?”
En terwijl zij samen de trap opklommen, heel hoog, want haar kamer lag op de bovenste verdieping, begon Corry nieuwsgierig te vragen:
„Maar Hilda, wat heb je toch voor zwaars in dien eenen koffer meegebracht? Gisteren zijn ze allebeide bezorgd en ze staan nou op je kamer, maar we dachten heusch dat die eene nooit boven zou komen. Je hebt daar te Suylenburg toch geen goudvelden ontdekt, dat je koffers vol erts hebt meegebracht?”
„Ja, het was wel erg zwaar geworden, en ’t spijt me als het veel last heeft gegeven, maar het zijn mijn boeken, waar ik geen afscheid van kon nemen, en ik hoop, omdat het nog al bescheiden gasten zijn, dat ze hier dezelfde gastvrijheid zullen vinden als ik.”
„Prachtig gezegd,” zeide Eugénie, klankloos de woorden uithijgende, want zij was doodop van ’t klimmen. [8]
„Och wezenlijk? zijn het boeken? Die groote zware koffers vol boeken? Wat ’n massa!” En Corry zag tot haar op in vermakelijke verbazing. Toen zei ze goedig: „Nou, als je zooveel van lezen houdt, dan hebben wij ook nog genoeg boeken voor je hier. Eugénie heeft een groote kast op haar kamer vol romans, want ze houdt ook nog wel es van lezen, maar heel veel tijd hebben we er eigenlijk niet voor, niet waar Eus?”
Maar Eugénie kon niet antwoorden. Zij stonden nu alle drie boven aan de trap, en het klimmen had haar zoo aangegrepen dat zij naar adem hijgend, het duizelend kloppende hoofd geleund tegen den muur, even moest rusten, vóór zij kon spreken. Hilda zag bezorgd naar het bleeke gezichtje, maar Corry stelde haar gerust op den luchtigen toon van hen, die geen zwakte kennen:
„O! ’t is niks, alleen maar ’n beetje bleekzucht! Ze heeft zich de laatste weken maar wat veel vermoeid met tennissen.”
„Kijk hier is je kamer,” zeide Eugénie, toen ze was bijgekomen, „Corry en ik hebben onze kamers hier vlak onder, als je dus straks klaar bent en je wilt even bij ons komen overwippen houden we ons erg aanbevolen.”
„O, maar ze moet eerst es even zien wat dat voor een attentietje is dat de ouwe mevrouw Cranz van Rozenhagen vanmorgen heeft laten brengen,” zeide Corry levendig, wijzend op een bruin pakje dat op de tafel lag en zij leunde over Hilda’s schouder, nieuwsgierig om te zien wat er wel voor den dag zou komen. Het was een zwart klein boekje dat Hilda loswikkelde uit het bruine papier, een versleten, veel gebruikt Nieuw Testamentje en voorin lag een briefje waarop de oude dame met haar energiek ouderwetsch schrift had geschreven:
Mijne lieve Hilda!
Als groet in uwe nieuwe omgeving, kon ik niets beters vinden dan deze heilige bladzijden, die eenmaal aan uwe lieve moeder hebben toebehoord, en die mij na haren dood door uw’ vader [9]werden geschonken. Mogen zij ook u bijstaan in vele moeielijke, gevaarlijke uren die uw jonge leven nog zal moeten doorworstelen. Kom mij spoedig eens opzoeken. Ik verlang zeer u te zien.
Uwe oude vriendin,
U. Cranz van Rozenhagen.
„Gut, ik wist niet dat mevrouw Cranz zoo fijn was, ik dacht dat er heel wat anders in zat,” zeide Corry teleurgesteld.
Hilda zeide niets. Het hartstochtelijk verdriet der vorige dagen bij het afscheid nemen van al het lieve oude, daar buiten, had haar zenuwen zoo sterk gespannen, dat het haar was als hingen zij slap neer, niet in staat onder een nieuwen gevoelsdruk te trillen. Het is soms een milde compensatie voor de intensiteit van jeugdemoties, dat zij door de onstuimigheid zelve der gevoelens, een soort moreele bewusteloosheid nalaten die rust geeft aan het gemartelde voelen. Toch gleed het vriendelijke woord der oude dame warm balsemend in haar ziel, en kalme, langzame tranen, heel helder, als van ijskristallen die zachtjes smelten, vielen neer op het briefje. Zij keek er naar, droomerig, zonder goed te begrijpen, en zag hoe ze zich uitspreidden als sterretjes waar de inkt grijzige randjes om heen trok.
Corry ook had de tranen gezien, maar zij hield niet van huilende menschen, ze was niet op haar gemak als er verdriet in de buurt was, en stil was zij weg geslopen, en had Eugénie mee genomen, zachtjes de deur achter zich sluitend.
Toen stond Hilda alleen in haar kamertje en keek naar het oude boekje en de groote koffers in den hoek, zoo vol gezellige oud bekenden, en in eens was het als of zij minder eenzaam was dan straks met haar vroolijke nichtjes.
Reeds als klein kindje had Hilda haar moeder verloren, een jonge, mooie vrouw, maar wier lichaam te teer was geweest om weerstand te bieden aan hetgeen het leven van haar geëischt had. Als de dood haar niet in de eerste jeugd had weggenomen, zou zij een dier begaafde, uitnemend sympathieke vrouwen hebben [10]kunnen worden, wier leven een verkwikking is voor allen die haar naderen; nu, op haar negentiende jaar, een paar maanden na Hilda’s geboorte was zij heengegaan, als had zij aan haar kindje alles weggegeven wat zij aan levenskrachten bezat. En zoo was Hilda opgegroeid alleen met haar vader, den ouden baron van Suylenburg, in het stille groote kasteel in Noord-Brabant, tusschen de geurige dennebosschen en paarsroode heide, en in die groote vlakten vol geheimzinnige klanken en kleuren had Hilda veel geleerd, veel wat de meeste menschen niet kennen.
Behalve enkele privaatlessen die zij ging halen in het naburige stadje, had zij haar geheele opvoeding van haar vader ontvangen. In zijn jeugd was hij bij de diplomatie geweest, maar na zijn huwelijk—hij was toen al in de veertig—had hij zich op het kasteel van Suylenburg terug getrokken en zich sinds den dood van zijn jonge vrouw uitsluitend aan zijn arm klein moederloos meisje gewijd, behalve natuurlijk ook aan zijn plichten van landedelman, waarvan hij een heel hooge opvatting had en aan zijn lievelingstudiën: historie en staathuishoudkunde.
Het waren gelukkige jaren geweest, de jeugdjaren van Hilda en tot haar zestiende jaar hadden zij zoo samen eenzaam voortgeleefd. Maar in Hilda’s hoofdje en hart was onder die omstandigheden een zonderlinge mengeling gekomen van groote kennis en volkomen onwetendheid, van naïeve droombeelden en helder zelfstandig nadenken, van gloeiend enthousiasme voor alles wat mooi en groot was en een totale onbekendheid met het werkelijke leven, die op den duur gevaarlijk worden kon. Toen had haar vader gevoeld dat een meisje in den aanvang van haar jonge leven nog iets anders noodig had dan dit bestaan waarin hij zelf zich tevreden voelde, hij de geleerde, die nog altijd onder zijn onherstelbaar verlies gebogen ging. Maar wat moest hij doen? Haar uit laten gaan in het wuft, bekrompen wereldje der naastbijgelegen provincie-stad scheen hem een volkomen onmogelijkheid, en nog minder wenschelijk kwam het hem voor haar bij mevrouw van Starren, zijn zuster in den Haag te zenden, in dat [11]milieu van onbeduidendheid en genotzucht. Toen had hij het zware besluit genomen. Hij had het dierbaar rustige landleven opgegeven en gedurende vier jaren hadden zij overal rondgereisd. In Parijs en Londen, Rome en al de Italiaansche lustoorden, in Berlijn en Constantinopel, Athene en Stockholm, in Caïro en in het grootste gedeelte der Vereenigde Staten, overal hadden zij rond gezworven, overal schatten verzamelend, schatten van kunde en genot, van liefde, en bewondering voor het heerlijke dat de natuur heeft voortgebracht en menschen hebben gemaakt.
Eerst een dringend verlangen naar een rustigen zomer op het eigen landgoed, had de beide reizigers teruggevoerd naar Suylenburg en daar plotseling, zonder ziekbed, was Hilda’s vader gestorven.
Alleen, heel alleen was zij achter gebleven, huiverend in de kou van die gedachte: alleen!
Haar oom en tante in den Haag en hunne drie kinderen kende zij nauwelijks en toch waren dit nu de eenigen die haar nabestonden.
En als zij nu maar haar eigen verlangen had kunnen volgen en stil op het kasteel had kunnen blijven, omringd van de naïeve vriendschap van het landvolk, met juffrouw Betje, haar oude huishoudster, die haar moeder nog gekend had, met haar grooten hond en haar rijpaard en haar boeken, bloemen brengend op de stille graven achter in het park en droomend van een wereld veel mooier dan de werkelijkheid, zij zou er beter in hebben kunnen berusten, maar mijnheer van Starren, die nu haar voogd was, kon dezen wensch volstrekt niet begrijpen en drong er met kracht op aan dat zij, althans voorloopig, bij hem in den Haag zou komen inwonen. Alles wat zij had kunnen verkrijgen was het eerste jaar van diepen rouw nog buiten te mogen doorbrengen en hierin was te gemakkelijker toegestemd omdat zoo als mevrouw van Starren fluisterend had bekend: „Het wel heel lastig is, zoo’n treurend schepseltje in huis te hebben als je veel menschen ziet en van vroolijkheid houdt.”
Nu echter was de tijd verstreken en Hilda was gekomen. Den [12]laatsten tijd, als zij aan hare nieuwe omgeving had gedacht en het jonge leven, dat zoo krachtig in haar aderen joeg haar prikkelde tot die nieuwsgierigheid die elk jong schepsel onweerstaanbaar verlangend voortdrijft naar de toekomst, had zij met een schuldig gevoel die gedachten verbannen. Het was haar of ze ontrouw werd aan haar droefheid, als ze zich overgaf aan toekomstbeschouwingen en in een ziekelijk zich vastklampen aan haar verdriet, dat noch met haar frissche jeugd, noch met haar veerkrachtige opvoeding strookte, had zij de laatste maanden doorgebracht.
Toen was de reactie gekomen, heerlijk triomfeerend over het groote leed dat haar zoo geweldig geschokt had.
„Niet gelukkig zijn is de bestemming van het leven. Arbeiden, nuttig wezen, zich geven, mooier en rijker maken het gemeenschapsleven, is de eeuwige wet die elk menschenbestaan beheerscht. Wee over hen die het niet hebben verstaan, want ten slotte, alleen aan het einde van dien weg wordt onthuld de geluksmysterie.”
Daar stond het op een klein stukje papier dat fladderend uit Homeros viel, toen Hilda op een morgen het versleten lievelingsboekje van haar vader opnam om nog eens enkele dier verzen te lezen, die zij samen zoo menigmaal hadden genoten. Het waren zulke eenvoudige woorden en zulk een eenvoudige gedachte. Iedereen weet die waarheid immers. Maar in dat vaste klare handschrift van den geliefden doode, schenen haar die woorden een nieuwe bron van wijsheid. Was het een citaat of een eenvoudige formule waarin hij had samengevat een rij van diepere gedachten? Was het een in distractie half spelend daarheen geschreven woord, dat hem uit vroegere tijden in den zin was gekomen? Wat doet het er toe? Het stukje papier was dwarrelend neergevallen op den sleep van haar rouwkleed en duidelijk, in hun zwarte lijst, spraken die woorden haar aan, toen zij zich bukte om het op te rapen. Een oogenblik bleef zij er op den grond gehurkt aandachtig naar zitten turen, toen zag ze naar het boekje in haar hand en ’t [13]kwam in eens weer voor haar geest met ontroerende duidelijkheid hoe haar vader op reis eens,—in Griekenland was het—haar hoofdje in zijn handen had genomen en op zijn eigen teedere manier had gezegd: „Mijn kindje, mijn kleine Brünnhilde, zul je nooit vergeten dat alles wat je nu geniet en voelt van mooie emotie, en geestdrift, en alles wat je nu opgaart van ontwikkeling en breeder denken, je later om moet zetten in vruchtdragenden arbeid. Nu is je tijd van groeien en rijpen, geniet er van mijn kleine meisje, want later komt de tijd, mooier en heerlijker nog, maar veel zwaarder, dat je schaduw moet geven aan de vermoeiden en lafenis brengende vruchten aan de angstigen en uitgeputten.”
Misschien had zij die woorden toen nauwelijks verstaan, maar nu begreep zij ze en zij doortrilden haar met een sterk verlangen naar arbeid.
Wat had zij toch gedaan al die maanden van treurend heenleven? ’t Was of ze dat jaar geslapen had, gewiegd in zelfzuchtige droefheid; niet eens had ze in ’t eentonig, gelijkvormig komen en gaan der dagen gemerkt dat sinds haar ontzettend verlies al zooveel tijd was verloopen. Maar zeker, nu was ze ontwaakt. Zij zou zich aanpakken en haar werk beginnen. In die groote menschenwereld, daar buiten, heel ver van haar rustige bosschen, was daar niet oneindig veel te doen?
„Ja zeker, ik wil werken,” herhaalde zij halfluid, „werken, ik zal naar den Haag gaan en werk zoeken.” En met dit besluit was de oude veerkracht gekomen.
De pijn van het afscheid van Suylenburg en het bange opzien tegen een nieuwe omgeving waren zeker nog heel smartelijk geweest, maar meer toch dan ze zelf vermoedde, waren levenskracht en levenslust ontwaakt. [14]
[Inhoud]
De eerste avond was goed afgeloopen. Hilda had haar uiterste best gedaan om lief tegen allen te zijn, en belang te stellen in de dingen harer nieuwe omgeving. In haar wangspieren had ze op ’t laatst een klein pijntje gevoeld van het glimlachen en haar hoofd was doodmoe van ’t ongewone praten maar ze had een volkomen innemenden indruk gemaakt.
„Nou, met haar verdriet zal het wel schikken, dat is ze, geloof ik, een heel eindje te boven,” zeide Eugénie, toen Hilda en Corry naar boven waren gegaan en zij met haar ouders nog even bleef na praten. „Ik was ’n beetje bang dat ze stil en sentimenteel zou zijn omdat haar brieven altijd nog zoo bedroefd waren.”
„Het ergste is dat we nog een heele toer zullen hebben met die vreemde opvattingen van vroeger, die mijn arme broer haar heeft ingeprent,” zeide Mevrouw van Starren. „Enfin, ze is slim genoeg, geloof ik, om wel gauw in te zien dat een heele boel van die theorieën van de broederschap van alle menschen en van vrijheid voor de vrouwen en dat meisjes uit onze kringen zich nuttig moeten maken en zoo meer, hier volstrekt niet gegoûteerd worden, en dan zullen ze van zelf wel verdwijnen. Het voornaamste is dat het een vriendelijk dankbaar schepseltje schijnt te zijn, en een lief gezichtje is het ook, vindt je niet Henk?”
Mijnheer van Starren antwoordde niet, maar floot sissend tusschen zijn tanden een oud operadeuntje. Hij vond Hilda bijzonder mooi, bijzonder bekoorlijk vooral, maar hij vond het beter om het niet te zeggen.
Na een lange wilde jeugd, waaruit nog enkele anecdoten de ronde deden bij heerendiners, was hij eerst laat getrouwd, en zijn relatie tot zijn kinderen was hierdoor eenigszins als van een grootvader tot zijn kleinkinderen geworden. Meestal was hij goedig, zwak zelfs in het toegeven aan hun verlangens, maar zonder eigenlijke belangstelling in hun intiemer leven. Alleen voor Edward, zijn zoon, voelde hij warmer en toen de jongen, na vlug het gymnasium te hebben afgeloopen, gezond en flink, in eens was gaan hoesten en een zware bloedspuwing had gekregen en weg [15]gezonden was naar het Zuiden, had hij er, meer dan iemand kon vermoeden, onder geleden.
Misschien was het wel minder het kind dan de stamhouder, dien hij toen gevreesd had te verliezen, misschien gold zijn angst meer den wapen- en naamdrager dan den zoon, hoe het zij, Edward was de eenige in wiens ontwikkeling hij werkelijk had belang gesteld, wiens gezondheid hem interesseerde en voor wiens toekomst hij zich illusies maakte.
Voor de meisjes echter scheen hij volkomen onverschillig en later was voor Hilda de onderlinge verhouding van dezen vader met zijn dochters een bron van onuitputtelijke verwondering. Beleefd, als welopgevoede menschen, leefden zij naast elkander voort, zonder iets in elkaars leven te beteekenen, de meisjes meestal met een nuance ongeduld in haar toon, en de vader met een iets sterkere nuance ironie. Want uit zijn vroegere ervaringen had hij over al wat vrouw was een zeer cynische beschouwing gehouden: „Toutes les mêmes, mon cher, au fond allemaal dezelfde, geen een kun je er vertrouwen, een noodzakelijk, en op zijn tijd heel bekoorlijk kwaad, j’en conviens, mais un mal tout de même.”
Dit was zijn credo over „de vrouw”, dat hij gaarne bij alle gelegenheden te pas bracht, en het spreekt van zelf dat zijn belangstelling in zijn meisjes niet groot kon zijn bij deze overtuiging.
De man, die het geloof in de vrouw verloren heeft kan immers nooit meer een waarachtig vader voor zijn dochters zijn!
„Wat is het een curieus wijsneusje, voor zoo’n jong ding,” zeide hij lachend. „Hoe noemde ze het ook weer? meisjes die niets deden dan zich amuseeren en toilet maken waren economische nonvaleurs! Ik ben nieuwsgierig hoe of ze het aan wil leggen om een valeur te worden.”
„Onzin,” zeide mevrouw ongeduldig, „dat zijn nog van die idees van m’n broer. We zullen haar die deftige woorden wel uit het hoofd praten.” [16]
Mijnheer van Starren knikte, ondeugende lachtrekjes van ironie en minachting om zijn grijzen knevel.
„Welzeker, ’n paar baltoiletjes en complimentjes, en de ernstigste principes zijn uit ’n meisjeshoofd verdwenen. Een bout de cour, enfuut!”—met een geluid dat Eugénie woedend zenuwachtig maakte, knipte hij een paar maal met den langen nagel van zijn duim tegen dien van zijn ringvinger,—„de verhevenste theorieën gaan bij jonge dames op den loop.”
[Inhoud]
De eerste weken van Hilda’s zijn in den Haag gingen snel en geanimeerd voorbij. Iedereen was lief tegen haar, er werd paard gereden en gemusiceerd, zij leerde tennissen en wielrijden, en zij gingen naar het strand en deden boodschappen, en bij het uitzoeken van aardige toiletjes voelde Hilda dat echt vrouwelijke, kinderlijk-artistieke genot, dat het aanraken van kostbare stoffen geeft met rijke glanzingen en teere kleuren, als zij glijden tusschen fijne handjes en verbeelding kleine staallapjes omtoovert in heerlijk diepplooiende gewaden.
Bezoeken in mooie salons werden afgelegd bij oude wereldsche dames, die veel over haar „petite santé” praatten, en over engagementen die af of aan zouden raken, bij elegante jonge vrouwtjes, met wie Corry en Eugénie eindelooze gesprekken hielden over de deugden en ondeugden van haar kennissen in ’t algemeen en van haar naaisters in ’t bijzonder, vrome dames, bij wie op elk bedenkbaar voorwerp een kroon of een wapen was aangebracht, en die veel Bijbelspreuken schenen te kennen maar er nooit citeerden die op ootmoed sloegen, bij jonge meisjes, meestal bleek en tenger als Eugénie, over wier bloedelooze lipjes akelige verhalen van heeren en dames uit haar omgeving kwamen, [17]die nog naarder klonken nu jonge cynische mondjes ze uitspraken, bij andere jonge meisjes wier zacht doezelige oogen niets schenen te zien in de wereld dan taartjes en complimentjes en de bonte prisma’s van zeepbellen, bij vroolijke menschen, die door het leven schenen heen te lachen en bij zenuwachtigen die zich zelf en anderen het leven moeilijk maakten, bij artistieke menschen, die veel spraken over kunst en er liefst in dilettantiseerden, maar meestal geen acht sloegen op de prachtige kunst om van hun bestaan iets waarlijk moois te maken, bij ambitieuze menschen met erbarmelijke illusies van een beetje meer aanzien bij het groote publiek, bij menschen met goeden aanleg maar wier leven, verbrokkeld en versnipperd door duizenderlei onvruchtbare nietigheden, in oppervlakkigheid ten onder scheen te gaan, bij deftige koele menschen, van wie men niet zeggen kon, of zij nog een ziel en een gedachteleven hadden, wier wezen zich geheel in vormelijke voornaamheid scheen te hebben opgelost, bij enkele beminnelijke menschen ook, aan wie het van geslacht op geslacht streng voorgehouden: noblesse oblige, werkelijke beschaving en adel van gemoed scheen gegeven te hebben, maar ook bij menschen zoo plat en vulgair en in alle opzichten zoo grof van maaksel dat men zich afvroeg hoe afstammelingen van oude geslachten, die zich sinds eeuwen in weelde en uitgezochten omgang hadden kunnen verfijnen, zulke grove typen konden aanbieden.
Dit alles was Hilda voorzeker niet sympathiek, maar het amuseerde, het boeide haar, en de glans die over deze geheele wereld lag, ook over het leelijkste, laagste, de glans van zelfbewustheid en rijkdom verblindde haar een beetje.
Ook hadden haar ernstige jeugd en het eenzaam stille rouwjaar buiten haar misschien nog ontvankelijker gemaakt voor de bekoring van dit bonte leven. Het was voor haar een nieuw genot om met jonge meisjes te lachen, om weer eens kinderachtig uitgelaten te zijn, om in eens midden in die wereld te zijn, die zij tot dusver alleen maar in romans genaderd was. Zoet enerveerend ook begon de wierook der complimentjes te werken en ’t feestelijk [18]mooie van lichte zalen vol bloemen en groote toiletten begon haar te betooveren.
Toch trachtte zij soms nog eerlijk te reageeren.
„Maar ik ben hier niet gekomen om te dansen en te lachen,” zeide zij op een morgen in eens onder het aankleeden. „Hoe lang ben ik al hier? Al twee maanden! Ik moet gauw zien dat ik iets nuttigs vind om te doen.”
En zij dacht aan haar werk-illusies van den laatsten tijd in Suylenburg en zuchtte, want zij voelde in eens dat het enthousiasme er voor heelemaal was verdwenen en dat het een groote verleiding was om maar rustig zoo voort te leven als een vlinder in zonneschijn.
Zij was naar den Haag gekomen met groote minachting voor al de wuftheid die ze wist er te zullen vinden en ze was vast overtuigd geweest dat ze veel te ernstig en te oud was om er aan mee te doen. Ze had zich zoo heel heel treurig en oud gevoeld, als alleen heel jonge menschen zich voelen kunnen. Alleen naar werken en nuttig zijn had ze verlangd, om te doen wat haar vader gewenscht had, en wat was er nu toch van al die verlangens geworden?
Ze had het zoo druk gehad met al haar nieuwe mondaine plichtjes, met al de tallooze bezigheidjes die haar omgeving van haar eischte en alles rondom haar was zoo vol suggesties, dat het van zelf spreekt, dat jonge meisjes niets doen dan zich amuseeren. En wat was dat toch ook eigenlijk voor werk dat zij had willen doen? Niemand had haar noodig en zij voelde geen enkele roeping in zich. Waarom zou zij zich maar niet amuseeren net als al de andere meisjes. Later kon zij altijd nog zien wat ze zou aanvangen, er zou zich wel eens iets voordoen, waarin ze zich nuttig kon maken! Later zou ze wel werk vinden.… Later.…!
Het was het „Later” dat zooveel energie heeft in slaap gesust en zooveel werkkracht verlamd.
Toch had zij er een paar maal ernstig met haar tante en de [19]nichtjes over gesproken. Er was trouw in haar karakter en de voornemens te Suylenburg waren te eerlijk geweest om ze dadelijk in de bekoring van haar nieuw leven te willen opgeven. Maar ze was overal uitgelachen. Eugénie’s vlijmende spot was als een ijswind snerpend over haar heen gegaan, telkens als zij van „nuttig zijn” heel aarzelend had gesproken, en Corry had fou rires gekregen en had haar burgerlijk gevonden. „Zoo’n idée van iets te willen doen, dat was goed voor meisjes zonder geld.” En mevrouw van Starren had eindelijk ernstig gezegd: „Er werd tegenwoordig al zooveel voor ’t volk gedaan, eigenlijk veel te veel; het werd maar ontevreden als men er zooveel notitie van nam! Zij vond dat iedereen in zijn eigen kring moest blijven. Waar moest het heen als alle meisjes van naam en fortuin diacones of wijkverpleegster wilden worden! Er was zoo’n ziekelijke overdrijving tegenwoordig onder de menschen, en daardoor kwam juist alles in de war. In haar jeugd dweepte niemand uit haar kring met volksbelangen en nuttig zijn en toen was het een boel rustiger in de wereld. En waarom zou Hilda nu ook heel anders willen doen dan al de meisjes die ze kende? Dat was allemaal excentriciteit, aanstellerij. Ze moest liever dankbaar zijn dat ze nu in de gelegenheid was om zoo prettig in de beste kringen uit te gaan, en ze moest zich niet verbeelden dat zij beter was dan al die andere meisjes die zich gewoon amuseerden. Dat was gevaarlijke pedanterie!”
En na dit onderhoud, had Hilda niet meer over werken gesproken, er nauwelijks meer aan gedacht. De stroom van winteramusementen had haar meegesleurd in zijn glanzende vaart. Dagen, weken volgden elkaar op, niets achterlatend in haar geest dan een warreling van muziek en gelach, witdamastgeschitter tusschen bonte bloemen, flitsjes van diamanten en goudborduursels en witte dassen en ruischende kleurige vrouwenkleeren en zoet streelende woorden en alleen heel diep daarachter, haast onzichtbaar van vaagheid, een achtergrond van onbevrediging.
In het begin had zij niet veel succes gehad. De echte conversatietoon [20]was haar wat vreemd en moeilijk geweest en telkens was ze in uitersten vervallen, nu eens onbeduidend door banaliteit, dan weer door veel te zware onderwerpen wat al te diepzinnig schijnend. Maar ze had zich haar eerste nederlaagjes al heel weinig aangetrokken. Gewend sinds jaren, op haar reizen, om veel om zich heen objectief te beschouwen, en zooveel moois of leelijks, treurigs of vermakelijks in de menschenwereld gade te slaan, met de rustige belangstelling van den toeschouwer, die zelf in het drama geen rol heeft te vervullen, had zij ook nu haar nieuwe omgeving in kalme passiviteit bestudeerd. Alles had voor haar de volle bekoring van het nieuwe, maar in haar denken was zij geen bakvischje meer, voor wie een dans, een bouquet, een souper levenskwesties zijn. De aanvankelijke koelheid van haar cavaliers had haar weinig geïmpressioneerd; in vroolijke nieuwsgierigheid had ze haar nieuwe wereld bekeken.
En toen was het langzaam gekomen, het succes, en ze was jong en ijdel genoeg om er zich vol aan over te geven. Sommigen vonden haar nog wat gereserveerd en koud in het luchtig abandon der groote wereld, sommigen „een beetje docte”, wat al te geleerd, maar langzamerhand toch hadden de meesten de charme gevoeld harer jonge mooie verschijning. En ze genoot er van, hoe langer hoe meer, toen ze zich omstreeld voelde door bewondering, en een groot verlangen, een passie om te schitteren kwam bedwelmend soms over haar.
Eerst was zij zachtjes voortgegleden op de goud glanzende zee, lachend meedeinend op de dansende golfjes, toen had ze, zonder bijna te beseffen hoe sterk het haar verblindde, fascineerde, naar het roer gegrepen, en gestuurd dáar naar de open zee waar het fonkelde van diamanten. En toch soms waren er oogenblikken dat zij haar vaart reeds vertraagde, vermoedend dat de schitterglans slechts spel der zonnestralen was waaronder gevaarlijk en koud donkere diepten scholen. [21]
[Inhoud]
„Kom meisjes,” riep mevrouw van Starren, „het is hoog tijd dat jullie je gaat kleeden. Hilda, ik zou m’n groene zijdje maar aandoen, dunkt me, Corry en Eus kunnen dan haar rosetjes aantrekken.”
Zij verwachtten dien middag verscheidene gasten, en op die eigenaardig langzame manier van menschen die veel tijd hebben, hadden de drie meisjes den ganschen middag doorgebracht met het schikken van bonbons op schaaltjes en het klaarmaken van bloemen voor de tafel.
Hilda knikte toestemmend. Zij gehoorzaamde altijd volkomen gedwee als haar dergelijke dingen gezegd werden. Wat kon het haar schelen of zij rose of groen aan had? Maar in den naklank van haar tantes woorden trilde op eens iets dat haar onaangenaam aandeed, alsof er een diepere bedoeling in lag. Vrouwen zijn sterk in het opmerken van zulke nuancen in stem en toon. In de samenleving is het misschien wel hare grootste macht, dit zeer subtiele opmerken, dat aangevuld door intuïtie, dikwijls de geheimste drijfveeren voor haar bloot legt.
Bij het opgaan van de trap trachtte Hilda den bijna onmerkbaren wanklank te ontleden en zich iets te herinneren wat betrekking kon hebben op groen of rose of japonnetjes, en toen zij boven was lichtte het even in haar op dat een paar dagen geleden de jonge von Görtzen, het rijke Duitsche diplomaatje haar had gezegd dat rose de mooiste kleur van de wereld was en een vrouw er nooit „aanbiddelijker” uitzag dan in rose zijde.
Hilda had toen even geglimlacht, want zij droeg rose zijde en ’t compliment was te duidelijk en te flauw om er op in te gaan. Maar toen, ja zeker, toen zij opkeek, vlak bij hen stond hare tante met een kleinen rimpel tusschen de oogen. Zij glimlachte wel, maar toch.…. ja, zeker, zoo was het, en von Görtzen was geïnviteerd vandaag en dus.… en zat niet Corry naast hem?
Toen Hilda haar kamerdeur opende, wist zij wat niemand in haar omgeving nog vermoedde, dat mevrouw van Starren von Görtzen voor Corry bestemd had en dat zij zelve wijs zou doen met zich zeer op den achtergrond te houden. [22]
Een oogenblik amuseerde haar de ontdekking en midden in de kamer bleef ze even staan om zich beter rekenschap er van te geven; maar toen kwam weer dat gevoel van verwondering en ergernis dat haar, in haar onnoozelheid, de laatste maanden telkens had bekropen. Werd niet Corry sinds een half jaar het hof gemaakt door Rooselaar? en was het niet duidelijk te zien hoe haar behaagzuchtige oogjes bijzonder straalden en lachten, als de knappe jonge advocaat zich tot haar over boog. Waarom dan von Görtzen? Von Görtzen was Freiherr en .… rijk, en Rooselaar had niet veel meer dan zijn hooge voorhoofd met de schrandere gedachten daarachter om zijn toekomst te maken. Maar wat beteekende dat alles? Was hare tante dan niets meer dan zoo’n armzalig type uit de Fliegende Blätter, dat droomt van rijke adelijke schoonzoons? En waarom dan hadden zij Rooselaar aangemoedigd al dien tijd? Was het dan ook van Corry maar een spel geweest?
Hilda hield veel van Rooselaar. Door zijn duidelijk werk maken van Corry was zijn omgang met haar zoo prettig sans conséquence geweest, hij was één van de weinigen waarmee zij gezellig kon praten, ook over ernstige dingen.
Hij was niet gevraagd vanmiddag, ofschoon het een intiem dinertje was en hij daar haast nooit bij ontbrak. Arme jongen! Zou zijn vonnis geveld zijn? En eergisteren was Corry toch nog zoo lief tegen hem geweest? Bah, het was om wee van te worden! maar vanavond zou ze alles nauwkeurig gade slaan om er achter te komen wat Corry in haar schild voerde. Maar waarom moesten dan toch ook altijd zulke ernstige, flinke mannen als Rooselaar verliefd worden op hartelooze speelpopjes als Corry? Wat was dat toch voor een wreed mysterie dat telkens en telkens weer een paar krulletjes of een aardig figuurtje, zelfs de zeer intelligenten onder betoovering konden brengen? Waarom waren de mannen dan toch ook zoo naïef om maar dadelijk te gelooven, en altijd weer op nieuw, dat een lief omhulseltje ook een mooie ziel moet bevatten. [23]
Loom en lusteloos begon zij de spelden uit heur haar te trekken, dat met een zware golf neerviel en diep neerrolde over haar kleed. Zij voelde zich in eens vreeselijk ontstemd, en mat trok ze de kam door het zijden blond, tot ze zich eindelijk schuin neerzette op den arm van een leuningstoel bij het vuur en daar roerloos zitten bleef.
„Och Hilda, kijk es even, jij kunt zoo goed naaien, en Lisette is bezig mama te kappen, wat moet ik doen? die heele kant is losgegaan en ik weet niet hoe het weer zoo netjes te krijgen als het was.”
Eugénie stond in de deur, half smeekend het getornde lijfje omhoog houdend. Wat was zij toch mager en hoe oud al voor haar acht en twintig jaren, nu de ongebrande ponnyharen haar sluik in de oogen vielen en onder het opzijde gebogen hoofdje de halsspieren zoo scherp naar voren streepten. En die magere armpjes met de knoestige rood gevlekte ellebogen! Als zij straks haar lijfje aan zou hebben met de volle kanten zou ze er wel beter uitzien, maar toch, waarom of Eugénie niet liever hooge japonnen droeg?
Hilda zette zich neer om vlug de ramp te herstellen, maar iets van haar laatste gedachte zeggen, durfde zij niet. Zij was al zoo dikwijls door de nichtjes om haar afkeer van decolleteeren uitgelachen.
Een poosje stil voortnaaien volgde. Eugénie zat op den grooten koffer met boeken in den hoek bij het vuur, met nu en dan een lichte huivering in kleine schokjes over haar bloote schouders kruipend.
„Zeg Hilda, die boeken had je ook niet hoeven mee te brengen, ik geloof dat je den koffer niet eenmaal hebt open gehad,” zeide zij met den hak van haar verlakte schoentje even tegen de kist schoppend.
„Nee,” zeide Hilda, even opziende, strak in de lamp, met een vreemd verlangen in haar blik. „Nee, er is nooit tijd voor geweest, maar soms zou ik toch wel graag weer wat werken en lezen. [24]Zooals ik nou leef, is er nooit tijd om tot je zelf te komen, nooit om je eigen weer te vinden tusschen al die indrukken van buiten, die al maar door op je aanstormen. Ik heb soms een gevoel alsof m’n ziel in duizend stukjes verbrokkeld is, waar tusschenin zich allerlei vreemde brokjes voegen, die er niet in hooren en me pijn doen.”
„Hé, wat is dat nou weer voor ’n malle vergelijking, je ziel in brokjes, wil ik je op je verjaardag soms een lijmpotje geven?”
„Nee, heusch, ik meen het, zoo’n soort gevoel heb ik dikwijls tegenwoordig. In het begin natuurlijk niet, toen vond ik alles zoo amusant, zoo nieuw, maar o het lijkt me nou eigenlijk zoo.… leeg, al die afwisseling, die op ’t eind toch eentonig is, en al die drukte, die geen inspanning en geen uitspanning is.…”
„Ik begrijp niet dat je zoo spreekt, nou dat je eigenlijk pas goed bekend bent met de menschen en de toestanden en.… dat je meer succès krijgt.…”, verlegen hield Eugénie op, zij wist niet of Hilda die toespeling op haar weinig succès in het begin ook hatelijk zou vinden.
Maar Hilda naaide rustig voort en Eugénie begon weer betoogend: „Eergisteren heb je nog den heelen avond gedanst en je had het mooiste bouquet van ons drieën. Ik begrijp je niet, in het begin hadt je overal plezier in, en toen had ik toch dikwijls medelijden met je, en nu je gefêteerd wordt, ben je.… of komen je ouwe nuttigheidstheorieën weer boven?”
„Eugénie geloof je dan heusch dat succès tevreden en.… gelukkig kan maken?”
Eugénie lachte haar bleek lachje van desillusie. „Wat vat je ’t altijd zwaar op! wie spreekt nou van geluk? Maar we gaan nou eenmaal uit om ons te amuseeren, niet waar? Zonder succès amuseeren we ons niet, en dus is succès ons grootste streven. En als wij dat bereikt hebben kunnen we tevreden zijn, dat is logisch dunkt me.”
„Ja,” zeide Hilda zacht, „wij gaan uit om ons te amuseeren, maar zou amuseeren wel de bedoeling van ons leven zijn?” en [25]toen met onweerstaanbare behoefte aan expansie: „zeg es eerlijk, Eus, van je achttiende tot je achtentwintigste ben je uitgegaan, heb je je heusch al dien tijd geamuseerd?”
Maar Eugénie was niet in een confidentieele stemming.
„Wel natuurlijk!” zeide zij met onrustige bewegingen aan haar rokborduursels plukkend. „Maar wat bezielt je toch vanavond? Heb je bij mevrouw Cranz een preek gehad over waereldsche wuftheid, of voel je weer je hoogdravende roeping in je opkomen om non of pleegzuster of zoo iets te worden en mij ook te bekeeren?”
Als Eugénie in haar kouden spottoon verviel, was het Hilda alsof er zich een ijsmuur tusschen haar optrok. Ver en vreemd voelde ze zich in eens tegenover haar staan.
„Ziezoo het is klaar,” zeide zij, de kant nog even luchtigjes schikkend met de streelende, vlugge vingertoppen, „trek het nou maar gauw aan, want het is al laat geworden; Corry is geloof ik al naar beneden.”
En in groote haast voltooiden zij haar toilet.
Maar Hilda, toen zij voor den spiegel stond om een paar natuurlijke rozen aan het uitgesneden corsage vast te hechten, en ze zag hoe mooi de fluweelig zijden rozenknopjes langs haar blooten hals schenen op te klimmen, hoe goed haar het groene kleedje stond met niets dan die mat rose bloemen, glimlachte onder de bekoring van haar eigen beeld. De ontstemming van zooeven, trok zachtjes weer weg naar de geheimzinnige diepten waaruit zij was opgestegen en legde zich weer te sluimeren.
Half neuriënd holde zij de trappen af, en toen de eerste gast werd aangediend stond ze tusschen haar nichtjes in, alle drie lief poseerend, en onwillekeurig glimlachte zij tegen haar eigen kopje, toen zij het toevallig in den spiegel ontmoette. De glansnevel was weer over haar gekomen en zij voelde zich zelf en haar nichtjes, zooals zij er op dit oogenblik, in de teere schakeeringen van haar bloemkleurige kleedjes ook uitzagen, als een groepje van kostbare bloemen, voor salongefonkel geschapen. [26]
Het was een gezellig dinertje. Het winterseizoen begon op zijn einde te loopen en in de kleine afgesloten kringen der groote wereld kende men elkaar betrekkelijk goed na zoo’n „wintercampagne”, en heerschten de conversaties met groot abandon, nog geaccentueerd door gewilde ruwheid van enkelen. Corry zat druk met haar diplomaatje te spreken en zag er met het verhoogde kleurtje meer dan ooit snoezig uit; ook Hilda was vroolijk, bijna uitgelaten. De reactie van haar ontstemming deed zich gelden. In het oppervlakkige wereldleven dat van de vrouw onophoudelijk een glimlach vergt, terwijl zij over alle onderwerpen licht schertsend heenglijdt, begon haar gezond zenuwgestel te lijden en zachtjes aan kreeg zij die afwisselende stemmingen van opwinding en neerslachtigheid, waaraan maar zoo weinigen in haar omgeving wisten te ontkomen.
„Van Gaefden ga je morgen ochtend mee paardrijden,” zeide Eugénie over de tafel heen tot Hilda’s buurman, een lange jongen met blonde bakkebaardjes en een mooi, onbeduidend gezicht. Hij was juist geëngageerd met Eugénie’s beste vriendin, freule Valérie Vermaezen, het prachtige roodblonde meisje naast hem, en als zoodanig werd hij nu getutoyeerd.
„Het spijt mij zeer, freule,” riep hij terug, „maar morgen moet ik naar de Hoek van Holland om Cranz af te halen, die uit Engeland komt. Het was vroeger een van mijn beste vrienden en wij hebben elkaar nu in geen jaren gezien. Telkens als hij met verlof kwam was ik hier of daar op reis, en nou ik toevallig bij zijn moeder hoorde, dat zij hem morgen terug verwacht, wil ik hem graag tegemoet gaan.”
„Is dat een zoon van de ouwe mevrouw Cranz van Rozenhagen?” vroeg Hilda.
„Ja, juist, freule, Bernard Cranz van Rozenhagen, ’n beste kerel. Hij is nou secretaris bij de legatie te Londen.”
„Wat zal de ouwe mevrouw in den zevenden hemel zijn dat haar afgod, haar lieve Bernardje thuis komt,” zeide Eugénie, met haar sarcastischen lach. [27]
„Hoe gaat het met je broer en wanneer komt ie terug uit het Zuiden?” vroeg Valérie.
„Edward! O, die komt in het begin van Mei, de volgende maand. De dokter wil niet dat ie vroeger thuis komt,” zeide Eugénie onverschillig, maar toen in eens levendig, met schuwen blik naar het andere einde van de tafel, waar een fijn blond vrouwtje rustig met haar vader zat te praten: „Zeg Valérie,” zeide zij gedempt, „ga je de volgende week ook naar Gladys van Praege?”
Freule Vermaezen knikte en glimlachte heel neerbuigend, en ook zij zag even naar het fijne blonde profiel aan het andere einde. „Och ja, we hebben maar aangenomen, laatst zijn we er ook geweest, ik vind er niets in, en iedereen gaat er nou toch ook weer heen. En jullie?”
„Wij gaan ook!”
„Vindt je haar geen lief vrouwtje?” zeide Hilda zich voorbij van Gaefden buigend tot Valérie. „Ik vind het zoo’n innig sympathiek gezichtje.”
„Welzeker,” zeide van Gaefden goedig, toen zijn mooie verloofde alleen antwoordde met eene kleine schouderbeweging van onverschilligheid. „Een heel aardig vrouwtje, en lang niet leelijk, en dat moet ik zeggen goeie wijn hebben ze er, uitstekende wijnen.” En toen vertrouwelijk ging hij zachtjes voort: „En wezenlijk het zijn aardige menschen, maar zij is een Amerikaansche, en zoo’n vreemd vrouwtje, natuurlijk van geen familie, is eerst nog al koeltjes ontvangen en toen hebben ze een paar onmogelijke flaters gemaakt met hun invitaties, zoodat een heele boel lui, hun toen een tijdlang niet hebben willen zien. Maar dat is nou al weer een poos geleden, ze zijn nou heelemaal gelanceerd en iedereen komt er nu ook aan huis. Kent u haar?”
„Heel weinig, ik heb haar maar een paar maal op haar ontvangdag gesproken, want bijna den geheelen winter is zij niet wel geweest en kwam ze nergens.”
„Ik houd het er voor,” zei Valérie, „dat het maar een pretext [28]was, haar gezondheid, want elken dag ’s morgens zag ik haar langs komen met haar oudste kindje, dat mooie meisje. Maar ik heb van verscheiden kanten gehoord dat ze niets houdt van uitgaan, en in haar hart, door en door burgerlijk, maar stil ’s avonds thuis zou willen zitten bij de wieg.”
„Nou, dan heeft ze het getroffen met haar man!” lachte Van Gaefden, „ik geloof dat hij onmogelijk een avond thuis zou kunnen blijven. Een echte doordraaier die Praeg! ze vertellen dat-ie zijn boeltje er mooi aan ’t doorbrengen is.”
„Nou, ik mag hem toch wel”, zeide Valérie fluisterend, „hij kan verbazend geestig zijn, je amuseert je altijd dol met hem.”
„Hè nee, dat vind ik volstrekt niet,” protesteerde Hilda.
„Het eenige is,” ging Valérie door, „dat al doen ze nou ook zulke flaters niet meer als in het begin, ze toch altijd nog allerlei menschen samen vragen, die elkaar anders nooit ontmoeten. Nergens zie je zoo’n gemêleerd gezelschap als bij hen.”
„Dat kan geen kwaad voor ’n keer, ik mag dat zoo wel es, en die je niet aanstaan ignoreer je eenvoudig,” zei Van Gaefden, vol zelfbehagen om zijn liberale opvattingen.
„Ja, dat kan wel eens aardig zijn,” zeide Hilda peinzend, de lange tafel overziende waar al die welbekende gezichten haar in eens met onuitstaanbare verveling vervulden. Even bleef haar blik aandachtig op het Amerikaansche vrouwtje rusten; wat een charme van distinctie lag er in dat fijne, wat al te magere kopje, zoo als het zich zwakjes wiegde boven den hoogen boord van het zwarte fluweelen kleed. Toen zag zij daar schuin tegenover naar van Praege, zij had het al zoo dikwijls gezien het vale teint, de donkere, ingezonken oogen, dat sluike, diep op het lage voorhoofd geplakte haar, het dunne kneveltje, dat maar even schaduwde boven de dikke, sensueele lippen, maar vandaag leek hij haar nog antipathieker dan vroeger. En toch vonden verscheiden dames hem knap! Hij was druk in gesprek met Ottilie van Heemeren „het mooiste vrouwtje van den Haag,” waarvan den laatsten tijd veel vreemde dingen werden gefluisterd. Het scheen wel grappig [29]te zijn, wat hij haar nu juist vertelde, want beiden lachten, lachten lang en zenuwachtig en zagen elkaar dan weer aan, en lachten weer, tot eindelijk mevrouw van Heemeren zich achterover in haar stoel wierp en van Praege zich diep tot haar overboog, en zij in eens weer bedaard werden toen zij bemerkten dat men naar hen keek. Het is vreemd, maar als heeren als van Praege en vrouwtjes als Ottilie naast elkaar zitten, wordt er altijd zoo gelachen. Daar is een kleine demon van onrein lachen, die gewekt wordt door hun contact.
Het diner liep vlug ten einde. Corry en haar jonge Freiherr zaten nu vertrouwelijk te praten, zij met dien diepen kinderblik tot hem opgeheven, die Rooselaar zoo dikwijls naast haar had doen sidderen van ontroering.
Eugénie, tusschen twee uniformen, koketteerde en lachte, het tengere lichaam één zenuwtrilling, en Hilda zich opwindend tot haar vroolijkste stemming trachtte zich erg te amuseeren, maar vanavond lukte het toch eigenlijk maar half.
Na het eten, toen de dames alleen in den salon gelaten waren en zich vertrouwelijke groepjes vormden, ging Hilda naar Gladys van Praege, het banale salonwoord op de lippen, maar in haar gezichtje een warmere uitdrukking van sympathie.
„Wat ben ik blij, dat ik de volgende week gebruik kan maken van uw allerliefste invitatie.”
„O, ja, het doet ons ook zoo’n genoegen dat u zoo vriendelijk wilt zijn om te komen”.…..
Toen zwegen beiden, in eens niet wetend hoe verder te gaan.
Het hinderde Hilda, nu zij zich aangetrokken voelde tot dit jonge vrouwtje, die ijsmuur van banaliteiten tusschen haar te voelen, en zij ging voort, aarzelend omdat ze in eens bang was dat Gladys haar woorden zou opvatten als een van die gedachteloos uitgesproken complimentjes, die men tegen alle jonge moeders zegt: „Ik ben verleden uw dochtertje tegengekomen, wat is het een prachtig mooi kindje! Laat u haar elken dag uitgaan?”
„O, ja,” zeide Gladys, in eens kwam er leven in het bleeke [30]gezichtje, want zij had verstaan dat Hilda iets anders dan banale beleefdheidszinnetjes meende. „Het doet haar zoo’n goed om veel in de lucht te komen. Houdt u van kinderen?”
„Heel veel! Mag ik misschien uw zoontje ook es komen zien?”
„O! ja, doet u dat! dat vind ik lief van u!” zeide Gladys snel, en zij zagen elkaar aan en glimlachten en praatten nu verder, beiden met een blij gevoel van sympathie dat warmte gaf aan ’t koude woord van nieuwe kennismaking.
De meeste dames waren langzamerhand gaan zitten, de groote kamer vullend met kleine groepjes van mollige fluweelplooiing, satijngeglans van blanke schouders, en weerschijntjes van zijde onder kantgewaas. Zachtjes, bekoorlijk als van intimiteit, gonsden de gesprekken, van tijd tot tijd door een jonge stemmeklank, of een hoog lachje verbroken. Het waren deze tafereeltjes van licht, van elegante voorname gezelligheid, die Hilda in het begin zoo sterk hadden gefascineerd; maar den laatsten tijd begon zij ze met andere oogen te bekijken. Nu haar blik aan de schittering gewend raakte en door begon te dringen door de glanzende oppervlakte, ging er veel van de eerste bekoring verloren.
Bij den haard, het vlammenlicht geel optintend langs haar zeegroen fluweelen kleed, stond Ottilie van Heemeren, trotsch het prachtige, half naakte bovenlijf oplichtend uit het boordsel van zwanendons dat als eenig garneersel haar lijfje omgaf. Zij had het teint der blondines, zoodat het dons met zachtgroen fluweel, haar volmaakt goed stond, maar heur haar was zwart kroezig, en de donkere wimpers, omsluierend de lichtblauwe oogen gaven haar iets vreemds, iets sfinxachtigs dat nog sterker boeide dan hare schoonheid. Er werd verteld dat zij zich verfde, en men haar als kind vuurrood had gekend, maar zij was zoo lang te Parijs op kostschool geweest en toen zij terugkwam was zij zoo als nu, de wereld in het onzekere latend of men met een artistieke gril van de natuur, of met groote kapperskunst te doen had.
Corry stond naast haar, al haar snoezigheid in ’t niet verzinkend naast Ottilie’s exotische schoonheid. [31]
„Corry, stout kind,” zei ze plagend „waarom kom je nooit meer es rustig bij me praten? Je komt alleen maar op m’n jour, en dan hebben we zoo niets aan elkaar! ’s Middags van twee tot vier ben ik altijd thuis, want de dokter heeft mij voorgeschreven om elken middag te rusten, en dus lig ik zoet een paar uur lang op mijn rustbank. Kom me dan eens zien, en breng je nichtje mee. Ze trekt me erg aan, al heeft ze me ook straks, toen de heeren nog binnen waren, in het bijzijn van van Brehnen zoo vreeselijk uit de hoogte terecht gezet, dat ik het niet gauw aan een ander zou vergeven.”
„Wezenlijk? Wat heeft ze dan wel gezegd?” vroeg Corry nieuwsgierig, met een tikje leedvermaak.
Corry en Ottilie waren van denzelfden leeftijd, en zoogenaamd groote vriendinnen, maar in den grond konden zij elkander niet uitstaan. Corry was jaloersch op Ottilie’s veel grootere intelligentie en gaven en schoonheid, en op haar positie als getrouwde vrouw, en Ottilie zag neer op „het onbeduidende kind.”
„Ja, dat zou je nou wel es willen weten, liefje, maar het waren een paar hatelijkheden zoo netjes ingewikkeld dat ik er niets op antwoorden kon, en ze toch best moest snappen. Het is een bijdehandje, dat nichtje van je, maar als ik het je nu over ging vertellen, zou je het fijne misschien niet eens begrijpen.”
„Als je denkt dat ik zoo dom ben, zal ik maar aan Hilda zeggen dat ze alleen naar je toe moet gaan, dan zul je mij liever niet zien,” zei Corry geraakt.
Maar Ottilie, wie het juist om Hilda te doen was, lachte haar ondoordringbaar raadsellachje. „Nee zeker, jij moet ook mee komen! anders zou ik ’t me erg aantrekken! Dus een van de volgende dagen, niet waar?”
Toen wendde zij zich om, Corry alleen latend; de heeren waren weer binnen gekomen voor de thee, en als er heeren waren om mee te praten, sprak Ottilie nooit met dames. [32]
[Inhoud]
Den volgenden morgen, toen Hilda ontwaakte, stroomde een weelde van zonnestralen haar kamer binnen, met al de vroolijkheid van lentezonneschijn. Er zat levensmoed en lachlust in dat morgenlicht en het stukje blauwe hemel met dunne waterige wolkdonsjes, dat zij van uit haar bed kon zien. Een oogenblik lag zij dommelig genietend van al dat instroomende licht, toen kwam weer het bewustzijn van iets onaangenaams in haar op. Wat was het ook weer? O, ja die arme Rooselaar! Er was geen twijfel aan, Corry had hem verraden voor den Duitschen baron met zijn geld en „Rittergut.” „Arme jongen! Ik geloof dat hij zoo zielsveel van haar houdt! Quelle pitié!”
Maar toen zij weer opzag naar het kleine stukje lucht, dat in de vierkante lijst van het raam, in zijn stralende blauwheid onverschillig voortlachte, lachte zij zelve mee.
„Eugénie heeft gelijk, ik neem ook alles veel te zwaar op. Wel, Corry met haar snoezigheid en gratie en lieve lachjes beantwoordt heelemaal aan ’t vrouwenideaal van de meeste heeren. Laten zij dan ook maar eens ondervinden wat zulke ideaaltjes hun te dragen geven! Het ergste is alleen dat als zij tot de ontdekking van hun vergissing komen, zij de heele vrouwenwereld de schuld geven van hun eigen domheid en de valschheid van zoo’n mooi klein nest.”
„Freule”, zei een stem achter de deur, „daar is een briefje van mevrouw Cranz, de knecht heeft het net gebracht, wil ik het u hier geven of .….
„Kom maar binnen, Lisette, ik wil het graag dadelijk lezen,” riep Hilda, en blij, ze was altijd blij als er iets van de oude dame kwam, opende ze het couvert.
Lieve!
Kunt gij vanmiddag even aankomen tegen drie uur? Ik heb weer een paar arme vrouwtjes die ik naaiwerk zal geven. Wilt gij het komen klaarmaken? Gij ziet uwe goedheid en hulpvaardigheid [33]maken mij veeleischend! Maar het is zulk een vreugde u bij mij te zien, mijn kind, dat ik niet kan nalaten uw geduld telkens op de proef te stellen, om te zien hoe lang gij het zult volhouden om toe te geven aan het egoïsme eener oude vrouw.
Uwe u liefhebbende U. Cranz van Rozenhagen.
Het waren feestbodes, deze korte briefjes, met hun ouderwetsch deftigen stijl en vriendelijke zinnetjes uit een vroeger tijdperk, toen beleefdheid nog voor een deugd gold, en met het prettige vooruitzicht dien middag weer eens gezellig te kunnen praten, zoo als zij het met niemand anders doen kon, begon Hilda opgewekt haar toilet.
En tegenwoordig kwamen er telkens van die episteltjes, want schertsend had de oude mevrouw haar tot haar armenverzorgster aangesteld, en hoe langer hoe meer begon zij haar van die kleine plichtjes op te dragen, die zij vroeger zoo gaarne zelf volbracht, maar nu overgaf, gedeeltelijk omdat zij zich inderdaad te zwak en te oud begon te voelen en gedeeltelijk omdat zij het jonge meisje in deze kleine liefdewerkjes een tegenwicht wilde geven tegen haar wufte omgeving.
Toen Hilda klaar was, en ze was altijd vlug klaar, omdat hare werkzame jeugd haar nooit het treuzelen geleerd had van vrouwen, wie een lange leege dag wacht, klopte zij zachtjes aan de slaapkamerdeur van haar nichtjes.
Eugénie lag nog te bed. Het bleeke gezichtje met de paarsige, vermoeide oogleden half gesloten, lag diep in de kussens gezonken, één mager handje hing slap en bleek neer als van een doode, nog witter schijnend in de borduursels van haar nachtkleed. Een leeg champagneglas stond voor haar bed. Zij deed dat tegenwoordig heel dikwijls: zoo’n slokje champagne ’s morgens wekte haar zoo op. Corry lag half gekleed op de sofa te lezen, het laatste boek van Albert Coppet, een fransche romancier die den laatsten tijd veel opgang had gemaakt en vooral [34]dat jaar druk in de Haagsche dameswereld werd gelezen. Hilda kende het boek en eerlijk gezegd, zij had het leelijk gevonden.
„Waarom lees je niet liever het boek van die Amerikaansche schrijfster, dat Rooselaar ons geleend heeft?” zeide zij. „Het is heusch heel aardig. Er is een heel merkwaardige karakterstudie in van een jong meisje dat in Californië eerst in een farm dient en later in Boston komt en redactrice van een politiek blad wordt. Een curieus verhaal en heel goed geschreven.”
„Zoo, is het aardig,” zei Corry. „Eus had het ingekeken en dacht dat het nog al erg braaf en zoet was, vreeselijk braaf, zie je, met niets pikants er in, en daar hou ik juist zoo van.”
„Nee, het is heel aardig, maar van die prikkelingen, zooals Coppet ze geeft, komen er niet in,” zeide Hilda ongeduldig. „Maar klee je nou gauw aan, dan kunnen we samen ontbijten.”
„O! Foei, moet ik nou al weer uitscheiden! ik was pas begonnen!” zuchtte Corry, het sierlijke lichaampje lang achterover op de sofa uitrekkend. „Hoe laat is het eigenlijk? Half tien? ja, dan moet ik wel voortmaken, want ik wou nog even een kantje zetten om de antimacassar van tante Charlotte, en om elf uur komt Betty de Mureaux quatremains spelen. O! O! wat een drukte toch altijd en eeuwig! Maar zeg, Hilda, ga je mee vanmiddag om drie uur naar Ottilie van Heemeren?”
„Nee, liever een anderen dag, ik wou vanmiddag even bij mevrouw Cranz gaan.”
Eugénie, die nog niet gesproken had dan een mat: „goeie morgen”, liet in eens de nasale klankjes van haar spotlachje hooren. „Ga je ’t lieve zoontje begroeten?”
„Hé, Eus, hoe kun je nou zoo flauw zijn? Wie denkt daar nou aan?”
Maar Corry met een leelijk verwringen van spijtigheid in haar mooie gezichtje, draaide zich om en zeide heftig: „Natuurlijk denk je daar aan! Dacht je dat we zoo dom waren om je slimmigheid niet te begrijpen? Tous mes compliments, mademoiselle! Wel zeker, ga gerust je gang. Schijnheilig freuletje! [35]Dat komt met een preutsch gezichtje over Coppet spreken en dat loopt zoo gauw als zij maar kan, naar mevrouw Cranz om haar lieven zoon in te palmen! Je wou ons allemaal vóór zijn, nietwaar, om indruk op hem te maken. Nou begrijp ik ook waarom je mevrouw zoo het hof hebt gemaakt!”
„Corry, hoe kun je toch zoo iets verzinnen? Hoe kom je er bij? Ik heb heelemaal niet aan dien zoon gedacht, ik wou maar even .…”
Weer lachte Eugénie van uit haar bed, en Corry lachte nu ook met de sarrende rouladetjes, waar vrouwen zoo wreed mee kunnen kwetsen.
„O, natuurlijk niet! je was het heelemaal vergeten dat hij thuis kwam vandaag! en je wist ook niet dat Bernard Cranz een prachtige partij zou zijn.”
„Nee,” zei Hilda. Corry met haar groote reine oogen strak aanziende, „daar heb ik nooit, nooit over gedacht. Maar mevrouw Cranz heeft me een briefje geschreven of ik komen wou vanmiddag, en ik zal gaan.”
„Waar is dat briefje? Wanneer is dat gekomen?” riepen de beide meisjes door elkaar.
Hilda had het in den zak, en een oogenblik maakte zij de beweging om het voor den dag te halen, maar toen voelde zij in eens de vijandigheid die uit het spotgelach naklonk en langzaam, zonder iets te zeggen, ging zij de kamer uit.
„Zeker is het vannacht om twaalf uur door een kaboutertje gebracht!” riep Corry haar nog na, en weer lachten zij het scherp snijdend gelach van booze, jaloersche meisjes, waar bovenuit Eugénies hatelijk schril stemmetje gilde: „Schijnheilig freuletje.”
Hilda antwoordde niets. Het was de eerste keer dat haar nichtjes zoo waren geweest. Tot dusver hadden zij alle drie succes genoeg gehad, ieder in haar eigen kringetje, om vreedzaam naast elkaar te gaan, en Hilda’s vroolijk hulpvaardig karakter had heel wat botsinkjes vermeden. Maar wat was nu dit? Waar zag men haar wel voor aan? [36]
„Maar ik wil er mij niet aan storen!” dacht zij flink, „zulke verdenkingen spatten zwart terug op diegenen die ze verzinnen, en het is geen reden dat ik de ouwe mevrouw afschrijf.”
[Inhoud]
Het rijtuig kon Hilda niet krijgen dien middag; mevrouw van Starren was al vroeg uitgereden om visites te maken; en met een paar stevige laarzen aan, want de dooiende sneeuw, in vuilgrijze natheid, lag nog dik hier en daar in de straten, stapte Hilda vlug voort naar haar oude vriendin. Zij voelde zich blij, toen zij het huis had verlaten, waar sinds dien morgen zulk een gespannen stemming heerschte; de buitenlucht maakte haar in eens weer vroolijk en licht en in haar nauwsluitend blauw laken pakje, het blauw vilten matrozenhoedje, mooi kleurend tegen het blondbruine haar, ging ze haar gewonen gang van veerkracht naar de woning van mevrouw Cranz.
De lucht was zacht, maar de wind, als hij vol aanblies, deed nog huiveren en snerpte roode frischheid op Hilda’s wangen.
„Wat kunnen me eigenlijk al die speldenprikken en laffe verdenkingen schelen?” zeide zij opgewekt onder het voortgaan.
En toch, toen zij in de gang van mevrouw Cranz die pelsjas en den hoogen hoed zag hangen, die getuigden van een nieuw element in de stille ouderwetsche omgeving, kreeg ze het op eenmaal verschrikkelijk benauwd en had wel weer terug willen gaan. Maar de knecht wierp de deur open en Hilda’s blauwe figuurtje, zacht omstraald door het lentelicht dat door de hooge ramen haar tegemoet stroomde, stond op den drempel en moest binnen gaan. [37]
De oude mevrouw zat in haar stoel, met de hooge rechte leuning, dicht bij het vuur, zij glimlachte toen zij het jonge meisje zag en met een vreugdeglans in de oude oogen zich toen weer wendend tot den forschen jongen man, vlak voor den haard, stelde zij hen aan elkander voor met een wijzende beweging der hand:
„Mijn zoon; freule van Suylenburg.”
Beiden bogen, hun vluchtigen blik van nieuwsgierigheid zich kruisend, en hij bleef nog even kijken en zei toen een paar beleefde woorden. Maar, op eenmaal hoorde Hilda Corry’s gelach weer: „schijnheilig freuletje, prachtige partij” en een groote verwarring kwam over haar, die haar wel jong en bekoorlijk stond in de oogen van den man, die ze bij haar opwekte, zonder het waarom te vermoeden, maar die zoo sterk afstak tegen haar gewone voorname gemakkelijkheid dat de oude mevrouw haar goedig te hulp trachtte te komen.
„Hoe lief dat je door dat morsige weer toch nog gekomen bent. Ga zitten, lieve! Och Bernard geef mij die briefjes even aan, die daar liggen. Ik heb met de freule van Suylenburg altijd gewichtige zaken te bespreken, niet waar? en je moet ons even onze conferentie laten houden. Misschien wil jij wel in dien tijd even een sigaar opsteken hier naast?”
„Wilt u me nou alweer weghebben mama?” zei de jonge man lachend. „Ik ben nauwelijks hier en laat mij zoo maar niet afschepen. Ik zal hier heel zoet in een hoek gaan zitten en lezen tot u klaar bent.”
En hij ging naar de vensterbank met een boek en keek beurtelings naar buiten in de straat en naar ’t blauwe figuurtje binnen tot hij heelemaal op ’t einde vergat weer naar buiten in de straat te kijken.
Hilda zat half met haar rug naar hem toe, schijnbaar verdiept in de brieven die zij lezen moest, maar inwendig trillend van ergernis. „Hoe kon me nou toch zoo iets doms overkomen, te staan stotteren en kleuren tegenover zoo’n vreemden man! Wat [38]is het toch leelijk van de nichtjes om mij van zulke intenties te verdenken! En als de oude mevrouw nou mijn verwarring maar niet heeft gemerkt en ook zoo iets van mij gaat denken! Dat zou ik niet kunnen verdragen.”
„Mevrouw,” zeide de knecht, na zachten klop, „daar is Dominee Moisette die vraagt of ie u een oogenblikje belet doet.”
„Laat Dominee maar binnen komen,” zeide de oude dame, en toen de knecht teruggegaan was naar de spreekkamer, „dat tref je Bernard, nou zie je vandaag in eens de twee vrienden die je ouwe moedertje het best troosten en helpen als je weg bent. Moisette is een nieuw licht aan onzen pastoralen hemel, een jong mannetje nog, maar met veel ijver, en die mij dikwijls groote diensten bewijst in mijn armenzorg. Maar jij, Hildy, jij mag wel een beetje voor hem oppassen. Het komt mij verdacht voor dat hij toevallig juist altijd bij mij komt als jij er ook bent.”
„O! lieve mevrouw, dat kunt u niet meenen, daar is geen kwestie van,” zeide Hilda sterk afwerend, want zij wist dat het wèl waar was, dat Moisette haar tegenwoordig overal tegen kwam, haar overal trachtte te ontmoeten. Maar de ernst die over haar jeugdjaren had geheerscht, had haar verheven boven het spottend zich gevleid voelen, waarmede zoovele jonge meisjes dergelijke stille vereeringen beschouwen. Bij intuïtie begreep zij het leed dat de jonge predikant, met zijn harde zelfbedwongen natuur moest lijden en ze was te ernstig om er zich een ijdelheidsspeelgoed van te maken. Medelijden en eerbied lagen in haar heftig ontkennen.
Moisette kwam binnen. Een lange, magere, jonge man. Zijn donkere, kleine oogen, het dikke, sluikzwarte haar, en het boven de oogen sterk gewelfde voorhoofd der fanatieken gaven hem iets terugstootends, alleen de mond was week en treurig en om de glad geschoren kin rondden zich lijnen van goedheid.
„Wat een contrast tusschen die twee,” dacht Hilda toen de beide jonge mannen aan elkaar werden voorgesteld. „De eene [39]lijkt wel een monnik uit de middeleeuwen, die weken lang gevast en met den duivel geworsteld heeft en de andere .…? ja waar lijkt die op?” Voor ’t eerst zag ze even aandachtig naar hem heen. Zijn forsche, gevulde gestalte van sportlievenden edelman, het hooge, kale voorhoofd, de zorgelooze blik der ronde lichte oogen, de volle lippen tusschen de zware, blonde knevel en baard, met hun zelfbewust glimlachje van mooie man, zeiden haar eigenlijk niets. „Wel, al is hij ook de zoon van mijn lieve mevrouw, ik kan het niet helpen, hij lijkt het meest op een Duitsche officier in politiek, stilletjes gezegd het vreeselijkste wezen dat ik ken,” en met zekere voorkeur keerde zij zich weer tot het monnikstype.
„Wat dunkt je Moisette,” hoorde zij mevrouw nu zeggen, „als dat arme Sophietje met haar rugpijnen dat eeuwige naaien, vooral op de machine, niet kan volhouden, zouden wij haar dan geen boekhouden kunnen laten leeren en haar plaatsen kunnen aan die Levensverzekering van je vriend Wilte, waar je verleden van sprak?”
„O, maar mevrouw, daar had ik Jacob Spruiten voor bestemd.”
„Ja dat weet ik,” hernam de oude vrouw haastig, „maar nu die zulk een mooie betrekking aan die fabriek gekregen heeft, vervalt hij natuurlijk. Waarom zou je er Sophietje Vanen nou niet voor nemen? Freule van Suylenburg vindt ook dat zij bepaald bijzonder vlug is.”
„En zou de freule dan willen dat het meisje bij zoo’n maatschappij ging werken?” vroeg hij weifelend, direkt tot Hilda gewend.
„O, ik zou het uitstekend vinden,” zeide Hilda. „Het naaien kan zij op den duur toch niet uithouden, en Sophie is zoo’n bedaard, accuraat en intelligent meisje dat zij juist voor zoo iets geschikt zou zijn. Als mevrouw Cranz haar les wou laten geven en u zorgde later voor de plaatsing, zou het kind gered zijn.”
Moisette schudde het hoofd. „Klerkenwerk en boekhouden in een Levensverzekering zijn nu eenmaal geen vrouwenwerk. Neem mij niet kwalijk, mevrouw, maar in mijn ambt zie ik mij gedrongen [40]om op alle wijzen die nieuwe emancipatieideeën der vrouwen tegen te gaan en ik mag ze dus in dit geval ook niet aanmoedigen. Ieder moet in zijn eigen werkkring blijven, anders neemt de vrouw den man het brood uit den mond.”
„En waar zie je de scheiding dan tusschen ieders werkkring?” vroeg mevrouw Cranz even ironisch. „Vindt je dan naaien zoo’n speciaal vrouwenwerk? Maar dan moest je ook preken tegen die duizenden kleermakers voor heeren en voor dames en de goudborduurders en stoffeerders, die de vrouwen het brood uit den mond nemen, ofschoon, ik moet zeggen, daar heb ik nog nooit een vrouw over hooren klagen, hoe hard de strijd om het bestaan ook voor haar is.”
„Maar waarde mevrouw Cranz, als vrouwen de goed gesalarieerde baantjes aan de mannen gaan betwisten waar moeten wij dan van leven?” zei de jonge dominee zonder haar vraag te beantwoorden.
Hilda hief levendig het hoofd op. Zij zag in haar verbeelding weer het geduldig bleeke gezichtje van het naaistertje voor zich en ergernis trilde in haar stem: „En als de man de goed gesalarieerde baantjes aan de vrouw blijft betwisten, waar moeten wij dan van leven? Met pijnlijke ruggen het droge brood van ons naaiwerk eten om de mannen rustig en aangenaam hun betere betrekkingen te laten genieten? Hebt u dan meer medelijden met den honger van den man, dan met dien van de vrouw, dat u voor alles zijn brood beschermt?”
Moisette zag haar een oogenblik onthutst aan. „Maar de man moet het brood verdienen, ook voor de vrouw. Als hij goed verdient kan hij een gezin onderhouden.”
„En de vrouw dan?” riep Hilda bijna heftig, „moet die in dezen tijd niet ook heel dikwijls een gezin onderhouden? Sophietje heeft haar zieke moeder en ’t kleine, gebulte Fritsje, dat nooit veel zal kunnen verdienen. Vrouw van Toorn, die mevrouw verleden heeft voortgeholpen, heeft een man die al drie jaar aan tering lijdt, en zes kleine kinderen, juffrouw Spanjaard [41]heeft acht weezen van haar broer en zoo zijn er immers massa’s! De toestanden zijn niet meer, dat de vrouw rustig het verdienen aan den man kan overlaten, u weet zelf ook best hoe dikwijls het onderhoud op de vrouw aankomt en dan staat zij eenvoudig tusschen zedelijken ondergang en hard werken voor droog brood. Waarom, als zij even intelligent is en even veel haar best doet, mag zij geen even goede betrekkingen hebben als de man? Trouwens het is tegenover de Sophietjes in de heele wereld wel wat al te hard om haar iets te weigeren, dat aan den vader van een huisgezin toekomt, want zij weten heel goed, die bleeke, leelijke stumpertjes, dat niemand haar tot moeder van een gezin zal maken, en zij dus nooit zullen profiteeren van die voordeelen, die men haar onthoudt onder voorwendsel dat men ze aan haar echtgenoot wil geven.”
„Maar de vrouw hoort niet op een kantoor, zij hoort thuis in het huishouden!” zeide Moisette met een smeekenden blik op mevrouw Cranz, die zwijgend naar Hilda geluisterd had.
„Wat meent u met huishouden?” vroeg Hilda ironisch, meegesleept door het onderwerp. „Lekkere schoteltjes klaarmaken voor moeder en Fritsje? Hoe lief! Maar als er niet eens brood op tafel is? Wat is het huishouden der armoede? Geld moet er toch in de eerste plaats zijn, niet waar? Eerst moet Sophietje verdienen, en dan kan zij heel „vrouwelijk” en lief gaan huishouden!”
„Kom Moisette,” kwam mevrouw Cranz goedig tusschen beiden. „Wees nou maar goed voor mij en Sophietje en ook voor de freule van Suylenburg; je ziet hoe veel belang zij in de zaak stelt, en zorg jij nu voor die betrekking op het kantoor van je vriend, dan zorg ik voor de lessen.”
„Ik zal zien mevrouw,” zei de jonge man heesch. „Maar het is tegen mijn beginsel.”
Ineens stond hij op om heen te gaan met gejaagde bewegingen en een stijve buiging voor Hilda, maar toen zij hem vriendelijk de hand reikte, als tot verzoening na hare heftigheid, ontroerde zij van zijn donkeren blik. [42]
„Wel moeder, ik wist niet dat u zoo voor vrouwenemancipatie ijverde,” zeide de jonge Cranz lachend, op dien lichten speeltoon, half ironisch, half verwonderd, waarmede ernstige zaken gewoonlijk in de elegante wereld worden behandeld. „Sinds wanneer bent u zoo revolutionair geworden?”
„Niet revolutionair, mijn jongen, evolutionair! Geen revolutie hoor! Maar krachtige evolutie! en daarvoor is vrouwenemancipatie een van de noodigste factoren. Hoe wil je de menschheid vooruit laten gaan als de eene helft, de vrouwen, kunstmatig achter wordt gehouden?”
„Ach, moeder, menschenvooruitgang en vrouwenemancipatie, waar vermoeit u u mee? Wie tobt nou over zulke dingen? Ik zou die naaistertjes maar stilletjes aan haar machines laten en zich maar laten redden zooals ze kunnen. Alles komt in de wereld immers terecht.”
Hij lachte weer en zag Hilda aan. Maar het gesprek met Moisette had prikkelend op haar gewerkt. Zij was niet gestemd tot het licht lachend heenglijden over vragen die haar zoo’n belang begonnen in te boezemen.
„Wel zeker,” zeide zij scherp. „Wij voelen immers toch niet de rugpijn van die stumpertjes of haar vermoeienis als zij den geheelen dag getrapt hebben voor hoogstens twaalf stuivers.”
„Nou ja freule, maar men kan het nou eenmaal in dezen wereld niet iedereen naar den zin maken, niet waar? Als men toevallig iets voor zoo’n meisje kan doen, doe je het natuurlijk, maar ik zou er dien armen dominee die er gewetensbezwaren over heeft, heusch niet zoo hard over vallen.”
„Waarom niet,” zeide mevrouw Cranz, „dan moet-ie zijn geweten maar een beetje meer in overeenstemming met de eischen van den tegenwoordigen tijd brengen. Een herder mag den drang van zijn tijd niet ignoreeren. Ik kibbel er altijd met hem over en ik was blij dat de freule van Suylenburg er hem vandaag ook eens iets van gezegd heeft.”
„Maar zoudt u het heusch goed vinden freule, in ’t algemeen [43]gesproken, dat vrouwen alle mannenbaantjes konden bekleeden?” vroeg hij ongeloovig. „Och kom, zoudt u bijvoorbeeld in de diplomatie willen studeeren? Wat een gevaarlijke storingen in de gemoedsrust van al uw collega’s zou dat geven.”
Hilda glimlachte even en pijlsnel kwam het in haar op welk antwoord zij als „lief jong meisje” nu eigenlijk behoorde te geven. Ze moest even de oogen neer slaan en dan bewonderend tot hem opzien en zachtjes zeggen: „O! nee, zulke hooge, moeilijke betrekkingen meen ik natuurlijk niet. Zulke studies zijn veel te zwaar voor een vrouw!” Sinds honderde jaren zijn zulke antwoorden gegeven door vrouwen die op hetzelfde oogenblik volkomen overtuigd waren driemaal intelligenter dan haar toehoorder te zijn, maar ook wisten, dat zij nooit beminnelijker en verstandiger werden gevonden, dan wanneer zij vleiend partij trokken van zijn naïeve mannenijdelheid. Vleien is een groote macht en veel vrouwen zijn machtig geweest omdat zij den man wisten wijs te maken dat zij geloofden in zijne superioriteit.
Maar Hilda’s eerlijke fierheid liet het laffe comediespel niet toe dat de relatien tusschen de sexen in den wereldomgang zoo dikwijls bederft, en Corry’s woorden: „prachtige partij, schijnheilig freuletje,” klonken in eens luid in haar op en gaven haar lust om zelfs scherp te zijn.
„Over de gemoedsrust der heeren van de legatie zou ik mij al heel weinig bekommeren, en waarom, als er flinke, knappe meisjes waren, die er lust in hadden, zouden zij geen diplomaat worden? Door alle eeuwen heen zijn vrouwen groote staatslieden en politieke intriganten geweest.”
„Freule, als u diplomaat werd zou ik uw tegenstanders vreeselijk beklagen, u hebt het straks ook weer aan dien dominee gezien, hoe heet hij eigenlijk, Moisette? die vond het ook, geloof ik, moeielijker om u te weerstaan dan om zijn principes op te geven.”
Cranz zei het lachend zijn voornaam geblaseerd lachje om vooral te toonen dat hij het gesprek niet in ernst wou nemen, dat het voor hem niets was dan een kleine, pikante woordenstrijd. [44]
„Zeker is het ook moeielijk voor dominee Moisette om mij te weerstaan, niet omdat ik het ben, maar omdat ik alleen verlang wat een geweldig dringende eisch van elk rechtvaardigheidsgevoel is.”
Zij zeide het hoog, heel koud, uitdagend, bijna beleedigend na zijn complimentjes, en stond op in zenuwachtige ergernis. Het begon haar zoo vreeselijk te vervelen altijd om haar heen dat flauwe, gezochte schertsen, dat zorgvuldig onder ironische lachjes wegstoppen van den ernst van het leven en zijn vraagstukken. Waarom konden die menschen nooit eens ernstige zaken gewoon ernstig behandelen? En dan, er lag in Bernards toon ook nog dat hoffelijk nederbuigende, dat ze dien winter dikwijls opgemerkt had van heeren tegenover dames, alsof hij haar aardig genoeg vond om zich met haar te amuseeren, maar niet de moeite waard om verstandig mee te praten.
„Ga je al heen Hilda?” zeide de oude mevrouw. „Je moet nog maar eens dikwijls met mijn zoon komen kibbelen, dat is heel goed voor hem.”
Hilda glimlachte haar gewonen lieven glimlach toen zij afscheid van de oude dame nam, maar toen vlug langs Bernard glijdend, zonder hem de hand te geven, ging zij heen met een buiging van stijve hoogheid, die hem een beetje onthutst midden in de kamer liet staan.
[Inhoud]
„Ziezoo, dàt is tenminste een rust, de nichtjes kunnen tevreden zijn, mijn eerste ontmoeting met Cranz leek alles behalve op flirt,” zeide Hilda onder het naar huis gaan. En toch .….. er was iets in zijn oogen geweest toen hij bij ’t weggaan voor haar boog .… Nonsens, dat was immers onmogelijk. Zij vond [45]hem vervelend en aanstellerig, met zijn aardigheden en complimentjes, nadat hij in ’t gesprek met Moisette heel goed had kunnen zien dat zij in vollen ernst belang in die dingen stelde, en hij moest haar belachelijk en vinnig hebben gevonden om zich zoo op te winden. En zij probeerde het prettig te vinden dat zij zeker een slechten indruk op hem gemaakt had, maar in den grond toch hinderde het haar.
Ontevreden op Cranz, ontevreden op haar nichtjes, ontevreden op zich zelve en haar heele leven kwam zij thuis, en in den leunstoel op haar kamer viel ze neer, lusteloos en verdrietig.
Waarover had ze zich straks toch eigenlijk zoo geërgerd? Omdat Cranz spotte met vrouwenemancipatie? en Moisette er tegen was? Maar wat bedoelden zij daar eigenlijk mee? Als men zulke onderwerpen bespreekt, mocht men wel eerst beginnen met een definitie te geven van ’t geen men onder zoo’n woord verstaat.
Wat waren er nog een massa menschen die onder „vrouwenemancipatie” een soort streven verstonden om allerlei dingen te mogen doen en vrijheden te nemen waar geen enkele beschaafde vrouw naar verlangen kan. Het was vervelend al het misverstand, dat over dit woord heerschte, maar dat hadden immers alle woorden gemeen die een streven, een idee uitdrukten!
Wat een gruwelen zijn er niet bedreven in naam van het christendom dat liefde en vrede bedoeld! In naam van het geloof in een God van liefde zijn brandstapels en pijnbanken gebruikt, in den naam van vrijheid, gelijkheid en broederschap, is felle tyrannie, bloedvergieting, schending van vrijheid gepleegd; in naam van de wetenschap gebeuren de schandelijkste wreedheden, in naam van vaderlandsliefde wordt broedermoord op grooten schaal gepredikt, in naam van orde en recht wordt telkens het recht van de zwakke vertreden, in naam van de liefdadigheid wordt groote ijdelheid bedreven. Hoe kan het dan anders dat ook in naam van vrouwenemancipatie treurige, belachelijke dingen zijn gedaan, die misverstand in de wereld hebben gebracht?
Maar voor allen die het goed begrijpen is vrouwenemancipatie [46]een woord van aangrijpenden ernst. Voor hen beduidt dit het mooie streven naar een vrijheid die elk mensch toekomt, hetzij man of vrouw, een vrijheid om te mogen werken, zich nuttig maken, geld verdienen zooals eigen aanleg, behoeften en geweten het eischen, niet langer zooals traditie het voorschrijft.
„Vrouwenemancipatie is het recht voor ons om te leven niet net als een man, maar even goed als een man, niet meer aan alle zijden belemmerd!” dacht Hilda voort. Hoe is het mogelijk dat Moisette dat niet ook zoo inziet? Waarom tracht hij toch bij alle gelegenheden de vrouw terug te houden binnen haar treurig klein arbeidsveldje waar alleen droog brood te verdienen is? En wat beduidt toch al dat gepraat over de „vrouw?” en wat zij doen mag of niet? Als men de menschen er over hoort spreken, zou men soms denken dat zij het over een plantsoort hebben, die in kleigrond en niet in zandgrond behoort te groeien of andersom, in plaats van over levende menschen, wier passies, karakters, verlangens, aanleg, behoeften en roeping hemelsbreed van elkaar kunnen verschillen. Als of er niet evenveel geweldige contrasten onder de vrouwen gevonden worden als onder de mannen!
Zij amuseerde zich een oogenblik met het bedenken van tegenstellingen: Een Sarah Bernard, de verfijnde kunstenares, en een Utrechtsche orthodoxe burgerjuffrouw, een Florence Nightingale, die bij de menschenslachting van den Krim-oorlog als een voorzienigheid op het slagveld rondging en onder kogelregens de stervenden bijstond, en een Betty de Mureaux die bang was voor een muis, een Maria Theresia die een eerste plaats inneemt onder de koningen en staatslieden van haar tijd, en een dier stille liefdezusters die men in groote steden in achterbuurten soms tegenkomt, wier naam en onvermoeid troosten en helpen niet door de geschiedschrijvers worden gemeld; een heilige Theresia die den Augiasstal van het Spaansche kloosterleven der zestiende eeuw wist te reinigen, en niettegenstaande zeer vijandige tegenwerking van machtige geestelijken, met ongeëvenaarde energie [47]en tact, tucht, materieele en moreele reinheid in de kloosters wist in te voeren, en een markiezin de Pompadour, misschien de gedepraveerdste van alle courtisanes; een Harriet Beecher Stowe, de onvermoeide arbeidster aan de vrijheid der Amerikaansche slaven, die behalve voor haar groot sociaal werk nog den tijd vond om voor hare zes kinderen een uitnemende moeder te zijn, en de Madame Bovary’s, de Eline Vere’s van de geheele wereld, die in haar zinnelijk romantisch egoïsme te gronde gaan; een krijgszuchtige als de comtesse de Montfort, waarvan de Croniqueur zegt: „Quelle avait un coeur d’homme et de lion”, en eene Blanche de Castille, de teedere moeder van den heiligen Lodewijk, die zeker niet minder wijs en deugdzaam was als haar heilig verklaarde zoon; een Monica, de moeder van den heiligen Augustinus die haar zoon redde uit de zondemacht door tranen en gebed en de Parijsche elegante, die haar zuigelingen buiten „en nourrice” zendt, en haar kinderen in kloosterpensionaten laat opgroeien om zich zelf luchtig te amuseeren; een Catharina de Groote van Rusland, de infame wellustelinge en in ’t begin van deze eeuw een zuster Catherine Emmerich, die het zalig vond de afgrijselijkste smarten te dragen als verzoenende boete—zoo zeide haar heur geloof—voor de booze zonden der wereld; een freule Tinne, de stoute Afrika-reizigster, een miss Kingsley die haar gevaarvolle tocht in Kamerun volbracht en juffrouw Betje die ’t „eng” vond om over den Moerdijk te gaan; een Amalia Edwards, die haar heele vermogen beschikbaar stelde om aan University college te Londen een professoraat in de Egyptologie te stichten, een mevrouw Lewis die naar den berg Sinaï reisde om daar van belangrijke manuscripten photographische afbeeldingen te nemen en die later te ontcijferen, en mevrouw Vermaezen die hoofdpijn kreeg van een Ouida-roman, een door ziekelijke eerzucht verteerde Marie Baskirtcheff, een dweepster als Charlotte Corday, een staatkundige als madame de Stael en madame Roland, een Kate Marsden, die de afschuwelijke verblijven der leprozen opzocht om hun leven dragelijk te maken, een dichteres als Elisabeth Browning [48]een Cosima Wagner, een Jeanne d’Arc, een Bettina von Arnim, een Octavia Hill .….….….….
Dagen lang zou men immers zoo voort kunnen gaan en hoe meer namen men zou vinden, hoe sterker de contrasten zouden uitkomen. Het zou een aardige studie kunnen worden om eens ernstig na te gaan hoe weinig gelijkvormigheid er heerscht onder die millioenen individuen waarover philosophen en staathuishoudkundigen in belachelijke eenzijdigheid hebben geschreven als of het één wezen was: „de vrouw”!
O! natuurlijk er is dikwijls beweerd dat al die groote figuren excepties waren en dus niet mee konden worden gerekend als er sprake was van „de vrouw”. Maar voor wie oogen heeft om te zien rondom zich in de wereld en eerlijkheid om te erkennen, voor dien moet het duidelijk zijn dat die vrouwen die op een of andere wijze hebben uitgeblonken, geen abnormale wezens waren, maar alleen volkomen volwassene, sterke exemplaren van soorten die men in de vrouwenwereld overal ontmoet, in alle graden en schakeeringen. Duizende zielverwanten in miniatuur moeten er op dit oogenblik zijn van Kate Marsden en Ristori, en George Eliot, en mevrouw Butler, en Maria Theresia, en Ninon de Lenclos, en Vittoria Colonna en Cleopatra en Harriet Beecher Stowe! Duizenden en duizenden, bewust of onbewust moeten iets in zich voelen van hetgeen deze historische vrouwen in volmaaktheid hebben bezeten! En deze alle wilde men, de wreede, domme men, onder één etiquette „de vrouw” tot één zelfde leven veroordeelen! Was het niet onzinnig?
Waarom liet men het toch niet over aan elk individu om voor zich zelf te bepalen waar zij zich geschikt voor voelde? Wat beteekende toch dat verontwaardigde angstgeschrei zoodra een vrouw lust toonde iets anders te doen dan wat haar moeders of grootmoeders hadden gedaan of haar buurvrouwen nog deden? Alleen die enkelen, die aan groote gaven een zeldzame dosis moreelen moed, energie en volharding paarden of in buitengewone omstandigheden waren, konden nu haar eigen roeping volgen. Al [49]de anderen moesten zich nog buigen voor de uitspraken van de gedachtelooze „men.” Wat een kapitaal van liefde en gaven moest daardoor voor de maatschappij verloren gaan! Hoeveel vrouwen suften nu nog in werkeloosheid weg, die zoo nuttig zouden zijn geweest als men haar haar eigen richting had laten gaan!
Sinds honderde jaren is er nu al met gewetensvrijheid gedweept, maar hoe weinigen kennen eigenlijk nog het eerbiedigen in anderen, en vooral als het een vrouw geldt, van vrijheid in willen en werken!
Hilda bleef stil zitten, lang doorsoezend een rij van gedachten, maar in eens klonk in den gang vlak bij haar deur Corry’s hoog-kirrend lachje. De kruk werd zachtjes omgedraaid en Eugénie gluurde naar binnen.
„Zoo, ben je terug van den verkenningstocht en goed succes gehad?”
Met een leelijken lach, de bovenlip hoog opgetrokken, de oogen schril wijd geopend, de stem trillend onder den lust van te verwonden had Eugénie het gezegd, toen met een knakkenden slag sloot ze de deur en Hilda stond alleen, wild getergd, midden in de kamer, die als vervuld was plotseling met een damp van hatelijken smaad.
„Ik moet het me niet aantrekken,” zeide zij hardop met strakke blikken naar de deur. „Ik wil het me niet aantrekken. Ik wil me te hoog voelen om door zulke gemeene, laffe hatelijkheden beleedigd te zijn!” Maar wat ze ook tegen zich zelf mocht zeggen, het hinderde haar toch verschrikkelijk.
Zenuwachtig zag zij op naar het groote portret van haar vader aan den muur tegenover haar. Maar vandaag gaf het haar geen vrede. Wat zou hij wel gezegd hebben, als hij geweten had dat zijn „klein meisje” door zulke nietigheden zich het leven liet verbitteren, dat zij daar stond te trillen van opgewonden ergernis om een paar booze woorden! „De groote levenskunst,” had hij eens gezegd, „is om het kleine klein, en het groote groot te zien. Veel menschen die onverschillig blijven bij de [50]groote strijdvragen van het leven en luchtigjes omspringen met hun gezondheid, de opvoeding van hun kinderen, huwelijkskeuze en andere algemeene belangen, leven soms dagen lang in de grootste woede door een woord dat zij kwalijk nemen en worden uit hun humeur gebracht door kleinigheden, die zij zich over een paar maanden zelfs niet meer kunnen herinneren.” En zoo was immers dit hatelijke kibbelpartijtje van de nichtjes ook maar een onbelangrijk ietsje, dat zij moest trachten klein te zien! Maar het was moeilijk, verschrikkelijk moeilijk, want alles was immers relatief: Als men zijn leven vult met mooie, belangrijke gedachten en een streven naar een doel waarvoor men zich heerlijk kan inspannen, worden al zulke kwelpartijtjes een onbeduidend kruisje dat men trotsch glimlachend dragen kan. Maar als het leven één beuzelarij is geworden, zooals het hare tegenwoordig, zonder werk, zonder doel, vol nietige belangetjes, een schakel van miniatuurgewichtigheidjes, wordt elke kleinigheid een zaak van groote afmeting. Was zij den laatsten tijd niet telkens uit haar humeur gebracht door een naaister, die een japon niet op tijd had bezorgd, door avondschoentjes, waarop men verkeerde strikken gezet had, door een kleur van lint die zij niet had kunnen krijgen en nu vanmorgen weer door het jaloersche gesar van de nichtjes? O! zij voelde zich wegzinken in een stroom van nietige kleinheid.
Vlak bij haar op een stoel lag het blauwzijden kleedje klaar, dat zij vanavond in de opera zou dragen. In het glanzende blauw der plooien lag een vage herinnering aan dien lachenden toon, dien zij vanmorgen in de lucht had gezien, en de lange peau de suède handschoenen streepten dof tegen het blauw als mollige voorjaarswolkjes. Maar het voorjaarsgevoel van dien morgen was weg; zij voelde zich bitter ontstemd.
Wat werd er ook weer gegeven vanavond? O, ja, de Favorite en ’t was haar als hoorde zij de banaal zinnelijke klanken reeds dier oude theatrale aria’s met hun onware liefdesuitingen. Wat was het vroeger heerlijk geweest met haar vader in de groote schouwburgen van het buitenland. Een kleine huivering van [51]enthousiasme doortrilde haar bij het herinneren van zooveel avonden van intens genieten. Maar in het begin was het toch ook hier wel aardig geweest! Het kleine gezellige theater, al die bekende gezichten, het zoet enerveerend gevoel van bewonderd te worden, gebinocleerd, aangewezen door die menigte daar beneden in het parket, in de stalles.… zich zoo hoog en voornaam en mooi te voelen.… Een weeldedrank was het geweest die zelfs haar sterke gezonde hoofd had doen duizelen. Maar het strenge, weemoedige gezicht aan den muur durfde zij niet aanzien onder het zich bekennen dier prikkeling. Had hij dan voor niets haar het mooiste, het beste leeren kennen, dat zij zich nu nog had laten bekoren door al dat schijnmooi, en die glanzende wuftheid? O! wat was ze vandaag moe en wee van dat alles! Wat had zij in al die maanden van uitgaan gehad dat opwoog tegen een week van haar vroeger leven op reis met haar vader? Niet één onder al die vreemden tegen wie zij nu maanden lang had geglimlacht, was haar volkomen sympathiek, er was niemand onder al die menschen aan wie zij zich had kunnen hechten! En het jonge hart heeft zulk een smachtende behoefte aan liefde geven, misschien nog meer dan aan ontvangen. Daar was niemand dan de oude mevrouw Cranz en die arme Moisette, maar die twee konden haar eenzaamheid niet vullen; eenzaam was zij, en ontevreden, hongerend naar een vol en rijk leven. Maar hoe kon zij dat bereiken?
Zuchtend stond zij op, met de bewegingen van een poes, die uit een diepen slaap komt en lui het lenige lijfje rekt, als om zijn veerkracht weer te vinden.
Langzaam begon zij haar toilet voor het eten, maar haar moreele veerkracht wilde niet terugkeeren. „Waarom moet ik me nou weer aankleeên? Wat beteekent het allemaal? Wat een comedie is het leven! Daar is toch niemand, die iets om mij geeft, niemand waartegen ik zeggen kan wat ik denk, of wat ik voel! Als ik vanavond aan iemand iets liet zien van het beste dat in me is, zouên ze me vervelend of ridikuul vinden. Bewonderd en gefêteerd [52]te worden, zooals Corry het noemt, is wel een zoet gevoeletje, maar het laat je toch eenzaam au fond, als de eerste bedwelming over is. Geen van hun allen bewonderen in mij wat het heiligste in me is! Het is mijn oppervlakkigste lachje en mijn luchtig comediewoord dat ze van me vergen, om er zich mee te amuseeren!”
En toen in eens half luid, bekende zij het zich zelf:
„Ik kan het hier nooit uithouên!”
Het was de eerste maal, dat zij onder den druk van zenuwachtige ontstemming haar onbevredigd voelen duidelijk had uitgesproken. Zij schrok er zelf even van. Maar wat dan? Waar kon zij heen gaan? Wat zou ze doen?
Het sloeg half zeven, zij moest voortmaken, maar terwijl ze in groote haast het blauwzijden kleedje aantrok, klonk in het ruischen van elke beweging: „Wat moet ik doen? Ik kan het hier toch niet uithouên!” Maar een antwoord vond ze niet.
Alleen onder het naar beneden gaan, kwam het met bitterheid in haar op: „van jonge dames werd immers alleen geëischt dat zij zich amuseerden en er lief uitzagen! Wat wilde zij dan nog meer?”
[Inhoud]
Bernard Cranz was in de opera de familie van Starren komen aanspreken, den halven avond was hij bij hen gebleven en had zich bijna uitsluitend met Hilda bezig gehouden. In het begin had zij zich stroef teruggetrokken, verlegen tegenover Eugénie, die Cranz daarenboven al van haar jeugd af kende en duidelijk alle moeite deed om zijn aandacht tot zich te trekken. Maar toen hij zich telkens weer tot Hilda had gewend en haar voortdurend in het gesprek had betrokken, had zij zich op het einde maar gewoon laten gaan. Eus moest dan maar denken wat zij wilde. Zij kon [53]zich toch niet ridikuul stijf aanstellen tegen dien man die haar niets had gedaan, alleen omdat de nichtjes haar vanmorgen leelijke bedoelingen hadden toegeschreven. Als zij nu niet natuurlijk en beleefd tegen hem was, zou hij nog denken dat zij met hem wilde koketteeren of zich aanstellen over zijn spotten vanmiddag met haar emancipatieidees.
Onder het naar huis rijden was er geen woord gesproken. Mevrouw van Starren en Corry waren verdiept in die geschiedenis met von Görtzen, die weer druk zijn hof had gemaakt, en Eugénie had haar ergernis in stilzwijgen gehuld.
Maar den volgenden dag scheen, aan de oppervlakte althans, het hatelijke stormpje geheel te zijn voorbij gedreven. Er zouden tableaux vivants bij Valérie Vermaezen gegeven worden en de vraag welk toilet Eugénie en Corry daarbij zouden dragen had hen allen dien ganschen morgen weer schijnbaar gemoedelijk in een levendig gesprek vereenigd.
„Hilda, ga je mee vanmiddag om drie uur naar Ottilie van Heemeren?” vroeg Corry aan de koffietafel.
„Tenminste als je vandaag geen belangrijker bezoeken te maken hebt,” voegde Eugénie er bij. Haar stem klonk zacht en haar gezichtje was glad, naïef vriendelijk, en toch welk een wereld van booze, giftige verdenking lag uitgesproken in dit nauwelijks geaccentueerde: „belangrijker bezoeken.”
Wee, wanneer het fijne denkweefsel van de vrouw en haar scherpe instinct van wat wondend en wat balsemend zijn kan, gebruikt worden om te kwetsen, niet om te sparen.
„Zeker, vandaag wil ik heel graag met je mee gaan,” zeide Hilda bedaard, maar het bloed steeg toch warm naar haar voorhoofd. De slag had getroffen, maar zij was machteloos zich te verdedigen, de vijand was onzichtbaar. In hoevele huisgezinnen zijn niet op deze wijze geluk en vrede verwoest geworden, hoevele zenuwgestellen niet bedorven door de onedelmoedige schermutselingen in bedekte termen, waarin vooral de vrouw zulk een treurig meesterschap heeft verworven. [54]
Intusschen, toen om drie uur de beide meisjes in haar glanzende equipage op den Bezuidenhout voor het huis van mevrouw van Heemeren stil hielden, zou niemand iets van een ontstemming geraden hebben. Beiden, Corry en Hilda hadden het gezicht dat de wereld van haar eischte, lachend en onbezorgd.
Ottilie van Heemeren was op dat oogenblik een beroemde beauté in haar kringen. In het begin had Hilda zich volstrekt niet tot haar aangetrokken gevoeld. Haar ongedistingeerde schoonheid, haar zonderlinge reputatie, het ruwe in haar optreden soms, vooral als er heeren bij waren, waren weinig geschikt geweest om Hilda naar een intiemere kennismaking te doen verlangen, maar onlangs, door een toeval, hadden zij elkaar op een tentoonstelling in Pulchri ontmoet en daar in een lang gesprek over kunst, hadden beiden in verwondering ontdekt dat zij in vele opzichten hetzelfde voelden en dachten, en dit had haar veel nader tot elkaar gebracht.
Zooals de jonge vrouw verteld had, was haar voorgeschreven een paar uren in den middag te rusten en in haar overspannen verlangen om vooral esthetisch te zijn, om alles „mooi te laten doen” om zich heen en alles weelderig te hebben, had zij in haar boudoir een rustbed opgericht als voor een oostersche vorstin. De lange smalle divan was geheel bedekt met een perzisch kleed, kostbaar, met zeldzaam rijke kleuren, een hoofdkussen van goudgeel fluweel ondersteunde het mooie hoofd met de vreemde zwarte haren en daarachter donker glanzend vormden breedbladerige palmen een achtergrond. Een groote, witte berenhuid op den grond, overal bloemen in kostbare, bonte vazen, spiegels met teer matte prismas van Venetiaansch glas, zilverige draperieën van oostersche, dunzijden vrouwensluiers, tallooze kleine bibelots, meubeltjes Louis XV, een empire schrijftafeltje, waarop groepjes van Saksisch porcelein, alles wat elegante rijkdom zich aan kan schaffen in deze eeuw van namaak en stijlloosheid, was er bijeen gebracht.
Op den banalen bezoeker moest het een indruk van groote [55]weelde en pracht maken, maar voor wie zoeken naar harmonische schoonheid, was al dit opeengehoopte moois, waarvan de typen elkaar onderling zelfs hier en daar vijandig waren, bijna een marteling voor de oogen.
Hilda voelde zich bij het binnenkomen even beklemd, als bij ’t inademen van oververhitte broeikaslucht.
Ottilie stond langzaam op, elk van hare bewegingen bestudeerd, op effect berekend. Eerst kwijnend loom richtte zij zich overeind op de rustbank, haar japon met de eene hand optrekkend zoodat men het voetje met de zwartzijden kous en ’t geelfluweelen muiltje zich licht en voorzichtig op den berenhuid kon zien neerzetten en toen met een veerkrachtig opheffen stond ze in eens in haar volle lengte en ging de meisjes levendig een paar schreden te gemoet.
„Wel dat is braaf en lief van jullie, dat je me komt opzoeken!”
Zij sprak met dat weeke, half uitlandsche accent dat met slappe lippen, zonder eenige articulatie, gesproken wordt en op dat oogenblik in haar wereld bon ton was.
„Als je eens wist hoe gruwelijk ik me verveel, als ik hier zoo alleen lig. Het is haast niet dragelijk.”
„En toch heeft de dokter je zeker voorgeschreven om die paar uren absoluut rust te nemen, niet waar? zonder iemand te zien, en doen wij eigenlijk groote contrabande?” vroeg Hilda.
„Eigenlijk wel,” zeide Ottilie lachend, „mais que veux-tu? Het is niet om uit te houên, en toch moet ik het wel doen, anders ben ik ’s avonds te doodop om iets weer uit te voeren. Maar zoo’n paar visites mag wel, mijn doktertje weet ook wel dat ik er anders onder bezwijken zou, alleen heb ik haar moeten beloven dat ik geen heeren op die uren ontvangen zou, dat is te druk, begrijp je wel: met heeren is het altijd lachen en flirten, enfin .… te vermoeiend, en onder dames kun je nog es rustig over koetjes en kalfjes praten.”
„Geloof je niet dat men met heeren ook rustig en prettig kan praten?” zeide Hilda. [56]
„Prettig zeker,” zij lachte even een korten schaterlach vol dubbelzinnigheid—„maar rustig? .… O ja, natuurlijk het kan wel, er zijn zelfs wel vrouwen, die sociale kwestie en theologie met heeren bespreken, maar je weet even goed als ik dat haast alle heeren veel liever zoo’n beetje pikante nonsens met ons praten en hoogstens wat over kunst fantaseeren en verder wat complimentjes en gekheid. Zoo es gemoedelijk praten kun je toch niet met ze, of ze zijn weer vervelend.”
Hilda zweeg; zij dacht aan de heerlijke gesprekken met haar vader en met zoo menigen vreemdeling op reis, en toen weer aan van Gaefden’s jachtgeschiedenissen eergisteren en aan Bernard Cranz’s voornamen spotlach en zij begreep dat Ottilie gelijk had, wat betreft het meerendeel der heeren uit haar kring.
„Maar zeggen jullie me nou eerst es eerlijk en vooral jij Hilda, met je uitstekenden smaak, hoe vinden jullie mijn kamer? Is het geen gezellig hokje? Vindt je ’t niet goed van toon? Vindt je niet dat die geele lapjes brocaat goed doen achter dat ouwe blauw?”
„Ik vind het prachtig, bepaald uniek mooi, voor zoover ik het, met mijn niet uitstekenden smaak, kan beoordeelen,” zeide Corry half geraakt, maar toch lachend. Hilda keek rond.
„Wie heeft die mooie bloemen daar geschilderd?” zeide zij ontwijkend, naar een groot doek wijzend met knap gedane rozen en irissen.
„O, dat heb ik vroeger eens gemaakt, je weet ik schilder zoo’n beetje, als ik tijd heb en vroeger ben ik hier zelfs op de academie geweest. Maar dezen winter was het al te druk.”
„Hoe jammer dat je er niet wat meer aan doet,” zeide Hilda in eerlijke bewondering.
„Ja mijn dokter zegt altijd dat zij wou dat ik mijn fortuin en mijn .… zooals zij het noemt, mijn schoonheid verloor, dan zou er nog een flink artist uit mij terecht komen, zegt ze. O! zie je, ze vindt het afschuwelijk van me dat ik al mijn .… enfin, gaven en al mijn vermogen gebruik om mij zelf een prettig leventje te bezorgen, zij zou willen dat ik voor de kunst [57]ging leven en hard werken. Maar och je begrijpt, daar komt toch niets van, en al die mooie woorden van voor de kunst of de wetenschap, of de waarheid of de menschheid te leven zijn veel te hoog voor mijn gewone vrouwenverstand.”
Zij lachte in eens met een vreemde bitterheid.
„Ja, dat begrijp ik,” zei Corry gichelend, „voor de kunst leven! Ik zie je al Tilie, met ’n oud japonnetje ’s morgens om negen uur door weer en wind naar ’n atelier trekken.”
„Wie is je dokter, die zulke dingen tegen je zegt?” vroeg Hilda, peinzend naar de bloemen ziende.
„Natuurlijk Corona van Oven. Ken je haar niet? Ik heb juist hooren zeggen dat ze lijfarts van de jonge Koningin zou worden. Dat zou wel aardig voor haar zijn, en voor de Koningin ook, want ze is vreeselijk knap.”
„Ik heb haar nooit ontmoet, maar ik geloof toch wel dat iemand me haar es gewezen heeft, ze heeft zoo’n lief gezicht, niet waar?”
„Lief?” zeide Ottilie opgetogen, „nee prachtig! Een mooi, edel gezicht. Kijk daar op het tafeltje staat haar portret.”
Hilda nam het op en keek er aandachtig naar. Mooi, in de banale beteekenis van het woord als het samen gebruikt wordt met vrouw: „een mooie vrouw” was het niet, daarvoor was het gezicht te mager en de mond een beetje te groot, maar het lange, fijne profiel, het hooge voorhoofd van zeer edelen vorm en de groote, donkere oogen met hun strengen, kalmen blik onder de prachtige wenkbrauwen moesten een bijzonder diepen indruk maken. Hilda zag even op, zoekend naar een woord dat haar impressie kon weergeven.
„Een .… boeiend gezicht,” zeide zij langzaam. „Ja juist dat is het” .…
Maar op dit oogenblik werd Gladys van Praege aangediend en Ottilie hield stil om haar theatraal mooie opstaan te herhalen.
„Dag Gladys.”
„Dag Tilie. Dag freule, hoe aardig u hier te vinden. Dag Corry.” [58]
„Ga zitten Glad, en vertel ons iets nieuws.”
Gladys glimlachte. „Dat moet je mij niet vragen, ik kom met stadsnieuwtjes altijd met de trekschuit, en het eenige nieuws dat ik zou kunnen vertellen zal jullie niet veel interesseeren.”
„Wat is het dan? Het interesseert me erg!”
„Nou alleen maar dat ze mij gevraagd hebben om presidente van de vereeniging voor vrouwenkiesrecht te worden en dat ik heb aangenomen.”
„Maar Gladys hoe kom je daar nou bij? Wat ’n idee, en wat zegt je man er van. Me dunkt dat is niks voor hem.”
„Ja die vindt het ook heel dwaas van me, maar daarom kon ik toch niet bedanken, niet waar? Ik doe altijd erg graag wat hij prettig vindt en iets voor m’n eigen plezier zou ik nooit doen als hij het niet goedkeurde, maar als hij dingen gek en verkeerd noemt, die ik volgens mijn geweten nuttig en noodig vind, dan kan ik mij toch niet heelemaal naar hem schikken.”
Zij had het aarzelend verlegen en zoo ootmoedig gezegd dat al de anderen even lachten.
„O! wat dat betreft, ik schik me al lang niet meer naar wat mijn heer gemaal goed of verkeerd of gek vindt!” zeide Ottilie met een uitdagend oplichten in haar zonderlinge oogen. „En ik geloof niet eens dat ik daarbij juist altijd mijn geweten raadpleeg. Verleden klaagde mevrouw de Mureaux er ook nog over dat met de tegenwoordige nieuwe idees van emancipatie de gehoorzaamheid aan den man heelemaal verdwijnen zou. Maar ik heb haar gezegd: die is er nooit geweest mevrouw! Vroeger zetten de bijdehandte vrouwen, die zich de weelde veroorloofden om er een eigen overtuiging en geweten op na te houên ook gewoonlijk haar wil door. Maar dan moesten ze het dikwijls door allerlei listen en slimmigheden en pijnlijke compromietjes zien te bereiken, terwijl nou, dat zij er eindelijk achter zijn gekomen dat haar opinie precies even veel waarde heeft als die van haar mannen, nou gaan ze meer eenvoudig en eerlijk haar eigen gang, en dat is voor iedereen wél zoo goed en prettig, dunkt me!” [59]
Gladys klapte zenuwachtig in haar witgehandschoende handjes en het viel Hilda ineens op hoe aardig Ottilie kon zijn als ze maar even vergat aan haar eigen mooiheid te denken.
„Ik vind gehoorzaamheid tusschen twee vrije menschen die zich in liefde hebben vereenigd een onzedelijkheid,” zeide Gladys in plotselinge heftigheid. „Men zegt dat het in den Bijbel staat, omdat Paulus heeft gesproken van den man als het hoofd der echtvereeniging, maar Paulus was feilbaar, evengoed als ieder ander en natuurlijk had ie nog allerlei Joodsche inzichten, maar Jezus heeft nooit van die dingen een woord gezegd! Hij heeft alleen gezegd: Hebt elkander lief, en natuurlijk als je liefhebt doe je graag en van zelf wat de andere verlangt, niet waar? Maar als de man b.v. iets eischt wat de vrouw verkeerd vindt volgens haar eigen geweten en zij gehoorzaamt hem toch, dan is zij laf en onzedelijk vind ik! of als de vader iets met zijne kinderen doen wil wat de moeder, volgens haar eigen overtuiging afkeurt en zij laat hem lijdelijk en gehoorzaam begaan dan is ze een slechte moeder, en dat is het ergste wat men van een vrouw kan zeggen.”
Er was iets pijnlijks in Gladys’ heftigheid, dat de anderen even stil maakte. Men kon het aan den klank van haar stem hooren dat dit voor haar geen koel objectief te behandelen vraagstuk was, maar een dat zij zelf misschien in tranen doorworsteld had.
„Maar één moet toch de baas zijn,” wijsneusde Corry in een klein, ongemotiveerd gegichel.
„Waarom? In een gelukkig, in een mooi huwelijk zal niemand verlangen „de Baas” te zijn, in de gewone huwelijken zal de baas zijn, diegene die op een of andere manier de krachtigste is, door geldelijke positie, door knapheid, door willen, door liefde, door koppigheid, door ruwheid, of enfin door wat dan ook, en het man of vrouw zijn heeft daar niks mee te maken.”
„Dat is waar!” zeide Ottilie. „Dat wijst zich van zelf uit! Daar kan de wet toch niks van bepalen! En weet je waarom of ik dat domme artikel in ons wetboek ook zoo’n dwaze tegenstrijdigheid [60]vind? De wet beveelt de vrouw te gehoorzamen maar daar is geen een rechter die een vrouw zou vrijspreken bij diefstal of moord als zij zich beriep op de bevelen van haar man.”
„En dan,” zeide Gladys zacht met een warme kleur, „hoe plat zou het huwelijk worden en hoe zou al het mooie en ideale er afgaan als de vrouw uit gehoorzaamheid datgene geven moest wat alleen waarde heeft als het komt uit volle, vrije liefde-overgave! Als ik man was zou ik niets door gehoorzaamheid willen ontvangen wat alleen uit liefde moet gegeven worden! O! het is een schande voor elk land dat zulke artikels in zijn wetboek heeft! Toen ik trouwde heb ik ook tegen Frederik gezegd: gehoorzamen kan ik je nooit! en ’t hinderde me vreeselijk dat ik niet hardop kon protesteeren toen ze het me op het stadhuis voorlazen. Ik had net een gevoel alsof ik met een leugen mijn huwelijk inging.”
„Ik ook,” zeide Ottilie.
„Hemeltje, wat zit jullie vandaag wijs te praten! Kom Hilda, ga je mee? wij hebben er toch geen begrip van of we willen gehoorzamen of niet,” zeide Corry.
„Dan wordt het hoog tijd dat je er begrip van krijgt! Maar Hilda moet eerst nog even m’n atelier zien, wil je? Ik laat je niet zoo dadelijk weer weg gaan. Toe Corry blijf jij ook nog maar even!”
Ottilie nam vleiend Hilda’s hand, en Corry ging weer zitten, een beetje ontstemd, want het gesprek had haar verveeld. In haar jong fin de siècle cynisme vond ze het belachelijk om zoo te zitten zaniken over gehoorzamen. Het sprak immers van zelf dat men zijn eigen zin deed, als men de vormen maar in acht nam en een beetje handig was om den man van tijd tot tijd in het zoete geloof te laten, dat hij toch de baas was.
„En dus Glad, jij bent voortaan: Mevrouw de presidente der vereeniging van vrouwenkiesrecht! Hemel, wat een lange titel, ik mag wel groote couverten koopen om je mijn kattebelletjes te zenden.”
„Je moet er mij niet mee plagen Til. Het is voor mij groote ernst,” zeide Gladys zacht, verlegen. [61]
„Ik plaag je heusch niet. Als je er plezier in hebt waarom zou je niet presideeren? Vive la liberté, de vrijheid leve! Maar wat moet je nou doen? Speechen houên?”
„Natuurlijk van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.”
Gladys lachte, maar verlegen. Zij behoorde tot de heel dapperen als zij eens in ’t volle vuur was, maar bij kleine schermutselingen was altijd haar eerste neiging om weg te loopen en zich te verbergen.
„Wat heb je daar een prachtige fotographie van dokter van Oven!” zeide zij haastig om ’t gesprek op een ander onderwerp af te leiden.
„Ja, nie waar? Wat lijkt ze goed!”
„Is zij uw dokter ook?” vroeg Hilda.
„Ja zeker! Kent u haar freule?”
„Nee, eigenlijk nog niet, maar ik zou het wel aardig vinden.”
„Wel,” riep Ottilie, „ga op haar spreekuur en consulteer haar over een of ander kwaaltje.”
„Ik zou niet weten wat ik tegen haar zeggen moest, ik ben zoo gezond als een visch.”
„Och kom! Ik wed dat je toch hier of daar wel es een zenuwpijntje hebt!”
„Nee, heusch niet! Ik mankeer nooit iets!”
„Wat een wonder ben je dan! Ik dacht dat alle vrouwen altijd min of meer sukkelden.”
„Zoo als ’t fransche spreekwoord zegt: la femme est un animal toujours malade?” spotte Hilda.
„Ja zeker, in ernst, in onzen stand wèl. Ken jij onder onze kennissen iemand die geen staal of geen middeltjes tegen overspanning noodig heeft? Bij de volksvrouwen is het natuurlijk iets anders, die zijn te grof en te plat om onze zenuwen te kennen, maar een dame die niet een beetje lijdend is, is nou eenmaal niet denkbaar.”
„Dat bewijst alleen dat de hygiëne van onzen stand niet schitterend is, en ik ben blij dat ik volgens jou dan geene „dame” [62]ben! Maar hoe zal ik nou kennis maken met dokter van Oven.”
Hilda lachte en nam de Morastaander weer op om het zeldzaam aantrekkelijke gezicht der jonge doktores nog eens weer te bekijken.
„U zult haar de volgende week op mijn dinertje wel zien,” antwoordde Gladys, „of liever nà het diner, want ze heeft haast nooit tijd om te komen eten, maar, als ze dan ’s avonds niet te moe is en haar bezoeken zijn afgelegd, verschijnt ze nog wel es ’n uurtje.”
„En als ze komt, Hilda, moet je es opletten wat een vorstelijke verschijning. Niemand zie je ooit zoo mooi binnen komen!” zeide Ottilie met die kinderlijke opgetogenheid die sommige vrouwen leggen in haar vriendschap voor andere vrouwen. „Wat een malle vereering toch voor zoo’n modedokter! Wat zijn jullie toch nog kinderachtig. O! Hilda, als je Til haar gang liet gaan zou ze ’n uur lang kunnen gaan zitten dweepen met die engel van ’n Corona. Als het nou nog zoo’n aardige jonge man was met mooie, zwarte, melancholieke oogen zoo als die dokter Swartz, die zoo vroeg gestorven is, dan kun je het je nog begrijpen, daar waren alle dames op gecharmeerd, maar zoo’n juffrouw! .… Het is toch eigenlijk een heel onvrouwelijk beroep voor een meisje .…”
Ottilie verliet in eens de mooie houding waarin zij tot nu toe geposeerd had en antwoordde vinnig:
„Corry, je bent een lief, snoezig meisje, maar je moest niet zulke idiote dingen zeggen! passe-moi le mot! O! dat eeuwige gezeur over onvrouwelijkheid! Wie heeft er ooit aan gedacht sinds eeuwen en eeuwen om pleegzusterwerk onvrouwelijk te noemen! Iedereen is het er over eens dat dat nu eens een vrouwenwerkje bij uitnemendheid is. En als of niet doktoressen en pleegzusters precies dezelfde dingen zien en weten en behandelen! Geloof je dat men door dokterstudies dingen leert, die een geheim blijven voor de zuster van barmhartigheid die haar heele leven de vreeselijkste ziekten verpleegt en in de afschuwelijkste [63]achterbuurten hulp brengt? Trouwens ten eeuwigen dage zijn er immers vrouwelijke dokters geweest. De moeder van Socrates was een soort doktores, en in de middeleeuwen waren het eigenlijk alleen de zoogenaamde heksen, die de macht der kruiden bestudeerden.1 Maar toen was het een ondankbaar, zelfs een gevaarlijk werkje om zich in die dingen te verdiepen en liet men het graag aan de vrouw over.
Het is net als nu nog met het werk van pleegzusters en vroedvrouwen; zoo lang een arbeid nederig en slecht betaald is, vindt niemand het onvrouwelijk. Eerst toen het dokterzijn een eervolle, voordeelige betrekking was geworden met een kostbare, moeilijke studie vooraf, kwam men ineens tot de ontdekking dat er iets onvrouwelijks in was! Allons donc. Wat ’n onzin.”
„Ik geloof,” zeide Gladys zacht met haar haperend engelsch accent, „dat als een vrouw er roeping en gaven voor heeft—dat stel ik natuurlijk voorop—dit het werk bij uitnemendheid voor haar is. Zoo als bijvoorbeeld Corona van Oven onder alle standen werkt en goed doet, zou een man het nooit kunnen. Ze is zoo dol op kinderen en je kunt niet begrijpen wat ze niet verzonnen heeft toen mijn kleine Mary ziek was om haar zoet en bezig te hoûen. Altijd bedacht ze wat nieuws, wezenlijk geniaal. En verleden hoorde ik zelfs dat ze modelletjes had om kinderkleertjes lief en zuinig en hygiënisch te maken en bij jonge meisjes doet ze wonderen, schijnt het. Natuurlijk aan zoo’n zachte, beschaafde vrouw willen zij zooveel eerder alles zeggen, niet waar? Ik geloof stellig dat er honderde vrouwen en meisjes stilletjes zijn weggekwijnd, omdat ze den moed niet hadden om zich aan mannelijke artsen toe te vertrouwen. Misschien vindt je dat gek en overdreven, ik vind het niet, maar in elk geval is het zoo. En moreel ook, is het zooveel makkelijker en teerder om alles aan een vrouw te zeggen, die je met een enkel woord verstaat [64]en die met je spreekt net als een oudere zuster! En dan… hoe kunnen de menschen toch van onfatsoenlijkheid spreken! Ieder die ooit iets gelezen of gehoord heelt van het samenstel van het menschelijk lichaam, wat een goddelijk mooi wonderwerk dat is, moest zich toch schamen om het bestudeeren van dat prachtige mechanisme, nog wel met het heiligend doel om te genezen, onvrouwelijk, onrein te noemen. Onrein is alleen preutschheid, die gichelt en bloost, in plaats van bewonderend neer te knielen! Durch Mitleid wissend! Kennen jullie een enkel werk waar het mooie woord van Wagner zoo goed op past als op dat van de doctores? De mooie bedoel ik natuurlijk, die ’t niet als een baantje, maar zoo als Corona, als een prachtige taak opvat.”
Gladys had zich onder het spreken opgewonden en als zij maar eens over haar eerste verlegenheid heen was, kon zij veel beter haar Hollandsche woorden vinden en sprak ze zelfs makkelijk.
Corry stond op, haar kindermondje in een zenuwachtig lachje wringend.
„Nou, jullie zult wel gelijk hebben, hoor! Ik heb eigenlijk nooit zoo verschrikkelijk veel over die dingen nagedacht en jullie bent ook zoo vreeselijk knap. Maar nou moet ik heusch gaan. Dag Tilie. Hilda, jij blijft zeker nog? Al die diepzinnigheid is net iets voor jou!”
Zij ging heen, een beetje kriebelig. Zij wilde maar dadelijk naar Betty de Mureaux gaan. Die vond toch ook dat het geen vrouwenwerk was om dokter te zijn en die zou het ook wel bespottelijk vinden van Tilie en Glad om zich over zoo iets zoo warm te maken.
„Kom ga nou gauw mee hier naast naar m’n atelier!” zeide Ottilie, en Gladys en Hilda volgden.
Het atelier was een groote vierkante kamer; middenin stonden drie schilderezels waarop drie groote, onvoltooide bloemstukken, en juist als in het boudoir, was ook hier weer diezelfde fantastische weelde, die stijllooze opeenstapeling van kostbare en ook mooie dingen, die bonte warreling van bloemen en glanskleurige weefsels en vazen en spiegels van draperieën. [65]
Hilda stond een oogenblik zwijgend, probeerend te begrijpen waarom zij al dat saamgebrachte moois toch eigenlijk zoo leelijk vond.
Toen zag zij naar Ottilie die met Gladys bij een tafeltje in de hoek stond om haar een nieuw soort orchideën te laten zien en op eens begreep zij hoe het was. Elk voorwerp kon mooi zijn op zich zelf beschouwd, en kostbaar was het materiaal, maar de hand die van dit alles een geheel had gebouwd had de koortstrilling der fin-de-siècle-overspanning, de oogen die deze kleuren en lijnen hadden gekozen hadden den vaag zoekenden blik van onvoldaan rusteloos verlangen, en de geest die heerschte over dit alles, die zich in dit alles had uitgesproken, had het onzegbaar evenwichtlooze van hoogen aanleg en leeg, gemankeerd bestaan. Dat was het wat de atmosfeer in deze vertrekken zoo beklemmend maakte.
Ottilie’s schetsen en aquarellen waren aardig. Hilda beschouwde ze lang en aandachtig terwijl zij samen gezellig over kunst spraken. Iets frisch en breeds lag er in, verradend een bijzonderen aanleg, maar men zag het, er was niet gewerkt, niet hard en geduldig gearbeid, om van geboren talentje te stijgen tot kunstenares.
„Hoe jammer, kijk, die rozen daar es malsch en prachtig liggen, wat jammer Tilie dat je niet wat meer werkt. Ik begrijp niet dat je er niet alle diners en partijen voor geeft om het met jouw gaven wat verder te brengen.”
„Och het leven is niet de moeite waard om het zoo ernstig op te nemen.”
Ottilie zeide het distrait, bezig de plooien van een zilverzijden Oosterschen sluier te verschikken, en vóór zij er zich rekenschap van had gegeven. Het waren hare gewone woorden waarmee zij elke lastige opwelling van ernst uit haar leven verbande.
„Dat meen je niet Til,” zeide Gladys zacht.
Ottilie zag lachend om met hoog opgetrokken wenkbrauwen. Toen zeide zij langzaam:
„Nee, heel au fond misschien niet, maar ’t is zoo’n makkelijke [66]spreuk! En werken? Ja soms heb ik het me wel es voorgenomen, maar er komt toch nooit van. Het leven van een huisvrouw en een vrouw van de wereld is zoo druk! Vandaag heb ik nou bijvoorbeeld den heelen morgen doorgebracht met het versieren van mijn tafel voor het diner van vanmiddag. Ik heb een nieuwe kleurcombinatie uitgevonden, o, je zult zien, het komt in de mode. Paarse, heel donkere orchideën met goudgeel satijnen linten en kleine strikjes van paars fluweel met goudpailletten. Het is heel goed geworden, goed van toon, heel rijk, maar ’t heeft natuurlijk een langen tijd genomen. En zoo is er altijd wat! Ga maar na bij je zelf. Wanneer zou ik moeten werken?”
„Ja maar dat is het juist wat mij voor me zelf ook zoo begint te hinderen. Is het niet zonde om een heel leven te gebruiken voor al zulk beuzelwerk?”
Ottilie lachte en trok even de schouders op.
„Je bent een grappig meisje, Hilda, dat heb ik wel dadelijk gesnapt! Zonde? Wie denkt daar nou over? Het leven van de vrouwen uit onze wereld is nou eenmaal zoo! Toilet en duizende mondaine plichtjes, een beetje charité, een beetje lektuur, wat boodschappen doen, teaen, passen, briefjes schrijven, tennissen, fietsen, bezoeken maken, musiceeren, ontvangen, menus samenstellen, dàt is ons werk nou eenmaal!”
„Maar de maatschappij heeft al heel weinig aan al dien arbeid. Me dunkt al dat luxewerk, om het zoo maar es te noemen, waar we ons mee aftobben, en toch eigenlijk op den duur ons onvoldaanheidsgevoel niet mee verdrijven, heeft toch voor niemand eenige waarde?”
Hilda zag vragend naar hare beide toehoorsters. Zij had het meer als een probleem dan als een meening uitgesproken, want dit alles raakte van zoo nabij haar eigen levensvraagstuk.
„Wat ’n positief droge opvatting, wie denkt er nou over of zijn arbeid voor de maatschappij waarde heeft of niet? En als ik dan vanmiddag mijn tafel in mooie kleuren zie schitteren en mijn gasten zijn verrukt en ik heb het bewustzijn dat niemand [67]dit heele seizoen een mooiere tafelversiering heeft gehad, noem je dat allemaal niets?”
„Neen, niets! Voor een vrouw in de kracht van haar leven met jouw gaven!”
Hilda had het heftig gezegd en Gladys met haar zachte stem, voegde er bij:
„Ik geloof toch ook, Tilie, dat natuurlijk je tafel en je huis en je zelf mooi maken heel goeie dingen zijn, die je lang niet moet wegcijferen en die vooral hier de Hollandsche dames, wel es wat al te veel vergeten, maar het kan toch geen vulling zijn voor een heel volwassen-menschen-leven! ’t is allemaal wat je daar straks voor werkjes opnoemde: tijdpasseering maar geen tijdgebruiking! of is dat geen hollandsch woord?”
Ottilie staarde zonder antwoorden met vreemde, peinzende oogen naar haar doek. Toen ging Gladys weer voort, zacht, suggestief:
„En als je nou, om es ’n voorbeeld te noemen, in plaats van de vorige weken eindelooze visites te maken, die je toch niets kunnen schelen en zoo al meer, hard had gewerkt aan dit doek en er iets goeds van gemaakt had en je had het gezonden naar het kinder-ziekenhuis om hier of daar een kalen wand vroolijk te maken, geloof je niet dat je dan iets beters had gedaan? geloof je niet dat een goed schilderij en blije kindergezichtjes een mooier resultaat zijn van gebruikten tijd dan complimentjes van voorname gasten?”
Ottilie bleef een oogenblik nog zwijgen; haar lichten raadseloogen half gesluierd door de zwarte wimpers staarden strak voor zich uit en een moment, als een regenwolk die door de winden snel voort wordt gejaagd boven een zonnelandschap, kwam er over haar gezicht een uitdrukking van namelooze pijn. Toen schudde zij het hoofd en lachte weer:
„Met jullie valt niet te redeneeren! Ik geloof dat jullie nog vrouwenhervorming wilt gaan preêken. Maar ik ben veel te oud om nog bekeerd te worden! Mijn heele leven heb ik geleerd dat het de roeping van de vrouw is om te trouwen [68]en dan haar huishoudentje te doen en een sieraad voor haar huis te zijn. Nou dacht ik al dat ik dat ideaal vrij nabij was gekomen en nu komen jullie mij vertellen dat ik eigenlijk mijn leven… verdoe! ’t is erg hard vindt je zelf niet?”
Hilda kon niet antwoorden. De huisbel had geklonken en Ottilie met een blik op de pendule riep in eens gejaagd:
„Hoe is ’t mogelijk, al half vijf! Dan is mijn rustuur voorbij en kunnen er weer bezoekers worden toegelaten. ’t Zal zeker visite zijn, en Jacob heeft misschien nog niet eens de thee binnen gebracht.”
In een oogwenk was zij voor den grooten Venetiaanschen spiegel met de vingers de donkere kroesvlokjes op haar voorhoofd friseerend, de strik verplooiend van haar ceintuur van mort doré satijn die van voren lang neerglansde over haar reebruin fluweel kleed.
„’t Is hier ook alweer, net als overal, de kwestie van het evenwicht! Een heele boel van die kleine luxewerkjes zijn heel lief en goed als je ze maar geen te groote plaats in je leven laat innemen. Visites en diners en paars fluweelen strikjes met goudpailletten zijn allerliefst als ze maar niet een levensdoel moeten voorstellen!”
Gladys had het haastig gefluisterd, want men hoorde voetstappen naderen. Hilda knikte, maar Ottilie had blijkbaar niet meer geluisterd. Toen de deur openging, en Jacob aandiende: „Mijnheer van Brehnen,” stond zij midden in de kamer, half geleund tegen een hoog marmer zuiltje, poseerend het hoofd even op zijde gebogen om de weeke ronding van hals en schouders mooi te doen uitkomen.
„Mijnheer van Brehnen, mevrouw van Praege en freule van Suylenburg hebben mij heelemaal den tijd laten vergeten, zoodat u ons komt overvallen in het atelier, maar als u ’t goed vindt, gaan we weer naar mijn boudoir, daar kunnen we prettiger praten.”
Zij reikte hem de hand en zag hem met haar zonderling bekorenden [69]glimlach aan. Toen ging zij vóór naar het boudoir, het nauw gesnoerde bovenlijf licht wiegend op de zware heupen, een gang van ongedistingeerde gratie. Hilda volgde het laatst, huiverend in een vreemde ontstemming.
Was deze vrouw met haar sleepend uitheemsch accent, haar uitdagenden glimlach en die zonderlingen gloed in de oogen, dezelfde die straks in ’t atelier zoo eenvoudig en rustig had zitten praten? De klank van de huisbel die haar had herinnerd de buitenwereld en haar eigen rol daarin, was voor haar geweest als Klingsor’s stem als hij Kundry tot haar rampzalig werk roept. Alles was op den achtergrond getreden, alles vergeten, behalve de groote leus der mondaine: „Behagen!” En was ’t niet wezenlijk alsof een toovermacht haar daar juist had opgeroepen? Hoe kon anders deze intelligente, begaafde vrouw zich vernederen tot het willen bekoren van dien kleinen, dikken Stephaan van Brehnen, zoo’n onbeduidend jongetje met zijn wit blonde ooghaartjes en zijn fletse kleine oogen en rozig kinderteint en roodblond snorretje, waar hij verlegen telkens op probeerde te bijten.
Hilda had zelf den dorst naar succès gekend, maar op dit oogenblik had zij een klaar inzicht tot welk een vernedering hij voert als het een passie wordt. Haastig nam zij afscheid, het was haar als kon zij op eens niet meer adem halen in het geurende, bonte geglans dier kamer, en Gladys ging met haar mee.
1 Michelet. La Sorcière.↑
[Inhoud]
„U komt nog al veel bij Ottilie?” vroeg Hilda toen zij op straat naast Gladys voortging. [70]
„O ja, we wonen zoo vlak bij elkaar en ze trekt mij toch altijd weer aan. Ik heb zoo’n vreeselijk medelijden met haar. Zij verbeeldt zich dat ze zich amuseert en eigenlijk doet ze niets dan onophoudelijk bonte sluiers trekken over afgronden van verveling. Als ze maar es in iets waarachtig belang kon stellen, maar ik weet niet .… Haar opvoeding, haar man, haar kennissen, haar mooiheid, alles spant samen om haar in dat onbeduidende, gedachtelooze leven te houên, waar ze veel te goed voor is, en dus geen vrede in kan vinden, en daardoor komt ze tot allerlei verkeerde dingen. Ik geloof.……”
Ineens hield zij stil. De tram was voorbij gekomen en een lange, jonge man, toen hij Gladys had gezien, was er afgesprongen en stond voor hen.
„Dag Gladys.”
„Dag Maarten.”
„Wat een goed voorteeken, dat ik jou het eerste van alle menschen ontmoet!”
„Foei, wat bijgeloovig, wie gelooft nou aan voorteekens. Ben je al lang terug?”
„Ik ben nog geen uur in de stad.”
„Wat zie je er goed uit.”
„Niet waar? om honderd jaar te worden! Maken de kinderen het goed?”
Zij stonden voor elkaar en zagen elkaar aan met blije weerziengezichten. Toen dacht Gladys aan Hilda:
„Mijnheer van Hervoren; freule van Suylenburg.”
„Laat ik de dames niet staande houên, mag ik even mee oploopen? Hoe gaat het met de kinderen, Glad?”
En terwijl zij samen voortgingen werd aan Hilda even het verhaal gedaan van hun oude vriendschap. Als ingenieur was Maarten van Hervoren een tijd lang in Amerika werkzaam geweest en toen de intieme vriend geworden van Harry Arlington, Gladys’ jong gestorven lievelingsbroer. Dagelijks was hij toen bij hen aan huis gekomen, eigenlijk evenveel omgaande met de [71]meisjes als met de broers op de vrije Amerikaansche manier. Maar later, toen Harry gestorven was en Hervoren naar Australië was gegaan, hadden zij elkaar bijna geheel uit het oog verloren totdat verleden voorjaar Maarten in ’t land was teruggekeerd om zijn moeder, die zeer ziek was, te bezoeken.
Toen hadden zij elkaar weer ontmoet, in blijde verwondering dat het lot hen weer had samengevoerd aan deze zijde van de groote zee en de oude jeugdvriendschap was opgebloeid. Voor Gladys vooral, in haar nieuwe vaderland, was het zoo’n vreugde geweest met iemand te kunnen spreken die haar als jong meisje, bijna nog als kind gekend had en haar ouders en vrienden en familie en ’t ouderlijke huis, en honderd herinneringen aan Maud en Harry en de andere broers had bewaard. Maar in ’t najaar was mevrouw van Hervoren gestorven en Maarten, wiens gezondheid daardoor al zeer was geschokt, had kort daarop longontsteking gekregen en, bang voor tering, had de dokter hem naar het Zuiden gezonden.
„En ben je nou heusch weer even goed als vóór je ziekte? Hoe heerlijk toch van het Zuiden!” zeide Gladys hartelijk.
„Als het kan, ben ik nog beter. Ik voel me heerlijk, zie je, en dat zal me goed te pas komen! Want ik ga nou aan ’t werk zooals ik nog nooit gewerkt heb.”
„Hoe dan? is je betrekking zoo druk?”
„O nee, ik heb helaas nog niet eens een betrekking. Maar ik ga me met hartstocht op de sociale studie toeleggen. Je zult eens zien! Mijn hoofd is vol plannen, als nou mijn beurs ook maar vol goud was om die plannen uit te voeren!”
Hij lachte met een jongen hoopvollen lach en zijn lenig, tenger lichaam rekte zich uit met een beweging van groote energie.
Hilda zag glimlachend tot hem op, maar toen ze zijn oogen ontmoette, klare, lichtblauwe oogen met scherp geteekende, zwarte randjes om het blauw, had zij een zonderling gevoel alsof hun blikken elkaar aanraakten, alsof zij iets uit het diepst van hun zelf, ze begreep niet wat, in dien blik tot elkaar voelde naderen. [72]En het zonderlingste was dat zij die heel subtiele, intieme aanraking volstrekt niet onaangenaam vond, integendeel een week gevoel van rust was in eens over haar gekomen, alsof zij altijd zoo zou willen voortloopen in het paarsrose licht van den vroeg-voorjaars zonneondergang en van tijd tot tijd de immaterieele liefkoozing ontvangen van de oogen van dien vreemden jongen man.
„Heb je die plannen in ’t Zuiden opgedaan?” vroeg Gladys.
„Den heelen winter heb ik veel gewerkt en nagedacht, maar je weet wel, mama stelde zoo’n belang in al die sociale dingen en verleden zomer toen ik altijd bij haar was, zijn mijn oogen er eigenlijk eerst voor open gegaan en nou passioneert het me wezenlijk.”
Toen Maarten den naam van zijn moeder had uitgesproken, had hij even gewacht, en zijn stem had even getrild; het was maar een nuance geweest, maar Hilda’s oor, misschien nog meer haar instinkt om droefheid te verstaan, waar zij ze ook ontmoette, had het opgevangen, en verlangend om sympathie te geven zag ze weer tot hem op.
En weer gebeurde het zonderling ontroerende, weer boog hij zich tot haar over voorbij Gladys, aan wier anderen kant hij ging, en weer was het als of er onzichtbare draden uit hun oogen gingen, die elkaar aanraakten en wier contact haar stil gelukkig maakte.
Maar zij waren op de Heerengracht gekomen en Gladys stond stil voor het huis van de familie van Herkelen.
„Kom je vanavond thee drinken Maarten? Je moet me niet kwalijk nemen, maar ik heb beloofd hier een zieke op te zoeken.”
„Natuurlijk, derangeer je niet voor mij. Heel graag, dus tot vanavond.”
Hartelijk zeiden zij elkaar vaarwel. Toen boog hij voor Hilda, en wat zij anders nooit deed aan vreemde heeren, zij reikte hem haar hand. Het was alles zoo zonderling vandaag, alsof ze hem [73]al jaren lang kende en als of zij heel lang geleden nog eens zoo, precies zoo, de Bezuidenhout met hem gewandeld had en hetzelfde, precies hetzelfde had gezegd en gehoord en gevoeld.
[Inhoud]
Hilda had stil naar haar kamertje willen gaan, en zelfs gehoopt dat zij niemand in de gang zou tegen komen, maar een vreemde vroolijkheid op het anders zoo deftige gezicht van den knecht, die haar open deed, en het zien van een paar groote handkoffers en reisdekens in de vestibule, gaven op eens een andere richting aan haar gedachten. Vroolijke, drukke stemmen klonken uit de kamer, en de knecht zeide haar met geheimzinnige plechtigheid:
„Freule, de jonker is onverwachts uit het Zuiden thuis gekomen. De heele familie is in het salon.”
Hilda begreep dat zij onmiddellijk naar binnen moest gaan; zij mocht niet onhartelijk schijnen, en de komst van haar neef maakte haar toch ook wel wat nieuwsgierig. Uit zijn brieven, die meestal kort en onbeduidend waren geweest, had zij zich nauwelijks een idee van hem kunnen maken, alleen zoo nu en dan was er een woord van ironie in voorgekomen dat haar aan Eugénie’s scherpe uitvallen had doen denken. De meisjes spraken bijna nooit over hem. Eugénie scheen vroeger veel met hem te hebben gekibbeld, Hilda had haar tenminste dikwijls met nadruk hooren zeggen dat zulke aankomende jongens vreeselijk lastig zijn in huis, en aan Corry was hij blijkbaar volkomen onverschillig geweest. „Aan zoo’n gymnasiumjongen heb je heelemaal niets!” die behoorde tot een categorie van wezens waarvoor zij nog geen belangstelling kon voelen. Wat hare tante betreft, deze had zij een paar malen aan [74]kennissen een uitvoerig verhaal hooren doen van Edward’s bloedspuwing en het gevaar waarin hij verkeerd had; in dergelijke ziekteverhalen, die zij tot in de kleinste bijzonderheden mededeelde, was mevrouw van Starren onvermoeid, vooral wanneer zij vertrouwelijk met dames van haar eigen leeftijd zat te praten. Van het karakter van haar zoon had zij echter nooit gesproken, alleen scheen zij er trotsch op te zijn dat hij vlug, zonder blokken het gymnasium had afgeloopen.
Toen Hilda binnen kwam ging er juist een groot gelach op, een lachen zoo vroolijk en eerlijk als er maar zelden in den goud-purperen salon weerklonk. Edward stond midden in de kamer, gedrapeerd in een grijs geruiten plaid, een samenspraak voorstellende, die hij op reis had bijgewoond tusschen een Engelschman die bijna geen Fransch verstond en een garçon van het Grand Hôtel in Parijs. Er was een onweerstaanbare humor in de wijze waarop hij het misverstand weergaf, nu eens het snelzuivere Engelsch van den Brit met de daartusschen radeloos uitgestooten pogingen om een Fransch woord samen te stellen, en dan weer het vloeiende Fransch van den garçon, alles te zamen nog komieker klinkend door het overslaan van zijn jongensstem.
Of hij het werkelijk alles zoo had bijgewoond, of wel het meeste er op dit oogenblik bij verzon, onder den prikkel van het vleiend gevoel zoo het middelpunt te zijn, was moeielijk te zeggen, maar hij speelde aardig en Hilda bij de deur lachte mee met al de anderen tot hij zijn plaid wegwierp en haar deftig kwam begroeten.
„Ik hoef niet te vragen of je een goeie reis hebt gehad,” zei ze lachend.
„Nee, dank je, een perfecte reis. Ik ben wel een beetje eerder gekomen dan ik geschreven had, maar een paar van mijn beste kennissen daarginds gingen nu weg en toen ben ik er ook maar van door gegaan, want nou zou het er al te vervelend zijn geworden.”
„Waren die kennissen heeren of dames?” gichelde Corry.
„Heeren, natuurlijk; dames zijn nooit de moeite waard om er vroeger of later om weg te gaan.” [75]
„C’est ça! Nice heeft je niet veel beleefder gemaakt, maar misschien ben je nog wat jong om over zulke dingen te oordeelen.”
Eugénie zeide het vinnig met een tergend lachje van bescherming.
Edward zag haar uitdagend over zijn schouder aan.
„Ja, jong in jaren ben ik zeker, genadige freule, ik zal zelfs niet ontkennen dat u mij negen jaren vóór bent, maar misschien dat mijn woorden van straks eerder van ervaring getuigen dan van al te groote jeugd!”
Eugénie kleurde even onder de toespeling op haar acht en twintig jaren.
„Kom ons nou maar niks wijsmaken, van je ervaringen te Malaga en te Nice hoor! Ervaringen van negentien jaar zijn en blijven kinderspel.”
Edward antwoordde niet en streek zijn zware, donker roodblonde snor omhoog met een lachje van geblaseerde ironie, dat volkomen beantwoordde aan zijn doel om Eugénie woedend te maken.
„Maar jongen!” zeide mijnheer van Starren, zonder aandacht te geven aan het gekibbel waaraan trouwens sinds jaren iedereen gewend was, „wat zie je er toch goed uit! Ik ben verbaasd over je! Wat is ie flink geworden, vindt je niet mama? En voel je je nou heusch weer heelemaal goed?”
Hij stond op en legde zijn hand op den schouder van zijn zoon, zijn oogen waren vochtig.
„Och ja, papa, natuurlijk ben ik weer goed. U hebt u in ’t najaar mijn toestand natuurlijk erg overdreven voorgesteld en.…”
„Jongen ja, het is een vreeselijke angst geweest!” En op eenmaal was het den ouden man als zag hij weer zijn zoon daar voor zich liggen, het bleeke ingevallen gezicht, de roode vlekken overal, en in de blauwe Japansche kom, die het eerst bij de hand was geweest, het lichtroode, schuimende longenbloed. Den geheelen winter had hem dit visioen vervolgd en nu hij hem daar weer voor zich zag, zijn trots, zijn lieveling, zoo gezond en vroolijk, voelde hij zich op eenmaal heel week worden. [76]Zenuwachtig, met een korten snik trok hij Edward in zijn armen.
„Maar mijn hemel, papa, laten we nou in godsnaam niet sentimenteel worden! Ik zeg u immers dat het niets te beteekenen heeft gehad. Maar Cor, kun je ons niet wat thee en koekjes bezorgen of anders maar een glas port. Dat zal mij na de reis beter smaken dan al die belangstelling in mijn gezondheid.”
Mijnheer van Starren wendde zich stil af, zich schamende over zijn zwakheid, maar Hilda, die hem tot dusver alleen met zijn dochters en vrouw gezien had, en sterk gefrappeerd was door die onverwachte teederheid, zat stil in een hoekje van de canapé, schijnbaar verdiept in het opvouwen van haar voiletje, maar haar handen beefden daarbij. Een nameloos heimwee doorsidderde haar. O! als haar vader op dat oogenblik gekomen was en haar zoo in zijn armen genomen had! Wat was die Edward voor een jongen? Was het eenvoudig jongensbluf, die het onmannelijk vindt toe te geven aan eenige gemoedsaandoening, of was het gemis aan hart?
Een oogenblik, met intense nieuwsgierigheid, zat ze hem op te nemen. Hij had zich nu languit in een grooten fauteuil neergeworpen, een houding van nonchalante distinctie. De ellebogen gesteund op de stoelarmen, de bleeke tengere handen slap in elkaar gevouwen—het waren de handen zijner moeder, aristocratisch, met week-rose toppen en glanzend gepolijste nagels—de beenen over elkaar geslagen, de onberispelijk verlakte schoenen naar voren glimmend, een beeld van achtelooze zelfvoldaanheid.
En het amuseerde Hilda, want ze zag dat hij poseerde, en zijn voorname onverschilligheid, die waarschijnlijk een zorgvuldig nadoen was van een of ander hoog eleganten, levensmoeden vreemdeling, stond grappig bij zijn frisch, jong gezicht.
„Maar Eddy, nou moet je ons nog vertellen van dien mijnheer.… jonkheer .… hoe heet ie ook weer? Die Hollander dien je daar ontmoet hebt? Eerst schreef je dat je ’m te logeeren mee woudt brengen, en later dacht je toch dat het beter was van niet?” [77]
Corry riep het nieuwsgierig van achter het theetafeltje waar zij in kleine, drukke beweginkjes de kopjes rangschikte.
„Je meent zeker Maarten van Hervoren,” antwoordde Edward, „wat wou je van hem weten Cor, of ie een goeie partij voor je zou zijn? Nee dat is ie heelemaal niet, hoor!”
„Maar Eddy, heb je nou nog al niet afgeleerd altijd zulke onhebbelijke dingen te zeggen!”
„Wel mama, waarom mag ik dat niet zeggen? Aan de Riviera heb ik den laatsten tijd weer allerlei zulke verbazende dingen gezien van „la chasse au mari!” Badplaatsen zijn niet bepaald geschikt om andere opvattingen over zulke dingen te krijgen, wat zeg jij er van, nichtje Hilda?”
Hilda voelde zich een oogenblik verward, hier in eens tot getuige te worden geroepen. Zij zag zijn driest doordringende oogen op haar gericht en de ironische glimlach die haar zoo geamuseerd had, straks bij het binnenkomen, toen hij voor garçon speelde, begon haar in eens erg te vervelen.
„Ik ben nooit lang op badplaatsen geweest, maar ik wil heel best gelooven dat je daar allerlei treurige, rare dingen ziet; maar daarom kan Corry toch wel zonder bijbedoelingen naar dien mijnheer van Hervoren vragen?”
Corry klapte in haar dikke, blanke poezelhandjes, half verbaasd dat Hilda haar partij koos. „Bravo! Hildy, bravo!”
Edward streelde zijn knevel en zag het raam uit, zijn ironisch lachje kon evengoed Hilda’s antwoord gelden als de vreemde dingen die hij gezien had. Toen zich tot zijn moeder wendend:
„Ja, een oogenblik heb ik er heusch over gedacht, mama, om hem hier mee te brengen. Het is de merkwaardigste kerel die je ooit gezien hebt. Soms kan ie geweldig mooie dingen zeggen, dan zou je denken een groot philosoof en alles heeft ie gelezen, bepaald ongeloofelijk, en soms is ie ook vroolijk, uitgelaten als een klein kind, en goed voor arme menschen en beesten! En als ie wil allemachtig amusant! Maar juist op dien avond dat ik hem dan wou vragen om bij ons te komen logeeren, kreeg ik [78]Corry’s brief over het bal van de Mureaux en dat bracht mij weer zoo duidelijk al die uitgaanmenschen voor den geest en toevallig vertelde Hervoren mij juist ook dien avond voor het eerst van zijn omstandigheden en toen begreep ik in eens dat het een stommiteit van me zou zijn geweest om hem hier mee te brengen.”
„Waarom jongen? Waren die omstandigheden dan van dien aard .…. Enfin .…. hij is toch jonkheer van Hervoren niet waar?”
„Zeker maatje, maar hij kan daarom toch wel in benauwde omstandigheden zijn? Dat gaat best samen hoor! En toen ie er een beetje vertrouwelijker over sprak, begreep ik dan ook dat hij eigenlijk geen cent op de wereld heeft. Zijn ouders moeten vroeger schatrijk zijn geweest, maar bij den dood van zijn vader was de boel op en toen is hij, zoodra ie te Delft met zijn ingenieursstudies klaar was naar Amerika gegaan, en later nog een poos naar Australië, en daar heeft ie tenminste zooveel verdiend dat ie zich zelf en zijn moeder, die erg zwak was, kon onderhouden. Maar de groote zwaai om het fortuinrad naar zich toe te halen schijnt ie niet te hebben kunnen vinden. Verleden voorjaar is ie hier thuis gekomen omdat zijn werk in Australië toch juist was afgeloopen en zijn moeder, waar ie dol op was, zoo erg achteruit ging, en toen zij in September, geloof ik, gestorven was, had ie eigenlijk wel weer dadelijk de wijde wereld willen ingaan, maar hij kreeg longontsteking en half dood hebben ze hem naar ’t Zuiden gezonden.”
„En wat gaat ie nou doen?”
„Dat weet ik nog niet, maar hij zal er zich wel weer doorslaan, daar kunt u van op aan. U hebt nooit zoo’n kranigen kerel gezien. Als ie hier niks vindt, gaat ie maar weer de wereld in.”
„En waarom heb je hem niet gevraagd om hier te komen logeeren?” vroeg Eugénie goedig.
Edward haalde de schouders op en zag zijn moeder aan:
„Ik dacht dat jullie het gek zoudt vinden als ik zoo’n arme drommel hier meebracht. Hij mocht es verliefd op een van jullie [79]worden, dan waren de poppen aan het dansen en dan kreeg ik er nog de schuld van.”
„Edward heeft groot gelijk gehad. Zulke individuen zijn licht geneigd van je te profiteeren als je te goed voor ze bent.”
Edward dronk kalm zijn kopje thee leeg en antwoordde niet, en ’t was Hilda op dit oogenblik alsof ze hem haten moest omdat hij de partij niet nam van den man waarover hij zoo juist met bewondering gesproken had. Wat een onrecht lag er in die laatdunkende achterdocht van haar tante, en waarom bleven al die anderen daar zoo kalmgenoegelijk onverschillig bij, in hun zelfzucht van rijken, die weten dat niemand hen ooit op die manier verdenken kan!
Stil zat zij nog een oogenblik in haar hoekje, luisterend naar de conversatie die zich weer levendig kruiste over kennissen en Haagsche nieuwtjes; toen stond zij op en ging naar boven in haar eigen kamertje en wierp zich op haar bed, groote tranen neerdruppend op haar kussen. Waarom zij weende wist zij niet. Een nameloos verlangen opwellend uit diepten in haar eigen hart die zij niet kende, niet begreep, een groot verlangen naar een onbestemd iets dat hoog en mooi zou zijn, dat haar leven zou kunnen vullen, overstelpte haar plotseling. „Vader,” snikte ze zachtjes een paar maal, maar bij het aanroepen van hem, die het middelpunt harer kinderjaren was geweest, voelde zij dat ook al had hij op dit oogenblik naast haar gestaan, hij niet vermocht zou hebben dien weemoed van haar weg te nemen. Walging van haar eigen leven, van haar omgeving, van de maanden die achter haar lagen en die nu komen zouden, was als een doffe achtergrond van dit opbruisend verlangen naar een ander, rijker leven en terwijl zij zachtjes voortweende, blij de spanning van haar onbegrepen droefheid te zien wegvloeien in die warme kristaldruppels, dacht zij aan Ottilie en Moisette en Edward en aan dien vreemde met zijn magnetische oogen en het leven scheen haar vol donkere raadsels, die, als zij oplosbaar waren, toch niets dan teleurstelling konden brengen. [80]
Eerst het luiden van de etensbel herinnerde haar er weer aan dat het „jonge meisje” niet treuren mag in smartelijke onvoldaanheid.
„Lachen, amuseeren, schitteren, lachen,” gilden de hooge tonen van de bel, maar Hilda, onder het betten van hare roode oogen, in een plotselingen, woedenden opstand antwoordde er hardop tegen in: „Ik wil niet! Het mag niet! Dat kan niet de bestemming van het jonge vrouwenleven zijn!”
[Inhoud]
Na Hilda en Gladys’ vertrek had Ottilie van Heemeren nog verscheiden bezoeken ontvangen, meest heeren die hun digestievisites kwamen maken. Vroolijk en schitterend, met den hoogen uitdagenden klanklach, de raadselblikken der troublante oogen, de geestige boutades had zij zich bewogen in dien kleinen kring bewonderaars. Maar nu waren zij allen vertrokken; zij zag op de klok: half zes. Eerst om half acht wachtte zij hare gasten. Wat zou zij doen voor dien tijd? Doelloos stond zij voor het raam. Zij had nog geen zin zich nu al te gaan kleeden.
Maar ineens klonk het aanrollen van een rijtuig, pijlsnel, wild rennend kwam het aan en in een oogwenk was het voorbij. Alleen een visioen had het achter gelaten van koolzwarte paarden, kleine koper en kristal fonkelingen van lantaarns en daar boven, op den hoogen bok een glimlach teeder familiaar, een groet met de zweep in ’t voorbij vliegen.
Ottilie groette lachend terug en liet zich toen zinken op een van haar kleine fauteuils.
„Wat ’n dolleman is ie toch om zoo te hollen en nog wel op [81]de Bezuidenhout die zoo smal is! Maar wat heeft ie ze flink in de hand, die wilde zwarten en keurig netjes groeten kan ie ook in zoo ééne seconde. Een echte ridder!”
Zij glimlachte, maar met een nuance van medelijden.
„Arme jongen, ik zal hem toch maar een invitatie voor Zondag zenden, anders zal ie al te ongelukkig zijn. Het schijnt een groote vlam te worden. Als ie nou maar niet lastig wordt, kan het nog wel amusant zijn, goed om den tijd door te komen tot we naar Zwitserland gaan.”
Loom stond ze op en ging naar haar schrijftafeltje met een kleine gaapbeweging vol lusteloosheid. Toen schreef ze met groote letters, zoo als de mode was van dat oogenblik, het adres: Jhr. Mr. van Smaarth. En terwijl ze de invitatie deed, glimlachte ze weer haar wreede sphinxenlachje en herhaalde met een zucht: „Poor fool! en dat noemen de dichters liefde! Boeken en boeken vol, allemaal over liefde! die .… niet bestaat! Niets dan wat zinnelijkheid en ijdelheidsstreeling en convenance, dat is de heele verhouding tusschen man en vrouw!”
Ze stond op en trad langzaam voor den grooten spiegel, de handen achter het hoofd gevouwen, en beschouwde zich lang met nieuwsgierige aandacht. Ze stond dikwijls zoo en zij vond zich mooi, ze genoot in de bekoring van haar eigen beeld.
„Als liefde bestond, had ik haar moeten ontmoeten! Beantwoord ik niet heelemaal aan het ideaal, waarvan mannen droomen als zij van vrouwelijke bekoring spreken? En toch heb ik nooit iemand ontmoet die mij waarachtig om me zelf liefhad! ’t Is niets dan een dichterleugen, liefde. Alsof niet van Smaarth alleen zich zelve, zijn eigen genot in mij liefhad, als of niet mijn man alleen een sierlijk ornament in zijn huis, een goeie huishoudster voor zijn tafel, een jong, vroolijk gezelschap in zijn leege uren in mij liefhad. Wat kan het ze allemaal schelen wat of ik voel en lijd en of ik verga van verveling, verveling, verveling!”
Zij had het woord hardop gezegd en het verlichtte haar het met hartstocht te herhalen in een gril van machtelooze wanhoop. [82]
„En al die menschen die gelooven dat ik gelukkig ben, omdat ik jong en mooi en rijk en artistiek en bewonderd ben! Als of ik niet verging van kou en leegte en onbevrediging en verveling!”
Toen ging de deur open en mijnheer van Heemeren trad binnen. Hij was veel ouder dan Ottilie en zijn hooge magere gestalte begon zich aan de schouders wat te buigen, maar in zijn zorgvuldig geconserveerden ouderdom zag hij er zeer voornaam uit, vooral zooals nu als hij in rok en witte das was.
„Ottilie, is het geen tijd dat je je gaat kleeden? anders ben ik bang dat je je weer zoo zult moeten haasten.”
„Ja zeker ik zal dadelijk gaan,” zeide zij vriendelijk beleefd, zooals zij gewoonlijk tot hem sprak en zij ging heen nog zachtjes neuriënd „verveling.”
Maar onder het opgaan van de trap was zij reeds verdiept in de vraag wat beter zou staan bij haar nieuwe japon, haar paarlen collier of de antieke parure van amathysten.
[Inhoud]
Op het diner bij de van Praegen had Hilda Corona van Oven ontmoet. Tegen half tien was zij gekomen, een mooie verschijning, met iets zeer edels, de hooge slanke gestalte in ’t lange zwart fluweelen kleed, dat tegen het bonte lichtglanzen der andere damestoiletten streng afstak, maar mooi deed bij den zuidelijken ivoorteint en de groote grijze oogen. Zij hadden een oogenblik prettig samen gepraat en Corona had Hilda geïnviteerd om den volgenden dag bij haar te komen afternoon tea drinken. „Dat mag je wel apprecieeren!” had Gladys schertsend gezegd, „want dokter van Oven is niet gul met haar invitaties!” [83]
Maar Corona had levendig geantwoord dat zij meende met de freule van Suylenburg bijzonder prettig te zullen kunnen praten.
Het kleine huis op het Lange Voorhout dat dokter van Oven bewoonde, was niet moeilijk te vinden. In duidelijke eenvoudige letters stond het zwart tegen het grijze huisfond: Dr. Corona van Oven, arts.
Het zag er heel gewoon uit, en toch leken zij Hilda iets heel bijzonders, die woorden die daar stonden.
Een kindermeisje, aan elke hand een klein bleek kindje, kwam juist voorbij de stoep. Het eene kleintje bukte zich om een steentje op te rapen, dat glinsterde in de zon. „Wil je wel es niet zoo ondeugend zijn, akelig nest! en die vuiligheid laten liggen,” snauwde het meisje, ruw schuddend het teere armpje. Het kind huilde niet en liep voort, misschien alleen nog iets bleeker en doffer. Een paar werklieden kwamen aan, in ’t voorbijgaan de zoele voorjaarsatmosfeer besmettend met een stroom van vuile lucht, en hun lach was nog vuiler toen zij het kindermeisje een paar gemeene woorden toeriepen. Daar ratelde een equipage voorbij, een verlept blonde vrouw, een hoed met veel rozen, witte handschoenen, van achteren gezien niets dan een kostbaar kanten parasol en het was voorbij. Hilda groette even en zag toen weer naar de letters en als een revelatie voelde zij opeens hoe de wereld schijnbaar veranderingloos in de sleur van elken dag voortleeft, terwijl er groote dingen geschieden. Kinderleed, ruwheid, smerige ellende, zonde en wufte onverschilligheid schijnen overal hun gang te gaan, maar hier als een blij zegeteeken van overwonnen veroordeel stonden een paar beteekenisvolle woorden als een belofte voor de toekomst.
De voordeur ging open en Marijken, Corona’s oude meid kwam voor.
„Is u de freule van Suylenburg?”
„Ja, de dokter wacht mij.”
„De dokter is net uitgeroepen. Dat gaat altijd zoo. Je weet nooit of ze thuis zal zijn of niet. Maar lang geloofde ze niet dat [84]het duren zou en ze heeft me gezegd of u maar op d’r wachten woudt. Freule van Arkel is er ook al, die zou ook komen thee drinken.”
Hilda ging binnen, teleurgesteld. Zij vond het idee van daar met een vreemde dame te moeten zitten erg vervelend, en vroeg zich af wie het wel zijn kon. Zij kende aan het hof een ouden mijnheer en mevrouw van Arkel, maar die hadden geen kinderen. Waar kwam nou deze freule vandaan?
Corona’s kamer was een ruim en stil vertrek aan den achterkant van het huis, hoogst eenvoudig met iets van den grooten ernst van haar beroep. Het ameublement van mooi donker eikenhout met rood leer, de groote bureau-ministre, de kasten en tafels vol boeken, het zag er alles streng uit, maar toch ook rustgevend voor diegenen die met gefolterde zenuwen van buiten uit het gewoel tot haar kwamen. Geen enkele dier weeldeprullen waarmede de modesalons van tegenwoordig overvuld zijn, stoorde de harmonie van dit werkheiligdom. De eenige versiering, en die was vorstelijk, bestond uit een photographie van Braun naar Rafael’s Sixtijnsche madonna, origineele grootte. Overweldigend was de indruk der zwevende figuur. Zij vulde, zij verslond het heele vertrek, het verlichtend met haar reinheidsglans.
Hilda had de schilderij dikwijls en nooit zonder groote ontroering te Dresden gezien, maar vandaag frappeerde het haar bijzonder.
Dit was niet de teedere moeder die haar kindje koestert, niet de weemoedsvolle jonkvrouw, vóórvoelend de Mater Dolorosa, niet de hemelkoningin in extatisch opzien tot haar zoon, niet de heilige maagd in beate onnoozelheid. Dit was niet de incarnatie van gebed en vroomheid en jubelende Godsliefde of stille aanbiddende contemplatie zooals de primitieven hun Madonna’s hebben gemaakt, noch ook de gezocht mooie vrouw, het ideaal van vrouwelijk schoon, dat de renaissance heeft geschapen. Deze Sixtijnsche Maagd heeft haar eigen plaats. Het is de hoogreine vrouw, de glansoogen wijd geopend starend in de verre toekomst, [85]in één blik overziende het al, de smarten der realiteit en de vreugden van het ideale streven. Zij ziet ze vóór zich, de lijdende, zondigende menschheid, smachtend naar het verlossende liefdewoord en ’t machtige voorbeeld, zij ziet de hoog heilige taak en ’t vreeselijke wee, wachtend haar kind, en toch fier, zonder aarzelen schenkt zij het der wereld. De teederdragende handen houden nauwelijks het lichaampje vast, zij bieden het aan, heel de houding is een voorspel van ’t sterke, vrijwillige offer te Golgotha volbracht; geen week weenende moeder om haar zoons physieke lijden, alleen de hooge vrouw die in den smartelijken ernst van helderziendheid, een stille vreugdeglorie om den mond, haar kind tot het hoogste wijdt. Vrouwen die iets van dezen blik hebben verstaan, zullen groote zonen opvoeden.
Een oogenblik stond Hilda midden in de kamer, getroffen, toen dacht ze aan freule van Arkel en groette. Het was een tenger meisje, niet jong meer, met kleine, bruine oogen vol intelligentie, in een kleedje van kleurloos bruin, het type der geëffaceerde distinctie, waarin Haagsche dames met weinig fortuin uitmunten.
Gedurende haar vroegere reisjaren was Hilda zorgeloos gemakkelijk in haar omgang met vreemden geweest, maar in de leerschool harer tante had zij den laatsten tijd tegenover onbekenden iets van de voorzichtige stijfheid aangeleerd, die een onaangename eigenaardigheid van veel Hollanders is.
Na een kleine banaliteitenwisseling, zette zij zich zwijgend in Corona’s stoel, terwijl Marguérite van Arkel, blijkbaar volkomen thuis, begon thee te zetten. Een poosje zaten zij bij elkaar, in een vervelend zwijgen, toen zeide Marguérite lachend, een klein beetje verlegen:
„Ik geloof, freule, dat Corona ons samen gevraagd had omdat zij dacht dat wij beiden iets aan elkaar zouden hebben. Zij heeft mij van u verteld en ik geloof dat wij prettig zouden kunnen praten. Willen we dus maar dadelijk beginnen en niet onzen tijd verliezen om onder een paar onnoozele opmerkingen te [86]zitten wachten tot wij deftig aan elkaar zijn gepresenteerd?”
Hilda lachte, haar onweerstaanbaar jong lachen dat heel haar gezichtje verlichtte. Toen was alle reserve voorbij.
Een half uur hadden zij druk zitten praten, bijna vergetend te wachten op Corona’s komst, in de blije verwondering harer ontwakende sympathie.
„Hoe zou toch de dokter aan deze prachtige reproductie komen?” vroeg Hilda naar de Madonna wijzend.
„Dat kan ik u makkelijk vertellen, want ik heb ze haar zelf gegeven.”
„Zeker na ’n gevaarlijke ziekte? een dankoffer?”
Marguérite glimlachte met een warme kleur die aan haar stil, bleek gezichtje een gloed van jeugd teruggaf. Toen met het abandon, het spontaan vertrouwen dat zoo wonderbaar ontstaat soms tusschen vrouwen die elkaar nog vreemd zijn, maar voelen dat zij elkaar begrijpen, antwoordde zij zacht:
„Ja, voor de redding van een gevaarlijke ziekte. Een heel gevaarlijke, omdat zij moreel was. Ik heb u al gezegd dat ik het eigen nichtje ben van den adjudant der Koningin, en dat ik Fransche les geef hier aan een kostschool. Dat was mijn ziekte! Begrijpt u dat?”
Hilda’s spanningsblik liet haar dadelijk voortgaan:
„Mijn oom aan het hof, veel schatrijke familie hier, allemaal uitgaande in de hofkringen, en ik een arme schooljuffrouw! Kunt u u indenken wat dat een pijn van valsche schaamte, vernedering, afgunst was. Tot mijn twaalfde jaar was ik ook rijk geweest. Het is de oude, eeuwig zich herhalende geschiedenis der groote families, die te gronde gaan. Mijn moeder was jong gestorven, en in zorgelooze verkwisting leefde mijn vader voort in een luxe, die hij vond dat noodzakelijk bij zijn stand paste maar die zijn beurs hoe langer hoe minder toestond. Gelukkig heeft hij zijn ruïne niet lang overleefd; hij had niet in armoe kunnen leven, mijn arme papa! .… Maar ik bleef alleen achter en leerde voor mijn examens in een vochtig, kil kamertje [87]bij vuile menschen in den kost en had niets om me te wapenen tegen de hardheid van dat nieuwe leven dan de herinnering aan prachtig speelgoed en kleeren en een eigen ponny en aan de illusie om later in wit satijn met parelen naar het hof te gaan. Toch, behalve natuurlijk de enkele oogenblikken dat ik mij zelve erg miskend en diep te beklagen vond, waren mijn meisjesjaren niet ongelukkig. Ik leerde makkelijk en er waren op de kweekschool en later op de Fransche kostschool verscheiden juffrouwen en meisjes waar ik veel van hield. Heel wat uurtjes van echt dol meisjeslachen en jong dweepen kan ik mij herinneren uit dien tijd. Eerst toen ik klaar was en toevallig hier in den Haag een betrekking kreeg, begon de verbittering en de ellende. In een echte kostschoolmeisjesonnoozelheid had ik mij zoo half voorgesteld dat ik heel goed tegelijk secondante kon zijn en aan het hof kon komen en bij al mijn familie, als ik maar geld genoeg opspaarde om een mooie japon te koopen. Ik was drie-en-twintig, en had al mijn lagere aktes en die van hoofdonderwijzeres en middelbaar fransch a. De laatste jaren waren dus niets dan hard leeren geweest. Van de wereldverhoudingen kende ik niets. O! ik ben wel een echt specimen geweest van die akelige halfontwikkeling die de tegenwoordige opvoedingsmethode kweekt: aan den eenen kant een bergenhooge opeenstapeling van schoolboekengeleerdheid en aan den anderen kant volkomen onkunde van het leven, volkomen gebrek aan inzicht en begrijpen, waar het in de wereld toch juist op aan komt. Natuurlijk was ik trotsch op mijn akten en ik stelde mij voor dat mijn familie in den Haag ook trotsch op mij zou zijn, en ik daar allemaal hartelijke menschen zou vinden die hun eenzaam nichtje dat zoo hard gewerkt had en zoo knap was, met liefde zouden overladen.”
Zij lachte even, het rustige lachje van overwonnen leed.
„Toen kwam natuurlijk de ontgoocheling. De meesten kenden mij niet meer, namen geen notitie van mijn bestaan. Mijn bezoeken werden onbeantwoord gelaten. Enkelen groetten mij hoog [88]beschermend, de meeste wendden het hoofd om, alleen een oude nicht zond mij vijftig gulden en den raad om nu goed mijn positie te leeren inzien en te begrijpen dat ik, een van Arkel die haar brood moest verdienen, in zekeren zin een schande voor de familie was, hoe verdienstelijk het ook zijn mocht dat ik mij onafhankelijk had gemaakt, en zij raadde mij aan voortaan het „freule” er maar af te laten en als juffrouw van Arkel mijn carrière te volgen.”
„En wat hebt u gedaan?” vroeg Hilda gespannen. Met haar sterke vrouwenintuïtie had zij onmiddellijk het beeld van Marguérite’s toestand in zich opgenomen. Zij had ze in haar eigen hart gevoeld, de brandende teleurstelling in de menschheid, de opstand, de bitterheid die het secondantetje deze eerste jaren moest hebben geleden.
„Ik heb haar het bankje teruggezonden met de woorden: Met dank aan jonkvrouwe Brigitte van Arkel, van jonkvrouwe Marguérite van Arkel.”
De beide meisjes lachten, maar Marguérite ging ernstig voort, het was een stuk uit haar leven zoo vol pijn, dat zij het ernstig behandelen moest:
„Natuurlijk, het trotsche bloed van mijn vader zat in mij en ik betaalde hun hoogmoed met gelijke munt, en wreekte mij waar ik kon op dezelfde kleingeestige, hatelijke manier als zullie mij vernederden, maar dat maakte mij nog ellendiger, al dacht ik ook dat het mij voldoening gaf, en soms als ik zoo’n equipage zag aankomen met mijn wapen op het portier, kwam er een woede in mij op die me slecht maakte, bepaald slecht, freule, een passie van haat en afgunst. Er waren oogenblikken dat ik met vreugde een ongeluk zou hebben gebracht in die trotsche, rijke huizen waar men weelde en geluk had en de arme schooljuffrouw verachtte, en dan schold ik op de hoogere standen en verlustigde me bepaald in de praatjes van hun schandalen die ik hier of daar opving. En soms ook weer had ik er een laf, heimelijk genot in om me toch niettegenstaande alles zoo nauw [89]verwant te gevoelen aan die machtige menschen die toch zoo onbereikbaar hoog waren, dat ze mij, hoe ik me ook schrap zette, onder hun neerzien konden verpletteren. O! het waren zulke ontzettende jaren.
Alles verbitterde me, overal zag ik een vernedering in. Achterdocht en jaloezie maakten alles zwart. Voortdurend was ik in opstand over het domme onrecht van de wereld die mij, die ’t zelfde bloed in de aderen had en veel knapper en energieker was, zoo ver beneden mijn trotsche familie stelde, omdat ze meer geld bezat. Mijn werk zou ik wel prettig hebben gevonden, want de kinderen hielden van mij en ik doceer graag, maar dat was juist de ellende, een werkkring, waarom ik door mijn familie veracht werd, kon ik niet hoog stellen. Ik schaamde er mij over en de rampzalige strijd begon tusschen voort te moeten om te leven en zich diep vernederd te voelen door dat werken. Mijn zelfachting, de achting voor mijn werk begon heelemaal te zinken, en ik geloof, dat ik toen in staat zou zijn geweest een laagheid te doen, een huwelijk uit raison of zoo iets, om mij op te heffen uit wat ik toen mijn vernedering noemde.
Toen kwam Corona en zij lachte mij uit tot ik mij schaamde over mijn valsche schaamte! Haar voorbeeld deed eigenlijk nog meer; ik zag hoe zij rustig en hard voortwerkte, haar werk heilig houdend, hoe zij kalm glimlachte bij de kleingeestig beschermende hoogheid waarmee sommige dames haar trachtten te behandelen, ik zag hoe zij van dag tot dag meer achting en vereering won door de suggestieve overtuiging waarmede zij haar roeping volbracht en op eens als een zonnestraal in een kamer, waarvan de luiken lang toe zijn geweest, kwam het besef tot mij dat er nog een ander soort aristocratie is, dan die van rijkdom en luxe, een aristocratie van geest en hooge beschaving, die voor mij open stond als ik mijn best deed, en waar ik mij gelukkiger in zou gevoelen, dan in die van equipages en niets-doen.”
Beide meisjes zwegen, even voortsoezend over de beelden, die Marguérite’s lange verhaal had opgewekt. [90]
„Hoe heerlijk dat u juist toen dokter Corona heeft ontmoet,” zeide Hilda.
„Ja, heerlijk! En ik wou dat ik u kon herhalen wat zij in zulke dagen tegen mij zeide. Ik wou dat ik haar woorden had opgeschreven en ze nu kon uitgeven, want al dragen ook niet veel meisjes zoo’n lastigen naam als de mijne, mijn strijd in alle nuancen en graden wordt nog iederen dag gestreden door honderden vrouwen, die door den nood gedrongen zijn om geld te verdienen, terwijl fatsoen en deftigheid werken voor geld verbieden. Dat geeft het schandevol hunkeren naar een huwelijk, het eerste het beste, en het tot den laatsten dag uitstellen om te gaan verdienen van meisjes die het hoog noodig hebben, maar die liever in den uitersten nood, de goede jaren en gelegenheden laten voorbijgaan dan tot dat gevreesde te besluiten! Het is de groote factor van zedeloosheid en energieverslapping onder de onbemiddelde vrouwen! En o! als zij het toch maar wilden begrijpen, dat nu de tijd voorbij moet zijn, dat het eervoller voor het jonge meisje is, haar leven in onhandige philantropie of in de enerveerend drukke leegheid van uitgaan te verbeuzelen of hoogstens in onbemiddelde huishoudens meidenwerk te doen, dan flink te arbeiden en zich zelve een vrij bestaan te verdienen ten nutte van het algemeen. Want dit moet het principe van werken worden, zoowel voor mannen als voor vrouwen: Nuttig zijn, iets beteekenen voor de gemeenschap! Omdat leven zonder werken niet fatsoenlijk, maar eerloos is en ook omdat er toch geen heerlijker, glorieuser, moreeler geld is dan het zelf verdiende!”
In groote opwinding had Marguérite voortgesproken, het stille gezichtje één leven. Hilda voelde zich meegesleept; het was haar op eenmaal als viel er een nieuw licht op haar vaag onbevredigd voelen van den laatsten tijd. Zij was verlegen wat te antwoorden. Marguérite had zoo vreeselijk groot gelijk, maar wat kon zij antwoorden, zij met haar beuzelleven?
Maar ze behoefde niets te zeggen. Marguérite had haar een [91]nieuw kopje thee gebracht en bleef voor haar staan. Aarzelend, kinderlijk lief, vatte zij haar hand:
„Vindt u het niet gek van me, freule van Suylenburg, dat ik u dat allemaal zoo bij onze eerste kennismaking heb verteld? Maar! u kunt niet gelooven hoe deze kwestie mij passioneert, en uw vraag over de Madonna bracht er mij zoo van zelf op. Ik zou soms willen uitgaan en er hardop over preeken! Ik zou het onze jonge meisjes met hartstocht willen toeroepen tot ze ’t eindelijk verstonden: Ga uit en werk en grijp je aan! Gebruik dan toch je gaven en krachten, die God je er voor gegeven heeft! Stel je niet tevreden met dien toestand van te veel geld om te verhongeren en te weinig om echt van te leven, waarin zoovelen nu nog treurig voortsoezelen, werk uit al je macht in alle richtingen, je hebt evengoed als je broers recht op een onafhankelijk, werkzaam leven!”
Hilda zag tot haar op met haar sympathiek jonge glimlach van opgetogenheid.
„O! Waarom doet u het niet! Waarom gaat u niet uit preeken? Ik geloof dat u ons allemaal zou kunnen meeslepen!”
Maar Marguérite, met iets mats in eens na de opwinding van haar spreken, schudde het hoofd.
„Later misschien. Eerst moet ik zelf nog een boel leeren en lezen en denken en dan.…. Waarschijnlijk kom ik later aan het hoofd van de kostschool en als ik er dan een opvoedingsinrichting van gemaakt heb, zooals ik mij die voorstel, waar wij denkende, voelende vrouwen zullen klaarmaken, inplaats van zooals nu, welgemanierde volleerde jonge dames—wat een grappig veelbeteekenend woord nietwaar: volleerd?—dan ga ik misschien uit om te preeken.”
Op dit oogenblik kwam Corona binnen. Zij had blijkbaar hard geloopen en zag er onder het strooien voorjaarshoedje met de animatie van het snelle gaan, jonger en vroolijker uit dan den vorigen avond.
„Preeken, Maggy? Wou je gaan preeken? Maar je doet je [92]heele leven niets anders, kind! Is ze niet al te zwaar op de hand geweest, freule?”
Marguérite antwoordde met gezochte deftigheid, maar om haar oogen wemelde het van lachtrekjes.
„Je moest je schamen, Corona van Oven. Eerst laat je je gasten alleen zitten en dan luister je aan de deur wat zij zeggen. Maar hier in deze zelfde kamer heb ik zooveel preekjes van jou gehad, dat ik hier gerust durf zeggen dat ik op mijn beurt ook eens zou willen gaan preeken.”
Hilda stond op; het was laat geworden en zij moest uit eten.
„Ik hou erg veel van die soort van preeken!” zeide zij lachend. „Mag ik er nog eens meer een komen hooren?”
„Ik hoop, dat u heel dikwijls komen zult!” zeide Corona hartelijk.
En terwijl Hilda naar huis ging, vreemd ontroerd door dien blik op een leven vol werk en strijd, dat haar nieuw was en boeiend scheen, zeide Marguérite van Arkel:
„Ik geloof dat je gelijk hebt, Cora mia, er zit iets heel aardigs in dat meisje. Het zou zonde van haar zijn, als zij verloren ging in het fladder-leven van niets-doen.”
„Ik geloof het ook! Heb je nog iets dieper met haar kunnen gaan dan de gewone praatjes?”
„Ja, het kwam zoo van zelf. Zij vroeg hoe je aan de Madonna kwam, en toen heb ik haar het heele verhaal van mijn ziekte gedaan.”
„En geloof je dat het haar pakte; dat zij het begreep?”
„Ik geloof het zeker. Maar hoe heb je haar gisterenavond in dat korte oogenblik eigenlijk zoo ineens ontdekt onder al die menschen?”
„Ik had al van haar gehoord door mevrouw Cranz en door Gladys van Praege, en gisteravond viel het mij op, hoe koel zij was tegen den jongen Cranz, die haar blijkbaar erg het hof maakte, en toen begreep ik dat zij bepaald anders moest zijn, dan de meeste, om zoo’n prachtige partij niet vriendelijker te behandelen.” [93]
„Misschien was het koketterie?” zeide Marguérite aarzelend.
„Neen, Maggy, dat kun je toch wel dadelijk zien, ze ziet er niet uit als een kokette, vindt je niet?”
„Neen, maar met die echte uitgaan-meisjes kun je ’t nooit weten, ze zien er soms zoo lief en onschuldig uit en ondertusschen .…”
„Nee!” zeide Corona warm, „van die comediantjes heeft Hilda heelemaal niets. En dan toch Maggy, al kunnen die listige onnoozelheidjes ook nog zoo makkelijk haar dupes onder de heeren maken, geloof je dat wij er ooit een van beiden zouden inloopen? Vrouwen zien onder elkaar zoo oneindig scherp.”
„Ja, dat is waar, en je zult wel gelijk hebben dat Suylenburgje beter dan de meesten is, eigenlijk geloof ik het zelf ook wel, en wij kunnen ons best voor haar doen, maar geloof je heusch, Cora dat het ooit gelukken zal om een meisje uit die wereld tot werken te krijgen?”
„Wij moeten het in elk geval probeeren. Het kan niet lang duren of zij zal zich onbevredigd gaan voelen. Misschien doet ze ’t nu al, en dan zullen we zien! Het moet er toch eenmaal toe komen dat de rijke en voorname vrouwen aan het werk trekken. De vrouwenzaak zou er zoo oneindig hooger door worden wanneer principes en niet alleen meer geldnood de meisjes aan den arbeid deed gaan!”
„Amen!” zeide Marguérite. En in een elan van dartele teederheid hare beide armen om Corona heenslaande:
„O! Corretje, ik wou dat ik rijk was! Niet meer om naar ’t hof te gaan in wit satijn met parelen, maar om een groote school op te richten waar ik meisjes tot geëmancipeerde vrouwen zou willen opvoeden! Zie je, niet zoo als de domme wereld van ons denkt als we van emancipatie spreken, dat we vrouwen tot mannen willen maken, maar vrouwen tot waarachtige vrouwen, niet meer, zooals nu de meesten zijn opgevoed tot vrouwelijke kinderen, die alleen maar lichamelijk volwassen zijn. En dan zou ik aan de heele wereld willen zeggen: zie jullie het wel? Ik [94]ben schatrijk en toch blijf ik „schoolmamzel”. Het is heerlijk om elken dag een vaste taak te volbrengen, waar je in geloofd en waar je je geschikt voor voelt. Heerlijk om trotsch te zijn, op ernstig plichtgetrouw werken!”
Corona bukte zich, zachtjes glimlachend, en kuste haar op het voorhoofd. Toen, met een vreemd vertrekken van pijn in haar bleeke gezichtje fluisterde zij:
„Blijf je bij mij eten, lieveling? Ik wou je spreken .… Ik wou je laten lezen .…. Ik heb een brief van Frank .….”
[Inhoud]
Sedert Edwards thuiskomst was er in huis een vroolijke gezelligheid gekomen die Hilda er tot nog toe niet gekend had. Niet dat hij zooveel thuis was: Scheveningen en zijn nieuwe rijpaard namen hem een groot gedeelte van den dag in beslag, maar aan tafel, nu de stilte van het zomerseizoen begon en men dikwijls alleen onder elkaar was, vulden zijn komieke verhalen en grapwoorden heel wat stille oogenblikjes aan.
Mijnheer van Starren vertoonde zich meer in den huiskring, mevrouw scheen minder koelvormelijk als Eddy haar liet lachen en met Corry kon hij stoeien langs de trappen en door de kamers als een paar jonge honden. Alleen Eugénie was in zijn bijzijn nog scherper in haar replieken dan vroeger. Woorden van boosaardige geestesscherpte, van wreed koud spotten en hatelijkheden in bedekte termen werden er voortdurend tusschen hen gewisseld. Het was een antipathie die zich reeds als kinderen bij hen had doen gevoelen, en die zich bij het groeien van hun vernuft en het zich weinig ontwikkelen van hun gemoedsleven noodwendig moest accentueeren. Maar Eugénie bleef den laatsten [95]tijd veel alleen op haar kamer en haar afwezigheid, misschien nog meer dan Edwards bijzijn, gaf iets van rust en gezelligheid in de huiskamer.
Veel zat zij alleen, maar niemand bekommerde er zich over wat zij daar eigenlijk al die uren uitvoerde. Niemand nam er eenige notitie van als zij zoo lang wegbleef en niemand wist dat zij dan soms stil ineengezonken, uren lang in haar stoel zat, hopeloos dof voor zich uitstarend met een slap slaperig gevoel in haar hoofd, alsof het leeg was, tot haar oogen toevielen en onder de neergeslagen wimpers tranen weggleden en de bovenlip zich met kleine kramptrekjes optrok als van lachen, akelig lachen. Soms ook zat zij te lezen met brandend roode vlekken van inspanning op de wangen, voorover gebogen, ademloos het gif inzuigend van romans uit een leesbibliotheek, die zij zorgvuldig, zelfs voor Corry, verborgen hield. En als zij dan beneden kwam in gezelschap, soms mat en klagend over hoofdpijn, soms koortsig opgewonden, was er niemand die acht gaf op die vreemd afwisselende stemmingen.
De huisgenooten vonden haar lastig en prikkelbaar, maar niemand verdiepte zich in de oorzaak daarvan. In hoeveel gezinnen leven niet de familieleden geestelijk verder van elkander verwijderd, dan wanneer zij vele dagreizen van elkaar gescheiden waren? Wat zij aan zouden doen, waar zij heen zouden gaan, om zich te amuseeren, en wat zij af te keuren vonden in hun wederzijdsche kennissen, dat waren de eenige punten van belangstelling in elkaars voelen en denken, die de van Starren’s kenden.
Juni was heet en droog dat jaar. Brandend scheen de zon op de kiezelpaadjes van den tuin en honderde rozen kaatsten de stralen terug in verblindenden kleurengloed. Hilda en Corry zaten in de veranda, warme geurende lucht stroomde bedwelmend binnen, maar de groote marquise hield den zonnegloed buiten en met de donker gehouden tuinkamer tot achtergrond, de afhangende varens, de beide meisjes in haar lichte zomerkleedjes, lag er iets feestelijk rustigs in de geheele omgeving. [96]
„Hê, wat heb jullie ’t hier lekker! Zeg meisjes, twee nieuwtjes, is dat niet veel voor zoo’n snikheeten morgen, dat je al je verstand voelt wegsmelten?”
Edward wierp zich languit op de rieten sofa. Keurig, bijna fatterig zag hij er uit in zijn nieuw fluweelen rijpak, met de lichtgele, leeren slopkousen, toegegespt tot aan de knie en de kokette jockeypet, waarop hij ijdel was als een kostschoolmeisje.
„Twee nieuwtjes, Eddy?”
„Ja, eigenlijk zelfs drie, maar dat derde beteekent minder voor jullie, dat is alleen maar, dat Maarten van Hervoren weer een goeie betrekking gekregen heeft, en nog wel hier in de stad, aan de fabriek van Lagrange en Co.”
Een zacht gichelen liet zich in de donkere achterkamer hooren, waar Eugénie en Betty de Mureaux bij de piano muziek aan het doorbladeren waren. Edward sprong op:
„Neem me niet kwalijk, freule! Ik had u in de schemering niet zoo gauw gezien.”
„Toch geen godenschemering?” vroeg Betty, op den klank afgaande, want zij had geen flauw besef wat het woord beteekende.
„Een godinnenschemering!” zeide Edward met de mooiste buiging uit zijn flirtrepertoire, maar zijn koel ironische glimlach zeide het dubbelzinnige van zijn antwoord.
Betty echter nam het als een compliment op en lachte een behaagziek lachje.
Het was een klein dik meisje met zwaar plompe bewegingen. Het dunne gladde haar, licht blond, was van achteren in een armoedig knoopje gewonden, het geheele gezichtje, wasachtig rose, onbeduidend, had Hilda dikwijls herinnerd aan een boerennaaistertje te Suylenburg. Het waren de zware vormen van den landbouwstand, de matte teint en de stijve bewegingen van een zittend leven en zij had zich verwonderd hoe deze erfgename van het oude refugié-geslacht, dat zich sinds eeuwen in weelde had kunnen verfijnen, dit grove type kon aanbieden. Toch hield zij wel van Betty, iedereen hield van haar. Zij was zoo goedig en [97]zacht, vooral onder meisjes alleen, want als er heeren bij waren, had zij soms iets nerveus dat haar onnatuurlijk maakte.
„Maar vertelt u nou gauw uw nieuwtjes, of zijn het geheimen voor mij?” zeide Betty, met een poging in haar fletse oogen om schalks te kijken.
„Nee, zeker niet freule, ze zullen u ook interesseeren, denk ik. Wel, het eerste is, dat Valérie Vermaezen begin September trouwt op hun buiten te Wassenaar, en dat er groote feesten komen, waar iedereen op gevraagd wordt.”
„Hoe aardig!” riep Corry bijna juichend. „Zij was eerst van plan om in November te trouwen en dan hier in de stad, maar buiten zal het veel aardiger zijn!”
„Nou, dat groote nieuws had ik jullie ook wel kunnen vertellen! Als of ik, die haar bruidsmeisje zal zijn, dat niet al lang wist!” Eugénie zeide het met tergende minachting.
„En waarom vertel je het dan ook niet? Je bent altijd zoo gewichtig en geheimzinnig, als je zoo iets hoort!” zeide Edward, boos dat zijn nieuwtje bekend was.
„Och, ik vind dat nou zoo belangrijk niet. Ik maak niet zoo’n drukte over zoo’n bruiloft.” Koud sarrend, uit de hoogte klonk Eugénie’s antwoord.
Edward stoof op.
„En wat vindt de freule dan wél belangrijk? Wat is er ooit belangrijk voor vrouwenhersens, dan de partijen die er zullen zijn en de toiletten, die zij zelve en haar vriendinnen zullen aanhebben en de heeren die ze daar zullen ontmoeten? Dat is jullie heele leven! En dat geeft zich dan nog airs van zoo’n trouwfeest niet hare aandacht waardig te keuren.”
Betty zag vleiend teeder tot hem op, maar hij lette niet op haar.
„Maar mijnheer van Starren, waarom spreekt u nou zoo in ’t algemeen? Corry en ik vonden uw nieuwtje heel belangrijk. En dan .… wij stellen toch ook nog in een heele boel andere dingen, dan die u daar opnoemde, belang!”
Eugénie en Edward stonden tegenover elkander, elkaar strak [98]uitdagend aanziende; hij vuurrood in die machtelooze drift, waarin Eugénie hem telkens wist te prikkelen, zij zeer bleek, het hoofd achterover, de koude oogen, de opgetrokken bovenlip éen tergende minachting. Buiten zich zelve barstte hij uit:
„Nou, die heele boel andere dingen zullen allemaal wel even interessant zijn als de japonnen kwesties. Alsof dames zich ooit interesseerden voor ernstiger dingen! Daar hebben ze immers geen hoofd en geen tijd voor! Zooals Schopenhauer zegt: de vrouw is maar een tusschenwezen, tusschen man en kind!”
Driftig, persoonlijk beleedigend, slingerde hij zijn woorden naar Eugénie.
„Maar, dat moet u ons niet verwijten, dat kunnen wij toch niet helpen!” riep Betty koket pruilend. Het scheen niet in haar op te komen, dat Schopenhauer’s uitspraak minder juist kon zijn.
„Eddy, Eddy, wat hol je door!” Zacht legde Hilda haar hand op zijn arm.
„Edward, lieve jongen, je bent een echte parvenu!” zeide Eugénie ijzig kalm.
Het kwam striemend op hem neer, hem treffend in zijn teerste gevoel. Sinds maanden was al wat chic en elegant was, zijn hoogste streven geweest, met jonge naïviteit had hij genoten van het bewustzijn een van Starren te zijn, en rijk en voornaam.
„Hoe meen je dat?” vroeg hij onthutst, heftig kleurend.
„Parvenus, beste jongen, zijn menschen die een weelde hebben verworven, die zij nog niet sterk genoeg zijn, om in volkomen evenwicht te dragen. En nu schijnen het dons op hun bovenlip en een hoopje boeken in hun hoofd voor sommige jonge heeren zulke verbazende schatten te zijn, dat zij die niet zonder bluf kunnen bezitten en op iedereen neerzien, die het niet zoo ver kan brengen. Later als je er wat aan gewend bent, zul je dat parvenuachtige superieurvoelen wel afleeren.”
Betty de Mureaux stond op, pijnlijk verlegen onder dat gekibbel en haar afscheidnemen voorkwam een nieuwen uitval van Edward. [99]
Hilda liet haar uit en toen zij weer binnen kwam, waren de beide meisjes verdwenen en Edward stond in de veranda te bladeren in het boek, waarin zij had zitten lezen. Hij was nog woedend.
„En Eddy, nou het tweede nieuwtje!”
Hij keek op, wantrouwend. Haar oogen waren groot open, vol vriendelijkheid, zonder leedvermaak over Eugénie’s vernederende terechtwijzing.
Dat scheen hem op eens tot rust te brengen, weer in zijn goed humeur.
„Kan het je heusch iets schelen?”
Hilda stelde op dit oogenblik er meer belang in, om zijn gekwetst gevoel te verzachten, dan in hetgeen hij te vertellen had, maar lachend knikte zij ja.
„Wel, ik heb vanmorgen een invitatie gekregen van Lord Hampden, je weet wel, dien ik aan de Riviera heb ontmoet, om van den winter op zijn jacht mee naar Japan te gaan.”
„O Eddy, hoe heerlijk!” riep zij hartelijk.
„Ja, maar nou de meisjes het toevallig niet gehoord hebben, moet je er maar liever met niemand over spreken, want ik denk dat papa het niet makkelijk goed zal vinden. Hij rekent er zoo stellig op, dat ik nou ga studeeren, en daarom zal ik m’n nieuwtje maar liever tot Augustus voor me houên, tot we kamers gaan zoeken in Utrecht. Dan is het nog tijd genoeg om met het gezanik te beginnen. Maar Hildy, waar haal je dat boek vandaan?”
„Ik heb het van Corona geleend. Het is prachtig, ik zou willen dat iedereen het las.”
Edward glimlachte, zijn aangeleerd quasi voornaam cynisch glimlachje, dat hij had afgezien op reis van oudere mannen, die het leven waarlijk cynisch had gemaakt.
„L’Histoire morale des femmes, Legouvé. Zoo, lees je over vrouwenemancipatie! gut Hildy, ga je daar toch maar niet mee vermoeien.” [100]
„Waarom niet?”
Edward schudde het hoofd.
„Je krijgt het toch niet gedaan, dat de meisjes zich wezenlijk gaan interesseeren voor de groote vraagstukken van onzen tijd, en dan is het maar beter dat ze niet te veel over vrijheid en rechten hooren.”
Hilda zag in de verte naar den zonglanzenden tuin. Daar fonkelden de donker roode rozen en de geelwitte met mat zijden reflets, alle hadden groote scherpe doornen, en daar was het koele schaduwplekje onder de kastanje, en verder was alles gehuld in het levenbrengende licht. Dat was de wereld met licht en schaduw, met pijn en vreugde en hier binnen heerschte voorname schemer. De marquise scheidde die beide werelden. Als de marquise werd opgetrokken op dit oogenblik, zou de veranda juist zijn als de tuinen daarbuiten, vol scherp licht en zwarte schaduw. Kon ook die andere marquise, geweven uit onverschilligheid, onkunde, wuftheid en fatsoen, in wier droomerig schemerlicht de meeste dier vrouwen nu voortsuften, die niet door nood het leven in waren gedrongen, niet ook eens opgetrokken worden? Dan zouden vanzelf de sluimerende verandabewoonsters wakker worden en zich midden in het leven voelen, niet meer als daar buiten staande toeschouwsters.
„Waarom zouden meisjes geen belang kunnen leeren stellen in de vraagstukken van haar tijd? Ik doe het toch ook wel.”
„Ja, maar jij bent ook een uitzondering, die den regel bewijst.”
„Dat geloof ik niet, ik heb alleen maar een beetje ruimer en ernstiger opvoeding gehad. Ik geloof zeker dat, als er nu bij de meeste vrouwen nog zoo weinig belangstelling is, dat komt omdat men haar geleerd heeft dat het lief en braaf en vrouwelijk is, om zich niet te bemoeien met dingen van algemeen belang. Want aan alle groote bewegingen die haar tijd in beroering brachten, het Christendom, de Fransche revolutie, de Amerikaansche slavenemancipatie, enz., enz. hebben de vrouwen altijd met hartstocht deelgenomen, en tegenwoordig is er toch ook [101]eigenlijk geen eene ernstige beweging op welk gebied ook, die niet haar vrouwelijke kampioenen heeft.”
„Nou, ik geloof toch nooit dat je er zulke meisjes”—met een hoofdknik wees Edward naar de plaats waar zooeven Betty de Mureaux en zijn zusters gestaan hadden—„toe krijgt om zich voor iets anders dan haar prulbelangetjes te interesseeren. En dat is immers maar goed ook, de wereld kan het best zonder ze stellen.”
„Nee, ’t is volstrekt niet goed! al die millioenen onverschilligen werken zoo belemmerend voor ieder die een beetje vooruit wil! ’t Zijn net wollen dekens waar elke kreet van enthousiasme of verontwaardiging in gesmoord wordt. Elk mensch behoorde zich tenminste voor één van de problemen, die dezen tijd in ontroering brengen, warm te maken! en voor de vrouwen zelf zou het ook zoo’n boel beter zijn als ze aan alles deelnamen.”
„Geloof je? Nou ik weet het niet hoor! voor haar zelf zou het ze maar pedant maken als ze overal in wouen mee praten en geloof je nou heusch, dat er zoo veel reden tot verontwaardiging is? Ik vind het toch nog zoo kwaad niet, in de wereld.”
Hilda lachte.
„Nee, in zoo’n mooi pakje, met zulke prachtige rijlaarzen en een heerlijk egyptisch cigaretje, is het voor jou ook heusch „nog zoo kwaad niet.” Maar als je vindt, dat de toestanden wezenlijk goed zijn, dan zou ik haast zeggen, dat jij je ook nog niet hard voor de vraagstukken van je tijd hebt geïnteresseerd!”
„Je bent veel te bijdehand, Hilda.”
Zij lachte weer haar zachten zonnigen lach, die altijd ontwapende, maar toen heel ernstig:
„Nee maar, heusch, Eddy, geloof je nou ook niet, dat Eugénie bijvoorbeeld heel anders zou zijn als zij iets had, dat haar leven vulde, waarvoor zij haar intelligentie nuttig kon gebruiken, dat haar afleidde van haar eigen kleine bittere gedachtetjes? Ik geloof, dat zij dikwijls zoo onaangenaam is, alleen omdat ze niet weet, wat ze met zich zelf moet aanvangen.” [102]
Edward zag haar even strak verwonderd aan. Hij had er zich nooit rekenschap van probeeren te geven, waarom Eugénie zoo hatelijk in haar eigen kring, zoo lief en geestig bij vreemden kon zijn.
„Laat ze dan trouwen, dat is toch het natuurlijkste voor een meisje. Dan heeft ze bezigheid en afleiding.”
Hilda trok de schouders op, ongeduldig over het eeuwige argument.
„Zij kan toch zoo maar niet eens trouwen, bij wijze van een bezigheid te zoeken! Er dient zich toch ook eerst een partner voor te doen.”
Edward lachte zijn ruwen lach:
„Ja, dat is waar! Het arme kind! Na al die jaren nog geen man kunnen vinden, en toch zoo veel kleedgeld, en zooveel lieve lachjes! De jacht schijnt moeielijk tegenwoordig! Zeker weinig wild.”
Hilda kleurde onder zijn grove woorden, en even had zij lust om weg te loopen. Toen zeide ze warm:
„Eddy, hoe kun je nou toch zoo iets zeggen? Dat is juist de ellende van den heelen toestand. Als wij dringend wijzen op de wenschelijkheid van te werken, van deel te nemen aan alles wat in de wereld omgaat, dan zegt men ons: Trouw! het huwelijk is de plicht en de plaats van de vrouw! Maar o wee, als we dan toonen dat we graag trouwen willen, dat we ons best doen om die plaats te veroveren, die ons geleerd is onze uitsluitende bestemming te zijn! Het is een contradictie, die als een vloek over het bestaan van het jongemeisjesleven ligt. Trouwen is de bestemming! Ja maar om die bestemming te bereiken mag men geen hand uitsteken zonder ridikuul, bijna verachtelijk te zijn, terwijl het toch in de natuur ligt van elk jong mensch om te streven naar wat zijn bestemming heet te zijn! Waarom leert men ons niet liever: „Werk en wees nuttig, hetzij in, hetzij buiten het huwelijk, ontwikkel je gaven! Overal kun je nuttig zijn als je een goed en verstandig mensch bent. Overal in [103]de wereld is er behoefte aan consciëntieuze arbeidsters!” Dat is iets waar iedereen naar streven kan, begrijp je? dat ligt in ieders macht. Als ze dat aan de meisjes leerden zouden zij vroolijk en dapper aan het werk kunnen gaan in plaats van nou onbevredigd te zitten hunkeren.”
Edward zag haar even aan, heel ernstig nu, blijkbaar gefrappeerd. Toen keek hij weer in het boek en bleef bladeren terwijl Hilda zachtjes op en neer wippend in haar schommelstoel hem heimelijk bestudeerde.
Van den beginne af aan had zij geloofd dat er onder zijn jongensbluf, veel goedhartigheid en intelligentie scholen. Maar hoe langer hoe meer had zij sterk het gevoel dat het heel jammer van hem was als hij zoo voortging op dien weg!
Op eenmaal stond hij weer voor haar.
„Hildy geloof je dat het uit is tusschen Rooselaar en Corry?”
Hilda zag zeer ernstig.
„Ik weet het niet, maar ik vrees dat ze verschrikkelijk met hem gespeeld heeft en nog speelt. Eergisteren aan het strand kwam hij ons aanspreken en was ze weer erg lief tegen hem. Ik had kunnen huilen toen ik zag hoe gelukkig ie daardoor was, en gisterenavond, je hebt zelf gezien hoe ze toen weer met von Görtzen deed!”
Edward draaide zich in eens om: „Verdomd!” zeide hij tusschen zijn tanden en liep fluitend den tuin in.
Hilda zag hem na, en voor het eerst voelde zij iets als vriendschap in zich opwellen voor een van haar huisgenooten.
Eugénie had gelijk: Hij was nog parvenu, parvenu van geest en van leeftijd, pedant en overmoedig, maar hij kon tenminste nog ernstig zijn en onder zijn geaffecteerd cynisme lag waarschijnlijk meer gemoed dan onder de snoezigste glimlachjes van zijn zusters. [104]
Darmowy fragment się skończył.